GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.363.591
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: FT-RK 25-1166
Faillissementsnummer: F.05/25/442
arrest van 24 februari 2026
1. [appellant1] ( [appellant1] )
en
2. [appellant2] ( [appellant2] )
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. J.W. Janssens
tegen
Stichting Linge’s Zorglandgoed (de Stichting)
die is gevestigd in de gemeente West-Betuwe
en kantoor houdt in Rumpt
advocaten: mr. S.R. Effting en mr. H.J. van Harten
1. De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), van 9 december 2025 is de Stichting op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Bij dat vonnis is tot curator benoemd mr. C.G. Klomp (hierna: de curator) en tot rechter-commissaris mr. J.H. Steverink.
[appellant1] en [appellant2] (hierna gezamenlijk: [appellanten] ) hebben tijdig verzet ingesteld tegen de faillietverklaring van de Stichting. Bij vonnis van 6 januari 2026 heeft de rechtbank dit verzet ongegrond verklaard en het verzoek tot vernietiging van het faillissement van de Stichting afgewezen.
2. De procedure bij het hof
Op 14 januari 2026 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 6 januari 2026 (het verzetsvonnis). De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat het hof het faillissement van de Stichting vernietigt.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank;
het procesdossier uit eerste aanleg;
de brief van de waarnemend curator mr. T.M.M. Ross met daarin zijn visie;
het verweerschrift;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 december 2025 gehouden in een bodemprocedure bij de rechtbank tussen [appellant2] en de Stichting.
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Hierbij zijn [appellant1] en [appellant2] verschenen, bijgestaan door mr. Janssens. Namens de Stichting is haar (interim-)bestuurder [interim-bestuurder] verschenen, bijgestaan door mr. Van Harten. Mr. Effting was als toehoorder aanwezig. De waarnemend curator mr. T.M.M. Ross is verschenen, vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. B.L.J. Jaspers. De curator zelf is niet verschenen.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Kern van de zaak
De Stichting is in 2009 opgericht door [appellanten] en exploiteert een zorginstelling voor – kort gezegd – (psycho)geriatrische zorgvragers. [appellant2] was vanaf de oprichting enig bestuurder van de Stichting. Daarnaast was zij, evenals [appellant1] , werknemer van de Stichting. Bij de oprichting is de Stichting gefinancierd door Skyberg B.V. (hierna: Skyberg). Bestuurster en enig aandeelhoudster van Skyberg is Holding Skylinge B.V. (Skylinge), waarvan [appellant1] enig bestuurder is. Volgens de Stichting raakten de geldstromen tussen haar en Skyberg op onwenselijke wijze verweven. De Stichting wilde daarom beide partijen ontvlechten, maar pogingen daartoe van haar raad van toezicht strandden door het uitblijven van medewerking van [appellant2] , aldus de Stichting. Uiteindelijk heeft dit ook geleid tot het ontslag van [appellant2] als bestuurder en opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant2] . Deze omstandigheden hebben volgens de Stichting ertoe geleid dat haar financiële positie verslechterde, wat uiteindelijk resulteerde in liquiditeitsproblemen. Volgens de Stichting is zowel de bedrijfsvoering als de financiële toestand onhoudbaar geworden. De Stichting zag zich dan ook genoodzaakt om haar eigen faillissement aan te vragen, aldus de Stichting.
In hun verzet tegen het faillissementsvonnis hebben [appellanten] aangevoerd dat de Stichting misbruik van haar bevoegdheid tot het aanvragen van haar eigen faillissement heeft gemaakt. Volgens [appellanten] is het faillissement door de Stichting enkel uitgelokt om [appellanten] ‘uit te schakelen’ en onder diverse betalingsverplichtingen (ook jegens hen) uit te komen.
In haar vonnis op 6 januari 2026 op het verzet gewezen heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een faillissementssituatie van de Stichting en dat daarmee niet kan worden gezegd dat de Stichting door de eigen aangifte misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.
