Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000009-25
Parketnummer: 21-005813-23
Uitspraak d.d.: 22 september 2025
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
te dezer zake domicilie kiezende aan de [adres] ,
ten kantore van zijn raadsman: mr. J.B.A. Kalk,
hierna te noemen: verzoeker.
Procesgang
In een op 23 december 2024 door het hof ontvangen verzoekschrift heeft verzoeker gevraagd om een vergoeding ten laste van de Staat van € 49.097,85 voor de schade die hij ten gevolge van in een strafzaak ondergane detentie heeft geleden, zoals nader in het verzoekschrift omschreven.
Het hof heeft het verzoek op 8 september 2025 in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens verzoeker mr. Kalk.
Beoordeling van het verzoek
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 24 september 2024 is verzoeker vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De strafzaak is daarmee geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
De raadsman heeft het verzoek nader toegelicht en gepersisteerd bij het verzoek.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebruikelijke forfaitaire vergoeding kan worden toegekend voor de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis, dat de gevraagde vergoeding voor gederfde inkomsten kan worden toegewezen tot € 22.680,-, dat de gevraagde vergoeding voor de contractbreuk onvoldoende is onderbouwd en bijgevolg niet voor vergoeding in aanmerking komt en dat de gevraagde vergoeding voor de gemiste vakanties en de telefoonkosten kan worden toegekend.
Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten kan de rechter ingevolge artikel 533, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering op verzoek van de gewezen verdachte, indien en voor zover daarvoor alle omstandigheden in aanmerking genomen gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van ondergane verzekering en/of voorlopige hechtenis.
Verzoeker is op 22 augustus 2023 in verzekering en op 25 augustus 2023 in bewaring gesteld. Op 22 november 2023 is verzoeker in vrijheid gesteld. Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in voorarrest heeft gezeten wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Verzoeker heeft met inachtneming van dit uitgangspunt 93 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het hof is van oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker voor ondergane detentie een schadevergoeding toe te kennen. Het hof neemt hierbij als uitgangspunt de gebruikelijke hiervoor gehanteerde tarieven: € 130 per dag die geheel of gedeeltelijk in verzekering op een politiebureau is doorgebracht en € 100 per dag die geheel of gedeeltelijk in een huis van bewaring is doorgebracht. Voor het bepalen van de vergoedingsmaatstaf geldt dat een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130 maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100 wordt aangemerkt als een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100.
Het hof stelt voorop dat de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest compensatie biedt voor zowel immateriële als materiële schade. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het hof gebleken dat verzoeker door de verzekering en voorlopige hechtenis inkomsten is misgelopen en dat de door verzoeker daadwerkelijk geleden schade groter is dan een vergoeding op basis van de forfaitaire bedragen.
Het hof stelt de extra schade in de vorm van gederfde netto-inkomsten uit gemiste werkzaamheden voor Hogenbirk Infra schattenderwijs vast, uitgaande van 56 werkdagen (vijf werkdagen per week in de periode van 22 augustus 2023 tot en met 22 november 2023 minus elf vakantiedagen) en € 240 per dag (8 uur x € 30), op een bedrag van € 13.440.
Het hof zal voor het overige het verzoek om vergoeding van gederfde inkomsten en het verzoek om vergoeding van een contractuele boete, afwijzen. Onvoldoende is onderbouwd dat verzoeker na zijn invrijheidstelling op 22 november 2023 geen inkomsten als zelfstandige meer heeft gehad. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat verzoeker de werkzaamheden voor Autoschade Marssteden zou hebben uitgevoerd in dezelfde periode waarin hij voor Hogenbirk Infra al veertig uur per week werkzaamheden verrichtte. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de boeteclausule is ingeroepen en een contractuele boete is betaald.
Als iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen geldt met het oog op het begroten van de door hem geleden schade, die als vermogensschade moet worden aangemerkt, als uitgangspunt dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen (HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, rechtsoverweging 3.1.1).
De uitgaven van in totaal € 1.294,22 voor twee vakanties waar verzoeker ten gevolge van het voorarrest niet aan heeft kunnen deelnemen, hebben hun doel gemist en kunnen in lijn met de zojuist aangehaalde rechtspraak worden aangemerkt als vermogensschade. De gevraagde vergoeding voor de kosten van de gemiste vakanties wordt toegewezen.
De verzochte vergoeding voor de kosten van een telefoonabonnement van € 123,63 over drie maanden, komt ook voor vergoeding in aanmerking. Daarbij weegt het hof mee dat het verzoekers zakelijke telefoon betrof en hij in de vorm van een eenmanszaak zijn eigen onderneming dreef.
Het hof zal aan verzoeker de volgende vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor:
- drie dagen politiebureau à € 130 € 390,00
- negentig dagen huis van bewaring à € 100 € 9.000,00
- gederfde inkomsten € 13.440,00
- gemiste vakanties € 1.294,22
- abonnementskosten telefoon € 123,63 (+
Totaal € 24.247,85
Het hof zal het verzoek voor het overige afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Kent toe aan verzoeker een vergoeding ten laste van de Staat van € 24.247,85 (vierentwintigduizend tweehonderdzevenenveertig euro en vijfentachtig eurocent).
Wijst af wat meer of anders is verzocht.
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van: ‘ [verzoeker] – 533 Sv’.
Aldus gegeven door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. A.H. Garos en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 22 september 2025 ter openbare zitting uitgesproken.