GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.357.732
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 11548589)
beschikking van 23 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats],
advocaat: mrs. J.B.M. Swart en F.B. Mahabali
tegen
Star Automaterialen Utrecht B.V.,
gevestigd te Utrecht,
hierna: Star
advocaat: mr. K. Tülü
1. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure is als volgt:
- het beroepschrift
- het verweerschrift met daarin een incidenteel hoger beroep
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep
- nagekomen stukken van Star
- nagekomen stukken van [appellant]
- het verslag (proces-verbaal) van de op 7 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarop beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald.
2. De kern van de zaak
[appellant] was als bedrijfsleider werkzaam voor Star, een bedrijf dat in automaterialen handelt. Terwijl [appellant] daar werkte, heeft hij software ontwikkeld die het voor professionele afnemers mogelijk maakt om de prijzen van Star en andere leveranciers te vergelijken. Nadat [appellant] daarop door zijn werkgever is aangesproken, heeft hij zich ziek gemeld. Daarna is nog de verdenking gerezen dat hij een eigen online onderneming was gestart in automaterialen.
Bij de kantonrechter heeft Star verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden per datum uitspraak of tegen een zo kort mogelijke termijn en te bepalen dat [appellant] geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [appellant] in de kosten. Bovendien maakte Star aanspraak op een contractuele boete wegens het overtreden van bepalingen uit de arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft tegenverzoeken ingediend, voor het geval de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou overgaan, namelijk ontbinding per 1 juli 2025 en toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bovendien verzocht [appellant] een verklaring voor recht dat Star aansprakelijk is voor schade die [appellant] lijdt door gemiste pensioenrechten met een veroordeling tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat. Tenslotte verzocht [appellant] dat Star zou worden veroordeeld om hem achterstallig loon en overwerktoeslag, beide met de wettelijke verhoging, en buitengerechtelijke kosten te betalen.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per datum uitspraak zonder toekenning van een transitievergoeding. [appellant] moet een boete betalen van € 15.000. Verder heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Star de schade van [appellant] door gemiste pensioenrechten moet vergoeden en dat die schade in de schadestaatprocedure moet worden vastgesteld.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de verzoeken van Star worden afgewezen, maar zonder herstel van de arbeidsovereenkomst. Verder verzoekt hij toekenning van de transitievergoeding, een billijke vergoeding en betaling van € 42.648,19 als achterstallig loon door overwerk en een eindafrekening. Star heeft verweer gevoerd en ook zelf (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Zij wil dat de verzoeken over de pensioenschade alsnog worden afgewezen, maakt aanspraak op nog eens twee keer € 15.000 aan boetes en/of schadevergoeding en wil dat [appellant] loon terugbetaalt dat Star tijdens zijn ziekte aan hem heeft betaald. Ten slotte verzoekt Star een verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor schade van Star, met verwijzing naar de schadestaatprocedure, en afgifte of vernietiging van stukken met bedrijfsinformatie van Star waarover [appellant] beschikt en een verbod aan hem om vertrouwelijke informatie te openbaren.
3. Het oordeel van het hof
De beslissing in het kort
Het hof komt net als de kantonrechter tot het oordeel dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, de boete van € 15.000 is verschuldigd en geen aanspraak kan maken op de transitievergoeding, een billijke vergoeding en betaling van achterstallig loon. Net als de kantonrechter acht het hof Star aansprakelijk voor de pensioenschade van [appellant] en daarnaast moet Star de eindafrekening betalen. Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot deze beslissing komt.
De beoordeling door het hof
Het hof neemt de vaststelling van de feiten door de kantonrechter over en maakt die tot de zijne, nu daartegen geen grieven zijn gericht. Voor een goed begrip neemt het hof daarvan een korte samenvatting op, als volgt. [appellant] is in 2015 in dienst gekomen bij Star Amersfoort en die arbeidsovereenkomst is in juni 2018 door Star (Utrecht) overgenomen. In de arbeidsovereenkomst met Star Amersfoort was opgenomen dat de werknemer toetreedt tot het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel. In de latere arbeidsovereenkomst met Star staat onder het kopje ‘Pensioen’ enkel vermeld: “Conform pensioenreglement”. In de arbeidsovereenkomst met Star is in artikel 14 onder meer bepaald dat [appellant] geen werkzaamheden mag verrichten voor derden en niet voor eigen rekening mag werken, als dat strijdig is met het belang van de werkgever. Verder staat er, kort weergegeven, dat [appellant] geen relaties van Star mag proberen te bewegen om bij derden concurrerende diensten of producten af te nemen. Als Star zich hier niet aan houdt, is hij een boete verschuldigd van € 15.000 per overtreding.