Beoordeling door het hof
De ontvankelijkheid van [appellant1] en [appellant2]
Het hof zal allereerst vaststellen of [appellant1] en [appellant2] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt zoals bedoeld in de artikelen 10 lid 1 en 11 lid 1 Fw. In die artikelen is namelijk bepaald dat alleen schuldeisers en belanghebbenden tegen de faillietverklaring in verzet kunnen komen en, bij afwijzing van dat verzet, alleen de schuldeisers of belanghebbenden van wie het verzet is afgewezen in hoger beroep kunnen komen.
In de Faillissementswet wordt niet nader uitgewerkt wie als belanghebbende in die zin van artikel 10 lid 1 Fw kan worden aangemerkt. Dat betekent dat uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen dient te worden afgeleid wie als belanghebbende kan worden aangemerkt. Daarbij speelt een rol in hoeverre de betrokkene door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen, het aanvangen daarvan daaronder begrepen.
Het hof overweegt dat [appellant1] en [appellant2] werknemer zijn geweest van de Stichting. Zowel [appellant1] als [appellant2] hebben gesteld dat zij een procedure zijn gestart tegen de Stichting waarin zij aanspraak maken op vergoedingen uit hoofde van dat (voormalig) werknemerschap en dat die procedures nog niet zijn afgerond. Dit is door de Stichting niet betwist. Aangezien [appellanten] vermeende vorderingen hebben op de Stichting, hebben zij belang bij een eventuele vernietiging van het faillissement. In dat geval zullen hun vorderingen namelijk niet binnen een faillissement vallen en is de kans op daadwerkelijke (volledige) vergoeding groter dan wanneer wel sprake is van een faillissement. Het hof merkt [appellanten] dan ook aan als belanghebbenden in de zin van artikel 10 lid 1 Fw, waardoor zij ontvankelijk waren in hun verzet in eerste aanleg en op grond van artikel 11 Fw ook kunnen worden ontvangen in het door hen tijdig tegen de afwijzing van hun verzet ingestelde hoger beroep.
Het juridisch kader bij het aanvragen van het eigen faillissement
Op grond van artikel 1 Fw kan een schuldenaar op eigen aangifte in staat van faillissement worden verklaard als hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste), is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
Een verzoek om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard, kan worden afgewezen wanneer bij het verzoek een ‘redelijk belang’ ontbreekt. Daarvan zal in het bijzonder sprake zijn als de eigen aangifte misbruik van de bevoegdheid tot het doen van die eigen aangifte oplevert. De bevoegdheid tot eigen aangifte wordt misbruikt wanneer zij wordt gedaan met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (artikel 3:13 lid 2 BW).
Pluraliteit van schuldeisers
Uit diverse overgelegde stukken en de mededelingen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt het bestaan van verschillende schuldeisers aan de zijde van de Stichting, waarvan in ieder geval één vordering opeisbaar is. Bij haar eigen aangifte verklaarde de Stichting dat per 30 september 2025 aan vorderingen bij diverse schuldeisers een bedrag van in totaal € 140.654,63 openstond (met verwijzing naar haar bijlage 13). Ter gelegenheid van de behandeling van het verzet verklaarde de waarnemend curator in zijn schriftelijke visie dat zes schuldeisers (waarvan twee concurrent) zich bij hem hadden gemeld, voor een totaal bedrag van ongeveer € 950.000. De waarnemend curator heeft ten behoeve van de behandeling van het hoger beroep opnieuw een visiestuk ingediend en daaruit blijkt dat het aantal schuldeisers dat zich heeft gemeld inmiddels is opgelopen tot 19 (waarvan 15 concurrent), voor een totaalbedrag van € 1.153.000. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaarde de waarnemend curator dat sinds het uitbrengen van het laatste visiestuk nog zes concurrente schuldeisers zich bij hem hadden gemeld, waarmee het totaalbedrag aan vorderingen met € 71.939,16 was toegenomen. Uit de visiestukken van de waarnemend curator blijkt voorts dat er gedurende de voortzetting door de curator meer kosten dan opbrengsten zijn geweest en sprake is van een negatieve exploitatie.
