ECLI:NL:GHARL:2026:1022

ECLI:NL:GHARL:2026:1022

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 21-004369-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het gerechtshof veroordeelt een 62-jarige vrouw voor het jarenlang in hulpeloze toestand laten van vijf van haar minderjarige kinderen (art. 255 Sr). Arrest na terugwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1410), waarin de Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof het tenlastegelegde feit voor de toepassing van de verjaringsregeling ten onrechte als één voortdurend delict had beschouwd en verzuimd had om per kind de verjaring te berekenen. Het hof komt tot de conclusie dat de feiten ten aanzien van vijf van de tien kinderen inmiddels verjaard zijn. Ten aanzien van de andere vijf kinderen oordeelt het hof dat de vrouw de kinderen onvoldoende heeft beschermd tegen de stelselmatige mishandelingen door haar echtgenoot, doordat zij niet voldoende heeft ingegrepen, de kinderen niet in veiligheid heeft gebracht en heeft nagelaten adequate hulp te zoeken.

Uitspraak

[verdachte] ,

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004369-22

Uitspraakdatum: 24 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 11 oktober 2022 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 november 2018 met parketnummer 16-660347-16 in de strafzaak tegen

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Procesverloop

Eerste aanleg

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank van 23 november 2018 voor het tenlastegelegde in hulpeloze toestand laten van tien van haar kinderen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is op 6 december 2018 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 27 oktober 2020 net als de rechtbank veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is op 9 november 2020 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Hoge Raad

Bij arrest van 11 oktober 2022 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd. De zaak is teruggewezen naar dit hof opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 februari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en haar raadsman, mr. J.W.D. Roozemond, hebben aangevoerd.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op het in hulpeloze toestand brengen en laten van haar kinderen [slachtoffer 1] ( [geboortedatum] ), [slachtoffer 2] ( [geboortedatum] ), [slachtoffer 3] ( [geboortedatum] ), [slachtoffer 4] ( [geboortedatum] ) en [slachtoffer 5]

( [geboortedatum] ).

Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moet worden beschouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dat tegen de beschermde vrijspraken is gericht.

Het vonnis voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen

Het hof komt in dit arrest op een aantal punten tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2004 tot en met 27 september 2016 te [plaats 1] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, (telkens) opzettelijk haar kind(eren)

- [slachtoffer 6] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 7] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 8] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 9] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 10] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 11] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 12] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 13] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 14] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 15] ( [geboortedatum] )

tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten, immers heeft/is zij, verdachte, (telkens) met dat opzet terwijl zij, verdachte, wist dat haar, verdachtes, [echtgenoot] , met (grote) regelmaat agressie toonde jegens en/of in het bijzijn van voornoemd(e) kind(eren) (onder meer bestaande uit het mishandelen en/of opsluiten en/of bedreigen van een of meer van voornoemd(e) kind(eren))

- niet, althans niet tijdig, ingegrepen en voornoemd(e) kind(eren) niet in een veilige situatie gebracht, en/of

- zich niet tot de politie en/of justitie gewend om het mishandelen en/of opsluiten en/of het bedreigen van die/dat kind(eren) te melden en/of

- met die/dat kind(eren) in de woning bij haar, verdachtes, [echtgenoot] blijven wonen, zodat voornoemde agressie door haar, verdachtes, [echtgenoot] jegens en/of in het bijzijn van voornoemd(e) kind(eren) kon voortduren,

zulks terwijl voornoemd(e) kind(eren) geheel van verdachte en haar, verdachtes, [echtgenoot] , afhankelijk was/waren voor hun opvoeding en verzorging.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie

niet-ontvankelijk is in de vervolging voor zover het betreft [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ), [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ), [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ), [slachtoffer 9] (hierna: [slachtoffer 9] ) en [slachtoffer 10] (hierna: [slachtoffer 10] ) omdat die feiten zijn verjaard. Ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] is de verjaringstermijn van zes jaar aangevangen op de dag nadat zij achttien jaar oud werden en is de termijn niet gestuit voordat deze afliep. Ten aanzien van [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] is de termijn wel gestuit, maar is inmiddels de maximale verjaringstermijn van twaalf jaar overschreden. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging wat betreft [slachtoffer 11] (hierna: [slachtoffer 11] ), [slachtoffer 12] (hierna: [slachtoffer 12] ), [slachtoffer 13] (hierna: [slachtoffer 13] ), [slachtoffer 14] (hierna: [slachtoffer 14] ) en [slachtoffer 15] (hierna: [slachtoffer 15] ). Volgens de advocaat-generaal is de verjaringstermijn ook voor die kinderen aangevangen op de dag nadat zij meerderjarig werden en is de termijn gestuit op het moment van de doorzoeking van de woning van de verdachte op 27 september 2016 en daarna ook nog meermaals gestuit. Op dit moment is de maximale verjaringstermijn in deze zaken nog niet voltooid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten die zijn gepleegd vóór 1 september 2012, gelet op de verjaringstermijn van zes jaar, zijn verjaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de eerste stuitingshandeling het uitreiken van de dagvaarding aan verdachte was, door de raadsman gesteld op 1 september 2018. De doorzoeking van de woning van verdachte op 27 september 2016 kan niet als stuitingshandeling in de zaak tegen verdachte worden gezien omdat de doorzoeking alleen in de zaak van de echtgenoot van de verdachte heeft plaatsgevonden. De stuiting kan niet tevens zien op de verdachte, omdat zij geen medepleger of medeplichtige is in de zaak van haar echtgenoot. Volgens de raadsman moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] , omdat zij op 1 september 2012 allemaal minimaal achttien jaar oud waren. Ten aanzien van de overige kinderen geldt dat de verjaringstermijn per kind en per mishandeling door de echtgenoot van verdachte moet worden bepaald. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet naar voren komt dat na 2013 nog geweldshandelingen hebben plaatsgevonden en dat daarom in 2025, gelet op de absolute verjaringstermijn, alle feiten zijn verjaard.