In aanvulling op de feitelijke vaststelling door de kantonrechter stelt het hof nog het volgende vast. Tijdens het dienstverband met Star Amersfoort betaalde [appellant] premie voor de pensioenopbouw. Sinds [appellant] bij Star werkt is er geen pensioenpremie ingehouden op het loon van [appellant] of afgedragen aan het pensioenfonds door Star. Verder is nog van belang dat [appellant], terwijl hij bij Star in dienst was, onder de naam [naam computerprogramma] een computerprogramma heeft ontwikkeld (of laten ontwikkelen) waarmee het voor afnemers van Star – vooral garagebedrijven – mogelijk is om te vergelijken welke aanbieder van automaterialen het voordeligst is. Na een anonieme melding is [appellant] daarop aangesproken, waarna hij zich ziek heeft gemeld. Volgens de bedrijfsarts was [appellant] niet ziek maar arbeidsongeschikt als gevolg van een conflict met de werkgever.
[appellant] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld
Dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, baseert het hof op de volgende overwegingen. Het (laten) ontwikkelen van de software voor [naam computerprogramma] is op zichzelf niet verwijtbaar. Het staat een werknemer vrij om dergelijke activiteiten te ontplooien, ook als die gericht zijn op een toekomstige eigen onderneming en ook als die zou kunnen concurreren met de huidige werkgever. Wat [appellant] niet vrij stond, was het ontwikkelen van dat programma, gericht op zijn eigen onderneming, onder werktijd bij en van Star. Dat daarvan sprake was, blijkt uit de verklaringen van diverse collega’s van [appellant] en hij heeft dat ook erkend. Uit die verklaringen volgt niet hoeveel tijd hij eraan heeft besteed, maar het was wel zoveel dat het zijn collega’s – zijn ondergeschikten – was opgevallen en het voor hen reden was om daarover aan de bel te trekken. Het was [appellant] ook niet toegestaan om [naam computerprogramma] te lanceren, dus zijn eigen onderneming te beginnen, terwijl hij (nog) werkzaam was voor Star. Het was hem immers op grond van de arbeidsovereenkomst verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten die strijdig zouden zijn met het belang van Star. [appellant] heeft daarover gesteld dat [naam computerprogramma] een vergelijkingswebsite is voor auto-onderdelen en dat bij toepassing van de vergelijkingsmogelijkheid blijkt dat Star veelal de goedkoopste aanbieder is van die onderdelen. [appellant] verdient zelf niet aan de al dan niet afgesloten transacties, dus daar heeft hij geen belang bij; het verdienmodel van [naam computerprogramma] is namelijk dat de afnemers die er gebruik van willen maken een abonnement moeten aangaan. Kortom, het uitbrengen van de software is niet strijdig met het belang van Star. Dat verweer kan hem niet baten. Star acht het immers niet in haar belang dat haar afnemers kunnen beschikken over vergelijkingssoftware, prijzen kunnen vergelijken en, naar het hof begrijpt, dus in voorkomende gevallen kunnen overstappen naar een goedkopere aanbieder. Het is in de eerste plaats aan Star om haar belang te definiëren en het hof ziet geen reden waarom ze zich niet op dat belang kan beroepen. [appellant] had dat ook moeten begrijpen, toen na een demonstratie van de software twee van de eigenaren van Star wel interesse hadden voor de software vanwege enkele onderdelen ervan (klantbeheer en facturatie) maar niet voor de prijsvergelijking. Uit de stellingen van partijen begrijpt het hof dat de prijzen van Star op haar website in beginsel alleen toegankelijk zijn voor klanten, die daarvoor een code krijgen. Kennelijk wilde Star niet dat haar prijzen openbaar zouden worden en tegen die van andere leveranciers zouden kunnen worden afgezet (zie hierna onder 3.5). Daarbij komt dat [appellant] ook tijdens en buiten werktijd klanten van Star heeft proberen te interesseren voor de software zonder dat Star daarvan op de hoogte was en ook daarvoor geldt, dat Star zich op het standpunt kan stellen dat het strijdig met haar belang is dat een werknemer haar klanten probeert te interesseren voor zijn eigen software, temeer uit het gebruik daarvan kan blijken dat een ander dan Star als goedkoopste uit de bus zou kunnen komen.
