Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 november 2024 met parketnummer 05-337552-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1956 in [geboorteplaats] ,
wonende in [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 18 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Leusden, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, inhoudende dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank heeft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, bewezen verklaard en verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis.
Het hof komt in dit arrest tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging dan de rechtbank Gelderland. Daarom vernietigt het hof het vonnis en doet het opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairHij op of omstreeks 14 september 2022 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met
daaraan gekoppeld een aanhanger), daarmee rijdende over de weg, de A15, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij een professioneel beroepschauffeur is en/of
- terwijl hij (zeer) goed bekend is met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of
- terwijl hij ter plaatse (zeer) goed bekend en/of
- na een flauwe bocht naar links en/of - uit is geweken naar rechts,
- ( daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet over de rijbaan is blijven rijden en/of
- in strijd met artikel 43, derde lid, van voornoemd reglement anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook en/of
- ( vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de A15, kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een ander motorrijtuig (veegwagen) dat op voornoemde vluchtstrook bezig was met werkzaamheden, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten de bestuurder van de veegwagen,
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiairhij op of omstreeks 14 september 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (vrachtauto met daaraan gekoppeld een aanhanger), daarmee rijdende op de weg, de A15,
- uit is geweken naar rechts,
- ( daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet over de rijbaan is blijven rijden en/of
- in strijd met artikel 43, derde lid, van voornoemd reglement anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook en/of
- ( vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de A15, kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een ander motorrijtuig (veegwagen) dat op voornoemde vluchtstrook bezig was met werkzaamheden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Gebruikte bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen inhoudende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in de vorm van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit en daarvoor aangevoerd dat de gedragingen van verdachte passen bij een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte is met zijn voertuig in een spoor op de weg gekomen als gevolg waarvan hij op de vluchtstrook is terechtgekomen. De raadsman heeft daarom verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
Beoordeling hof
Vaststaat dat verdachte, een beroepschauffeur, in de middag van 14 september 2022 als bestuurder van een trekker met oplegger (hierna: voertuig A) tijdens helder en droog weer en terwijl het wegdek droog was heeft gereden op de A15 links, van Nijmegen naar Rotterdam, en in [plaats] in de gemeente [gemeente] ter hoogte van hectometerpaal [nummer] met voertuig A geheel op de vluchtstrook is terechtgekomen. Verdachte is vervolgens met voertuig A gebotst tegen een zich op die vluchtstrook bevindende veegwagen (hierna: voertuig B). Voertuig A heeft remblokkeersporen op het wegdek afgetekend. De afstand tussen de rechterkant van de doorgetrokken kantstreep van de vluchtstrook, die 3,5 meter breed is, en de meest linker – gezien vanuit de rijrichting van voertuig A – remblokkeerspoor was bij het begin van het spoor ongeveer 0,6 meter. De snelheid van voertuig A, dat vijf betonnen vloerplaten van ongeveer 27 ton vervoerde, bedroeg kort voor de botsing 84 kilometer per uur. De rechter voorkant van de trekker van voertuig A was fors beschadigd. De achterkant van voertuig B, van 1,81 meter breed, was beschadigd en vervormd en de wielophanging links was fors beschadigd en vervormd. Op het dak van voertuig B was een oranjekleurig zwaailicht aanwezig en aan de achterkant een actieraamwerk voor een verkeersbord J16 dat waarschuwt voor wegwerkzaamheden.
De bestuurder van voertuig B heeft als gevolg van de aanrijding onder meer zijn bekken, ribben, linkerschouderblad en nek- en rugwervels gebroken en een bloeding in zijn hersenen opgelopen.
De bestuurder van voertuig B heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval de vluchtstrook veegde, dat hij met de veegwagen rechts op de vluchtstrook reed, tegen het bermgras aan, en dat de snelheid van de veegwagen ongeveer vijf kilometer per uur bedroeg. Ook heeft hij verklaard dat het waarschuwingslicht op het dak automatisch aangaat als het voertuig start en dat zich verkeersbord J16 in het actieraamwerk bevond.
Ten tijde van zijn verhoor op 7 november 2022 was de bestuurder van voertuig B nog opgenomen in een revalidatiecentrum.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of het aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is te wijten dat hij als verkeersdeelnemer een ongeval heeft veroorzaakt waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat (het onder 1 primair tenlastegelegde) dan wel dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat hij artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden (het onder 1 subsidiair tenlastegelegde).
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ‘Schuld’ als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Bij de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.
In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen.
De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.
(HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.12.6.3.)
De forensische opsporing verkeer heeft onderzoek gedaan naar de remblokkeersporen van voertuig A en naar de botsplaats en -posities. Uit het onderzoek van de remblokkeersporen volgt dat voertuig A zich in zijn geheel op de vluchtstrook bevond op het moment dat verdachte remde en de banden van voertuig A blokkeerden. Voertuig B bevond zich ten tijde van de aanrijding uiterst rechts op de vluchtstrook: de afstand tussen de doorgetrokken kantstreep van de vluchtstrook en de linkerzijde van voertuig B was 1,7 meter.
Het hof gaat ervan uit dat, zoals de bestuurder van voertuig B heeft verklaard, direct vóór het ongeval het oranjekleurige waarschuwingslicht op het dak van voertuig B in werking was en dat verkeersbord J16 zich in het actieraamwerk bevond. Mede gelet op de weersomstandigheden op het moment van de aanrijding en de positie van voertuig B op de vluchtstrook, moet voertuig B voorafgaand aan en op het moment van de aanrijding goed zichtbaar zijn geweest voor verdachte.
