ECLI:NL:GHARL:2025:8753

ECLI:NL:GHARL:2025:8753

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 15-08-2025
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 21-004096-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verdachte niet strafbaar, ontslag van alle rechtsvervolging. Hof van oordeel dat in deze zaak geen noodzaak (meer) bestaat om aan verdachte nog een strafrechtelijke dwangmaatregel op te leggen. Oplegging van een tbs-maatregel (al dan niet met voorwaarden) zou in de beschreven context disproportioneel zijn.

Uitspraak

[verdachte] ,

Het hoger beroep

Onderzoek van de zaak

Het vonnis waarvan beroep

De tenlastelegging

Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Strafbaarheid van de verdachte

Oplegging van straf en/of maatregel

Toepasselijke wettelijke voorschriften

BESLISSING

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004096-24

Uitspraak d.d.: 15 augustus 2025

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 september 2024 met parketnummer 16-250020-23 in de strafzaak tegen

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans verblijvende in P.I. [locatie] .

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 augustus 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van – kort gezegd – bedreiging en mishandeling ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van de oplegging van de tbs-maatregel komt. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij op of omstreeks 26 september 2023 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] met zijn,

verdachtes, armen om haar buik/middel vast te pakken en/of (vervolgens) op te tillen en/of

(vervolgens) mee te sleuren/nemen in de richting van het balkon, althans de voordeur en/of

die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik zweer het je ik ga je nu van het

balkon afgooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. primair

hij op of omstreeks 26 september 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met zijn hand/vuist waarin verdachte een sleutel vasthield, die [slachtoffer] een of meerdere keren op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of op/tegen het been, althans tegen het lichaam, heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

hij op of omstreeks 26 september 2023 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn

hand/vuist waarin verdachte een sleutel vasthield, die [slachtoffer] een of meerdere keren

op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of op/tegen het been, althans tegen het lichaam, te slaan/stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebruikt tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

hij op of omstreeks 26 september 2023 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] met zijn,

verdachtes, armen om haar buik/middel vast te pakken en/of (vervolgens) op te tillen en/of

(vervolgens) mee te sleuren/nemen in de richting van het balkon, althans de voordeur en/of

die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik zweer het je ik ga je nu van het

balkon afgooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. subsidiair

hij op of omstreeks 26 september 2023 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn

hand/vuist waarin verdachte een sleutel vasthield, die [slachtoffer] een of meerdere keren

op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of op/tegen het been, althans tegen het lichaam, te slaan/stompen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Ter beoordeling van de strafbaarheid van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 9 mei 2025, opgemaakt door M.C. Overduin, psycholoog, en de Pro Justitia rapportage van 7 mei 2025, opgemaakt door J.C. Laheij, psychiater, hierna: de deskundigen

Beide deskundigen concluderen – kort gezegd – dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van schizofrenie. Deze stoornis heeft de gedragskeuzes ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed.

De psychiater adviseert om de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet toe te rekenen aan de verdachte, omdat volgens haar sprake was van psychotische belevingen waardoor hij (geheel) beperkt was in zijn keuze- en handelingsvrijheid. De psycholoog onderschrijft voornoemde bevindingen in haar rapport.

Het hof ziet – net als de advocaat-generaal en raadsman – geen aanleiding om aan de bevindingen van voornoemde deskundigen te twijfelen en neemt deze over. Het hof is dan ook van oordeel dat het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte zal voor deze feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De advocaat-generaal heeft de oplegging van een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging gevorderd.

De raadsman heeft bepleit om geen strafrechtelijke maatregel op te leggen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld om (na de reclassering opdracht te hebben gegeven om alsnog voorwaarden te formuleren) een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, eventueel in combinatie met een zorgmachtiging.

Het hof overweegt het volgende. Er zijn over verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedragskundige rapportages uitgebracht. De deskundigen Overduin en Laheij concluderen in voornoemde Pro Justitia rapportages van mei 2025 dat verdachte enige tijd vóór de pleegdatum van de tenlastegelegde feiten op voorschrijven door zijn nieuwe psychiater was gewisseld van de antipsychotica die hij in depotvorm kreeg, waarna een psychotische ontregeling plaatsvond. Daarna is geprobeerd met een vernieuwde depot-medicatie zijn toestandsbeeld te stabiliseren, hetgeen (mede vanwege verdachtes verhoogde metabolisme) niet onmiddellijk lukte. In die context vonden de bewezenverklaarde feiten plaats. Rondom zijn veroordeling in eerste aanleg is door zijn behandelaars verder gezocht naar een juiste antipsychotische medicatie voor verdachte, met aanvankelijk wisselende resultaten, zoals ook volgt uit de rapportages van de Pro Justitia deskundigen uit april 2024 die de rechtbank aan haar vonnis ten grondslag heeft gelegd. De deskundigen die in mei 2025 rapporteerden stellen vast dat op dat moment weliswaar nog steeds sprake is van een chronische psychiatrische aandoening, maar dat het algemene beeld vanwege de inmiddels nog verder bijgestelde medicatie milder is. Verdachte stelt zich bovendien volgzaam en hanteerbaar op naar zijn behandelaars en zijn zus (slachtoffer en tevens mentrix). Ook conformeert hij zich al langere tijd zonder enige dwang aan de huidige behandeling en accepteert hij zijn depot zonder problemen. Volgens de deskundigen is echter de verwachting dat louter een civielrechtelijke maatregel onvoldoende mogelijkheden biedt om verdachte langdurig de geslotenheid en intensieve zorg te bieden die hij op basis van zijn toestandsbeeld en de langdurige ontregeling behoeft, temeer omdat een (civielrechtelijke) zorgmachtiging niet gericht is op risicomanagement en delictpreventie. Vanwege de hiervoor beschreven positieve accentverschuiving in toestandsbeeld en behandelperspectief ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerdere Pro Justitia rapportages schatten zij echter in dat binnen een tbs-maatregel met voorwaarden dit langdurige klinische behandeltraject gerealiseerd kan worden. Bij het wegvallen van het klinische forensische kader wordt het recidiverisico als ‘hoog’ ingeschat. Ter terechtzitting heeft deskundige Laheij deze conclusie herhaald.

