Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001457-24
Uitspraakdatum: 5 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 19 maart 2024 met parketnummer 16-019290-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [woonplaats] .
1. Hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Het hof heeft op vordering van het openbaar ministerie ter zitting van 21 november 2025 mondeling beslist dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is ter zake van het beroep tegen de beslissing tot vrijspraak van de rechtbank van het onder 3 tenlastegelegde. Dit feit is daarom niet meer aan de orde in hoger beroep en niet langer in de weergave van de tenlastelegging opgenomen.
2. Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 29 november 2024, 21 november 2025, 3 februari 2026 en 5 februari 2026 – waarna het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 5 maart 2026 – besproken is en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, wat op de zittingen bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van het openbaar ministerie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadslieden, mr. J. Boksem en mr. R. Knegt naar voren hebben gebracht. Het hof heeft ook kennisgenomen van wat er door de advocaat van de benadeelde partij,
mr. C.H. Dijkstra, naar voren is gebracht.
3. Het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen
Bij bovengenoemd vonnis is verdachte voor de volgende feiten veroordeeld tot straf:
De eendaadse samenloop en/of de voortgezette handeling van:
1 primair: poging tot moord, meermalen gepleegd, en
2: voorbereiding van moord, meermalen gepleegd, en voorbereiding zware mishandeling met voorbedachten rade, meermalen gepleegd.
Aan verdachte is door de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van elf
jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is in het vonnis een beslissing genomen op de
vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en is de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte door de rechtbank opgeheven.
Het hof komt in dit arrest tot een (enigszins) andere beslissing over het bewijs ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan de rechtbank. Verder legt het hof aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht.
4. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat, kort en zakelijk weergegeven, dat zij:
feit 1 in de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats]
(primair)
met voorbedachten rade heeft geprobeerd om haar kind [benadeelde partij 1] van
het leven te beroven;
dan wel (subsidiair)
heeft geprobeerd om haar kind [benadeelde partij 1] van het leven te beroven;
dan wel (meer subsidiair)
met voorbedachten rade haar kind [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel
heeft toegebracht;
dan wel (meest subsidiair)
met voorbedachten rade heeft geprobeerd haar kind [benadeelde partij 1] zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen;
dan wel (uiterst subsidiair)
roekeloos, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld waardoor het aan haar schuld te wijten is dat haar kind [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.
feit 2 in de periode van 20 april 2020 tot en met 18 juni 2020 te [plaats] en/of [plaats] voorwerpen/stoffen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: moord en/of doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachten rade op/van haar kind [benadeelde partij 1] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – dat:
1. zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, (telkens)
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof) in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] heeft gedaan en/of
- die moedermelk (zeer) heeft verdund en/of
- die moedermelk heeft meegenomen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf heeft toegediend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] opzettelijk van het leven te beroven, (telkens)
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof) in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] heeft gedaan en/of
- die moedermelk (zeer) heeft verdund en/of
- die moedermelk heeft meegenomen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf heeft toegediend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats] aan haar kind [benadeelde partij 1] , geboren op 20 april 2020 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade (telkens) zwaar lichamelijk letsel, te weten
- failure to thrive en/of gewichtsafname en/of
- meerdere malen, althans eenmaal een ernstige (levensbedreigende) bradycardie (hartritmestoornis) als gevolg van een loperamidevergifting en/of
- ademhalingsproblemen heeft toegebracht door (telkens)
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof) in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] te doen en/of
- die moedermelk (zeer) te verdunnen en/of
- die moedermelk mee te nemen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf toe te dienen en/of
- andere handelingen bij die [benadeelde partij 1] uit te voeren;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind [benadeelde partij 1] , geboren [geboortedatum 2] te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade (telkens) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens)
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof) in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] heeft gedaan en/of
- die moedermelk (zeer) heeft verdund en/of
- die moedermelk mee heeft genomen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf heeft toegediend en/of
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
uiterst subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 19 juni 2020 te [plaats] roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (telkens)
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide heeft geslikt, terwijl zij kolfde om moedermelk voor die [benadeelde partij 1] te produceren en/of
- het gebruik van loperamide niet heeft gemeld bij de behandeld artsen van die [benadeelde partij 1] en/of
- ( een zeer hoge concentratie) loperamide (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof) in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] heeft gedaan en/of
- die moedermelk (zeer) heeft verdund en/of
- die moedermelk mee heeft genomen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf heeft toegediend en/of
waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten
- failure to thrive en/of gewichtsafname en/of
- meerdere malen, althans eenmaal een ernstige (levensbedreigende) bradycardie (hartritmestoornis) als gevolg van een loperamidevergifting en/of
- ademhalingsproblemen, heeft bekomen,
althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte was ontstaan;
2.zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2020 tot en met 18 juni 2020 te [plaats] en/of [plaats] ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag en/of poging moord en/of poging doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachten rade op/van [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] , opzettelijk (telkens) meerdere flesjes (zeer) verdunde moedermelk met daarin (een zeer hoge concentratie) loperamide bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Inleiding
Op [geboortedatum 2] is [benadeelde partij 1] (hierna: de dochter), na een zwangerschap van 28 weken, prematuur geboren in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ) te [plaats] . De eerste vijf weken van haar leven verliepen redelijk ongecompliceerd. In de periode daarna maakte de dochter meerdere infectieperioden door. De dochter werd ernstig ziek met beademingsbehoefte. Haar gewichtstoename werd door de artsen bestempeld als matig en door meerdere verpleegkundigen was gerapporteerd dat de moedermelk van verdachte er waterig uitzag, maar ook dat het (erg) stonk. Van 12 juni tot 18 juni 2020 was er bij de dochter sprake van ernstige bradycardie (hartritmestoornis). Een hartfilmpje op 16 juni 2020 liet een opvallende levensbedreigende bradycardie zien. Deze bradycardie werd niet begrepen door de artsen. Daarom werd breed onderzoek gedaan aan serum en urine van de dochter en aan afgekolfde moedermelk van verdachte. Hieruit bleek dat de voedingsstoffen in de moedermelk een lage concentratie hadden. Tevens bleek dat er loperamide in de moedermelk en in het serum en de urine van de dochter zat. De ziekenhuisapotheker van het WKZ heeft geconcludeerd dat de gemeten loperamide concentratie in het plasma (het hof begrijpt: het onderzochte bloedplasma van de dochter) overeenkomt met toxicologische casuïstiek.
De ouders werden ingelicht over het aantreffen van loperamide in de afgekolfde moedermelk. Verdachte vertelde dat zij wegens coeliakie en het niet houden aan een glutenvrij dieet veel en meer dan de voorgeschreven hoeveelheid loperamide slikt (zij noemde 40-50-60 mg), welk gebruik niet bekend was bij het WKZ.
De loperamide werd door de kindercardioloog van het WKZ na literatuuronderzoek als een aanwijsbare veroorzaker van de bradycardie gezien. Hierop is door de kinderarts een melding gedaan aan Veilig Thuis.
6. De kern van dit arrest
Verdachte wordt in deze zaak in de kern verweten dat zij de veroorzaker is van de gezondheidsproblemen van de dochter.
Verdachte zal in dit arrest worden veroordeeld voor de beschuldigingen dat zij heeft geprobeerd de dochter te vermoorden (feit 1 primair) en voor de voorbereidingshandelingen voor moord en zware mishandeling met voorbedachten rade op de dochter (feit 2). Uit het bewijs volgt dat verdachte meermaals en gedurende een lange periode de afgekolfde moedermelk heeft gemanipuleerd door het te verdunnen en er loperamide aan toe te voegen, en deze moedermelk in het ziekenhuis heeft laten toedienen aan de dochter.
Verdachte wordt enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht door het hof. Het hof zal aan haar een langdurige gevangenisstraf opleggen.
7. Waardering van het bewijs (feiten 1 en 2)
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens het openbaar ministerie is er sprake van een externe oorzaak voor de hoge loperamideconcentraties, de afwezigheid van desmethylloperamide en de aanwezigheid van maiszetmeelkorrels in de moedermelk. Dit geldt ook voor de lage macronutriëntenwaarden in de moedermelk. Het openbaar ministerie ziet op grond van het dossier geen bewijs voor het scenario van contaminatie of het scenario natuurlijke weg (biologisch proces) en komt tot de conclusie dat verdachte de moedermelk heeft verdund en loperamide aan de moedermelk heeft toegevoegd.
Wat betreft feit 2 heeft het openbaar ministerie gesteld dat de gekolfde moedermelk die enkel verdund was, bij toediening zou kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel en dat voor de gekolfde moedermelk waar ook loperamide aan is toegevoegd, geldt dat met het geven daarvan een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Bij pleidooi heeft de verdediging vele vragen gesteld over onder meer de chain of custody van de moedermelk vanaf het moment van inbeslagname, de wijze van verwerking en bewerking daarvan, de onderzoeksmethode en de resultaten van de onderzoeken die door drs. R. van der Hulst (hierna: Van der Hulst) van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) aan de moedermelkmonsters zijn verricht.
De verdediging meent dat de onderzoeksresultaten van Van der Hulst onbetrouwbaar en daarmee niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Dat geldt ook voor de bevindingen van de deskundigen die de data van Van der Hulst hebben betrokken in hun eigen onderzoek.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte bewust de afgekolfde moedermelk heeft verdund en daaraan (ook) loperamide heeft toegevoegd. Een combinatie van het in de afgekolfde moedermelk geraken van loperamide via de natuurlijke weg (biologisch proces) en door contaminatie van (delen van) het kolfapparaat en kolfflesjes met loperamide gruis in de kolftas, acht de verdediging het meest waarschijnlijke scenario.
Het oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en het openbaar ministerie van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het overzicht van dit bewijs is, ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest, als bijlage bij dit arrest opgenomen.
Voor zover van belang worden de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging hieronder nader besproken.
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1
Inleidende opmerking
Er is moedermelk van verdachte in beslag genomen. Die moedermelk is aangetroffen in de vriezer van de woning van verdachte en in het Radboud UMC. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de voedingswaarden (macronutriënten) in de moedermelk vanaf 30 mei 2020 sterk verminderd zijn en dat in de moedermelk van verdachte vanaf (in ieder geval) 6 juni 2020 hoge loperamideconcentraties zijn aangetoond. Verder leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat de loperamide die is gemeten in het serum en de urine van de dochter daar terecht is gekomen door inname van moedermelk waarin zich loperamide bevond.
In deze zaak gaat het in de kern om de vragen wat de oorzaak van de verminderde voedingswaarden en de hoge loperamideconcentraties in de inbeslaggenomen moedermelk en in het serum en de urine van de dochter is geweest en wat de bedoeling van verdachte daarmee is geweest. Het hof zal hieronder op deze punten ingaan.