[appellant] heeft aangevoerd dat hij toestemming had om [naam computerprogramma] te ontwikkelen, omdat hij in een gesprek met enkele eigenaren van Star dat programma heeft gepresenteerd, de werking heeft uitgelegd en besproken heeft of Star het programma of delen ervan wilde benutten. Ook dat verweer slaagt niet. Uit het feit dat enkele van de eigenaren wisten dat hij dat programma ontwikkelde en daar niet tegen protesteerden, kan hij niet de (mondelinge/stilzwijgende) toestemming afleiden om gedurende zijn werknemerschap [naam computerprogramma] ook met commerciële intenties te lanceren. Voor zover [appellant] meende dat hij die toestemming wel uit dat stilzwijgen kon afleiden, komt dat voor zijn risico. De arbeidsovereenkomst bepaalt immers dat die toestemming schriftelijk moet worden gegeven en daar was in elk geval geen sprake van.
Daarbij komt dat [appellant] niet alleen [naam computerprogramma] is gaan exploiteren. Nadat hij erop was aangesproken dat een collega had gemeld dat [appellant] voor zichzelf aan het werk was, is hij op vakantie gegaan en heeft zich daarna ziek gemeld. Vast staat, dat [appellant] zich tijdens deze periode van situatieve arbeidsongeschiktheid – de ziekmelding zonder medische gronden (zie 3.3) – heeft beziggehouden met een ander bedrijf, [onderneming]. Dat is een bedrijf dat in elk geval voor een deel van de werkzaamheden en afnemers concurreert met Star. Dat blijkt alleen al uit het feit dat Star er toevallig achter is gekomen dat een vroegere klant van Star daarna auto-onderdelen heeft afgenomen van [onderneming]. Daaraan doet niet af dat [onderneming] geen fysieke winkel is, zoals [appellant] aanvoert. Waar het om gaat, is dat beide partijen auto-onderdelen verkopen en dat het afzetgebied van [onderneming] overlapt met dat van Star, zodat zich daarmee bezighouden strijdig is met het belang van Star. De verklaring van [appellant] dat hij probeerde te voorkomen dat aan klanten in het afzetgebied van Star zou worden geleverd is onvoldoende om aan te nemen dat Star hiervan geen concurrentie ondervindt of zal ondervinden. Het hof passeert ook het verweer van [appellant] dat het bedrijf [onderneming] niet van hem maar van zijn zoon is. Het hof heeft daar twijfels bij, omdat [onderneming] in het handelsregister valt onder [naam computerprogramma] en het telefoonnummer van [onderneming] dat van [appellant] is. Daarbij is nog van belang dat [appellant] zich in elk geval tijdens zijn periode van ziekte had moeten onthouden van elke directe bemoeienis met een bedrijf dat Star beconcurreert: hij werkte immers niet maar dat had geen medische reden en hij kreeg wel loon, en het arbeidsconflict dat aanleiding gaf tot zijn ziekmelding betrof eveneens het vermoeden van nevenwerkzaamheden die strijdig waren met de belangen van Star. Door toch activiteiten te verrichten voor [onderneming] heeft hij het conflict laten escaleren.
[appellant] is een boete verschuldigd
In de arbeidsovereenkomst is als artikel 14 een ‘nevenwerkzaamheden/relatiebeding’ opgenomen. De tekst luidt:
“Artikel 14: Nevenwerkzaamheden/reiatiebeding
1. Werknemer zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever tijdens de arbeidsovereenkomst direct of indirect, op welke wijze dan ook, geen werkzaamheden voor derden verrichten en zich onthouden van het zaken doen voor eigen rekening, voor zover strijdig met het belang van werkgever. Evenmin zal werknemer voor zichzelf financiële of andere voordelen van derden aanvaarden of bedingen, hetzij direct, hetzij indirect, die geacht kunnen worden in verband te staan met zijn werkzaamheden bij of voor werkgever;
2. Werknemer zal zich onthouden van het doen van pogingen om (potentiële) relaties en/of opdrachtgevers van werkgever direct of indirect te bewegen om diensten of producten af te nemen van derde partijen (waaronder tevens wordt verstaan een opvolgend werkgever van werknemer), voor zover het betreft diensten of producten die ook door werkgever worden aangeboden, die werkgever voornemens is om aan te gaan bieden of die door werkgever aangeboden zouden kunnen gaan worden.”