Het oordeel van het hof

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring.

Ingevolge artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vangt na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

Aan de verdachte is het misdrijf tenlastegelegd zoals omschreven in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De maximaal op te leggen straf bij overtreding van dit artikel is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Gelet op het bepaalde in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht geldt aldus een verjaringstermijn van zes jaar.

De tenlastelegging houdt in dat de verdachte tien van haar kinderen in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten. Het in hulpeloze toestand brengen of laten van meerdere personen tot wier onderhoud, verpleging of verzorging de verdachte krachtens wet of overeenkomst verplicht is, levert ten aanzien van elk van die personen een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving en in dit geval dus meerdere delicten op. Het gaat dus om een tenlastelegging waarin impliciet cumulatief meerdere feiten zijn opgenomen. Het hof zal daarom hierna per kind beoordelen of sprake is van een (deels) verjaard feit.

Als ouder met gezag was de verdachte op grond van artikel 1:247, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht tot het onderhouden en verzorgen van haar minderjarige kinderen. Vanaf het moment dat een kind achttien jaar wordt, bestaat er geen wettelijke plicht tot onderhoud en verzorging meer. Naar het oordeel van het hof bevonden de kinderen zich in ieder geval vanaf dat moment niet meer in een hulpeloze toestand zoals bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht en was vanaf dat moment sprake van een voltooid delict, waarna (op de dag na de 18e verjaardag) de verjaringstermijn van zes jaar is aangevangen.

Meerdere kinderen hebben verklaard dat de mishandelingen door de echtgenoot van verdachte stopten als de kinderen een zekere leeftijd bereikten. Deze leeftijd verschilde enigszins per kind, maar dat neemt niet weg dat de mishandelingen op enig moment ophielden, soms enkele jaren voor de 18-jarige leeftijd werd bereikt. De hulpeloze toestand van het betreffende kind zal met het stoppen van de mishandelingen echter niet direct zijn geëindigd. De dreiging van hernieuwde mishandelingen moet voor het kind immers nog enige tijd voelbaar geweest zijn, voordat hij of zij zich realiseerde dat het gevaar voor hem of haar definitief geweken was. Het moment van dat definitieve besef is niet vast te stellen. Voor het berekenen van de aanvang van de verjaringstermijnen gaat het hof daarom uit van het moment dat het kind niet meer (stelselmatig) werd mishandeld, zodat er vanaf dat moment sprake was van een voltooid delict en de aanvang van de verjaringstermijn van zes jaar.

[slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]

[slachtoffer 6] is geboren op [geboortedatum] . Hij is op [datum] 2006 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee uiterlijk aangevangen op [datum] 2006. Uit de stukken blijkt dat tussen dat moment en het eerstvolgende moment van stuiting een periode van meer dan zes jaren is verstreken. Het recht tot strafvervolging is op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht dan ook komen te vervallen.

[slachtoffer 7] is geboren op [geboortedatum] . Hij is op [datum] 2007 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee uiterlijk aangevangen op [datum] 2007. Uit de stukken blijkt dat tussen dat moment en het eerstvolgende moment van stuiting een periode van meer dan zes jaren is verstreken. Het recht tot strafvervolging is op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht dan ook komen te vervallen.

[slachtoffer 8] is geboren op [geboortedatum] . Hij is op [datum] 2010 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee uiterlijk aangevangen op [datum] 2010. Uit de stukken blijkt dat tussen dat moment en het eerstvolgende moment van stuiting een periode van meer dan zes jaren is verstreken. Het recht tot strafvervolging is op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht dan ook komen te vervallen.

Gelet op het voorgaande zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover het tenlastegelegde ziet op [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] .