De verminderde voedingswaarden van de moedermelk
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de onderzoeken van het Amsterdam UMC onder leiding van Prof. dr. van Goudoever (hierna: Van Goudoever) te twijfelen. Ook twijfelt het openbaar ministerie niet aan de juistheid van de uitkomsten van die onderzoeken. Van Goudoever heeft aangegeven dat een slecht leef- en eetpatroon geen verklaring is voor de aangetroffen waarden die vanaf 30 mei 2020 ver buiten de normale range liggen. Prof. E. Tommelein (hierna: Tommelein) heeft dat standpunt onderschreven. Wel kan een postpartum depressie of stress invloed hebben op de productie van moedermelk, maar niet op de kwaliteit van de samenstelling ervan. De voedingswaarden in de moedermelksamples vóór 30 mei 2020 en in het bijzonder die in het monster van 19 juni 2020 van het TMFI Maastricht vallen wel binnen de normaalwaarden. Op grond van het dossier is er alleen een externe oorzaak voor de lage macronutriëntwaarden in de moedermelk en het dossier biedt geen steun voor het scenario dat dit het gevolg kan zijn van verdachte haar coeliakie of het scenario van contaminatie. Het openbaar ministerie komt tot de conclusie dat verdachte de afgekolfde moedermelk bewust heeft verdund en daartoe de gelegenheid had.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging acht verdunning van de moedermelk (door verdachte) niet bewezen. Voor zover er al verschillen zouden zijn waargenomen, zijn die te verklaren door een biologisch proces en al dan niet te relateren aan de onbehandelde coeliakie van en verhoogde inname van loperamide door verdachte. Daarnaast is bij verdachte thuis of in haar omgeving geen verdunningsvloeistof aangetroffen en niemand heeft waargenomen dat verdachte ooit enig middel bij de moedermelk heeft gedaan.
Verdunning met water is uitgesloten en een andere vloeistof lijkt niet te zijn onderzocht. Zowel Van der Hulst, prof. dr. Allegaert (hierna: Allegaert) als Van Goudoever hebben geen verklaring voor de niet gelijkmatige ‘verdunning’. De verdunningsvloeistof zou steeds uit een andere samenstelling van macronutriënten moeten bestaan en voor die stelling bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt. Daarnaast laat recent onderzoek zien dat langdurig medicatiegebruik kan leiden tot wijziging van macronutriënten in de moedermelk, met een afname van het eiwitgehalte van 15-21 procent en een afname van het vet- en energiegehalte van 10-22 procent.
Het oordeel van het hof
In oktober 2020 heeft de Nederlandse Moedermelkbank (hierna: NMB) in het Amsterdam UMC vijftien samples van verdachtes moedermelk ontvangen ter beoordeling van de samenstelling van de vloeistof. De NMB voorziet vijf neonatale intensive care’s van Universitaire Medische Centra al jaren van donormelk, verkregen van vrouwen die een natuurlijk overschot aan melk hebben. Deze melk wordt beschikbaar gesteld aan prematuur geboren kinderen. Onderdeel van het proces is het meten van de kwaliteit van de melk, waardoor de NMB een zeer ruime ervaring heeft op dit gebied. De analysetechniek die wordt gehanteerd is een welbeproefde methode die wereldwijd wordt toegepast.
Het hof leidt uit het rapport van 30 november 2020 af dat er vijftien moedermelksamples zijn onderzocht van inbeslaggenomen moedermelk die is afgekolfd in de periode van 10 mei 2020 tot en met 16 juni 2020. Van Goudoever, kinderarts en hoofd Emma Kinderziekenhuis van het Amsterdam UMC en directeur van de NMB, concludeert dat de samenstelling van tien van de vijftien aangeleverde moedermelksamples ver beneden de normale waarden is, wat inhoudt dat deze samples aanzienlijk zijn verdund. Het gaat hierbij om samples van moedermelk die zijn afgekolfd in de periode 5 juni 2020 tot en met 16 juni 2020.
Allegaert, kinderarts met bijkomende opleiding in neonatologie en klinisch farmacoloog aan de KU Leuven en het Erasmus MC Rotterdam, heeft deze conclusie van Van Goudoever onderschreven. Allegaert stelt dat op basis van tabel 2 (het hof begrijpt: uit voornoemd rapport van 30 november 2020) bij tien van de vijftien stalen een systematisch lagere concentratie is aangetroffen voor alle macronutriënten (eiwit, koolhydraten en vetten, en dus ook energie inhoud), die enkel te verklaren is door exogene dilutie (dat wil zeggen: verdunning van buitenaf).
Ook in november 2022 heeft de NMB samples moedermelk van verdachte ontvangen ter beoordeling van de samenstelling van de vloeistof. Er zijn 89 samples geanalyseerd en daarvan hadden er 39 niet de normale voedingswaarden. Het hof leidt uit het rapport van Van Goudoever van 10 januari 2023 af dat de voedingswaarden in de moedermelk van verdachte normaal zijn in de periode vanaf 10 mei 2020 tot en met 29 mei 2020. Vanaf 30 mei 2020 tot en met 18 juni 2020 zijn de voedingswaarden buiten de normale waarden (de voedingswaarden wijken meer dan twee standaarddeviaties af van normale voedingswaarden). Op 19 juni 2020 heeft de moedermelk weer normale voedingswaarden.
Van Goudoever heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat het hem opvalt dat de macronutriëntenwaarden in de moedermelksamples vanaf 10 mei 2020 heel normale waarden zijn. Ze worden ineens afwijkend vanaf 30 mei 2020. Van Goudoever heeft verder toegelicht dat in drievoud is gemeten, dat de waarden goed overeenkomen en daarom volgens hem betrouwbaar zijn. Van Goudoever ziet dat sommige van die samples wel 80% onder de normaalwaarden macronutriënten zitten. De NMB meet al dertien jaar de waarden in moedermelksamples en zij hebben nog nooit dit soort fors afwijkende waarden gezien, aldus Van Goudoever. De energie, het vet en het eiwit zijn bijna allemaal veel te laag.
Van Goudoever heeft erop gewezen dat voedingswaarden in moedermelk wereldwijd in een bepaalde standaardmarge vallen en stabiel zijn. De moedermelk van verdachte wijkt sterk van die marge af en is niet meer stabiel vanaf 30 mei 2020 tot 19 juni 2020 (waarna op 19 juni 2020 de waarde weer normaliseert). Van Goudoever acht het niet goed voorstelbaar dat een melkklier deze afwijkende moedermelk heeft geproduceerd. Hij heeft erop gewezen dat stress of het eet- en leefpatroon van verdachte daarvoor geen verklaring kan zijn. Tommelein heeft het voorgaande ter zitting in eerste aanleg bevestigd. Desgevraagd heeft Tommelein toegelicht dat bij postpartum depressies eerder wordt gezien dat de melkproductie stopt en er dus gewoon geen melk meer komt. Als er nog wel melk wordt aangemaakt, bevat die melk nog wel goede of voldoende macronutriënten. Dat geldt ook in het geval de moeder grote stress ervaart. Die omstandigheid kan invloed hebben op de productie van de moedermelk, maar niet op de samenstelling van de melk, aldus Tommelein.
Van Goudoever heeft in dat verband nog gewezen op de moedermelkproductie van vrouwen in hongersnood die nog moedermelk produceren waarvan de macronutriënten op peil zijn en op de moedermelkproductie van moeders met een veganistisch dieet die onvoldoende voedingswaarden in hun eigen bloed hebben, maar waarvan de moedermelk normale voedingswaarden hebben.
Anders dan de verdediging acht het hof de onderzoeksresultaten in de rapportages van de NMB, telkens opgesteld door Van Goudoever, betrouwbaar en juist. In de rapportages wordt verantwoording afgelegd over onder meer de expertise en zeer ruime ervaring van de NMB, de gehanteerde onderzoeksmethode (die wereldwijd wordt toegepast), de ontvangst- en bewaarcondities van de moedermelksamples, het homogeniseren daarvan en de analyse. Naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek van de verdediging heeft Van Goudoever in hoger beroep zijn deskundigheid nader toegelicht, onder andere door toezending van zijn uitgebreide curriculum vitae. Het hof heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan zijn deskundigheid en de betrouwbaarheid en juistheid van de onder zijn leiding uitgevoerde metingen en acht de resultaten daarvan dan ook bruikbaar voor het bewijs.
Dit geldt ook voor de bevindingen en onderzoeksresultaten van Allegaert. Allegaert doet in zijn rapportages van september 2025 en oktober 2025 uitgebreid verslag van zijn deskundigheid. Het hof heeft evenmin reden te twijfelen aan zijn deskundigheid op de gebieden zoals hier aan de orde en acht daarom ook zijn bevindingen en onderzoeksresultaten bruikbaar voor het bewijs.
Het hof is van oordeel dat kan worden uitgesloten dat de moedermelk in het lichaam verdund is geraakt. Tommelein heeft weliswaar de mogelijkheid opengelaten van een interactie tussen de moedermelknutriënten en loperamide, maar daarbij gaat het uitsluitend om een niet-onderbouwde theoretische mogelijkheid. Van der Hulst benoemt nog in zijn deskundigenrapport van 17 maart 2025 op de vraag of er een invloed is van loperamide op de macronutriënten in de moedermelk (zie het deskundigenrapport van 28 februari 2023 bij vraag 2a), dat hij niet de mening deelt dat loperamide invloed heeft op de vochtregulerende processen in de borst en de loperamideconcentratie niet is gecorreleerd aan de concentraties van macronutriënten.
De verdediging heeft in dat verband nog gewezen op de door hen aangenomen gelijktijdigheid van en correlatie tussen de toename van loperamidewaarden en de vermindering van voedingswaarden in de moedermelk. Ook heeft de verdediging gewezen op de mogelijke invloed van de onbehandelde coeliakie van verdachte.
In dat verband wijst het hof erop dat van dergelijke gelijktijdigheid en correlatie geen sprake is. De moedermelkwaarden nemen (fors) af vanaf 30 mei 2020 en de loperamidewaarden stijgen pas vanaf 6 juni 2020. Bovendien is de loperamidewaarde op 19 juni 2020 het hoogst terwijl op diezelfde dag de voedingswaarden in de moedermelk weer normaal zijn. Daarnaast waren de voedingswaarden ook normaal in de periode van 10 mei 2020 tot en met 29 mei 2020, zodat het hof geen relatie aannemelijk acht tussen de al langer aanwezige coeliakie klachten van verdachte en de fors afwijkende macronutriënten vanaf 30 mei 2020. Het hof gaat daarom voorbij aan hetgeen de verdediging hierover heeft aangevoerd.
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging nog gewezen op een recent gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek, waaruit zou volgen dat langdurig medicatiegebruik kan zorgen voor een wijziging van macronutriënten in moedermelk.
