[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 16 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.D. van Tellingen, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie.
In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Ook komt het hof tot een andere beslissing over de bijzondere voorwaarden. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 november 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- tegen het lichaam te duwen en/of
- op/tegen de borst/ribbenkast, althans het lichaam te trappen en/of
- in een wurggreep, althans bij haar keel en/of nek vast te pakken en/of te houden, althans met een arm de luchtwegen beknelde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Op de zitting van het hof heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat voor het slaan en schoppen slechts één verklaring is, namelijk die van aangeefster. Dat is onvoldoende voor het bewijs van dat deel . De tenlastegelegde wurggreep kan ook niet worden bewezen. De aangeefster spreekt daar niet over in haar eerste verklaring. Daarbij is onduidelijk wat wordt bedoeld met een wurggreep. Uit haar verklaringen blijkt niet dat ze bij haar nek of keel wordt gepakt. Evenmin blijkt dat uit de verklaring van de dochter van aangeefster, die slechts de wurggreep benoemt zonder te specificeren wat zij daarmee bedoelt. Ook is geen letsel waargenomen bij aangeefster. Verdachte heeft aangeefster niet geslagen, geschopt of in een wurggreep genomen en het opzet op mishandelen ontbreekt. Subsidiair heeft verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces gehandeld.
Het hof is van oordeel dat een vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn opgenomen. Deze bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, waardeert het hof zoals weergegeven in de bewijsoverweging.
Bewijsmiddelen
In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2024371247, gesloten en getekend op 23 november 2024 door [naam 1] , [functie] bij de Eenheid Midden-Nederland.
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 12 van het proces-verbaal,), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op donderdag 21 november 2024, omstreeks 23:51 uur bevond ik, verbalisant [verbalisant 2] , samen met collega [verbalisant 1] , mij in politie-uniform gekleed en met toezicht belast in een opvallend dienstvoertuig op de openstaande weg te [plaats] .
Op bovengenoemde dag, datum, tijdstip kregen wij van het operationele meldkamer Midden-Nederland de opdracht om te gaan naar [adres] . Daar zou een man zijn vrouw hebben mishandeld en zou veel geschreeuw te horen zijn op de achtergrond.
Ik stapte met slachtoffer [slachtoffer] haar slaapkamer in, ik vroeg haar wat er gebeurd was. Ik zag dat er een klein meisje naast haar in bed lag, dit bleek later te zijn [naam 2] . [naam 2] lag tegen haar moeder aangekropen.
Kort en zakelijk samengevat hoorde ik slachtoffer [slachtoffer] het volgende verklaren:
- Dat ze getrapt was op haar borst door haar man;
- Dat ze verwurgd was door haar man;
- Dat ze een benauwd gevoel had op haar borst en dat ze pijn in haar gezicht had;
- Dat ze aangifte wilde doen tegen haar man voor mishandeling;
- Dat [naam 2] (het hof begrijpt: [naam 2] ) alles gezien had;
- Dat haar dochter, [naam 3] getuige was geweest.
- Dat dit nog nooit eerder was voorgekomen.
- Dat zij er gisteren achter was gekomen dat haar man was vreemdgegaan en hij daarom afgelopen nacht op de bank had geslapen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 16 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer]:
Gister op 21 november 2024 kwam [verdachte] thuis uit het werk. Ik heb verdriet van de
hele situatie, dat hij vreemdgaat en dat er zorgen in de relatie zijn. Daarom lag ik
al op bed. Hij wilde naast mij komen liggen in bed, maar daar had ik geen goed gevoel bij. Ik vertelde hem dat hij weer op de bank moest gaan slapen maar hij kwam toch in bed liggen. Onze dochter [naam 2] lag tussen ons in, dat doet ze wel vaker. Ik wil dan nooit dat we haar vasthouden want dan slaapt ze niet goed en ik vindt dat gevaarlijk. Ik zag dat [verdachte] haar toch vasthield en zo in slaap wilde vallen. Ik wilde mijn dochter platleggen uit zijn armen.
Toen ik de deken wegtrok trapte [verdachte] mij twee keer in mijn borst- en ribbenkast. Ik
zat toen op mijn knieën op bed. Mijn ribbenkast en borstkast doet nog pijn daarvan.
Daarna liep ik naar hem toe om het bed heen. Hij nam mij echter meteen in een wurggreep. Zijn arm kneep om het linker gedeelde van mijn gezicht. Ik voelde dat ik geen lucht
meer kreeg. Ik wilde wat zeggen maar ik kon niet praten door de arm die hij om mij
heen knelde. Ik hoorde wel dat [verdachte] dingen tegen mij zei of in ieder geval geluiden
maakte. Ik kon niet goed horen wat hij zei namelijk.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 14 van het proces-verbaal) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [naam 3] :
Ik hoorde het geluid van gebonk ergens in huis vandaan komen. Ik hoorde mijn stiefvader roepen in het Surinaams: "Wat bezielt je?!". Ik ben toen vanaf mijn kamer naar de slaapkamer van mijn moeder en stiefvader gegaan, hun kamer ligt recht tegen over mijn kamer op de eerste verdieping. Ik deed de deur van de slaapkamer open en ik zag dat mijn moeder op bed lag en mijn stiefvader bovenop haar zat. Ik zag dat mijn stiefvader mijn
moeder in een wurggreep had. Mijn kleine zusje van 5 jaar zat op het bed naast mijn stiefvader en mijn moeder, ze was heel hard aan het huilen.