[slachtoffer 9] en [slachtoffer 10]

[slachtoffer 9] is geboren op [geboortedatum] . Zij is op [datum] 2011 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee uiterlijk aangevangen op [datum] 2011.

[slachtoffer 10] is geboren op [geboortedatum] . Hij is op [datum] 2012 meerderjarig geworden. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee uiterlijk aangevangen op [datum] 2012.

Op het moment van de onderhavige uitspraak, 24 februari 2026, geldt ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op [slachtoffer 10] en [slachtoffer 9] dat vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die meer is dan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn, te weten twaalf jaren. Ten aanzien van die misdrijven is het recht tot strafvordering door verjaring vervallen. Daarom zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover het tenlastegelegde ziet op [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] .

[slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15]

[slachtoffer 11] is geboren op [geboortedatum] . Zij is op [datum] 2014 meerderjarig geworden. [slachtoffer 11] heeft op [datum] 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij de laatste drie jaar niet meer geslagen is. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee aangevangen op [datum] 2014.

[slachtoffer 12] is geboren op [geboortedatum] . Zij is op [datum] 2015 meerderjarig geworden en op [datum] 2015 uit huis gegaan. [slachtoffer 12] heeft op [datum] 2017 bij de

rechter-commissaris verklaard dat zij in ieder geval tot haar twaalfde is geslagen. Bij de politie heeft zij echter verklaard dat ergens halverwege 2014 nog een geweldsincident heeft plaatsgevonden waarbij haar vader alles wat op het keukenblad stond naar haar en de tweeling gooide, waaronder ook messen, waarbij zij door één van de messen hard werd geraakt tegen haar rechterknie. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee medio 2014 aangevangen.

[slachtoffer 14] is geboren op [geboortedatum] . [slachtoffer 9] heeft op [datum] 2016 verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 14] , totdat zij drie jaar geleden het huis uit ging, regelmatig in elkaar werd geslagen. [slachtoffer 11] heeft verklaard dat zij medio 2014 heeft gezien dat haar vader [slachtoffer 14] overal op zijn lichaam schopte, terwijl [slachtoffer 14] op de vloer lag. [slachtoffer 12] heeft verklaard dat haar vader in [datum] 2014 [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] meenam naar de ouderlijke slaapkamer en ze daar ongeveer een half uur met de lat sloeg. De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee in [datum] 2014 aangevangen.

[slachtoffer 13] is geboren op [geboortedatum] . [slachtoffer 13] heeft op [datum] 2016 verklaard dat hij drie jaar geleden voor het laatst klappen heeft gehad. [slachtoffer 9] heeft op [datum] 2016 verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 13] , totdat zij drie jaar geleden het huis uit ging, minimaal één keer in de maand werd geslagen met de lat. [slachtoffer 12] heeft verklaard dat haar vader in [datum] 2014 [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] meenam naar de ouderlijke slaapkamer en ze daar ongeveer een half uur met de lat sloeg.

De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee in [datum] 2014 aangevangen.

[slachtoffer 15] is geboren op [geboortedatum] . [slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 15] vanaf haar vierde tot ongeveer haar twaalfde mishandeld werd, ook met de lat. [slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij kort voordat ze uit huis ging heeft gezien dat [slachtoffer 15] met de lat werd geslagen. [slachtoffer 12] is op [datum] 2015 uit huis gegaan.

De verjaringstermijn van zes jaar is daarmee eind 2015 aangevangen.

Naar het oordeel van het hof is in ieder geval het uitbrengen van de dagvaarding in de zaak van verdachte in eerste aanleg op 15 augustus 2018 als een daad van vervolging te beschouwen die de verjaring heeft gestuit en waarna ingevolge artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht de verjaringstermijn opnieuw is gaan lopen. Verder zijn het vonnis, het arrest van het hof, het arrest van de Hoge Raad en het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep te beschouwen als een daad van vervolging waarmee de verjaringstermijn opnieuw is gestuit en opnieuw een verjaringstermijn van zes jaar is aangevangen. Nu sinds de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen – bij [slachtoffer 11] op [datum] 2014, bij [slachtoffer 12] medio 2014 en bij [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] in [datum] 2014 en bij [slachtoffer 15] eind 2015 – nog geen periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn, is het recht tot strafvervolging nog niet vervallen door verjaring en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover het tenlastegelegde ziet op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 15] .

Naar het oordeel van het hof is het openbaar ministerie ontvankelijk voor de gehele tenlastegelegde periode, omdat het tenlastegelegde in de onderhavige zaak een voortdurend omissiedelict betreft. De verdachte wordt immers verweten dat zij niet heeft ingegrepen in een situatie waarbij sprake was van stelselmatige mishandeling. Die stelselmatigheid maakt naar het oordeel van het hof dat er afgezien van de mishandelingen zelf ook steeds sprake was van (een voor de kinderen schadelijke) dreiging van nieuwe mishandelingen en dat de overtreding van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot diverse incidenten in een bepaalde periode als een voortdurend delict kan worden beschouwd. Dat betekent – zoals hierboven is overwogen – dat de verjaringstermijn eerst is beginnen te lopen nadat de periode van niet-ingrijpen, wat de verdachte als één verzuim wordt aangerekend, ten einde is gekomen.