Het hof wil op basis van dit onderzoek op zichzelf wel aannemen dat er een relatie kan zijn tussen langdurig gebruik van medicatie en afname van bepaalde voedingsstoffen in de moedermelk. Blijkens hetgeen door de verdediging is aangevoerd gaat het dan kennelijk om een daling van het eiwitgehalte van 15 tot 21 procent en een daling van het vetpercentage en energie van 10 tot 22 procent. Daarbij acht het hof het van belang te benoemen dat in hetzelfde artikel staat beschreven dat het langdurig gebruik van medicatie geen invloed had op het koolhydraatgehalte in de moedermelk. Het hof overweegt dat verdachtes situatie niet vergelijkbaar is met de onderzochte doelgroep van het onderzoek, namelijk moeders die langdurig medicatie gebruiken. Verdachte heeft immers verklaard dat zij in verband met haar coeliakie niet langdurig en iedere dag loperamide slikte, maar dat deed in (kortere) periodes wanneer haar coeliakie weer opspeelde door het niet opvolgen van haar glutenvrije dieet. Als de klachten dan weer verminderd waren, stopte zij met het slikken van loperamide. Na de bevalling van de dochter heeft verdachte naar eigen zeggen gedurende een week loperamide geslikt in verband met diarreeklachten door antibioticagebruik. Daar is zij na die week weer mee gestopt.
Los daarvan acht het hof vooral van belang dat alle onderzochte macronutriënten (eiwit, vet, energie én koolhydraat) in de samenstelling van de moedermelksamples van verdachte in de periode vanaf 30 mei 2020 tot en met 18 juni 2020 zodanig afwijkend zijn (volgens Van Goudoever gaat het daarbij ook om percentages van wel 80 procent), dat dit onderzoek geen verklaring geeft voor de in deze zaak gemeten fors afwijkende macronutriënten van de samples. Het hof gaat daarom voorbij aan het verweer van de verdediging op dit punt.
Het hof gaat op grond van het voorgaande ervan uit dat de afname van de macronutriënten in de moedermelk niet het gevolg is van biologische processen in het lichaam en dat de moedermelk buiten het lichaam van verdachte is verdund. De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden is of verdachte degene is geweest die de moedermelk heeft verdund. Uit het dossier blijkt dat verdachte de spil was in het afkolven van de borstvoeding. Zij produceerde de melk en kolfde de melk. De gekolfde melk werd óf in de koelkast op de kamer van zoon [zoon verdachte] geplaatst óf in zakjes overgegoten om in de vriezer thuis te bewaren. Verdachte heeft daarmee elke dag de gelegenheid gehad om de moedermelk te verdunnen. Er komen geen aanwijzingen uit het dossier naar voren voor betrokkenheid bij de verdunning door anderen, zoals de echtgenoot van verdachte, de thuisverpleegkundigen voor [zoon verdachte] of medewerkers van het ziekenhuis. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte bij ieder kolfmoment onder constant toezicht van een ander heeft gestaan.
Daarbij komt dat het verdunnen van moedermelk na het kolven op zichzelf geen ingewikkelde handeling is.
Het is niet ondenkbaar dat de moedermelk met verschillende middelen is verdund wat de verhoudingsgewijze verschillen van de macronutriënten kan verklaren. Een uitleg over de wijze van verdunning heeft verdachte in ieder geval niet gegeven. Zij heeft zelf enkel verklaard over haar leefomstandigheden en gezondheid als mogelijke veroorzaker van de verdunning, maar dat heeft het hof hiervoor als mogelijkheid uitgesloten.
Gelet op het bovenstaande concludeert het hof dat de moedermelk in de periode van 30 mei 2020 tot en met 18 juni 2020 van buitenaf verdund is door verdachte.
Loperamide in de moedermelk
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat er een externe oorzaak is voor de hoge loperamideconcentraties, gelet op de afwezigheid van desmethylloperamide en de aanwezigheid van maiszetmeelkorrels, in de moedermelk. Het openbaar ministerie ziet op grond van het dossier geen bewijs voor het scenario van een biologisch proces of het scenario van contaminatie via het kolfapparaat of de kolfflesjes door gruis uit de kolftas en komt tot de conclusie dat verdachte loperamide na het kolven aan de moedermelk heeft toegevoegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat loperamide in de moedermelk terecht is gekomen door het slikken van grote hoeveelheden loperamide door verdachte in combinatie met contaminatie van (delen van) het kolfapparaat en (geopende) kolfflesjes met loperamidegruis in de kolftas. Op 22 juni 2020 werd bij de doorzoeking in de woning van verdachte de kolftas inbeslaggenomen en daarin werden capsules, delen van capsules en poeder aangetroffen, die loperamide bleek te bevatten. De verdediging ziet op grond van hetgeen door deskundigen is aangedragen voldoende aanwijzingen voor de doorwerking van loperamide in de moedermelk op biologische wijze.
De verdediging heeft vele vragen gesteld over onder meer de chain of custody van de moedermelk vanaf het moment van inbeslagname, de wijze van verwerking en bewerking daarvan, de onderzoeksmethode en de resultaten van de onderzoeken die door Van der Hulst aan de moedermelkmonsters zijn verricht. De door Van der Hulst uitgevoerde onderzoeken leveren volgens de verdediging onbetrouwbare resultaten op en mogen niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat geldt ook voor de onderzoeksresultaten van de andere deskundigen die met de data van Van der Hulst conclusies hebben getrokken, waaronder in het bijzonder Allegaert.
Het oordeel van het hof
Van der Hulst, apotheker-toxicoloog bij het NFI, heeft naar aanleiding van de bevindingen van het WKZ toxicologisch onderzoek verricht aan het lichaamsmateriaal van de dochter en de moedermelk.
Uit zijn rapport van 29 december 2020 volgt dat in het plasma/serum van de dochter loperamide is aangetroffen. In het plasma/serum afgenomen op 11 juni 2020 en 16 juni 2020 zijn loperamideconcentraties gemeten van respectievelijk 0,25 en 0,24 mg/l. In het plasma/serum van de dochter dat is afgenomen op 17 juni 2020 en 19 juni 2020 zijn loperamideconcentraties gemeten van respectievelijk ongeveer 0,11 mg/l en 0,022 mg/l. In de urine van 17 juni 2020 is eveneens loperamide aangetroffen.
Loperamide is een geneesmiddel dat wordt toegepast bij de behandeling van diarree. Het is in Nederland verkrijgbaar als (smelt)tablet en capsule in een dosering van 2 mg en als drank in een concentratie van 0,2 mg/ml. Loperamide heeft bij therapeutisch gebruik een lokaal effect in de darmen. Bij gebruik van loperamide komt slechts een klein deel (ongeveer 1%) van de dosering terecht in de bloedcirculatie van degene die het inneemt.
Na inname van therapeutische loperamide doseringen van 2 tot 16 mg liggen bij degene die het inneemt de gemiddelde maximale loperamideconcentraties in plasma tussen 0,00024 en 0,0043 mg/l. Bij 13 volwassenen die loperamide misbruikten en die met intoxicatie verschijnselen waren opgenomen in het ziekenhuis zijn loperamide concentraties in serum gemeten van 0,022 tot 0,21 mg/l.
Bij volwassenen waarbij het overlijden gerelateerd was aan loperamide gebruik zijn loperamideconcentraties in postmortaal afgenomen bloed beschreven:
Bij 18 personen: van 0,034 tot 0,89 mg/l, gemiddeld 0,27 mg/l;
Bij 8 personen: van 0,013 tot 1,4 mg/l, gemiddeld 0,58 mg/l;
Bij 5 personen: van 0,032 tot 0,45 mg/l, gemiddeld 0,27 mg/l.
Volgens Van der Hulst zijn de gemeten loperamideconcentraties in het plasma/serum van de prematuur geboren dochter van 11, 16 en 17 juni 2020 hoge concentraties waarbij toxische effecten kunnen optreden, zoals hartritmestoornissen, obstructie van de darm en bewustzijnsverlaging. De loperamideconcentratie in het plasma/serum van 19 juni 2020 ligt lager, maar is ook een hoge concentratie waarbij mogelijke toxische effecten kunnen optreden. Van der Hulst stelt dat de beschreven ernstige bradycardie (lage hartslagfrequentie) in de periode van 12 juni tot 18 juni 2020 kan worden verklaard door de hoge concentratie loperamide. Ook acht Van der Hulst het waarschijnlijk dat in de periode van 11 tot 16 juni 2020 sprake is geweest van minimaal twee blootstellingen aan een hoge dosering loperamide.
Volgens Van der Hulst zijn er nauwelijks medisch wetenschappelijke publicaties over de aanwezigheid van loperamide in moedermelk. Eén onderzoek beschrijft de opname van loperamide in moedermelk bij 6 vrouwen. In dit onderzoek werden loperamide concentraties in moedermelk en plasma bepaald na inname van tweemaal 4 mg loperamideoxide met een 12 uur tussenliggende periode. Loperamideoxide is een zogenaamde prodrug van loperamide. Na inname wordt loperamideoxide in de darm omgezet tot loperamide. In de moedermelk van deze vrouwen werd 6 uur na inname van de tweede dosis een mediane loperamideconcentratie van 0,00027 mg/l gemeten (bereik 0 tot 0,00061 mg/l). In het plasma van de vrouwen werd een mediane loperamideconcentratie van 0,00073 mg/l gemeten (bereik 0,0002 tot 0,0016 mg/l). De concentraties aanwezig in de moedermelk waren in dit onderzoek dus lager dan die in het plasma zijn aangetroffen.
Van der Hulst is er vanuit gegaan dat de data en tijdstippen geschreven op de verschillende verpakkingen moedermelk de dag en het tijdstip van het kolven is geweest. In de moedermelk die is gekolfd tussen 8 en 17 juni 2020 zijn hoge concentraties van loperamide gemeten, met uitzondering van de moedermelk van 16 juni 2020. De gemeten loperamideconcentraties in moedermelk tussen 8 juni en 17 juni 2020 zijn vele malen hoger (1.000 tot 30.000 maal) dan de concentraties die zijn gemeten in het door hem aangehaalde medisch wetenschappelijk onderzoek.
Van der Hulst concludeert dat de gemeten loperamideconcentraties in de moedermelk niet verklaard kunnen worden door opname van loperamide in de moedermelk na inname van loperamide door de moeder.
In hoger beroep zijn de moedermelkmonsters onderzocht op de aanwezigheid van de hulpstoffen aspartaam en maiszetmeelkorrels. Van der Hulst heeft onderzoek verricht naar de aanwezigheid van aspartaam in het monster van de afgekolfde moedermelk op 19 juni 2020 in het TMFI. Aspartaam is een hulpstof in loperamide smelttabletten (Imodium). Daarnaast heeft dr. A.F.W.M. Wolterink van het NFI onderzoek verricht naar de aanwezigheid van hulpstoffen van een loperamide capsule in de moedermelkmonsters. Loperamide capsules bevatten onder andere zetmeelkorrels van mais als vulmiddel.
