[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.
Tevens heeft het hof kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partij [benadeelde] door de gemachtigde [gemachtigde] is aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte bij vonnis van 23 november 2023 ten aanzien van de tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 1.199,33. De politierechter heeft tevens beslist dat voor zover er beslag ligt op het geldbedrag van € 357,50, dit geldbedrag dient te worden teruggegeven aan verdachte.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 9 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk
- een telefoon en/of
- een bril, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.hij op of omstreeks 9 februari 2023 te [plaats] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (met kracht) op de grond te duwen en/of te gooien en/of te werpen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde vernieling. Ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte aangever op de grond heeft geduwd.
Standpunt van de verdachte
Verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling en mishandeling. Verdachte zou aangever enkel hebben staande gehouden, nadat aangever er na een aanrijding vandoor wilde gaan. Verdachte heeft aangever bij zijn schouder vastgepakt en vervolgens is aangever zelf gestruikeld. Op het moment dat aangever viel, zou verdachte aangever nog vast hebben gehad.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring uit van de volgende bewijsmiddelen.
Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij op 9 februari 2023 op de [straat 1] te [plaats] stond te wachten voor een rood stoplicht. Aangever dacht dat er iemand tegen de achterkant van zijn auto was gereden en is daarom uit zijn auto gestapt. Uit het busje dat achter de auto van aangever stond, stapte een man (het hof begrijpt: verdachte). Aangever stelde voor om een stukje door te rijden om daar te kijken wat er was gebeurd. Op de [straat 2] hebben aangever en verdachte hun auto’s geparkeerd en zijn zij uitgestapt. Aangever verklaart dat hij op dat moment zijn telefoon in zijn hand had. Zijn telefoon had op dat moment nog geen beschadigingen op het scherm. Aangever merkte dat verdachte niet meer zo kalm was. Even later greep verdachte aangever vast bij zijn bovenlichaam en gooide hij aangever op de grond. Aangever verklaart dat hij op dat moment zijn telefoon in zijn hand had. Verdachte rukte zijn telefoon uit zijn hand en gooide de telefoon weg. Direct daarna pakte verdachte de bril van aangever zijn gezicht af en gooide hij ook de bril weg. Aangever zag even later dat het scherm van zijn telefoon vol krassen en sterren zat. Ook zag hij dat zijn bril was beschadigd.
De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben verklaard dat zij een man hard ‘auw’, of woorden gelijke strekking, en ‘help’ hoorde roepen. Zij zagen dat aan de overkant van de weg twee mannen elkaar vast hadden. De verbalisanten zagen dat een man, naar later bleek aangever, op de grond viel en dat de andere man, naar later bleek verdachte over hem heen boog. De verbalisanten zijn vervolgens naar de mannen toegerend. De verbalisanten zagen dat verdachte in zijn hand een telefoon vasthad en dat hij deze hoog in de lucht gooide. De bril van aangever werd even later door de verbalisant [verbalisant 2] in de middenberm gevonden.
Aangever heeft verklaard dat hij de volgende dag wakker werd met een dikke en opgezwollen enkel. Aangever is vervolgens naar de huisarts gegaan en deze vertelde hem dat hij een behoorlijke kneuzing had aan zijn enkel. Het letsel wordt ondersteund door het fotoblad met foto’s van de enkel van aangever.
Overweging met betrekking tot bewijs
Het hof is van oordeel dat op basis van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde] en vernieling van diens telefoon en bril. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt dat de verklaring van aangever op wezenlijke punten wordt ondersteund door zowel de bevindingen van verbalisanten als het letsel aan de enkel van aangever. De verbalisanten hebben weliswaar niet waargenomen dat verdachte aangever op de grond heeft gegooid, maar hetgeen zij wel hebben waargenomen past bij de verklaring van aangever dat verdachte niet meer “zo kalm was” en dat aangever door verdachte op de grond is gegooid. Aldus stelt het hof vast dat verdachte de agressor was en aangever heeft aangevallen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op of omstreeks 9 februari 2023 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk
- een telefoon en/of
- een bril, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.hij op of omstreeks 9 februari 2023 te [plaats] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (met kracht) op de grond te duwen en/of te gooien en/of te werpen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigd, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van bewezenverklaarde onder feit 1 zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,- waarvan
€ 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte heeft geen verweer omtrent de strafoplegging gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en beschadiging. Verdachte heeft, nadat er bij een stoplicht een aanrijding had plaatsgevonden, het slachtoffer, zijnde een oudere man, vastgepakt en op de grond gegooid. Vervolgens heeft verdachte de telefoon en bril van het slachtoffer afgepakt en heeft hij deze weggegooid. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Tevens heeft verdachte het slachtoffer veel angst aangejaagd en blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarnaast leveren dergelijke feiten in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid op in de samenleving. Het hof rekent verdachte dit alles aan. Het hof neemt verdachte het extra kwalijk dat hij nog steeds geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen .Tijdens de terechtzitting in hoger beroep bleef hij maar doorgaan met het beledigen van het slachtoffer en zijn zoon. Daarmee heeft verdachte laten zien over weinig reflecterend vermogen te beschikken en niet in staat te zijn kritisch naar zijn eigen gedrag te kijken. Daarom is niet uit te sluiten dat verdachte ook bij volgende keren met agressie zal reageren wanneer de zaken niet zo lopen als hij wil dat ze gaan. Het hof is van oordeel dat sprake is van recidiverisico. Dat maakt dat het hof een (voorwaardelijke) gevangenisstraf zal opleggen aan verdachte.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
Het hof acht alles afwegende de oplegging van een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Beslag
Het hof stelt vast dat er geen strafrechtelijk beslag ligt op het inbeslaggenomen geldbedrag. Het hof zal daarom ook geen beslissing nemen ten aanzien van het beslag.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.538,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.199,33. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte betwist dat hij schade heeft veroorzaakt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag € 1.529,95. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof baseert de hoogte van de materiële schade schattenderwijs op de door de benadeelde partij verstrekte stukken:
€ 1.129,95
Het hof overweegt ten aanzien het schadebedrag met betrekking tot de telefoon dat de aanschafwaarde kan worden toegekend, omdat als uitgangspunt bij de berekening van de schade heeft te gelden dat de benadeelde partij zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij of zij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit zou zijn uitgebleven. Dat de benadeelde partij bij de aanschaf van de telefoon een korting heeft gekregen en dat de telefoon al enkele maanden oud was, is, anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, niet relevant.
Het hof wijst de vordering van de immateriële schade toe tot een bedrag van € 400,-.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.529,95 (duizend vijfhonderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 1.129,95 (duizend honderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.529,95 (duizend vijfhonderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) bestaande uit € 1.129,95 (duizend honderdnegenentwintig euro en vijfennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 februari 2023.
Aldus gewezen door
mr. H.A. van Eijk, voorzitter,
mr. D.R. Sonneveldt en mr. J.F.C. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Ruiter, griffier,
en op 17 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 oktober 2025.
Tegenwoordig:
mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,
mr. R Krijtenburg, advocaat-generaal,
mr. C.D. Maris, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.