Bewijsmiddelen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden

verklaard dat de verdachte in de periode van 27 september 2004 tot en met 27 september 2016 haar kinderen in een hulpeloze toestand heeft gelaten, terwijl zij verplicht was in hun onderhoud en verzorging te voorzien. Uit verschillende verklaringen van haar kinderen blijkt – anders dan de verdachte heeft verklaard – dat de verdachte wist dat er geslagen werd, wel probeerde in te grijpen af en toe, maar ook zelf sloeg als haar echtgenoot daar om vroeg. De verklaringen van de kinderen zijn gedetailleerd, betrouwbaar en vinden steun in elkaar en in het dossier. De verdachte heeft evident geen adequate hulp ingeschakeld, terwijl zij wist dat haar kinderen werden mishandeld en zij daartoe wel verplicht was.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte niet de opzet had om haar kinderen in een hulpeloze toestand te brengen of te laten, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. De raadsman verwijst hiervoor naar de verschillende verklaringen van de kinderen. De verdachte greep in, maar was niet opgewassen tegen haar echtgenoot. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de achtergrond van de verdachte en de omstandigheden waarin zij leefde. Het was niet reëel van de verdachte te verwachten dat zij meer deed dan zij binnen haar mogelijkheden heeft gedaan. Daarnaast is de rechtbank er volledig aan voorbij gegaan dat uit de wet en jurisprudentie volgt dat de loyaliteit van echtgenoten tegenover elkaar wordt beschermd door de wet. Zij mogen zich verschonen jegens elkaar.

Het oordeel van het hof

Het hof neemt een deel van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en de

bewijsoverwegingen over. De overgenomen delen uit het vonnis van de rechtbank zijn

cursief weergegeven. Het hof vult de overwegingen van de rechtbank aan.

Verdachte is getrouwd met [echtgenoot] . Zij zijn de ouders van (onder meer) [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] . Totdat het gezag over de minderjarige kinderen op 26 april 2017 werd beëindigd, hadden verdachte en haar echtgenoot het ouderlijk gezag over hun kinderen. Verdachte en haar echtgenoot wonen sinds 1983 op de [plaats 2] .

[slachtoffer 11] is geboren op [geboortedatum] . Zij is achttien geworden op [datum] 2014. [slachtoffer 12] is geboren op [geboortedatum] . Zij is achttien geworden op [datum] 2015. [slachtoffer 13] is geboren op [geboortedatum] . Hij is achttien geworden op [datum] 2017. [slachtoffer 14] is geboren op [geboortedatum] . Hij is achttien geworden op [datum] 2017. [slachtoffer 15] is geboren op [geboortedatum] . Zij is achttien geworden op [datum] 2019.

De echtgenoot van de verdachte is bij onherroepelijk arrest van dit hof van 27 oktober 2020 veroordeeld wegens het stelstelmatig mishandelen van de kinderen op meerdere tijdstippen gedurende de gehele ten laste gelegde periode.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de kinderen tot hun zestiende werden geslagen. Iedere week waren er wel één of meerdere kinderen die klappen kregen. Als haar vader ergens boos over was, bijvoorbeeld als er iets kapot was gegaan, dan wilde hij weten wie dat had gedaan. Als hij wist wie het had gedaan, kreeg alleen diegene klappen. Als hij het niet wist, dan kreeg iedereen klappen. De kinderen moesten dan op een rij gaan staan. Ieder kind kreeg dan één klap, moest weer achteraan in de rij aansluiten en kwam weer aan de beurt als één van de kinderen dan nog niet had bekend. Haar vader sloeg altijd met een lat van een lattenbodem. Hij sloeg altijd uit alle kracht. In haar beleving kregen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 10] en [slachtoffer 8] de meeste klappen. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 15] zowel klappen kreeg met de lat als met de handen van haar vader. Zij weet dat [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] meer klappen kregen dan de andere kleintjes. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] ook klappen met de lat hebben gehad. Haar moeder praatte op haar vader in als de kinderen werden mishandeld. Soms probeerde haar moeder ook de lat af te pakken, maar dat lukte niet.

[slachtoffer 1] heeft verder nog verklaard dat haar moeder soms de tuchtiging van haar vader moest overnemen. Haar moeder zei dan tegen de kinderen: “Ik kan het beter doen dan [echtgenoot] .”