Volgens zowel van der Hulst als Allegaert wordt maiszetmeel in het maagdarmkanaal afgebroken door de spijsverteringsenzymen. Na orale inname van deze stof zal deze dus niet of nauwelijks waarneembaar zijn in moedermelk. Aspartaam wordt wel opgenomen door het lichaam, maar omgezet tot phenylalaline, waardoor de aanwezigheid van aspartaam niet te verwachten is in de moedermelk. Prof. dr. D.J. Touw (hierna: Touw) onderschrijft dit.
In het rapport van het NFI van 8 juli 2025 concludeert Van der Hulst dat in alle monsters waarin een hoge loperamideconcentratie is gemeten, maiszetmeelkorrels zijn aangetroffen. Het hof leidt uit dit rapport af dat het daarbij gaat om monsters van moedermelk afgekolfd in de periode van 6 juni 2020 tot en met 15 juni 2020 en van 19 juni 2020 en moedermelk uit dertien moedermelkpotjes afkomstig van afgekolfde moedermelk die in het RadboudUMC in beslag is genomen.
In de monsters waarin geen loperamide is aangetroffen en in de monsters waarbij loperamide in lage concentraties is gemeten (passend bij oraal therapeutisch gebruik), zijn geen maiszetmeelkorrels aangetroffen. Uit het rapport leidt het hof af dat het daarbij gaat om monsters van moedermelk afgekolfd in de periode van 12 mei 2020 tot 6 juni 2020. Daarnaast is in het monster van afgekolfde moedermelk in het TMFI door verdachte op 19 juni 2020 naast maiszetmeelkorrels ook aspartaam aangetroffen.
Van der Hulst concludeert dat de aanwezigheid van maiszetmeelkorrels in de onderzochte moedermelk extreem veel waarschijnlijker (het hof begrijpt: de hoogste waarschijnlijkheidsgradatie) is onder de hypothese dat de aanwezigheid van loperamide in de moedermelk wordt verklaard door contaminatie of toevoeging van loperamide aan moedermelk dan onder de hypothese door inname van loperamide en overdracht naar de moedermelk via de bloedbaan.
Allegaert heeft de werkwijze, methoden, bevindingen en conclusies van het NFI als accuraat onderschreven. Ook is hij akkoord met de door Van der Hulst gebruikte verbale kwalificatie van ‘extreem veel waarschijnlijker’. Touw onderschrijft het door het NFI uitgevoerde onderzoek en de gehanteerde methode naar maiszetmeel en aspartaam. Touw acht het opnemen en via de moedermelk uitscheiden van intacte maiszetmeelkorrels zeer onwaarschijnlijk. Ook acht Touw het niet waarschijnlijk dat aspartaam via de natuurlijke weg in de moedermelk terecht kan zijn gekomen.
Het hof is van oordeel dat de onderzoeksresultaten van Van der Hulst, onderschreven door Allegaert en Touw, betrouwbaar en juist zijn. Van der Hulst is als deskundige ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) op het vakgebied Forensische Toxicologie. Aan de opname in dit register gaat een uitgebreid onderzoek door een onafhankelijke toetsingscommissie vooraf. In zijn rapportages heeft Van der Hulst verantwoording afgelegd over onder meer de chain of custody van de inbeslaggenomen moedermelk, de wijze van ontvangst, verwerking en bewaring ervan, de gehanteerde (en gevalideerde) onderzoeksmethode en geraadpleegde literatuur bij interpretatie van de resultaten. Hoewel aan de inbeslaggenomen moedermelk veelal meerdere sporenidentificatienummers zijn gekoppeld vanwege meerdere (deel)monsters die zijn genomen voor onderzoek, zijn de monsters wel te herleiden en is de chain of custody voldoende duidelijk. Ook is niet gesteld of gebleken dat de moedermelk van iemand anders dan verdachte afkomstig zou kunnen zijn. Het hof acht dit ook niet aannemelijk.
Van der Hulst heeft in zijn rapportages ook verklaard dat de loperamide concentratie in moedermelk na verloop van tijd weliswaar kan afnemen, maar stelt ook dat de monsters nog steeds bruikbaar zijn voor onderzoek. Voorts heeft Van der Hulst in zijn rapportages melding gemaakt van eventuele bijzonderheden aan de inbeslaggenomen moedermelk, bijvoorbeeld over het lekken van wat moedermelk in een verpakkingszak. Daarover is transparant gerapporteerd.
De onderzoeken van Van der Hulst zijn verricht overeenkomstig de binnen het NFI geldende kwaliteitsstandaarden. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de deskundigheid van Van der Hulst ter zake van de onderzoeken die hij in deze zaak heeft verricht en de betrouwbaarheid en juistheid van de inhoud van de door hem opgestelde rapportages. Het hof acht de onderzoeksresultaten van Van der Hulst dan ook bruikbaar voor het bewijs. Naar het oordeel van het hof geldt dit eveneens voor de onderzoeksresultaten van Allegaert en Touw zoals hiervoor overwogen. Ook die acht het hof bruikbaar voor het bewijs.
Het hof zal, gelet op de hiervoor weergegeven onderzoeksresultaten van het NFI, bevestigd door zowel Allegaert als Touw, hieronder ingaan op de vraag of het hof het door de verdediging gestelde scenario van contaminatie aannemelijk acht.
Contaminatie
Voor wat betreft de mogelijkheid van contaminatie geldt dat de verdediging uitgaat van de aanname dat verdachte in de periode voor 19 juni 2020 capsules loperamide en smelttabletten imodium los in haar kolftas bewaarde en dat er loperamidegruis in die tas terecht is gekomen. Het hof vindt in het procesdossier geen bevestiging voor deze aanname. In het dossier is namelijk pas op 22 juni 2020 een aanwijzing voor aanwezigheid van de inhoud van capsule(s) los in de tas. Dit moment is gelegen ná de mededeling van het ziekenhuis aan verdachte dat er dusdanig hoge loperamideconcentraties zijn aangetroffen in de moedermelk dat die niet door inname kunnen worden verklaard. Getuige [echtgenoot] , de echtgenoot van verdachte (verder: de echtgenoot) heeft verklaard dat hij ook wel eens de spullen uit de kolftas haalde en er weer in deed. Hij heeft weliswaar, achteraf, verklaard dat verdachte steeds slordiger werd met het schoonmaken van de kolfapparatuur, maar hij heeft tijdens de tenlastegelegde periode niet gezien dat er losse medicatie/pillen/tabletten/capsules in de kolftas lagen, want anders had hij daar wel iets van gezegd. Pas op 22 juni 2020 zag hij dat verdachte in de auto aan het prutsen was met capsules boven de kolftas. Hij zag dat zij pillen met een drukbeweging in de tas deed en een paar capsules open maakte waar poeder uit kwam dat in de tas terecht kwam. Uit het dossier volgt niet dat hij of anderen in de omgeving van verdachte haar dit eerder hebben zien doen.
De echtgenoot heeft verder verklaard dat hij en verdachte in de auto (het hof begrijpt: op 22 juni 2020) op weg waren naar [naam] (het hof begrijpt: mr. [naam] , de advocaat van de echtgenoot) naar aanleiding van de bevindingen van het ziekenhuis met betrekking tot de hoge dosis loperamide in het serum en de urine van de dochter. Om de advocaat te kunnen laten zien hoe de loperamidepillen in de tas zaten, deed verdachte in de auto voor hoe dat was gegaan. Hij weet niet goed meer hoe het ging, maar het was wel met het idee om aan de advocaat te laten zien hoe die pillen in die tas zaten.
Ook zaten volgens de echtgenoot de potjes met deksels die vanuit het ziekenhuis werden meegenomen dicht en die werden pas geopend bij het bevestigen aan het kolfapparaat. In het procesdossier zit een foto van de kolftas op het moment van de doorzoeking van de woning van verdachte. Op die foto is te zien dat de potjes die in de tas zitten, zijn afgesloten met een deksel.
Het hof ziet op grond van de verklaring van de echtgenoot en gelet op de overige inhoud van het dossier geen steun voor de verklaring van verdachte dat de kolftas en/of (delen van) het kolfapparaat en/of de kolfflesjes in de periode voorafgaand aan 22 juni 2020 waren bevuild met loperamide gruis. Het hof is, mede gelet op voornoemde verklaring van de echtgenoot, van oordeel dat verdachte in de auto op 22 juni 2020 de pillen boven de kolftas uit de capsules heeft gedrukt dit ter illustratie van het scenario van contaminatie na de melding van het WKZ. Het hof schuift het scenario van contaminatie als oorzaak voor het aantreffen van de (grote) hoeveelheden loperamide in de moedermelk en daarmee in het plasma/serum en de urine van [benadeelde partij 1] daarom als niet aannemelijk terzijde. Volledigheidshalve zal het hof hierna nog bespreken wat deskundigen Allegaert en Van der Hulst hierover hebben gerelateerd.
Allegaert heeft over de hypothese van de gestelde contaminatie verklaard dat gelet op de concentraties zoals teruggevonden in de moedermelk (1.5-220 mg/L) er sprake moet zijn geweest van een voldoende volume gruis om deze concentraties via contaminatie aan te treffen en dat dit niet zozeer kan bij marginale resten gruis. Steun hiervoor is ook te vinden in de door Van der Hulst gemaakte berekeningen ten aanzien van zeven samples van moedermelk die is afgekolfd in de periode van 8 juni 2020 tot en met 15 juni 2020, waarbij op grond van de (geschatte) hoeveelheid moedermelk en de daarin aangetroffen loperamide concentraties een daarmee corresponderende hoeveelheid granulaat poeder van een loperamide capsule is berekend.
Daarbij komt dat in het monster van 7 ml afgekolfde moedermelk van 19 juni 2020 een zeer hoge loperamide concentratie is gemeten van 220 mg/l, hetgeen ook volgens Touw en Tommelein alleen met een zodanige hoeveelheid gruis veroorzaakt zou kunnen worden dat deze niet onopgemerkt zou kunnen blijven
Conclusie
Verdachte heeft zelf verklaard dat zij loperamide gebruikte en daarover de beschikking had. Vanaf 6 juni 2020 tot en met 19 juni 2020 zijn in de moedermelk hoge concentraties loperamide aangetroffen. Ook zijn in alle op hulpstoffen onderzochte moedermelkmonsters waarin een hoge loperamide concentratie is gemeten ook (een groot aantal) maiszetmeelkorrels aangetroffen, hetgeen niet kan worden verklaard door inname van loperamide door verdachte. Volgens de deskundigen wordt maiszetmeel immers afgebroken in het lichaam. Dit geldt ook voor de aanwezigheid van aspartaam in het moedermelkmonster van 19 juni 2020. Het lichaam zet aspartaam om in een andere stof.