Het hof heeft tevens gelet op het maatregelenrapport van reclasseringswerker [naam] van 17 juli 2025 en diens verklaring tijdens de terechtzitting in hoger beroep. Deze deskundige adviseert negatief over een tbs-maatregel met voorwaarden. [naam] stelt zich bovendien op het standpunt dat het opleggen van een tbs-maatregel niet noodzakelijk is om de maatschappij tegen verdachte te beschermen. Hij is van mening dat de problematiek van verdachte het best te behandelen is met (civielrechtelijk) medicatiebeleid. De deskundige staat dan ook niet afwijzend tegenover een mogelijke doorstroom naar een verplicht gesloten zorgtraject voor verdachte, met een civielrechtelijke zorgmachtiging en continuering van de huidige antipsychotische medicatie.

Uit hetgeen naar voren is gebracht ter terechtzitting van het hof door de zus van verdachte en die ter zitting behalve als slachtoffer ook als getuige werd gehoord blijkt dat zij erg betrokken is. Zij heeft wekelijks contact met de hulpverleners van verdachte en bezoekt hem regelmatig. Ook heeft zij ter terechtzitting verklaard dat verdachte goed naar haar luistert en zich houdt aan de afspraken. Zij is tevens bereid om verdachte samen met de familie op te vangen op het moment dat hij naar huis mag. Zij acht terbeschikkingstelling niet nodig.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan en na afloop van het onderhavige feit, niet (recent) is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Er kan dan ook niet worden gesproken van een delictpatroon.

Het hof overweegt al het voorgaande overziende het volgende en sluit daarbij aan bij hetgeen door de officier van justitie in eerste aanleg naar voren is gebracht: ‘Verdachte heeft beperkte documentatie. Het is een ernstig delict, maar het is ook beperkt gebleven omdat hij zich heeft laten stoppen in de door hem geuite bedreiging. Sinds januari 2024 is hij stabiel en is geen sprake van incidenten. Verdachte is al eerder langdurig stabiel geweest en de ontregeling lijkt mede veroorzaakt te zijn door een wijziging in de medicatie. Deze wijziging vond bovendien niet plaats op verzoek van verdachte, maar op initiatief van [zorginstelling] .’ Naast het gegeven dat sprake is van een duidelijk aanwijsbare oorzaak voor de ontregeling van verdachte, die niet door hemzelf is ingezet, constateert het hof – onder verwijzing naar hetgeen door de deskundigen in hun rapporten van mei en juli 2025 is benoemd – dat verdachte het momenteel goed doet en dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van zijn behandelaars en zijn zus. Daarnaast is sprake van een vangnet bij thuiskomst, doordat de familie gemotiveerd is om verdachte op te vangen. Het hof stelt bovendien vast dat de familie in eerdere situaties steeds tijdig en proactief heeft gehandeld door signalen en zorgen te melden bij de betrokken instanties zodat zo nodig een zorgmachtiging kon worden aangevraagd. Dit biedt een belangrijke indicatie dat eventuele toekomstige zorgen op een passende wijze zullen worden geadresseerd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de verdachte zich niet zal blijven committeren aan de noodzakelijke behandeling en begeleiding met behulp van zijn familie.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen noodzaak (meer) bestaat om aan verdachte nog een strafrechtelijke dwangmaatregel op te leggen en dat oplegging van een tbs-maatregel (al dan niet met voorwaarden) in de beschreven context disproportioneel zou zijn.

Het hof heeft gelet op de artikelen 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte daarvoor niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr. P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. D.A.C. Koster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.E. Schoenmakers, griffier,

en op 15 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.A.H. Lemaire
  • mr. L.G.J.M. van Ekert
  • mr. D.A.C. Koster

Griffier

  • mr. H.E. Schoenmakers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?