Overtreding van het verbod op nevenwerkzaamheden wordt in de arbeidsovereenkomst met een boete van € 15.000 per overtreding bedreigd (artikel 16). Zoals volgt uit de voorgaande overwegingen heeft [appellant] dat verbod overtreden door [naam computerprogramma] in de markt te zetten en door mee te werken aan [onderneming]. Verder heeft Star gewezen op het overtreden van het relatiebeding doordat [onderneming] ook levert aan [betrokkene 1] en het proberen om [betrokkene 2] (een relatie van Star) te bewegen in zee te gaan met [naam computerprogramma] en [onderneming]. Ook op elke overtreding van dit beding staat een boete van € 15.000. Volgens [appellant] gaat het bij [betrokkene 1] om een (naar het hof begrijpt) voormalige klant van Star, zodat die niet (meer) onder het relatiebeding valt. Star heeft aangetoond dat [betrokkene 1] in de periode van 13 september 2024 tot 27 september 2025 voor een bedrag van grofweg € 2.500 ex btw aan auto-onderdelen bij [onderneming] heeft besteld. Star heeft echter niet onderbouwd dat [betrokkene 1] in deze periode (nog) een relatie van haar was. Relatie [betrokkene 2] heeft verklaard over het contact met [appellant]: ‘Bij mijn bezoek 23 april 2024 hadden wij gesprekken over Star en stockuitbreiding en tijdens dit bezoek kaarten hij ook aan of wij data wilden delen om zijn eigen webshop te vullen. Heb toen gemeld dat daar geen interesse voor was vanuit ons.’ Gelet op deze verklaring moet het contact van [appellant] met [betrokkene 2] betrekking hebben gehad op [naam computerprogramma] en de vergelijkingstool. Het relatiebeding wordt alleen overtreden als geprobeerd wordt relaties te bewegen om producten of diensten bij derden af te nemen die Star aanbiedt, van plan is aan te bieden of zou kunnen gaan aanbieden. Er is niet gesteld dat Star een vergelijkingstool wilde aanbieden en dat is ook niet gebleken. Van overtreding van het relatiebeding is bij [betrokkene 1] en bij [betrokkene 2] dus geen sprake.
Op grond van het voorgaande pleegde [appellant] ten minste twee verschillende overtredingen waar steeds een boete op is gesteld. Het hof zal de boetes echter matigen en houdt daarbij rekening met de ernst van de overtredingen, de gevolgen hiervan voor [appellant], in het bijzonder het einde van de arbeidsovereenkomst zonder enige vergoeding, alsmede de hoogte van het door hem genoten loon, het vooralsnog kennelijk beperkte commerciële belang bij de nevenwerkzaamheden (althans voordat de arbeidsovereenkomst was ontbonden) maar ook met de totale hoogte van de samenlopende boetes. Het resultaat van deze afweging is dat het boetebedrag in totaal uitkomt op € 15.000.