Het hof gaat ervan uit dat verdachte bij de lage waarden, zoals aangetroffen in de afgekolfde moedermelk in de periode van 28 mei 2020 tot 6 juni 2020, de loperamide in therapeutische hoeveelheden heeft geslikt. Echter, voor wat betreft de hoge waarden vanaf 6 juni 2020 gaat het hof, gelet op de hiervoor genoemde onderzoeksresultaten van Van der Hulst, bevestigd door Allegaert en Touw, en met inachtneming van de overige inhoud van het dossier, uit van het van buitenaf toevoegen van loperamide aan de moedermelk. Dat in deze hoge waarden vanaf 6 juni 2020 daarnaast mogelijke overdracht van loperamide via de natuurlijke weg in therapeutische hoeveelheden niet geheel is uitgesloten, maakt deze conclusie niet anders. Het hof acht de verklaring van verdachte dat zij ten tijde van het tenlastegelegde zeer grote hoeveelheden loperamide heeft geslikt namelijk niet aannemelijk geworden. Daarvoor biedt het dossier geen steun en verklaart bovendien niet de aanwezigheid van hulpstoffen. Verpleegkundigen die bij verdachte thuis zorg verleenden aan haar zoon wisten niets van het medicijngebruik van verdachte, maar ook haar echtgenoot en moeder hebben nooit gezien dat zij loperamide (in zeer grote hoeveelheden) slikte. Evenmin zijn grote hoeveelheden verpakkingen met daarin loperamide capsules en/of tabletten aangetroffen bij doorzoeking van de woning van verdachte op 22 juni 2020. Daarbij heeft Van der Hulst berekend dat de in moedermelk gemeten hoge concentraties van 17 en 220 mg/l, 85 tot meer dan 1000 keer hoger is dan de maximale loperamideconcentraties gemeten in plasma bij personen met intoxicatie verschijnselen (rapport 28 februari 2023). Ook Touw heeft met betrekking tot het sample van 19 juni berekend dat het aantal ingenomen capsules door verdachte om deze zeer hoge gemeten loperamide concentratie van 220 mg/l in de moedermelk te verklaren, intoxicatieverschijnselen zou moeten geven. (rapport 21/22 november 2022). Van intoxicatieverschijnselen bij verdachte is echter niets gebleken.
Het hof heeft verder geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat een ander dan verdachte de loperamide aan de moedermelk heeft toegevoegd. Verdachte was degene die heeft aangegeven dat zij dit middel gebruikte in de tenlastegelegde periode, echter zonder dat dit door anderen is opgemerkt.
Het hof komt hiermee tot de conclusie dat verdachte de loperamide aan de gekolfde moedermelk heeft toegevoegd, in ieder geval vanaf 6 juni 2020.
De moedermelk meenemen naar het ziekenhuis
Verdachte heeft verklaard dat zij kolfde, de benodigde moedermelk naar het ziekenhuis bracht of liet brengen door haar echtgenoot om aan de dochter te laten geven en dat zij de moedermelk die het ziekenhuis niet nodig had voor de dochter in de vriezer in haar woning bewaarde.
In de periode van 6 juni 2020 tot en met 19 juni 2020 zijn hoge loperamideconcentraties aangetroffen in de moedermelk. In de periode van 30 mei 2020 tot en met 18 juni 2020 is sprake van verdunde moedermelk met fors afwijkende en veel te lage voedingswaarden. Vanaf 28 mei 2020 heeft de dochter (weer) moedermelk gekregen. Vanaf 18 juni 2020 is er geen moedermelk meer aan de dochter gegeven. De moedermelk die door verdachte werd afgekolfd is naar het ziekenhuis gebracht door verdachte zelf en/of door haar echtgenoot.
De moedermelk die aan de dochter is gegeven in het ziekenhuis is uiteraard niet kunnen worden onderzocht. Het hof concludeert echter op grond van al het voorgaande dat de moedermelk die aan de dochter is gegeven vanaf 30 mei 2020 vergelijkbare en veel te lage voedingswaarden moeten hebben bevat en vanaf 6 juni 2020 tevens vergelijkbare hoge loperamideconcentraties moeten hebben bevat als de wél onderzochte moedermelk waarin de veel te lage voedingswaarden en hoge loperamideconcentraties zijn gevonden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat ook in de dochter haar bloedplasma en urine zeer hoge (toxische en zelfs potentieel dodelijke) loperamideconcentraties zijn gemeten.
Wat is de bedoeling van verdachte geweest met de verdunde en met loperamide gemanipuleerde moedermelk?
Hiervoor is uiteengezet op basis waarvan het hof vaststelt dat verdachte haar moedermelk heeft verdund en daaraan loperamide heeft toegevoegd. Dat roept de logische vervolgvraag op waarom verdachte dat heeft gedaan. Volgens het openbaar ministerie zijn die gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het ziek maken van haar premature baby. Verdachte heeft zelf geen verklaring gegeven.
Zij ontkent het verdunnen van de moedermelk en het toevoegen van de loperamide en stelt dat zij door een postpartum psychose in die bewuste periode niet zichzelf was. De verdediging heeft daarnaast gesteld dat als al wordt uitgegaan van het scenario waarin verdachte bewust loperamide heeft toegevoegd aan moedermelk, de daarin aangetroffen hoeveelheid volstrekt onvoldoende is om systemische effecten te bereiken, waardoor sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging.
Door het uitblijven van een verklaring is het hof bij het beoordelen van de bedoeling van verdachte aangewezen op de uiterlijke verschijningsvorm van haar gedrag (wat voor soort gedragingen zijn dat en waar lijkt dat op gericht), de omstandigheden waaronder zij dat gedrag heeft verricht en de informatie waarvan kan worden aangenomen dat die bij verdachte bekend is geweest terwijl zij dat gedrag verrichtte. Het hof licht zijn oordeel over de bedoeling (het opzet) hieronder toe.
Opzet op de dood
Het strafrecht kent verschillende vormen van opzet. De zwaarste vorm van opzet is vol opzet, waarbij de pleger het doel heeft om het strafbare feit te plegen (in dit geval het doden van de dochter). De lichtste vorm van opzet wordt voorwaardelijk opzet genoemd. Dan gaat het om zaken waarbij de pleger weet dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat zijn handelen verkeerd uitpakt, maar waarbij deze die kans willens en wetens aanvaard.
Vol opzet
Het hof kan op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte heeft gehandeld met het volle opzet de dochter te doden. Het hof gaat daarom niet uit van vol opzet.
Voorwaardelijk opzet: aanmerkelijke kans
Voor de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet moet het hof eerst de vraag beantwoorden of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg – in dit geval het overlijden van haar kind – zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof onder meer het volgende af.
Loperamide mag aan kinderen onder de 3 jaar in Nederland niet gegeven worden. Verdachte wist dat ook omdat het naar haar eigen zeggen best veel complicaties kan geven. Daarbij was de dochter ook nog prematuur met 28 weken geboren, dus extra kwetsbaar met onrijpe orgaansystemen en er was ook geen enkele reden om het aan haar voor te schrijven of toe te dienen.
Uit de verklaring van Terlingen, forensisch arts, volgt dat er in wetenschappelijke literatuur situaties zijn beschreven waarin aanwezigheid van loperamide in het bloed van kinderen heeft gezorgd voor demping van het centrale zenuwstelsel, ademhalingsdepressie en overlijden. Dit komt waarschijnlijk door de nog niet goed ontwikkelde p-glycoproteïne functie (waardoor meer loperamide beschikbaar komt in het lichaam en de hersenen).
Terlingen heeft in navolging van Van der Hulst en de kindercardioloog van het WKZ gerapporteerd dat de levensbedreigende bradycardie bij de dochter kan worden verklaard door de loperamide. Kinderarts Lemmers heeft verklaard dat de hartslag van de dochter zo laag was, dat daarmee de bloedsomloop dusdanig was dat andere organen risico zouden lopen. Als zorgverleners konden zij op dat moment geen oorzaak vinden. Dat maakte de medische situatie van de dochter levensbedreigend. Terlingen heeft ook verklaard dat hersenen het meest gevoelig zijn voor een tekort aan circulatie en dat dat kan leiden tot een bewustzijnsdaling en in het ernstigste geval tot coma of de dood. Prematuur geboren kinderen hebben weinig reserves, dus alle orgaansystemen zijn gevoelig. De dochter was op dat moment ook nog steeds niet voldragen, aldus Terlingen.
Door de verdediging is uitgebreid stilgestaan bij andere oorzaken van de bradycardie bij de dochter, waaronder toediening van het voorgeschreven medicijn ciproxin. Aan dat verweer gaat het hof voorbij. In de eerste plaats omdat moedermelk met daaraan toegevoegd loperamide al de aanmerkelijke kans oplevert dat het (laten) geven daarvan aan de dochter tot het overlijden van de dochter kan leiden. Het feit dat de dochter al in het ziekenhuis lag
en er een plan B was (het toedienen van bepaalde medicatie om een verdere afzwakking van het hartritme te voorkomen), maakt het oordeel van het hof over de aanmerkelijke kans dan ook niet anders. Daar komt bij dat Terlingen uitvoerig heeft gerapporteerd over het medisch verloop van de dochter en toediening in het WKZ van diverse voorgeschreven medicatie, waaronder ciproxin, fluconazol en morfine. Volgens Terlingen worden op basis van de literatuur hartritmestoornissen, specifiek een bradycardie, bij toediening van ciproxin bij zuigelingen niet beschreven en zijn deze wel een bekend gevolg van overdosering van loperamide bij volwassenen. Toediening aan de dochter van de voorgeschreven medicatie fluconazol of morfine ziet Terlingen evenmin als oorzaak van de bradycardie. Terlingen acht de hartritmestoornis bij de dochter waarschijnlijker onder de hypothese veroorzaakt door loperamide dan door ciproxin.
Voorts wisten de behandelend artsen niet dat de moedermelk die aan de dochter werd gegeven (aanzienlijk) was verdund en veel te lage voedingsstoffen bevatte net zoals zij onwetend waren over het feit dat de dochter via de moedermelk hoge concentraties loperamide kreeg toegediend. Tot aan de voorlopige uitslagen op 18 juni 2020 van het onderzoek naar de moedermelk, wisten zij dus niet wat de oorzaak was van de klachten bij de dochter. Daardoor was onzeker of een noodplan de dood (op tijd) had kunnen voorkomen.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof dat de kans dat de dochter zou komen te overlijden door de loperamide, mede gelet op het feit dat haar behandelend artsen daarvan niet op de hoogte waren en de in het bloedplasma van de dochter aangetroffen toxische en zelfs potentieel dodelijke hoeveelheden loperamide, al dan niet in combinatie met de aanzienlijk verdunde moedermelk, aanmerkelijk is te achten.
Voorwaardelijk opzet: bewuste aanvaarding
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van die aanmerkelijke kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof onder meer het volgende af.