Gelet op het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat de Stichting ten tijde van de eigen aangifte diverse schuldeisers had. Voorts is, gelet op het grote aantal schuldeisers, waaronder, zo bleek ter zitting, een aantal ‘kleinere’ leveranciers (levensmiddelen, wasserij etc.) ten behoeve van de dagelijkse exploitatie van de zorgonderneming, naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de eigen aangifte in ieder geval één van die vorderingen opeisbaar was.
De toestand van te hebben opgehouden te betalen
De vraag of de Stichting ten tijde van de eigen aangifte in de toestand verkeerde dat zij had opgehouden te betalen is in het onderhavige geval minder eenvoudig te beantwoorden (dan doorgaans bij faillissementen het geval is). Daar is de wijze waarop de Stichting haar eigen aangifte heeft ingericht debet aan. De eigen aangifte van de Stichting stelt namelijk niet dat de Stichting verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. De Stichting omschrijft haar toestand in de eigen aangifte (opgesteld op 5 december 2025 en ingediend op 8 december 2025) - voor zover hier relevant - als volgt:
“15. Op 30 september 2025 bedroeg het totaal aan openstaande vorderingen op debiteuren
€ 1.837,50. Het totaal aan openstaande vorderingen van crediteuren bedroeg op
voornoemde datum € 140.654,63. De debiteuren- en crediteurenlijsten van LZLG per 30
november 2025 worden als Bijlage 13 overgelegd.
16. Al het bovenstaande in overweging nemende, voorziet LZLG dat zij haar schuldeisers op
korte termijn niet meer zal kunnen voldoen. Er is sprake van een acuut liquiditeitstekort .
In verband met de continuïteit van zorg acht LZLG het van belang dat op korte termijn
haar faillissement wordt uitgesproken.
17. In verband met dat vooruitzicht en de noodzaak om de zorg voor cliënten nu en in de
toekomst veilig te stellen, is onderzocht of de activiteiten van LZLG door een derde partij
konden worden overgenomen. Vanwege de verwevenheid van de financiële belangen van
LZLG en Skyberg B.V. en de voortdurende bemoeienis van [appellanten] is het
onmogelijk gebleken om met een partij tot overeenstemming te komen over een activa-passivatransactie. In ieder geval één partij is geïnteresseerd in een doorstart van de
activiteiten zodat de verwachting van LZLG is dat de zorg na het uitspreken van een
faillissement en een beperkte voortzettingsperiode kan worden gecontinueerd.
18. Gelet op bovenstaande ziet LZLG zich genoodzaakt om hierbij een eigen aangifte tot
faillietverklaring in te dienen.”
De Stichting overlegt bij de eigen aangifte geen actuele liquiditeitsprognose en geen actueel overzicht van haar liquide middelen. Niettemin is het faillissement, zonder dat de Stichting door de rechtbank is gehoord of anderszins om een nadere toelichting is gevraagd, uitgesproken op 9 december 2025.
Eerst bij het verweerschrift in de verzetsprocedure heeft de Stichting een liquiditeitsprognose (haar eigen schatting opgemaakt in oktober 2025) overgelegd (bijlage 16 bij dat verweerschrift). Uit die prognose lijkt een tekort te volgen, maar het is slechts een prognose en geen actueel overzicht per datum eigen aangifte. In het verweerschrift beperkt de Stichting zich wat betreft haar liquide positie tot de volgende opmerking:
“2.10 Uit een liquiditeitsbegroting, gebaseerd op inschattingen van 31 oktober 2025, volgt
dat op dat moment de verwachting was dat het banksaldo op 1 december 2025 € 64,-
zou bedragen. De liquiditeitsbegroting is als Bijlage 16 overgelegd.”
