Grondslag
[verdachte] is bij arrest van dit hof van 3 maart 2026 (parketnummer 21-000111-20) veroordeeld tot straf voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod op een locatie in [plaats 1] (feit 1 primair) en [plaats 2] (feit 2 primair) en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet (feit 3).
Het hof komt aan de hand van de in genoemd arrest vermelde bewijsmiddelen en de uitgangspunten zoals weergegeven in het hierna genoemde ontnemingsrapport tot het oordeel dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen (feit 1 primair en feit 3) financieel voordeel heeft verkregen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof neemt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt het rapport “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” (hierna: het ontnemingsrapport) met betrekking tot de locatie aan de [straat 1] te [plaats 1] . Het hof ziet geen grond voor het meenemen van de (overigens niet gestelde) opstartkosten in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor het overige zijn de verweren van de verdediging onvoldoende onderbouwd.
Voor zover de verdediging daarbij knipkosten heeft becijferd (mede) aan de hand van de door medeverdachte [medeverdachte 1] aangegeven verdiensten voor haar knipwerk, overweegt het hof dat de herkomst en de precieze hoeveelheid van het door [medeverdachte 1] (en 4 andere vrouwen) te knippen materiaal onvoldoende concreet uit die verklaring blijkt. De door de verdediging aldus gegeven onderbouwing van het verweer acht het hof onvoldoende om van de aannemelijkheid van het door de verdediging gestelde bedrag uit te kunnen gaan.
Voor de overigens door de verdediging becijferde kosten geldt dat ook daarvan de onderbouwing onvoldoende is nu kwitanties of bewijzen van betaling van de door de verdediging opgevoerde kosten ontbreken. Ook een concrete onderbouwing van de door [verdachte] gehanteerde vuistregel van 400 gram hennep per lamp, bij 12 planten per lamp, in het licht van de door de verdediging begrote meeropbrengst van CO2-burners ontbeert elke objectieve onderbouwing.
Een en ander klemt te meer nu [verdachte] zich bij zijn verhoren voor het allergrootste deel op zijn zwijgrecht heeft beroepen.
Al met al ziet het hof geen aanleiding om niet van de in het ontnemingsrapport genoemde normbedragen uit te gaan.
[straat 1] [plaats 1]
Op 9 februari 2018 is in het pand gelegen aan de [straat 1] te [plaats 1] een hennepkwekerij met daarin minimaal 1531 hennepplanten aangetroffen. Met ingang van 1 september 2017 is het bedrijfspand verhuurd. Dit betreft een periode van 161 dagen, zijnde 23 weken. Rekening houdend met een periode voor het bouwen van de hennepkwekerij
is aannemelijk dat sprake is van 2 eerdere oogsten.
Met betrekking tot de kwekerij is gebleken van feiten en omstandigheden die duiden op 2 gerealiseerde oogsten:
Door [getuigen] [getuigen] is waargenomen dat vanaf de zomer van 2017 bedrijvigheid heeft plaatsgevonden aan de [straat 1] te [plaats 1] .
Bruto opbrengst
In de kwekerij stonden minimaal 1531 hennepplanten. Per m2 stonden er 12 hennepplanten. Deze hennepplanten werden gekweekt in kweekbakken in 4 kweekruimten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is per kweekruimte berekend. De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het rapport bedraagt dit € 4.070,00 per kilogram.
In de kweekruimte(n) werd gebruik gemaakt van het kunstmatig toevoegen van CO2 met gebruik van watergekoelde airconditioners, ook wel het CO2 Climate System genoemd. Naast een kortere kweekperiode kan door CO2 toepassing 20% tot 40% meer opbrengst in gewicht worden gegenereerd. In het voordeel van [verdachte] is uitgegaan van een meeropbrengst van 20%.
Het totale gewicht per oogst bedraagt 45.317 gram + 9.063 gram (20% meeropbrengst door toepassing CO2) = 54.380 gram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt 54.380 gram x € 4,07 per gram = € 221.326,60.
Kosten
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport als volgt:
De totale kosten per oogst bedragen € 18.835,39. Het hof zal het bedrag van € 18.853,39 in mindering brengen op de totale bruto opbrengst.
Het hof gaat uit van twee oogsten. Echter, in navolging van de verdediging gaat het hof ervan uit dat de opbrengst van de tweede oogst in [plaats 1] niet met [verdachte] is gedeeld. De verklaring van [verdachte] ter zitting daarover vindt steun in het dossier. Daaruit volgt namelijk dat [verdachte] sinds 18 december 2017 is vertrokken en is vermist en eerst op 18 januari 2018 door de politie in zijn werkbus is aangetroffen. Niet is gebleken dat [verdachte] nadien bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij in [plaats 1] en/of de criminele organisatie. Het hof acht aannemelijk dat [verdachte] vanwege zijn afwezigheid en de omstandigheden waaronder hij destijds is aangetroffen niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de tweede oogst van de kwekerij in [plaats 1] (in fasen) ongeveer vanaf 10 januari 2018.
[straat 2] [plaats 2]
Hoewel [verdachte] als medepleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat 2] te [plaats 2] gaat het hof er met de advocaat-generaal en de verdediging eveneens vanuit dat, [verdachte] om dezelfde reden niet heeft meegedeeld in de opbrengst uit die kwekerij. Uit de verklaring van [verdachte] ter zitting en uit het dossier volgt dat [verdachte] sinds 18 december 2017 is vertrokken en is vermist. Er is pas nadien geoogst in [plaats 2] . Niet is gebleken dat [verdachte] , nadat hij op 18 januari 2018 door de politie is aangetroffen, bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij in [plaats 2] en/of de criminele organisatie. Het hof gaat er dus vanuit dat [verdachte] geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit het telen van hennep op de locatie in [plaats 2] .