Verdachte is basisarts en was in opleiding tot anesthesist. Sinds bekend was dat zij lijdende was aan coeliakie is zij een regelmatig gebruiker van loperamide. Zij heeft vanaf 30 mei 2020 de gekolfde moedermelk aanzienlijk verdund en vanaf 6 juni 2020, gedurende een periode van ongeveer twee weken, telkens loperamide aan de moedermelk toegevoegd. Verdachte wist dat deze moedermelk bestemd was voor de dochter, terwijl de dochter op dat moment nog zeer kwetsbaar was. Vanaf 12 juni 2020 was bij de dochter sprake van ernstige bradycardie en een hartfilmpje op 16 juni 2020 liet een levensbedreigende bradycardie zien. Verdachte moet hebben geweten dat de ernstige bradycardie veroorzaakt kon zijn door de aan de moedermelk toegevoegde loperamide. Dat baseert het hof op de algemene ervaringsregel dat het zonder enig medisch voorschrift toedienen van een geneesmiddel aan baby’s, en in het bijzonder aan prematuur geborenen, een ernstig gevaar in het leven kan roepen voor hun gezondheid en op de bijzondere omstandigheid dat verdachte basisarts is en zich temeer van dergelijke risico’s bewust moet zijn geweest. Als hiervoor overwogen wist verdachte ook dat het niet aan kinderen onder de 2 jaar gegeven mag worden, omdat het naar haar eigen zeggen best veel complicaties kan geven.
Doordat de dochter een ernstige en dagelijks terugkerende hartritmestoornis had, moet verdachte zich hebben gerealiseerd dat door haar handelen niet langer slechts sprake was van een gevaar, maar van levensgevaar.
De echtgenoot heeft ook verklaard dat zij vaak ’s avonds naar het ziekenhuis belden om te horen hoe het ging. Op 12 juni (het hof begrijpt: 12 juni 2020) belden zij ook en toen kregen zij te horen dat er verandering zat in de CTG, het hartritme van de dochter. Ook in de dagen die volgden op 14 juni 2020 had ze nog wel een paar keer een onregelmatig hartritme en een lage hartslag, aldus de echtgenoot. Op 16 juni 2020 is er door de arts ook een gesprek gevoerd met de echtgenoot en verdachte over de zorgen die er waren over de bradycardie die de dochter sinds het weekend (het hof begrijpt: het weekend van 13 en 14 juni 2020) liet zien.
Verdachte heeft vanaf 6 juni 2020 hoge concentraties loperamide toegevoegd aan de moedermelk en is daarmee, ondanks haar bekendheid vanaf 12 juni 2020 met afwijkingen van het hartritme, een te lage hartslag en/of bradycardie van de dochter, blijven doorgaan, terwijl de dochter erg kwetsbaar was en levensbedreigend ziek werd. Verdachte deed dit zonder dit mee te delen aan de artsen die worstelden met de onbegrepen bradycardie. Daar komt nog bij dat verdachte de moedermelk vanaf 30 mei 2020 ernstig heeft verdund.
Het hof is van oordeel dat de hierboven beschreven gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het doden van de dochter gericht dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van de dochter bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft bovendien geen aannemelijke verklaring afgelegd die maakt dat het hof het bewijs anders waardeert. Hiermee is naar het oordeel van het hof dan ook minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging. De berekeningen die in dat kader door de verdediging in de pleitnota aan het hof zijn overgelegd volgt het hof niet. Voor het hof is niet duidelijk wie die berekeningen heeft gemaakt, wat de deskundigheid van diegene is en of de berekeningen wel zijn gebaseerd op juiste uitgangspunten in een geval als de onderhavige. Het hof acht deze berekeningen onvoldoende betrouwbaar. Bovendien brengt het hof in herinnering dat loperamide in Nederland niet is voorgeschreven voor kinderen onder de 3 jaar (internationaal door de WHO niet onder de 2 jaar), laat staan aan een zeer kwetsbare premature baby zoals de dochter toen was. Kinderarts Terlingen heeft op basis van literatuuronderzoek ook verklaard dat ernstige bijwerkingen, waaronder hartritmestoornissen, bij gebruik van loperamide worden beschreven in case-reports bij zuigelingen. Tot slot heeft het hof op grond van vorenstaande bewijsmiddelen vastgesteld dat de (levensbedreigende) bradycardie bij de dochter is ontstaan door het (laten) geven van moedermelk met daarin hoge concentraties loperamide dus dat er al een levensbedreigende situatie in het leven was geroepen door verdachtes handelen.
Voorbedachten rade
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit het dossier volgt dat er gedurende een periode van ongeveer twee weken hoge loperamideconcentraties in de moedermelk zaten. Zelfs toen verdachte vanaf 12 juni 2020 moet hebben geweten dat de verandering in het hartritme, de te trage hartslag en ernstige bradycardie door de loperamide veroorzaakt kon zijn, bleef zij daarna dagelijks telkens de keuze maken loperamide toe te voegen aan de moedermelk die zij op meerdere momenten per dag kolfde. De loperamideconcentraties liepen in die periode zelfs op. Verdachte heeft vervolgens telkens de verdunde en met loperamide gemanipuleerde moedermelk naar het ziekenhuis gebracht of laten brengen wetende dat deze op een later moment aan de dochter zou worden toegediend.
Vanaf 6 juni 2020 heeft zij iedere dag opnieuw ervoor gekozen om de moedermelk, naast deze vanaf 30 mei 2020 aanzienlijk te verdunnen, met loperamide te manipuleren en de moedermelk aan de dochter te laten toedienen.
Het hof gaat vanwege het tijdsverloop tussen het dagelijks (meermaals) kolven, verpakken, vervoeren en verstrekken ervan uit dat verdachte vóór de uitvoering van haar daad telkens voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het door haar genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken.
Evenmin is gebleken van andere zogenoemde contra-indicaties die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.
Pleegperiode
Uit het dossier volgt dat loperamide in toxische en potentieel dodelijke hoeveelheden is toegevoegd aan de moedermelk die aan de dochter werden gegeven. Achteraf is in het plasma/serum van de dochter van 11 juni 2020 loperamide aangetroffen. Vanaf 12 juni 2020 is sprake geweest van een ernstige bradycardie. Het hof zal de pleegperiode vanaf 6 juni 2020 laten aanvangen. Voor wat betreft het einde van de pleegperiode merkt het hof op dat 13 flesjes moedermelk zonder datum zijn uitgezet (dat wil zeggen klaargemaakt) voor de dochter op 18 en 19 juni 2020. In deze flesjes moedermelk zaten eveneens hoge loperamideconcentraties. Verdachte heeft er niets aan gedaan om te voorkomen dat deze flesjes zouden worden gegeven. Op 18 juni 2020 is besloten door het ziekenhuis om de dochter geen moedermelk meer te geven maar over te gaan op flesvoeding. Het hof zal daarom voor wat betreft feit 1 primair uitgaan van een pleegperiode van 6 juni 2020 tot 18 juni 2020.
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat de gekolfde moedermelk die enkel verdund was, bij toediening zou kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Voor de moedermelk waar ook loperamide aan is toegevoegd geldt dat er met het geven daarvan een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. Het voorhanden hebben van moedermelk met (de gemeten hoge concentraties) loperamide is geschikt om de dood te bewerkstelligen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van dit feit. De feiten die de bewezenverklaring zouden moeten dragen, kunnen niet worden vastgesteld. Het deskundigenbewijs is niet betrouwbaar en er is daarnaast onvoldoende toereikend en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Ook is er onvoldoende bewijs voor het opzet en de voorbedachten rade.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het onder 2 tenlastegelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven stof bestemd was tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of het middel, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, ten tijde van het handelen dienstig kon zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.
Vanaf 30 mei 2020 heeft verdachte flesjes vervaardigd en voorhanden gehad met zeer verdunde moedermelk. In deze moedermelk ontbraken essentiële voedingsstoffen voor de dochter als prematuur geboren zuigeling. Terlingen heeft hierover naar voren gebracht dat als een prematuur geboren zuigeling twee weken te weinig voeding krijgt, in ieder geval geen goede groei te zien zal zijn. Goede voeding is essentieel voor een prematuur geboren zuigeling. Van Goudoever heeft naar voren gebracht dat pasgeborenen gedurende 4-6 maanden alleen melk als voedingsbron hebben. Verlaging van de voedingswaarde van deze voedingsbron geeft dus verlaging van benodigde voedingsstoffen van een kind. Dat leidt in eerste instantie tot verminderde groei, of zelfs afvallen van het kind, waarna er ook door tekorten van specifieke voedingsmiddelen ziektes kunnen ontstaan. Uiteindelijk kan het leiden tot het overlijden van het kind.
Vanaf 6 juni 2020 heeft verdachte flesjes vervaardigd en voorhanden gehad met zeer verdunde moedermelk met daarin een (zeer hoge concentratie) loperamide. Het hof heeft eerder in dit arrest al vastgesteld dat inname van dergelijke moedermelk de aanmerkelijke kans geeft op de dood. Het middel is daarmee geschikt om de dood te bewerkstelligen.
De volgende vraag is welk crimineel doel verdachte voor ogen heeft gehad met die middelen. Hoewel beide middelen naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm geschikt zijn om de dood bij de dochter te laten intreden, kan pas vanaf 6 juni 2020 wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte ook daadwerkelijk dat criminele doel voor ogen heeft gehad. Dat sluit aan bij het moment waarop verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de dochter. In de periode van 30 mei 2020 tot 6 juni 2020 moet verdachte zich op grond van algemene ervaringsregels hebben gerealiseerd dat het toedienen van verdunde moedermelk aan een prematuur (en daarmee zeer kwetsbaar) kind als de dochter op z’n minst kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Door met die wetenschap iedere dag opnieuw haar moedermelk te verdunnen, en daar vanaf 6 juni 2020 ook loperamide aan toe te voegen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de zakjes en/of flesjes (zeer) verdunde moedermelk met daarin (een zeer hoge concentratie) loperamide die verdachte heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad naar zijn uiterlijke verschijningsvorm dienstig kon zijn – mede gelet op het daarvan gemaakte gebruik door verdachte – voor moord en/of zware mishandeling met voorbedachten rade. Het hof gaat ervan uit dat van 30 mei 2020 tot 6 juni 2020 sprake is van voorbereidingshandelingen van zware mishandeling met voorbedachten rade en van 6 juni 2020 tot en met 18 juni 2020 van voorbereidingshandelingen van moord. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de zakjes en/of flesjes moedermelk bestemd waren tot het begaan van die misdrijven.
Voorwaardelijke verzoeken
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi een aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Voor zover het hof de bevindingen van een of meer van de deskundigen Van der Hulst, Allegaert en Van Goudoever, maar ook die van de andere deskundigen die de resultaten van de metingen van Van der Hulst hebben gebruikt in hun onderzoek, voor het bewijs zou gebruiken, heeft de verdediging verzocht om de betrouwbaarheid van het deskundigenbewijs te kunnen laten toetsen door kort gezegd:
primair alsnog een volledig tegenonderzoek te laten verrichten aan de melkmonsters; subsidiair een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de onvolkomenheden in het onderzoekstraject dan wel;
meer subsidiair het horen van de deskundigen Van der Hulst, Allegaert en Van Goudoever (en voornoemde andere deskundigen) ter terechtzitting naar aanleiding van de door de verdediging geconstateerde onvolkomenheden in het onderzoekstraject.