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat alle kinderen vanaf ongeveer acht jaar oud wel eens zijn geslagen. Zijn vader deed dat met een stukje hout, een latje voor je kont. Het slaan door zijn vader gebeurde ongeveer een keer per maand. Het is wel eens gebeurd dat de kinderen op een rijtje moesten staan en om de beurt een klap kregen met een lat. Zijn moeder zei tegen zijn vader dat hij op moest houden als zijn vader sloeg.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij niet precies meer weet wanneer de mishandelingen

begonnen, maar dat hij in principe vanaf het moment dat hij wist dat hij leefde werd mishandeld. Er gingen maar weinig weken voorbij waarin hij niet werd mishandeld. Iedereen binnen het gezin werd door zijn vader mishandeld. Als hij werd mishandeld, werd hij eigenlijk altijd geslagen met de lat van een lattenbodem. Als zijn vader niet wist wie iets had gedaan, kregen de kinderen allemaal klappen. Zijn vader ging dan net zo lang door met slaan tot hij er achter kwam. Als het echt te gek werd wat zijn vader deed, sprong zijn moeder er tussen.

[slachtoffer 6] heeft daarnaast verklaard dat hij ook wel eens klappen van zijn moeder heeft gehad.

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij wel eens een paar tikken van zijn vader kreeg als

hij wat had uitgevreten. De ene keer kreeg je een draai om je oren en de andere keer kreeg je met een latje op je reet. Hij heeft wel eens gezien dat een paar broertjes of broers van hem een pak op hun sodemieter kregen. De kinderen waren om en nabij de tien jaar tot een jaar of vijftien of zestien toen zij klappen kregen. Het is een keer gebeurd dat de kinderen op een rijtje moesten staan en één voor één klappen kregen. Zijn moeder zei wel eens: “ [echtgenoot] hou eens op man”. Zijn moeder sprong er ook wel eens tussen.

[slachtoffer 8] heeft verklaard dat de kinderen, als zij iets deden wat niet de bedoeling

was, een klap kregen. Soms kreeg je klappen met de lat. Dit gebeurde soms twee of drie keer in de maand. Zij kregen klappen vanaf dat zij dertien of veertien jaar waren totdat zij

zeventien of achttien jaar waren. Hij heeft wel eens gezien dat zijn broertjes of zusjes met

de lat werden geslagen. Dit gebeurde bij de middelste groep, de mensen van zijn leeftijd.

[slachtoffer 10] zat er ook bij. Soms moesten een paar kinderen van ongeveer dezelfde

leeftijd in een rijtje gaan staan. Zijn vader riep dan één van hen bij zich en die kreeg dan een paar klappen, waarna de volgende aan de beurt was. Dit duurde net zo lang totdat zij zeiden wie het had gedaan. Zijn moeder was volgens hem wel eens bij het slaan aanwezig. Zij heeft wel eens gezegd dat zijn vader op moest houden.

[slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij niet beter weet dan dat zij van kleins af aan door haar vader is mishandeld. Ook haar broers en zussen werden met regelmaat mishandeld. Het is meerdere malen gebeurd dat zij allemaal klappen kregen. Zij moesten dan op een rij gaan staan en dan pakte hij een lat uit de lattenbodem van een bed. Zij moesten dan om de beurt in de keuken komen en dan werden zij geslagen. Als niemand wilde zeggen wie het had gedaan, kregen zij nog veel meer klappen. Als haar vader sloeg, sloeg hij ook echt uit volle kracht. De mishandelingen bestonden het meeste uit het slaan met een stuk hout. Tot haar twaalfde is zij ongeveer één keer per week met de lattenbodem geslagen. In de periode vanaf 2004 sloeg haar vader hen wekelijks. Totdat zij achttien jaar oud was sloeg haar vader alle kinderen die toen nog geen twaalf jaar oud waren. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 15] vanaf haar vierde levensjaar totdat zij ongeveer twaalf jaar oud was werd mishandeld, ook met de lat. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 13] vanaf zijn vierde jaar ook regelmatig werd geslagen. Zij heeft ook gezien dat [slachtoffer 14] tot drie jaar geleden (de rechtbank begrijpt: tot 2013) regelmatig in elkaar werd geslagen. Van [slachtoffer 12] heeft zij ook gezien dat zij vanaf haar vierde tot haar twaalfde werd geslagen. Van [slachtoffer 11] heeft zij ook gezien dat zij vanaf haar vierde tot ongeveer haar twaalfde werd geslagen. Haar moeder sprong er wel eens tussen als zij klappen kregen.

[slachtoffer 10] heeft verklaard dat hij vanaf dat hij dertien of veertien jaar was wel eens werd geslagen met een lat. Hij kreeg dan tussen de tien en twintig klappen. Soms is hij één of twee keer per week geslagen. Als zijn vader sloeg, zei zijn moeder wel eens dingen tegen [slachtoffer 10] als “Je moet niet zulke domme dingen doen, je vraagt er zelf om, je weet dat je zulke dingen niet moet doen.”