Conclusie en schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel [plaats 1]
De totale bruto opbrengst voor één oogst voor het pand in [plaats 1] bedraagt € 221.326,60 – de totale kosten van € 18.835,39 = € 202.491,21. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor één oogst in [plaats 1] bedraagt € 202.491,21.
Het hof houdt in de strafzaak [verdachte] samen met anderen verantwoordelijk voor het grootschalig telen van hennep in [plaats 1] , terwijl voorts sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband in de vorm van een criminele organisatie met (kort gezegd) het oogmerk van grootschalige hennepteelt. [verdachte] vervulde daarbij een essentiële rol. Als meer personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex, heeft als uitgangspunt te gelden dat eenieder daadwerkelijk voordeel heeft genoten. In beginsel wordt dat voordeel pondspondsgewijs verdeeld in het geval waarin niet is gebleken van aanwijzingen voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof stelt vast, dat [verdachte] en zijn mededaders geen inzicht hebben gegeven in de verdeling van het uit de hennepteelt in [plaats 1] verkregen voordeel.
Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] samen met mededader [medeverdachte 2] investeringen heeft gedaan in de kwekerij in [plaats 1] . Het hof leidt dat onder meer af uit een in de werkbus van [verdachte] aangetroffen handgeschreven aantekening (Bijlage 11 van het proces-verbaal van bevindingen): ‘Project 1 +/- 12.000 % 2 [alias 1] = +/- 6.000’. Gelet op alle overige in het arrest in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien begrijpt het hof dat met [alias 3] mededader [medeverdachte 2] is bedoeld en dat met [alias 2] [verdachte] is bedoeld. Nu zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] (ook overigens) een essentiële rol hebben vervuld bij de hennepkwekerij in [plaats 1] en zij hebben meegedeeld in investeringen ten behoeve van die kwekerij is het aannemelijk dat zij hebben meegedeeld in de opbrengst.
Het hof neemt echter – in het voordeel van [medeverdachte 2] en [verdachte] – het volgende in aanmerking. Door het hof is eveneens bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie met het oogmerk (kort gezegd) van grootschalige hennepteelt, waarbij naast [medeverdachte 2] en [verdachte] onder meer ook [medeverdachte 3] is betrokken. Het hof neemt tot uitgangspunt dat het de deelnemer aan een criminele organisatie erom te doen is om mee te delen in de opbrengst van die organisatie. Bij een criminele organisatie is in de regel sprake van een onderlinge hiërarchische verhouding, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen betrokkenen die hand- en spandiensten of werkzaamheden verrichten, exploitanten en (een) leidinggevende(n). Het hof duidt de rol van [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de hennepkwekerij in [plaats 1] als exploitanten en de rol van [medeverdachte 3] als leidinggevende.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de opbrengst van de eerste oogst in [plaats 1] niet enkel is gedeeld tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , maar ook met [medeverdachte 3] .
Het hof zal het bedrag van € 202.491,21 daarom delen door 3 ( [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) = € 67.497,07. Het hof acht aannemelijk dat [verdachte] € 67.497,07 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten voor één oogst in het pand in [plaats 1] .
[verdachte] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij de opbrengst van de eerste oogst in [plaats 1] geheel zou hebben geïnvesteerd in de bouw van de nieuwe kwekerij in [plaats 2] , zodat hij geen opbrengst heeft overgehouden. De omstandigheid dat [verdachte] al dan niet de opbrengst uit de hennepteelt in [plaats 1] heeft geïnvesteerd in een nieuwe kwekerij brengt echter nog niet met zich dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Zijn vermogen is immers op enig moment vermeerderd geweest. Wat [verdachte] vervolgens daarmee doet, is niet relevant voor de vraag of het aannemelijk is dat [verdachte] op een bepaald moment financieel voordeel heeft gehad. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert dat de redelijke termijn voor afdoening van de ontnemingszaak in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is die termijn wel fors overschreden met vier jaren en één maand. Het hof heeft in de strafzaak aan die overschrijding van de redelijke termijn gevolgen verbonden. Nu de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging in de strafzaak reeds is verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om de betalingsverplichting op die grond naar beneden bij te stellen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door [verdachte] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Aan [verdachte] dient daarom ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van€ 67.497,07.
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 674 dagen.
Afwijzing aanhoudingsverzoek
De raadsman heeft op de zitting in hoger beroep bepleit, in het geval het hof de ontnemingsvordering niet afwijst, om uitwisseling van standpunten in een schriftelijke ronde. Volgens de verdediging doet de berekeningsmethode van het openbaar ministerie geen recht aan de werkelijke situatie en is de analyse van de verdediging op dit punt nog niet compleet.
De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het aanhoudingsverzoek.
Het hof stelt vast dat de verdediging gezien het aanzienlijke tijdsverloop van de procedure in hoger beroep uitgebreid de gelegenheid heeft gehad om zich voor te bereiden op de ontnemingsvordering. Het hof heeft kostbare zittingstijd en -ruimte gereserveerd voor de behandeling van deze zaak. In hoger beroep zijn er geen nieuwe stukken of omstandigheden naar voren gekomen die maken dat een herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden gemaakt. In dit stadium mag van de verdediging een meer uitgewerkte onderbouwing worden verlangd, mede gezien het belang van tijdige en voortvarende afdoening van de zaak. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en acht een nadere schriftelijke ronde niet noodzakelijk. Het hof wijst het aanhoudingsverzoek daarom af.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 67.497,07 (zevenenzestigduizend vierhonderdzevenennegentig euro en zeven cent).
Legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 67.497,07 (zevenenzestigduizend vierhonderdzevenennegentig euro en zeven cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 674 dagen.