De verdediging acht het gebruik van de betwiste onderzoeksbevindingen voor het bewijs bij de huidige stand van zaken in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Daarnaast heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan om nader onderzoek te gelasten en te laten uitvoeren zoals voorgesteld door Allegaert, te weten het opzetten van een PBPK model.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie acht de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging niet noodzakelijk. Het onderzoek van Van der Hulst aan de moedermelkmonsters is betrouwbaar en daarmee ontbreekt iedere noodzaak voor een geheel nieuw onderzoek aan de inbeslaggenomen moedermelk. Daarnaast zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep alle deskundigen die in het kader van de bewijsvoering betrokken kunnen worden door de verdediging schriftelijk en/of ter zitting ondervraagd.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat de door het hof voor het bewijs gebezigde onderzoeksresultaten en bevindingen van de deskundigen Van Goudoever, Allegaert, Van der Hulst, Terlingen, Touw en Tommelein betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs en waarom dat zo is. De verdediging heeft in de procedure in eerste aanleg op eigen initiatief de deskundigen Touw en Tommelein ingeschakeld en schriftelijk laten rapporteren. De deskundigen Van der Hulst, Terlingen, Van Goudoever, Touw en Tommelein zijn vervolgens op de zitting in eerste aanleg als deskundigen gehoord. De verdediging is bij de rechtbank ruimschoots in de gelegenheid gesteld deze deskundigen op de door de verdediging van belang geachte onderwerpen uitvoerig te bevragen, hetgeen ook is gebeurd gelet op het omvangrijke proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2024. Ook in hoger beroep zijn naar aanleiding van verzoeken van de verdediging tal van onderzoekshandelingen verricht. Door Touw, Tommelein, Van Goudoever, Van der Hulst en Allegaert zijn nadere schriftelijk vragen beantwoord. Ook is aanvullend toxicologisch onderzoek verricht door het NFI. Uit het tussenarrest van het hof van 13 december 2024 en de daarna aan het dossier toegevoegde stukken als vermeld in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 21 november 2025 blijkt van de omvang van deze in hoger beroep uitgevoerde onderzoekshandelingen. Daarna heeft het hof, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2025 (HR:2025:1711), bij tussenarrest van 5 december 2025 deskundigen Allegaert en Touw opdracht gegeven (nader) schriftelijk te rapporteren over de onderzoeksresultaten van het aanvullend toxicologisch onderzoek van het NFI van 2 juli 2025 en 8 juli 2025 en daarbij de verdediging en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld daartoe vragen aan te leveren via het kabinet van de raadsheer-commissaris. Ook die rapportages zijn aan het dossier toegevoegd.
Het hof is van oordeel dat de verdediging in de gehele feitelijke aanleg ruim voldoende in de gelegenheid is geweest om de deskundigen (ter zitting en schriftelijk) te bevragen en het (belastende) deskundigenbewijs te betwisten. Het voor de verdachte belastende deskundigenbewijs van het NFI, met name gelegen in de rapportages van Van der Hulst, maar ook in die van Terlingen en Wolterink, wordt (al dan niet op onderdelen) onderschreven door de onderzoeksresultaten en bevindingen van deskundigen Van Goudoever, Allegaert, Touw en Tommelein en in het initiële screeningsonderzoek van plasma/serum en urine van de dochter en van moedermelk door het WKZ.
Het door de verdediging gevraagde nadere onderzoek, zoals hierboven als primair, subsidiair en meer subsidiair verzocht, alsmede het (enigszins los daarvan geformuleerde) verzoek om Allegaert nader te laten rapporteren, acht het hof op grond van het voorgaande niet noodzakelijk. Het hof acht zich met alles wat zich in het dossier bevindt voldoende voorgelicht en wijst de verzoeken af.
In vorenstaande overwegingen van het hof ligt ook besloten dat het hof van oordeel is dat van een schending van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake is.
8. Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juni 2020 tot en met 18 juni 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, (telkens)
- (een zeer hoge concentratie) loperamide, (een voor het leven en/of de gezondheid schadelijke stof), in de moedermelk bestemd voor die [benadeelde partij 1] heeft gedaan en/of
- die moedermelk (zeer) heeft verdund en/of
- die moedermelk heeft meegenomen naar het ziekenhuis waar die [benadeelde partij 1] verbleef en (aldaar) heeft laten toedienen aan die [benadeelde partij 1] en/of zelf heeft toegediend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2020 tot en met 18 juni 2020 te [plaats] , en/of [plaats] ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag en/of poging moord en/of poging doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachten rade op/van [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] , opzettelijk (telkens) meerdere flesjes (zeer) verdunde moedermelk met daarin (een zeer hoge concentratie) loperamide, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,
en
zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juni 2020 tot en met 18 juni 2020 te [plaats] , en/of [plaats] ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag en/of poging moord en/of poging doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachten rade op/van [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] , opzettelijk (telkens) meerdere flesjes (zeer) verdunde moedermelk met daarin (een zeer hoge concentratie) loperamide bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
De eendaadse samenloop en/of de voortgezette handeling van:
feit 1: poging tot moord, meermalen gepleegd,
en
feit 2: voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade, meermalen gepleegd en voorbereiding van moord, meermalen gepleegd.
10. Strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat als het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen wegens ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging gewezen op het in hoger beroep opgestelde Pro Justitia triple-rapport van 6 november 2025, de bevindingen van het RadboudUMC, de crisisdienst van Altrecht, de rapportages van V.J.M. Pop, arts en psychiater prof. V. Bergink.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat weliswaar in het Pro Justitia triple-rapport van 6 november 2025 een depressieve stoornis met randpsychotische kenmerken is vastgesteld, maar dat het rapport bij haar ook tot de nodige vragen en bedenkingen leidt. Het openbaar ministerie heeft er uiteindelijk niet voor gekozen om de deskundigen op te roepen voor de zitting, omdat de deskundigen in hoger beroep geen relatie kunnen leggen tussen de door hen vastgestelde stoornis en de delicten, met name vanwege de ontkenning van verdachte. Nu de deskundigen in eerste aanleg en in hoger beroep van mening verschillen over de aanwezigheid van een stoornis en, voor zover die al moet worden aangenomen, niet kan worden bepaald of deze doorwerking had in het gedrag van verdachte, dient uitgegaan te worden van toerekenbaarheid van verdachte.
Als het hof wel een stoornis bij verdachte zou aannemen ten tijde van het tenlastegelegde en zou oordelen dat die van invloed is op de toerekenbaarheid, heeft het openbaar ministerie (voorwaardelijk) verzocht tot het horen van alle getuigen-deskundigen die hebben bijgedragen aan de triple-rapportages in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het oordeel van het hof
Het triple onderzoek
In opdracht van de raadsheer-commissaris bij het hof hebben de Pro Justitia deskundigen
D. van der Meer, psychiater, B. Koudstaal, klinisch psycholoog en G.J. Ploeg, forensisch milieuonderzoeker op 6 november 2025 een gedragskundig rapport opgesteld over verdachte. Rapporteurs benoemen dat verdachte een cognitief begaafde en sterk rationeel functionerende vrouw is. De interventies van Veilig Thuis en hun aangifte hebben tussen medio 2020 en begin 2021 drie keer geleid tot een psychiatrische (crisis)opname. Daarbij werd naast ernstige suïcidaliteit door het Radboud UMC vastgesteld dat verdachte lijdende was aan een ernstige depressie met psychotische kenmerken.
De rapporteurs onderschrijven deze diagnose. Blijkens de beschikbare informatie, waaronder het volledige dossier van het Radboud UMC, afdeling psychiatrie, voldeed verdachte destijds aan de diagnostische criteria van een depressieve stoornis met randpsychotische kenmerken. Inmiddels is de behandeling gestaakt en is de depressie al geruime tijd in remissie.
De deskundigen hebben onderzocht of de vastgestelde depressie ook aan de orde was ten tijde van de tenlastegelegde periode (20 april 2020 – 19 juni 2020), of dat deze klachten zich nadien hebben ontwikkeld in reactie op de melding bij Veilig Thuis (19 juni 2020). De deskundigen menen dat van het eerste sprake is geweest en verschillen op dit punt van mening met de rapporteurs uit 2021, die een depressie met psychotische kenmerken niet geheel uitsluiten, maar tevens niet heel waarschijnlijk achten.
Uit de anamnese, het milieuonderzoek en het opgevraagde dossier van het Radboud UMC is voor de rapporteurs aannemelijk geworden dat verdachte in de weken na de bevalling van de dochter steeds meer aan het afglijden was. Haar afwijkende gedrag en forse stemmingsklachten zijn door zowel verdachte als haar naaste omgeving opgemerkt in de weken voor de melding bij Veilig Thuis, maar door de hectiek van die periode, de ontoereikende zelfsignalering en de vermijdende coping van verdachte, onvoldoende op waarde geschat. Daarnaast wordt op grond van het testmateriaal geconcludeerd dat de scores wijzen op een beperkte openheid en een neiging van verdachte tot onderrapportage van klachten en problemen. Dit kan wijzen op een bewuste strategie, maar tevens op een beperkte mate van zelfinzicht en een gering contact met de eigen belevingswereld. Van deze laatste twee kenmerken is zeker sprake, aldus de rapporteurs in 2025. Omdat verdachte weinig zicht heeft op wat er in haar om gaat en zij hierover evenmin met haar naasten communiceert, kunnen problemen lang uit zicht blijven, tot het moment dat zij de controle verliest. Verdachte heeft weinig zicht op haar mentale en fysieke grenzen.
De deskundigen achten niet uitgesloten dat verdachte ten tijde van (een deel van) de tenlastegelegde periode ondoordachte beslissingen heeft genomen terwijl zij lijdende was aan een depressieve stoornis, maar verdachte ontkent stellig en consequent in die periode de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd. Een delictanalyse en afname van gestructureerde risicotaxatie-instrumenten is daarom niet mogelijk en de deskundigen onthouden zich om die reden van een uitspraak over de eventuele doorwerking. Wel achten de deskundigen recidive van de depressieve stoornis denkbaar in specifieke situaties waarin de conditie van verdachte verzwakt is en/of waarin zij perspectiefverlies ervaart.
Rapporten ingebracht door de verdediging
Door verdachte zijn over haar toestandsbeeld in de periode van de tenlastegelegde feiten twee rapporten ingebracht.
Het eerste rapport is op 30 juni 2023 opgemaakt door V.J.M. Pop (hierna: Pop), emeritus hoogleraar Eerstelijnszorg, Vakgroep Medische & Klinische Psychologie, Universiteit Tilburg.
Pop is geen psychiater en komt op basis van beperkt dossieronderzoek en zonder verdachte te hebben onderzocht tot de volgende diagnose betreffende het psychisch lijden van verdachte: conform de DSM-V diagnostiek: ernstige postpartum depressie met psychotische kenmerken, resulterend in irreële gedachten dat falen van kolven impliceert dat haar kind haar zal worden afgenomen.