[slachtoffer 11] heeft verklaard dat haar vader de kinderen altijd heeft mishandeld. Zij is zeker wekelijks door haar vader met de lat mishandeld. De kinderen moesten wel eens op een rijtje gaan staan. Het had met de leeftijd te maken, wie daar moesten gaan staan. Zij stond daar met haar zus [slachtoffer 12] , haar broer en de tweeling (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] ). Zij kregen dan net zo lang klappen totdat hij het genoeg vond. Dit gebeurde soms dagelijks en soms wekelijks. Met name de laatste jaren heeft haar moeder geprobeerd om de kinderen tegen haar vader in bescherming te nemen, maar uiteindelijk verloor ze het altijd. Haar moeder zei dan dat haar vader rustig moest zijn als hij boos was. Haar moeder is er ook wel eens tussen gaan staan.

[slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij niet beter weet dan dat haar vader alle kinderen in

het gezin sloeg. Haar vader sloeg altijd hard door. Vrijwel elke keer als er geweld werd

gebruikt door haar vader tegen de kinderen, vroeg hij eerst op een rustige toon wie ergens

schuldig aan was. Niemand wilde dan een broer of zus verlinken, waardoor er geen antwoord kwam. Hierna gaf haar vader een van de kinderen de opdracht een lat te pakken. Daarna moesten ze dan op rij gaan staan en sloeg hij totdat hij hoorde wat hij op dat moment wilde horen, dus een schuldbekentenis van iemand. Dit gebeurde sowieso eenmaal per week. Van [slachtoffer 15] heeft zij gezien dat zij klappen kreeg. Als de jongens klappen kregen, was haar vader altijd snel klaar met [slachtoffer 13] , maar bleef hij langer op [slachtoffer 14] inslaan. Vanaf haar tweede of derde werd zij soms met de hand of met de lat geslagen. Het slaan stopte meestal als je van school afging, rondje twaalfde of dertiende. Sommigen hebben daarna nog wel klappen gekregen als er iets was gebeurd, maar dat was niet meer in het rijtje. Haar moeder hield haar vader soms tegen of zei “ [echtgenoot] , houd alsjeblieft op.” Haar moeder heeft nooit melding gedaan bij de politie of bij anderen.

[slachtoffer 14] heeft verklaard dat je meestal klappen met de lat kreeg als je wat had

gesloopt. Als je oud was, kreeg je meer klappen, maar als je een jaar of zeven, acht, negen

was kreeg je een stuk minder klappen. Hij werd geslagen vanaf dat hij jong was. Hij was

toen een jaar of negen of tien. De meisjes hebben ook wel eens klappen gehad. Hij was er een keer bij toen [slachtoffer 13] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 13] ) werd geslagen. Alle kinderen hebben volgens hem wel een keer klappen gehad. Zijn moeder is er nooit tussen gesprongen toen hij door zijn vader werd geslagen.

[slachtoffer 13] heeft verklaard dat er altijd wel veel werd geslagen. Als er wat was

gebeurd, kreeg je klappen. De klappen werden gegeven met een lat. Er werd een stuk of

tien keer geslagen. Dit waren forse tikken. Meestal was zijn vader degene die sloeg. Zo

lang hij zich kan herinneren werd er geslagen. De jongens vraten het meeste uit en werden dus vaker geslagen. De meiden werden ook wel geslagen. De laatste drie jaar (de rechtbank begrijpt: sinds 2013) werd het slaan minder. Daarvoor werd je wel harder geslagen, omdat de kinderen toen ook iets meer uitvraten. Hij heeft gezien dat andere kinderen werden geslagen. Hij heeft wel eens gezien dat [slachtoffer 15] een tik heeft gehad. Zijn moeder was er altijd wel bij. Soms zei ze tegen zijn vader dat hij op moest houden of ze zei tegen hen dat ze moesten luisteren.

[slachtoffer 13] heeft daarnaast verklaard dat [slachtoffer 14] met de quad een auto in elkaar had gereden, waarna hij klappen kreeg alleen van zijn moeder. Ook zei zijn moeder wel eens tegen de kinderen dat ze moesten luisteren omdat er dan niets aan de hand zou zijn.

[echtgenoot] heeft verklaard dat hij de kinderen wet eens een tik heeft gegeven, omdat zij soms ontzettend vervelend en baldadig waren.

Bewijsoverwegingen

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:247, eerste lid, BW had verdachte, als degene die het ouderlijk gezag had over haar minderjarige kinderen, de plicht haar minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. In artikel 1:247, tweede lid, BW staat vermeld dat onder de verzorging en opvoeding mede wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook is in dat lid bepaald dat de ouders in de

verzorging en opvoeding van het kind geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere

vernederende behandeling mogen toepassen.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat verdachte en haar echtgenoot gedurende de

tenlastegelegde periode krachtens de wet verplicht waren tot onderhoud en verzorging van

hun minderjarige kinderen. [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] waren ten tijde van (ten minste een gedeelte van) de tenlastegelegde periode minderjarig en dus voor hun opvoeding en verzorging geheel afhankelijk van verdachte en haar echtgenoot. Verdachte en haar echtgenoot waren aldus verantwoordelijk voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van deze kinderen.