Het is de waarnemend curator die in zijn visiestuk voor de rechtbank vermeldt dat er ten tijde van de faillietverklaring op de bankrekeningen van de Stichting een bedrag stond van in totaal (slechts) € 1.761,23. In zijn visiestuk in het hoger beroep komt de waarnemend curator niet tot een andere constatering.
Gelet op dit beperkte saldo op de rekeningen en gelet op wat het hof in 3.9 heeft overwogen over het beloop en de opeisbaarheid van de vorderingen, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat (ook) ten tijde van de eigen aangifte de Stichting in de toestand verkeerde dat zij had opgehouden te betalen.
Tussenconclusie
Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen zal het hof het verzetsvonnis van de rechtbank bekrachtigen. Het hof ziet echter aanleiding om die bekrachtiging uit te spreken met verbetering van gronden. Het hof licht dat toe.
Misbruik van bevoegdheid
De rechtbank heeft in haar verzetsvonnis het volgende overwogen:
“Van misbruik van recht (bevoegdheid) kan slechts sprake zijn indien de
bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of
met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking
nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat
daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen
(artikel 3:13 lid 2 Bw).
Van belang is vast te stellen of de stichting verkeert (verkeerde) in een toestand van
te hebben opgehouden te betalen (artikel 1 lid 1 van de Faillissementswet). Ter
zitting is daartoe door mr. Ross verslag uitgebracht. Daaruit volgt dat bij de curator
voor circa € 950.000.- aan schuldvorderingen zijn ingediend. Daartegenover staat
aan liquide middelen een banksaldo van € 1.761,23. Er zijn geen debiteuren te
innen. Dit maakt naar het oordeel van de curator dat de stichting haar verplichtingen
jegens meerdere schuldeisers niet (tijdig) kon nakomen.
Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld dat sprake was (en is) van
een faillissementssituatie van de stichting en dat daarmee niet kan worden gezegd
dat de stichting door het aanvragen van haar faillissement misbruik van haar
bevoegdheid heeft gemaakt.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.”
De rechtbank lijkt daarmee geen ruimte te laten voor de mogelijkheid dat in het onderhavige geval aanleiding kan zijn tot toepassing van de in de jurisprudentie ontwikkelde leer dat ook als de financiële situatie van een (rechts)persoon aanleiding geeft tot aangifte van het faillissement sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid (de zogenoemde ‘ruime’ leer).
[appellanten] hebben in de verzetsprocedure betoogd (en in hoger beroep herhaald) dat de Stichting misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om eigen aangifte te doen.
Zij hebben daartoe onder meer gewezen op - samengevat - uitlatingen door de interim-bestuurder van de Stichting in de eerste helft van november 2025 dat een faillissement nodig was in het kader van een overdracht van de zorgonderneming aan een (hem bekende) koper die zich had gemeld, op de betalingen die de Stichting zou hebben verricht om de liquiditeitspositie nadelig te beïnvloeden met het oog op de eigen aangifte en op onverplichte afboekingen op debiteuren om de balanspositie te verzwakken. Zij hebben er ook op gewezen dat op 1 december 2025 een mondelinge behandeling plaats vond bij de rechtbank Gelderland van een tussen [appellant2] en de Stichting lopende (arbeidsrechtelijke) procedure. Uit het proces-verbaal daarvan blijkt dat partijen op die zitting hebben afgesproken dat de zaak twee maanden zou worden aangehouden omdat zij met elkaar zouden gaan onderzoeken of en zo ja op welke wijze zij tot een totaal omvattende oplossing van hun geschillen zouden kunnen komen. Tijdens die zitting heeft de Stichting niets gezegd over haar voornemen om eigen aangifte te doen, terwijl de raad van toezicht van de Stichting op 3 december 2025 de interim bestuurder toestemming gaf eigen aangifte te doen.