Ik zag dat mijn moeder niet eens meer tegenstribbelde, ze lag helemaal stil, ik schrok er van. Ik probeerde mijn stiefvader van mijn moeder af te trekken. Het lukte mij niet om mijn stiefvader van mijn moeder af te halen. Op een gegeven moment liet mijn stiefvader mijn moeder los. Ik heb toen mijn zusje opgepakt en op de arm genomen, ze was heel erg overstuur. Ik hoorde mijn moeder in het Nederlands zeggen: "Ik ben bang voor je nu! Je hebt me bijna vermoord! Ik wil dat je beneden gaat slapen". Mijn stiefvader wendde zich tot mij en riep dat hij mijn zusje mee ging nemen. Hij rukte mijn zusje uit mijn armen en schreeuwde tegen mij.
Bewijsoverweging
Het hof stelt het volgende voorop. Volgens de wet kan de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige. Deze regel heeft echter betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Een onderdeel van de tenlastelegging kan dus wel bewezen worden verklaard op basis van de verklaring van één getuige. De wet sluit dus niet uit dat een bewezenverklaring in beslissende mate rust op de verklaring van één getuige. Ofwel: de beslissing tot bewezenverklaring van het feit moet naast de verklaring van aangeefster ook op een of meer andere bewijsmiddelen zijn gebaseerd, maar dat geldt niet voor alle onderdelen van de bewezenverklaring.
Het hof overweegt dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar dochter [naam 3] , in die zin dat zij geluiden uit de slaapkamer van aangeefster en verdachte hoort, die passen bij de door aangeefster beschreven strubbelingen op het bed. De verklaring van [naam 3] is voorts concreet over de wurggreep. Het hof ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en samen met de verklaring van [naam 3] is voldaan aan het bewijsminimum. Dat er bij aangeefster geen letsel is waargenomen maakt niet dat wat zij heeft verklaard niet kan kloppen.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar tegen haar borst heeft geschopt en in een wurggreep heeft gehouden. Ook [naam 3] verklaart dat verdachte haar moeder in een wurggreep had. Dat zij beiden niet hebben verklaard wat die wurggreep exact inhield wil niet zeggen dat de wurggreep niet kan worden bewezen. Aangeefster heeft immers ook verklaard dat ze geen lucht meer kreeg, dat ze een benauwd gevoel had en niet meer kon praten. [naam 3] heeft verklaard dat haar moeder stil lag en niet meer tegenstribbelde. Het hof vindt het op basis van deze verklaringen bewezen dat verdachte aangeefster tegen haar borst heeft geschopt en in een wurggreep heeft gehouden. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat verdachte door aangeefster tegen haar borst te schoppen en in een wurggreep te houden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster daardoor pijn zou hebben. Het primaire verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.
Op de zitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces). Verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Aangeefster kwam met gebalde vuisten op hem af terwijl hij in bed lag, naast zijn jongste dochter. Hij moest zich met zijn benen afweren. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij rustig is gebleven en slechts heeft willen de-escaleren.
Het hof overweegt dat de stelling dat aangeefster dreigend op verdachte afkwam onvoldoende steun vindt in het dossier en niet aannemelijk is geworden. Uit het dossier volgt dat verdachte en aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde met elkaar in onmin leefden en in een relatiecrisis zaten. Op de avond van het tenlastegelegde wilde aangeefster niet dat verdachte bij haar in bed kwam liggen (met hun jongste dochter tussen hen in). Zij hebben elkaar toen tegen de benen geduwd. Toen dat over en weer niet tot het gewenste resultaat leidde, hebben zij beiden de nadere (fysieke) confrontatie gezocht; aangeefster door op verdachte af te komen en verdachte door aangeefster tegen haar borst te trappen en op een volgend moment in een wurggreep te nemen. Binnen deze context van het over en weer zoeken van de confrontatie zijn de bewezenverklaarde handelingen van verdachte te zien als een daad van agressie en komt hem om die reden een geslaagd beroep op noodweer en - in het verlengde daarvan - op noodweerexces niet toe. Daarbij is nog van belang dat verdachte ter zitting weliswaar heeft gesteld dat hij beoogde de-escalerend op te treden maar dat die lezing geen steun vindt in het dossier, zeker niet waar [naam 3] heeft verklaard dat verdachte ook tegen haar schreeuwde en haar zusje uit haar handen rukte.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 21 november 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- tegen de borst/ribbenkast te trappen en
- in een wurggreep vast te pakken en te houden.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal dezelfde straf gevorderd. De raadsman heeft verzocht om te volstaan met een voorwaardelijke straf.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner, door haar tegen haar borst te trappen en in een wurggreep vast te pakken en te houden. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De mishandeling vond plaats in de woning van het slachtoffer. Hun jonge dochtertje was daarbij aanwezig en ook de stiefdochter van verdachte kwam op het geluid af en heeft de politie moeten bellen. Partnermishandeling heeft doorgaans een grote impact en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de huiselijke omgeving, een omgeving waar men zich juist veilig moet kunnen voelen.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 20 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. Bij de strafoplegging heeft het hof verder rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Alles overwegend komt het hof tot oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, om verdachte maximaal te stimuleren zich niet opnieuw aan soortgelijke feiten schuldig te maken. Voor de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarden ziet het hof geen aanleiding, zodat het hof die voorwaarden niet op zal leggen.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 maart 2026.