[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Colombia)
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. [plaats 1]
Hoger beroep
verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 6 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat hij wordt veroordeeld voor het onder 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Konya, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. De politierechter heeft verder de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 989,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest tot een gedeeltelijk andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij, op of omstreeks 5 oktober 2024 te [plaats 2] , in elk geval in de gemeente [plaats 2] , op de openbare weg, te weten [straatnaam] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een koptelefoon, in elk geval van enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] of een derde toebehoorde(n), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met voornoemd oogmerk,
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) deze tegen die [benadeelde] heeft gehouden en/of gestoken;
- die [benadeelde] , de woorden heeft toegevoegd: "Ik zie dat je een koptelefoon hebt, dan wil ik die hebben" en/of woorden van gelijke strekking,
waardoor, althans mede waardoor, die [benadeelde] werd gedwongen tot bovenomschreven afgifte;
2.
hij, op of omstreeks 20 april 2025 te [plaats 2] , een fatbike, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Verdachte wordt onder 1 kortgezegd verweten dat hij [benadeelde] heeft afgeperst door hem te dwingen een koptelefoon af te geven. Uit de aangifte van [benadeelde] kan worden afgeleid dat hij in de vroege ochtend van 4 oktober 2024 door een hem onbekende man is aangesproken, en dat deze man vervolgens onder meer een puntig voorwerp tegen hem heeft gehouden en hem heeft gedwongen om zijn koptelefoon af te staan. Aangever heeft een signalement van deze man gegeven en het dossier bevat camerabeelden waarop aangever en de betreffende man te zien zijn. Deze beelden zijn onder politieambtenaren verspreid en dat heeft ertoe geleid dat verbalisant [verbalisant] de man op de beelden heeft bekeken en deze herkend heeft als verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende zijn verhoor bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en is ter zitting bij de politierechter niet verschenen. Ter zitting in hoger beroep zijn hem de relevante camerabeelden getoond. Verdachte heeft stellig ontkend dat hij de persoon is die samen met aangever op de beelden te zien is.
Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan, ook wanneer deze door verbalisanten worden gedaan. Dit geldt temeer wanneer deze herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het hem tenlastegelegde kunnen aantonen, zoals hier het geval is. Bij de beoordeling van het bewijs dient te worden getoetst of de aan de hand van de beelden door de verbalisant gedane herkenning voldoende betrouwbaar is om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre hierop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Hierbij spelen de kwaliteit van de camerabeelden of foto’s en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop een belangrijke rol. Daarnaast is van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem of haar herkende persoon eerder heeft gezien.
Het hof constateert dat de man op de camerabeelden, die verbalisant [verbalisant] herkent als verdachte, een pet draagt waardoor zijn gelaat of de contouren daarvan vanwege de klep van de pet en het standpunt van de camera niet (goed) zichtbaar zijn.
Verbalisant [verbalisant] heeft de herkenning van verdachte dan ook op andere uiterlijke kenmerken gebaseerd. [verbalisant] beschrijft in het daartoe opgemaakte proces-verbaal van bevindingen regelmatig in het werk met verdachte te maken te hebben gehad en heeft geverbaliseerd de man op de beelden te herkennen als verdachte vanwege diens opvallende loopje in combinatie met de kleding die de man op de beelden draagt. Dit loopje en de kleding worden weliswaar specifiek door de verbalisant omschreven, maar naar het oordeel van het hof gaat het daarbij – ook in samenhang bezien - om kenmerken die onvoldoende onderscheidend zijn om op grond daarvan met voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat verdachte daadwerkelijk de persoon op de beelden is geweest. Daarbij betrekt het hof dat de kleding en schoenen (een baggy spijkerbroek, sport schoenen met witte zolen en een pet) die de man op de camerabeelden draagt vrij gangbare kleding is die door heel veel mensen wordt gedragen terwijl de manier van lopen van deze persoon ook niet voldoende onderscheidend is.
Het hof heeft, nu het dossier geen andere aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bevat, uit het onderzoek op de zitting daarom niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.hij op 20 april 2025 te [plaats 2] een fatbike, die aan [naam] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike. Diefstal is een misdrijf dat doorgaans financiële schade en overlast voor de benadeelde met zich brengt. Door zijn handelen heeft verdachte er bovendien blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander.
Het hof heeft gelet op een uitdraai van het strafblad van verdachte van 5 januari 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld en dat hij onder meer een langdurige gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen voor een groot aantal vermogensdelicten (al dan niet gepaard met geweld). Het hof constateert dat verdachte uit die veroordelingen kennelijk geen lering heeft getrokken en opnieuw een vermogensdelict heeft gepleegd. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Uit een over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 10 juli 2025 en uit de verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep komt over de persoon van verdachte onder meer naar voren dat hij op zijn veertiende vanuit Colombia naar Nederland is gekomen en hier regulier onderwijs heeft gevolgd en in de muziekbranche heeft gewerkt. Verdachte heeft een naar eigen zeggen goed contact met zijn beide ex-partners en zijn drie kinderen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen redenen voor (verdere) strafverzwaring dan wel strafmatiging.
Gelet op de aard en ernst van het feit, bezien in het licht van het strafblad van verdachte, van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 989,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. L.T. Wemes en mr. F. van der Maden, in aanwezigheid van de griffier D.D. Drost en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 februari 2026.