[appellanten] hebben er ook op gewezen dat de betalingen door het zorgkantoor VGZ steeds rond de 15de van ieder maand werden ontvangen. De betalingen vormden de belangrijkste bron van inkomsten voor de Stichting. De betaling in november zou zijn gebruikt om het vakantiegeld al in die maand aan het personeel uit te keren in plaats van, zoals gebruikelijk, in december.
Het hof heeft op de mondelinge behandeling in hoger beroep eerst na enig aandringen boven tafel gekregen dat de Stichting inderdaad in december 2025 (na het faillissement) een voorschot van € 236.000 en in januari 2026 een voorschot van € 180.000 van VGZ heeft ontvangen, waarmee € 416.000 ten behoeve van de onderneming beschikbaar is gesteld.
Ook is bevestigd dat het vakantiegeld inderdaad eerder dan gebruikelijk is uitbetaald en dat dat - kort gezegd - gebeurde om het personeel tevreden te houden en aldus te behouden voor de overnemende partij. Het overgrote deel van het personeel is ook overgenomen door de overnemende partij. Met de Belastingdienst en het pensioenfonds had de Stichting eerder in 2025 al betalingsafspraken gemaakt volgens de interim-bestuurder. Die verklaarde op de zitting eerst dat ook met een grote particuliere financier afspraken waren gemaakt, maar gaf later tijdens de zitting aan dat niet te hebben verklaard. Hiertegenover staat evenwel het betoog van de Stichting (ook bij de behandeling in hoger beroep) dat de zorg voor de bewoners niet kon worden gecontinueerd. Hoewel de uitkering aan het personeel mede debet kan zijn geweest aan de liquiditeitspositie die die continuïteit bedreigde, valt ook uit hetgeen de waarnemend curator heeft verklaard over de negatieve exploitatie gedurende de voorzetting in faillissement op te maken dat de continuïteit van de zorg minst genomen werd bedreigd.
De (waarnemend)curator heeft zijn rechtmatigheidsonderzoek nog niet aangevangen. Dat onderzoek kan wellicht, mits kritisch uitgevoerd, meer duidelijkheid geven over de gang van zaken in de aanloop naar de eigen aangifte en wijze waarop de (interim-)bestuurder, de raad van toezicht en eventuele feitelijk leidinggevenden daarbij invulling hebben gegeven aan hun te onderscheiden rollen. Dan ook zal meer zicht worden verkregen op de wijze waarop de Stichting en haar organen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden. De onderhavige procedure leent zich echter niet voor een dergelijk uitgebreid onderzoek. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden, waarbij het hof de omstandigheid dat de waarnemend curator heeft geconstateerd dat de continuïteit van de zorg bij voortgezette exploitatie door de Stichting niet meer gewaarborgd kon worden, meeweegt, is in deze procedure onvoldoende aannemelijk geworden dat de Stichting met de eigen aangifte haar bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement heeft misbruikt.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Teneinde te voorkomen dat door de bekrachtiging van het verzetsvonnis en het in kracht van gewijsde gaan van dit arrest ten aanzien van de overweging van de rechtbank “dat sprake was (en is) van een faillissementssituatie van de stichting en dat daarmee niet kan worden gezegd dat de stichting door het aanvragen van haar faillissement misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt” [cursivering Hof] gezag van gewijsde kan worden ontleend, zal het hof het verzetsvonnis bekrachtigen met de volgende verbetering van gronden:
naar het oordeel van hof is voldoende aannemelijk geworden dat de Stichting ten tijde van haar eigen aangifte verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Voor de door [appellanten] en de Stichting over en weer gevorderde veroordeling in de (volledige) proceskosten bestaat geen aanleiding, zodat het hof zal bepalen dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 januari 2026 met verbetering van gronden als aangegeven in 3.16;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, G.P. Oosterhoff en A.E. de Vos, bij afwezigheid van de voorzitter door mr. H.L. Wattel in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken en ondertekend ter openbare terechtzitting van 24 februari 2026.