Overwerk
[appellant] vordert vergoeding voor overwerk, enerzijds omdat hij tot 1 april 2021 het werk op zaterdagen niet vergoed kreeg en anderzijds omdat hij geacht werd vijf dagen per week te maken van 10 uur per dag, terwijl hij voor 40 uur per week betaald kreeg. Het hof wijst deze vordering af. Voor zover de vordering verder teruggaat dan 15 juli 2019 is de vordering verjaard. Het hof wijst het verzoek echter ook af, omdat het beroep van Star op de klachtplicht slaagt. De klachtplicht is geregeld in artikel 6:89 BW en houdt voor dit geval in, dat [appellant] geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie die Star jegens hem is verschuldigd, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt heeft geklaagd. Het moet voor [appellant] van meet af aan duidelijk zijn geweest dat hij slechts voor 40 uur per week kreeg betaald en dat hij meer uren werkte en dat Star dus nooit overwerk uitbetaalde. Mocht hij daar al aan hebben getwijfeld, dan moet dit hem toch zeker duidelijk zijn geworden toen Star met ingang van 1 april 2021 besloot om de uren die op zaterdag gewerkt werden wel te gaan vergoeden. Naar het oordeel van het hof hoefde Star er in elk geval vanaf dat moment niet (meer) mee te rekenen dat [appellant] nog zou klagen over het moeten verrichten van onbetaald overwerk. Het hof is van oordeel dat van [appellant] destijds verwacht kon worden dat hij zou klagen, alleen al gelet op zijn positie als bedrijfsleider. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat er een angstcultuur heerste binnen Star, maar dat heeft hij op geen enkele manier onderbouwd. Het past niet bij het gesprek met de eigenaren dat hij naar eigen zeggen heeft gevoerd over [naam computerprogramma]. Bovendien heeft hij naar eigen zeggen in 2022 wel geklaagd dat er geen pensioen werd opgebouwd. Die stelling is niet verenigbaar met de stelling dat hij niet durfde te klagen. Het hof gaat daar dan ook aan voorbij.Eindafrekening
[appellant] heeft verzocht dat Star wordt veroordeeld tot – kort gezegd – het opstellen van een eindafrekening en het uitbetalen daarvan. Ter zitting bij het hof heeft Star verklaard dat de eindafrekening nog niet is voldaan in afwachting van de procedure in hoger beroep. Omdat de eindafrekening is verschuldigd onafhankelijk van de overige uitkomst van deze procedure kan de vordering van [appellant] worden toegewezen. [appellant] heeft ook aanspraak gemaakt op toekenning van de wettelijke verhoging over het (achterstallig) loon en vakantiegeld. Star is te laat met het betalen zodat het hof de wettelijke verhoging zal toewijzen, in dit geval tot een redelijk geachte 25%. Voor het verbinden van een dwangsom aan het opstellen van de eindafrekening, zoals verzocht door [appellant], ziet het hof geen aanleiding.
Pensioen
[appellant] heeft verder aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade die hij heeft geleden (of zal lijden) doordat Star sinds 2018, toen een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten, geen pensioenpremie voor hem heeft afgedragen. Hij beroept zich daartoe op de bepaling in de arbeidsovereenkomst dat pensioen wordt opgebouwd ‘volgens de pensioenregeling’. Ook wijst hij op de arbeidsovereenkomst uit 2015, waarin is bepaald dat hij kan worden aangesloten bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel, op grond waarvan destijds ook premie op zijn loon werd ingehouden en er daadwerkelijk pensioen werd opgebouwd. Het aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst is in de arbeidsovereenkomst dan ook gedaan en door [appellant] geaccepteerd (artikel 7 Pensioenwet). Star voert hiertegen als verweer dat er bij haar nu eenmaal geen pensioenregeling was zodat de bepaling in de arbeidsovereenkomst van 2018 naar een niet bestaand reglement verwijst en daar geen rechten aan kunnen worden ontleend. Het hof volgt Star daarin niet. Star heeft niet gehandeld overeenkomstig artikel 7 Pensioenwet als zij geen pensioenovereenkomst wilde sluiten. Een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst door de werkgever is in zoverre vormvrij en het hof vat de bepaling in de arbeidsovereenkomst op als een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst.
Star beroept zich ook voor de pensioenovereenkomst op de klachtplicht. Dat beroep slaagt niet. In de eerste plaats is hier geen gebrekkig uitgevoerde prestatie maar is [appellant] op enig moment gebleken dat de prestatie, namelijk het afdragen van pensioenpremie, in het geheel niet is uitgevoerd. [appellant] heeft bovendien aangevoerd dat hij al jaren eerder, volgens hem in 2022, heeft gevraagd of er geen pensioen voor hem meer werd opgebouwd en waarom dat dan niet het geval was. Ter zitting is namens hem verder toegelicht dat het lang duurde voordat hij daar uiteindelijk antwoord op kreeg. Weliswaar is dat in algemene termen betwist, maar tegenover de gedetailleerde toelichting van [appellant] is dat niet voldoende en gaat het hof aan die algemene betwisting voorbij. Ook daarop zou het beroep op de klachtplicht afstuiten. Het hof zal het hoger beroep van Star op dit punt verwerpen.