Vaststaat ook dat verdachte voertuig A niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was. Hij heeft voertuig B linksachter geraakt.
De politie heeft naar aanleiding van de verklaring van de verdachte dat hij in een spoor is terechtgekomen of moest uitwijken voor gaten in het wegdek, onderzoek gedaan naar de staat van het wegdek ter plaatse van het ongeval, te weten vanaf ongeveer 300 meter voor tot ongeveer 100 meter na de botsplaats. Uit dit onderzoek is niet anders gebleken dan dat het wegdek ter plaatse van het ongeval in goede staat verkeerde, dat er geen gaten of gleuven in het wegdek zaten en dat er geen sprake was van spoorvorming.
Een snelweg als de A15 vraagt naar het oordeel van het hof mede vanwege de toegestane maximumsnelheid bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de weggebruikers. Dit geldt des te meer voor een bestuurder van een trekkeropleggercombinatie zoals voertuig A, dat inclusief de lading ongeveer 43 ton woog. Verdachte is met voertuig A zonder duidelijke aanleiding – het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte met voertuig A in een spoor op de weg is gekomen – van de hoofdrijbaan voor doorgaand verkeer geraakt en volledig op de vluchtstrook terechtgekomen. Verdachte heeft pas geremd en de rijrichting van voertuig A weer aangepast toen hij een aanrijding met voertuig B niet meer kon vermijden. Kennelijk is verdachte zo onoplettend geweest dat hij met voertuig A volledig op de vluchtstrook is terechtgekomen en te laat was met remmen en bijsturen om een aanrijding met voertuig B, dat helemaal rechts van de vluchtstrook reed, te voorkomen. Naar het oordeel van het hof is verdachte daarmee, gelet op de omstandigheden van het geval waaronder de aard van de verkeerssituatie en het soort voertuig dat hij bestuurde – in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid – zodanig tekortgeschoten in de aandacht die van hem mocht worden gevergd, dat zijn rijgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam moet worden aangemerkt.
Daarmee heeft verdachte zich zodanig gedragen dat het tenlastegelegde verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 14 september 2022 in [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met daaraan gekoppeld een aanhanger), daarmee rijdende over de weg, de A15, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij een professioneel beroepschauffeur is en/of
- terwijl hij (zeer) goed bekend is met het door hem bestuurde motorrijtuig en/of
- terwijl hij ter plaatse (zeer) goed bekend is en/of
- na een flauwe bocht naar links, en/of
- is uitgeweken naar rechts,
- ( daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
- in strijd met artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet over de rijbaan is blijven rijden en/of
- in strijd met artikel 43, derde lid, van voornoemd reglement anders dan in een noodgeval heeft gereden over/op, althans gebruik heeft gemaakt van de vluchtstrook en/of
- ( vervolgens) in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg, de A15, kon overzien en waarover deze vrij was,
immers is hij, verdachte, gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een ander motorrijtuig (veegwagen) dat op voornoemde vluchtstrook bezig was met werkzaamheden, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander (te weten de bestuurder van de veegwagen,
[slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van zes maanden op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan te sluiten bij de strafoplegging van de rechtbank.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is op 14 september 2022 als bestuurder van een vrachtauto met een aanhanger beladen met betonnen vloerplaten, rijdend op de A15 zonder duidelijke aanleiding volledig op de vluchtstrook terechtgekomen. Daar was op dat moment een langzaam rijdende veegwagen aan het werk waarna een aanrijding heeft plaatsgevonden. Van verdachte mocht als chauffeur van een (beladen) vrachtwagen een verhoogde mate van oplettendheid en voorzichtigheid worden gevergd, waaraan hij niet heeft voldaan. De bestuurder van de veegwagen is als gevolg van het ongeval ernstig gewond geraakt. Hij heeft onder meer zijn bekken, ribben, linkerschouderblad en nek- en rugwervels gebroken en een bloeding in zijn hersenen opgelopen. De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de bestuurder van de veegwagen nog steeds niet volledig is hersteld.
Het hof heeft als vertrekpunt van denken over een op te leggen straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zaken waarin sprake is van schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige gevolgen. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het met aanmerkelijke schuld veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, een taakstraf van honderdtwintig uren en een rijontzegging van zes maanden.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 20 januari 2026 niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, zoals deze door verdachte en zijn raadsman ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte is door de aanrijding ook zelf gewond geraakt. Zo is zijn knie gekneusd, zijn schouder zwaar gekneusd en zijn rechter elleboog gebroken. Verdachte is (nog) niet volledig hersteld. Verdachte heeft daarnaast te kampen reuma. Verdachte is 43 jaar lang beroepschauffeur geweest en is al die tijd niet bij een aanrijding betrokken geraakt. Het verkeersongeval heeft twee maanden voor zijn pensionering plaatsgevonden. Verdachte had, ook uit financiële overwegingen, na zijn pensionering nog graag parttime als beroepschauffeur willen werken. Verdachte heeft door de aanrijding zijn groot rijbewijs niet verlengd en zijn toekomstplannen noodgedwongen moeten bijstellen.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een taakstraf van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis, passend en geboden.
Ter bescherming van de verkeersveiligheid en om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, zal het hof daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om voertuigen te besturen van zes maanden opleggen. Het hof ziet aanleiding om die rijontzegging in voorwaardelijke zin op te leggen vanwege de gezondheidsproblemen van verdachte en omdat hij in 43 jaar als beroepschauffeur niet eerder voor een verkeersdelict is veroordeeld.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. I.C.E. Draisma, mr. N.C. van Lookeren Campagne en
mr. M.H.D.M. van Leent, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 maart 2026.