Betrouwbaarheid van de aangiftes

Gelet op het feit dat de verklaringen van [slachtoffer 9] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] worden

ondersteund door de verklaringen van de andere kinderen die geen aangifte hebben gedaan,

ziet de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de essentie van deze

verklaringen te twijfelen.

Mishandelingen

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de echtgenoot van verdachte

[slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] gedurende de tenlastegelegde periode regelmatig heeft mishandeld, door hen – al dan niet met een lat – hard te slaan. Uit de bewijsmiddelen volgt eveneens dat verdachte van deze mishandelingen op de hoogte was. Verdachte heeft haar echtgenoot immers meermalen geprobeerd te stoppen, door op hem in te praten of door fysiek tussen hem en de kinderen in te springen.

Bedreigingen

Nu het hof, evenals de rechtbank, de echtgenoot van de verdachte, [echtgenoot] partieel heeft vrijgesproken van de bedreigingen van zijn kinderen en de kinderen niet expliciet verklaren over bedreigingen door hun moeder of haar rol bij eventuele bedreigingen, zal het hof ook de verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Opsluitingen

Nu de verdachte door de rechtbank onherroepelijk is vrijgesproken van het tenlastegelegde opsluiten voor zover dat ziet op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover dat ziet op [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en de kinderen niet verklaren over opsluitingen van [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] , zal het hof de verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Hulpeloze toestand

Nu [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] - gelet op onder meer hun leeftijd en afhankelijkheid van bescherming - zichzelf gedurende hun minderjarigheid niet eenvoudig uit de situatie waarin de echtgenoot van verdachte hen met regelmaat mishandelde konden bevrijden, is de rechtbank van oordeel dat de kinderen gedurende het gedeelte van de tenlastegelegde periode waarin zij minderjarig waren in een hulpeloze toestand verkeerden.

Opzet

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte haar kinderen

opzettelijk in deze hulpeloze toestand heeft gelaten en zich dus schuldig heeft gemaakt aan

het bepaalde in artikel 255 Sr. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit moet voldoende komen vast te staan dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet had op het laten bestaan van de hulpeloze toestand. Vereist is dus dat verdachte op de hoogte was van het feit dat haar kinderen in hulpeloze toestand verkeerden en onvoldoende heeft gedaan om deze hulpeloze toestand te beëindigen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op meerdere momenten heeft geprobeerd haar

echtgenoot te stoppen wanneer hij de kinderen sloeg. De rechtbank is, mede gelet daarop,

van oordeel dat verdachte heeft geweten dat door het handelen van haar echtgenoot schade

aan haar kinderen werd toegebracht. De pogingen van verdachte om de mishandeling van de kinderen door haar echtgenoot te doen stoppen zijn niet adequaat en effectief gebleken, nu er desondanks sprake bleef van stelselmatige mishandeling van de kinderen. De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat verdachte nooit hulp heeft gezocht of adequate stappen heeft ondernomen om de mishandelingen van haar kinderen door haar echtgenoot te (doen) stoppen. Ter zitting van het hof heeft verdachte dit eveneens verklaard. Door dergelijke hulp niet te zoeken dan wel niet tijdig (adequaat) in te grijpen of (tijdelijk) met haar kinderen te vertrekken heeft verdachte naar het oordeel van het hof op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen van haar echtgenoot het geestelijke en lichamelijke welzijn van de kinderen in gevaar kwam. Daardoor is sprake van opzet op het in hulpeloze toestand laten van haar kinderen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte haar kinderen opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gelaten en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 255 Sr. Dat het, gelet op de religieuze overtuigingen van verdachte, wellicht geen optie was om van haar echtgenoot te scheiden of tegen haar echtgenoot in te gaan doet hier niet aan af, nu verdachte ook op andere manieren hulp had kunnen zoeken.