Onverschuldigd betaald loon tijdens situatieve arbeidsongeschiktheid
Volgens Star heeft zij het loon tijdens de periode van situatieve arbeidsongeschiktheid onverschuldigd betaald en zij wil dat [appellant] dit terugbetaalt. Dat verzoek wijst het hof af. Uit art. 7:628 BW volgt een risicoverdeling voor het geval een werknemer zijn werkzaamheden niet verricht. Uitgangspunt is dat slechts als het niet verrichten van werkzaamheden alleen aan de werknemer is te wijten, hij geen aanspraak op loon kan maken. Star heeft daarvoor te weinig gesteld. Daarbij komt het volgende. Star wist al in juni 2024 dat [appellant] nevenwerkzaamheden verrichtte en weigerde daarover verantwoording af te leggen. Zij heeft zelf echter vervolgens maandenlang nauwelijks stappen ondernomen om [appellant] weer aan het werk te laten gaan. Pas eind november 2024 heeft zij hem gesommeerd om ‘op gesprek te komen’ om de situatie te bespreken, maar dan op zo korte termijn dat het voor [appellant] en zijn gemachtigde praktisch onmogelijk was om daadwerkelijk aan dat gesprek deel te nemen. Dat er geen voortgang in de situatie was en dat [appellant] langere tijd ‘situatief arbeidsongeschikt’ bleef, is dan ook mede het gevolg van afwachtend optreden van de werkgever. In dat geval kan niet worden gezegd dat die situatie het uitsluitend gevolg was van aan de werknemer toe te rekenen handelen. Het risico van het niet werken blijft dan ook voor rekening van de werkgever.
Schadevergoeding vanwege concurentie; vertrouwelijke bedrijfsinformatie
Star wil vergoeding van schade die zij zou hebben geleden door de concurrerende activiteiten van [appellant]. Zij onderbouwt haar verzoeken door omzetgegevens over te leggen van twee voormalige klanten waarvan de namen worden vermeld op een webpagina van [naam computerprogramma]. Volgens haar volgt uit de omzetdaling die uit die omzetgegevens zichtbaar wordt dat zij schade heeft geleden. Het hof volgt Star daarin niet, omdat zij het met [appellant] eens is dat de causaliteit tussen de omzetdaling en het optreden van [appellant] onvoldoende is onderbouwd. Nergens blijkt uit dat die voormalige klanten bij een bedrijf van [appellant] automaterialen kopen of dat hij ze heeft ‘weggelokt’ en [appellant] stelt terecht dat omzetdaling aan vele factoren kan liggen. Het hof zal de verzoeken van Star die zien op schadevergoeding vanwege de concurerende activiteiten dan ook afwijzen.
Star heeft bovendien verzocht om [appellant] te veroordelen tot de afgifte van bedrijfsdocumenten van Star omdat [appellant] zijn stelling dat hij te weinig overwerk kreeg uitgekeerd, had onderbouwd met informatie die mogelijk afkomstig was uit de bedrijfsadministratie van Star. Het is echter niet komen vast te staan dat [appellant] (nog) beschikt over vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Star; [appellant] betwist dat hij daarover beschikt en Star heeft haar stelling verder niet onderbouwd. Dat verzoek kan dan ook niet worden toegewezen. Verder wil Star een verbod tegen [appellant] om vertrouwelijke informatie te verspreiden. [appellant] wijst er terecht op dat een dergelijk verbod, versterkt met een boete, al geldt op grond van de geheimhoudingsbepaling in de arbeidsovereenkomst. Het hof zal dat verzoek dan ook eveneens afwijzen.
Conclusie en proceskostenveroordeling
Het (principaal) hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat hij daarin in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in dat hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
Het (incidenteel) hoger beroep van Star slaagt ook niet en in dat hoger beroep zal het hof haar tot betaling van de proceskosten veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2025;
veroordeelt Star tot het binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking opstellen en aan [appellant] verstrekken van een correcte eindafrekening waarin alle gebruikelijke eindafrekeningscomponenten zijn opgenomen, alsmede tot betaling van het uit die afrekening blijkende netto bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en, voor zover het gaat om (achterstallig) loon of vakantiegeld, een wettelijke verhoging van 25% ex artikel 7:625 BW;
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van Star in het principaal hoger beroep, tot zover vastgesteld op:
- € 827 aan griffierecht
- € 4.704 aan salaris van de advocaat van Star (2 procespunten x tarief IV in hoger beroep),
veroordeelt Star tot betaling van de proceskosten van [appellant] in het incidenteel hoger beroep, tot zover vastgesteld op:
- € 2.352 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x tarief IV in hoger beroep x ½),
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Verkijk, G.A. Diebels en H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.