[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Hierna ‘betrokkene’.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens betrokkene door zijn raadsman, mr. H.J. Andel, naar voren is gebracht.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij beslissing van 31 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van in totaal € 18.321,99. De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank op datzelfde bedrag vastgesteld.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en er opnieuw recht wordt gedaan.
De vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 57.018,99 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie de vordering vanwege een herberekening verlaagd tot een bedrag van € 51.435, met de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 19.096 en dat aan de betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 7.727,46.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De hoofdzaak
De betrokkene is bij vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2022 met parketnummer 18-172399-21 veroordeeld voor – kort samengevat – het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; oplichting, meermalen gepleegd; poging tot oplichting, meermalen gepleegd en diefstal waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd en het medeplegen daarvan.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 12.595,99. Het hof komt als volgt tot deze schatting.
De wijze van vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof, evenals de rechtbank, als uitgangspunt voor de berekening het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e lid 2 Sr van 28 december 2021. Het rapport bevat een opsomming van de verkregen opbrengsten van alle feiten, in totaal tot een bedrag van
€ 57.018,99.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof, evenals de rechtbank, alleen uitgaan van de in het vonnis in de strafzaak bewezenverklaarde feiten en de bedragen die daarin zijn genoemd. Hoewel betrokkene geen openheid van zaken heeft gegeven, blijkt uit het dossier wel dat hij niet alleen handelde. Anders dan de rechtbank gaat het hof er daarom vanuit dat aannemelijk is dat bij elke zaak tenminste twee personen betrokken zijn geweest. Het hof sluit daarbij deels aan bij het door de raadsman gevoerde verweer. Daarom zal het hof, gebruikmakend van zijn schattingsbevoegdheid de bedragen die door de rechtbank niet door twee zijn gedeeld, alsnog delen door twee.
In afwijking van het rapport gaat het hof bij zaak 4 ( [zaak 4] ) uit van een opbrengst van € 6.201,99 in plaats van € 5.000,00. In de aangifte van [zaak 4] staat vermeld dat er € 5.000,00 was afgeschreven van haar rekening, maar dit bleek later meer te zijn. Bij zaak 11 ( [zaak 11] ) volgt het hof de aangifte van [zaak 11] , in combinatie met de rekeningafschriften. Daaruit blijkt dat er € 6.400,00 is afschreven, in plaats van de in het rapport genoemde € 6.411,00. Bij zaak 16 ( [zaak 16] ) gaat het hof, anders dan het rapport, uit van een opbrengst van € 3.740,00. Uit de rekeningafschriften blijkt dat er € 4.230,00 is afschreven, maar dat er
€ 490,00 is teruggehaald door de bank.
Bovenstaande levert de volgende berekening op:
Zaak 1 ( [zaak 1] ): € 750,00/3 = € 250,00
Zaak 3 ( [zaak 3] ): € 4.650,00/3 = € 1.550,00
Zaak 4 ( [zaak 4] ): € 6.201,99/2 = € 3.100,99
Zaak 11 ( [zaak 11] ): € 6.400,00/2 = € 3.200,00
Zaak 12 ( [zaak 12] ): € 1.000,00/2 = € 500,00
Zaak 14 ( [zaak 14] ): € 3.250,00/2 = € 1.625,00
Zaak 16 ( [zaak 16] ): € 3.740,00/2 = € 1.870,00
Zaak 18 ( [zaak 18] ): € 1.000,00/2 = € 500,00
Totaal: € 12.595,99
Nu de betrokkene niets heeft verklaard over mogelijke kosten die hij heeft gemaakt, zal het hof geen kosten in aftrek brengen.
Het bovenstaande betekent dat het hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 12.595,99
De verplichting tot betaling aan de Staat
Ter terechtzitting heeft de raadsman van de betrokkene aangevoerd dat onder betrokkene onder andere een auto in beslag is genomen waarvan de opbrengsten zijn verrekend met de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Nu de betrokkene de in de strafzaak opgelegde schadevergoedingsmaatregelen heeft voldaan, zal dit in mindering worden gebracht bij de verplichting tot betaling aan de Staat. Het betreft een bedrag van € 11.368,54.
Dit leidt tot de volgende som: € 12.595,99 - € 11.368,54 = € 1.227,45.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van: € 1.227,45.
Gijzeling
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarbij voor elke € 50,00 van het totale bedrag één dag gijzeling wordt gerekend en een maximum van 1.080 dagen geldt. Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 12.595,99 (twaalfduizend vijfhonderdvijfennegentig euro en negenennegentig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.227,45 (duizend tweehonderdzevenentwintig euro en vijfenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 24 dagen.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. Z.J. Oosting en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Dijkman, griffier,
en op 11 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.