Het hof acht, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen in hulpeloze toestand heeft gelaten. Ondanks dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een aantal keren (enkele van) haar kinderen zelf heeft geslagen, zoals de advocaat-generaal terecht naar voren heeft gebracht, acht het hof niet bewezen dat de verdachte haar kinderen ook in hulpeloze toestand heeft gebracht, omdat deze gedraging niet als feitelijke gedraging staat genoemd in de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft begaan, te weten dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 september 2004 tot en met 27 september 2016 te [plaats 1] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, (telkens) opzettelijk haar kind(eren)

- [slachtoffer 6] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 7] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 8] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 9] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 10] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 11] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 12] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 13] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 14] ( [geboortedatum] ) en/of

- [slachtoffer 15] ( [geboortedatum] )

tot wiens wier onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten, immers heeft/is zij, verdachte, (telkens) met dat opzet terwijl zij, verdachte, wist dat haar, verdachtes, [echtgenoot] , met (grote) regelmaat agressie toonde jegens en/of in het bijzijn van voornoemd(e) kind(eren) (onder meer bestaande uit het mishandelen en/of opsluiten en/of bedreigen van een of meer van voornoemd(e) kind(eren))

- niet, althans niet tijdig, ingegrepen en voornoemd(e) kind(eren) niet in een veilige situatie gebracht, en/of

- zich niet tot de politie en/of justitie gewend om het mishandelen en/of opsluiten en/of het bedreigen van die/dat kind(eren) te melden en/of

- met die/dat kind(eren) in de woning bij haar, verdachtes, [echtgenoot] blijven wonen, zodat voornoemde agressie door haar, verdachtes, [echtgenoot] jegens en/of in het bijzijn van voornoemd(e) kind(eren) kon voortduren,

zulks terwijl voornoemd(e) kind(eren) geheel van verdachte en haar, verdachtes, [echtgenoot] , afhankelijk was/waren voor hun opvoeding en verzorging.

Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte ten aanzien van het in hulpeloze toestand laten van haar kinderen te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van twaalf jaren schuldig gemaakt aan het in hulpeloze toestand laten van vijf van haar destijds minderjarige kinderen. Deze kinderen werden regelmatig door de echtgenoot van de verdachte mishandeld en de verdachte heeft verzuimd adequaat in te grijpen of hulp te zoeken om haar kinderen hiertegen te beschermen. Kindermishandeling doet afbreuk aan het zelfvertrouwen en het gevoel van veiligheid van de kinderen, die zich juist bij hun ouders veilig zouden moeten voelen. Slachtoffers van kindermishandeling hebben vaak nog hun hele leven last van de negatieve gevolgen van de mishandelingen. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij haar kinderen gedurende vele jaren, een groot deel van hun jeugd bestrijkend, niet de geborgenheid en veiligheid heeft geboden die zij nodig hadden. Ook tijdens de zitting heeft de verdachte er geen blijk van gegeven dat zij (nu) inziet dat het op haar weg had gelegen om haar kinderen te beschermen tegen het door haar echtgenoot uitgeoefende geweld.

Het hof heeft ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 12 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en ook nadien niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de nog thuiswonende minderjarige kinderen van de verdachte als gevolg van de verdenkingen tegen de verdachte en haar echtgenoot uit huis is geplaatst en dat het gezag van de verdachte en haar echtgenoot over deze kinderen is beëindigd. De verdachte leeft daarnaast al jaren in onzekerheid over de afloop van de strafzaken tegen haar echtgenoot en haar. De strafzaken tegen de verdachte en haar echtgenoot hebben tevens geleid tot veel negatieve media-aandacht. Dit alles heeft veel impact op de verdachte (gehad). Het hof zal hier in strafverminderende zin rekening mee houden.

Gelet op de duur en ernst van het bewezen verklaarde feit is het hof van oordeel dat

oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden is en dat niet met een andere strafmodaliteit kan worden volstaan. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het grote tijdsverloop, acht het hof het evenwel aangewezen dat de op te leggen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk aan de verdachte wordt opgelegd.

Alles afwegend, mede in aanmerking genomen dat het hof tot een bewezenverklaring ten aanzien van vijf kinderen komt, in tegenstelling tot de rechtbank die tot een bewezenverklaring ten aanzien van tien kinderen kwam, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Het heeft lang geduurd voordat de zaak na terugwijzing door de Hoge Raad inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het arrest van de Hoge Raad dateert immers van 11 oktober 2022 en dit arrest wordt gewezen op 24 februari 2026, zodat sinds het arrest van de Hoge Raad drie jaren en ongeveer viereneenhalve maand zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof is van oordeel dat dit niet voor rekening van de verdachte dient te komen. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door een maand op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen en de duur van de proeftijd te verminderen.

Aan de verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar, worden opgelegd. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zoals door de raadsman is bepleit, doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde en aan het leed dat de slachtoffers is aangedaan.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 255 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op het in hulpeloze toestand brengen en laten van:

- [slachtoffer 1] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 2] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 3] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 4] ( [geboortedatum] ) en

- [slachtoffer 5] ( [geboortedatum] ).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het tenlastegelegde voor zover dat betrekking heeft op het in hulpeloze toestand brengen en laten van:

- [slachtoffer 6] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 7] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 8] ( [geboortedatum] ),

- [slachtoffer 9] ( [geboortedatum] ) en

- [slachtoffer 10] ( [geboortedatum] ).

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E. van der Werf, mr. A.H. Garos, mr. Th.C.M. Willemse en, in aanwezigheid van de griffier mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?