Het tweede rapport dat door de verdediging is overgelegd is van 22 december 2023, opgesteld door psychiater prof. V. Bergink (hierna: Bergink), thans werkzaam aan Icahn School of Medicine aan Mount Sinai in New York en klinisch en wetenschappelijk directeur Womens Mental Health. Bergink is wel psychiater, heeft een beperkt dossieronderzoek verricht en heeft verdachte en de echtgenoot via beeldbellen een ‘psychiatrisch diagnostisch interview’ afgenomen. Zij komt in haar rapport tot de conclusie dat bij verdachte sprake was van een postpartum depressie met psychotische kenmerken. Zij concludeert dat er geen persoonlijkheidsprobleem of stoornis is en geen andere psychiatrische diagnose gesteld kan worden. Er is geen sprake van een nagebootste stoornis (factitious disorder), het is niet mogelijk deze symptomen langdurig na te bootsen. Er is geen sprake van nabootsen van ziekte bij haar kinderen (Factitious Disorder Imposed by Another, ook wel Munchhausen by proxy). Verdachte heeft volgens Bergink geen psychiatrische risicofactoren voor Munchhausen by proxy, zij heeft geen persoonlijkheidsstoornis en geen jeugdtrauma.
De ondervraging van de deskundigen ter zitting in eerste aanleg
Bij de rechtbank zijn op de zitting A.H.A.C. van Bakel (hierna: Van Bakel), psychiater en K.J. de Wijs-Heijlaerts (hierna De Wijs-Heijlaerts), psycholoog, rapporteurs van het triple onderzoek van 29 juli 2021 en Pop als deskundigen gehoord. Van Bakel en De Wijs-Heijlaerts hebben geen diagnostiek in een hulpverleningskader toegepast, maar forensisch diagnostisch onderzoek verricht. Dat betekent dat een eventuele procespositie/houding van verdachte in de diagnostische beoordeling wordt meegenomen. Dat geldt niet voor het Radboud UMC, de crisisdienst van Altrecht, Pop en Bergink. Verdachte is aldaar diagnostisch beoordeeld, echter zonder de forensische component, zodat van hetgeen verdachte naar voren is gebracht, is uitgegaan. In dat geval is er geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of consistentie van iemands verhaal. Dat is echt anders in een forensische setting waarbij veel andere belangen spelen dan wanneer iemand met een hulpvraag komt.
Van Bakel beschrijft dat Pop in zijn rapport veel algemene wetenschappelijke kennis presenteert maar dat hij van algemene kennis niet naar de waarheid rondom een individuele casus kan komen, zeker nu hij verdachte niet gezien heeft.
Met betrekking tot het rapport van psychiater Bergink benadrukt Van Bakel dat zij een rapport van 8 pagina’s schrijft waarin ook zij het vooral over algemene kennis heeft. Weliswaar rept ze over een klinisch interview, maar dat is via beeldbellen gebeurd. Ze beschrijft geen psychiatrisch onderzoek. Gelet hierop zijn de deskundigen niet overtuigd door de rapporten van Pop en Bergink.
Pop heeft ter zitting de door hem gestelde diagnose genuanceerd in die zin dat hij heeft verklaard dat hij verdachte niet zelf heeft onderzocht en geen psychiatrische diagnose heeft willen stellen, maar slechts heeft willen zeggen dat hij de (werk)diagnose van het Radboud UMC onderschrijft. Voorts heeft hij verklaard dat hij volgens zijn taakopvatting geen rekening hoeft te houden met de mogelijkheid dat wat verdachte heeft verklaard niet waar zou kunnen zijn, of ingegeven is door haar procespositie.
Conclusie hof over de persoon van de verdachte
Het hof acht de conclusies van het Pro Justitie triple-onderzoek van 6 november 2025 voldoende onderbouwd en neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne. Hoewel het hof de opmerkingen en kanttekeningen van het openbaar ministerie begrijpelijk acht, bestaat er voor het hof onvoldoende reden om niet uit te gaan van die conclusies. De rapporteurs van het meest recente triple onderzoek hebben - in tegenstelling tot de onderzoekers van het rapport van 29 juli 2021 - de beschikking gehad over het (volledige) dossier van het Radboud UMC. Om die reden hebben zij een vollediger beeld verkregen over de persoon van verdachte kort na het tenlastegelegde waarop zij mede hun conclusies hebben gebaseerd.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de vastgestelde depressieve stoornis van verdachte met randpsychotische kenmerken ten tijde van het tenlastegelegde ook heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde feiten. Vanwege de ontkennende houding van verdachte onthouden de deskundigen zich van een oordeel over deze doorwerking. Ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte hierover geen inzicht verschaft, nu zij is gebleven bij haar ontkennende proceshouding.
Het hof kan net als de deskundigen niet vaststellen in hoeverre deze stoornis heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde feiten, maar gelet op het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dat is begaan, de gelijktijdigheid en de aard van de beschreven stoornis, acht het hof enige mate van doorwerking aannemelijk. Het hof komt daarom tot de conclusie dat het bewezenverklaarde enigszins verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.
Voorwaardelijk verzoek
Het openbaar ministerie heeft voorwaardelijk verzocht alle betrokken NIFP-deskundigen op te roepen als deskundigen.
Het hof acht dit niet noodzakelijk. De beoordeling van de toerekenbaarheid van verdachte is ter beoordeling aan het hof en op grond van de aanwezige rapportages in het dossier acht het hof zich over de persoon van verdachte voldoende voorgelicht. Het hof wijst het verzoek daarom af.
Verdachte is derhalve strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
11. Oplegging van straf en/of maatregel
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht in het geval het hof toekomt aan strafoplegging aan verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die zij in voorlopige hechtenis reeds heeft doorgebracht.
Ook dient de aanzienlijke schending van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee te wegen.
Het oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op haar prematuur geboren jongste dochter en aan voorbereidingshandelingen voor moord en zware mishandeling met voorbedachten rade. Haar handelen betreft één van de meest ernstige vormen van geweld tegen een kind. Zij heeft in een periode van bijna drie weken de moedermelk die haar dochter in de couveuse in het ziekenhuis kreeg gemanipuleerd, eerst door deze te verdunnen en vervolgens door er ook loperamide aan toe te voegen, in steeds hogere doseringen. In deze periode werd haar dochter steeds zieker, en toch is ze deze gemanipuleerde moedermelk blijven inleveren. Hierdoor heeft ze niet alleen haar dochter essentiële voedingsstoffen onthouden, maar haar ook blootgesteld aan een medicijn dat niet wordt voorgeschreven aan kinderen onder de drie jaar in Nederland, laat staan aan een prematuur geboren baby. In haar vriezer en in het ziekenhuis zijn nog hoeveelheden van deze moedermelk aangetroffen als reserve. Toen het ziekenhuis ondanks alle pogingen daartoe geen verklaring kon vinden voor de gezondheidsproblemen van de dochter is breed onderzoek uitgezet naar alle mogelijke oorzaken, waaronder het onderzoeken van de moedermelk en het bloedplasma en urine van de dochter. Hierdoor is het handelen van verdachte aan het licht gekomen en gestopt. Haar dochter kreeg vervolgens kunstvoeding en kon buiten de invloedsfeer van verdachte herstellen.
Zij is inmiddels bijna zes jaar oud en ontwikkelt zich goed.
Verdachte heeft met haar handelen op onvoorstelbare wijze het vertrouwen beschaamd dat haar dochter, haar man (vader van haar kinderen) en haar andere twee kinderen in haar mochten stellen. Ook de samenleving vertrouwt erop dat een moeder haar eigen kind geen kwaad doet, maar het beschermt en verzorgt. Verdachte heeft ook de artsen en verpleegkundigen ernstig misleid door zich voor te doen als bezorgde moeder die het beste voor haar kind wilde doen door te kolven en de moedermelk in te leveren voor haar dochter. Met als gevolg dat deze artsen en verpleegkundigen op het verkeerde been zijn gezet in hun behandelmogelijkheden toen haar dochter een ernstige bradycardie (hartritmestoornissen) kreeg en een matige groei liet zien.
Toen verdachte door het ziekenhuis geconfronteerd werd met de hoge concentraties loperamide in haar moedermelk heeft zij getracht het aantreffen van loperamide bij haar dochter te verklaren door voor te wenden dat zij zelf in grote hoeveelheden loperamide voor haar coeliakie zou slikken. Hierdoor zou de loperamide ongewild in de moedermelk terecht zijn gekomen. Zij heeft geprobeerd om dit aan te tonen door bij een onafhankelijk instituut onder toezicht te kolven. In deze moedermelk is echter een zodanig hoge concentratie loperamide aangetroffen dat verdachte comateus of dood had moeten zijn als zij daadwerkelijk een dergelijke hoeveelheid loperamide zou hebben geslikt. Ook voor deze bevindingen heeft verdachte geen enkele logische verklaringen kunnen of willen geven.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zeer ernstige kindermishandeling daarvan later zeer nadelige psychische en lichamelijke klachten kunnen ondervinden. Niet alleen voor haar jongste dochter maar ook voor haar andere twee kinderen zal dit op enig moment een enorme impact kunnen krijgen op hun ontwikkeling. De dochter is door verdachte en de vader/echtgenoot op de hoogte gebracht van hun visie op de verdenkingen. Aan haar is voorgehouden dat deze verdenkingen onterecht zijn. Zoals uit de bewezenverklaring volgt, onderschrijft het hof dit niet. De kans dat de dochter hier op latere leeftijd, gelet ook op de veroordeling van verdachte, een andere blik op zal krijgen is dan ook zeker niet uit te sluiten.
Feiten als bewezen verklaard leiden ook tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.
De persoon van verdachte
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 20 oktober 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Bij zijn beslissing houdt het hof rekening met de inhoud van het Pro Justitia triple-rapport van 6 november 2025 over verdachte. Zoals hiervoor overwogen volgt daaruit dat ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een depressieve stoornis met randpsychotische kenmerken. Hoewel de deskundigen vanwege de ontkenning van verdachte geen oordeel hebben kunnen geven over de doorwerking hiervan, acht het hof enige mate van doorwerking aannemelijk alsmede dat het bewezenverklaarde enigszins verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden.
Daarnaast volgt uit brieven van SAVE Jeugdbescherming van 10 november 2025 en 23 januari 2026 dat SAVE sinds 18 september 2023 in het kader van een ondertoezichtstelling is betrokken bij de drie kinderen van verdachte en dat deze ondertoezichtstelling is verlengd tot 22 mei 2026. Daarnaast is de gespecialiseerde hulpverleningsinstantie Spoor030 betrokken bij het gezin en vragen ouders Spoor030 het gezin zoveel als nodig te ondersteunen.
De samenwerkingsrelatie is gebaseerd op openheid, duidelijkheid en heldere communicatie, waarbinnen de positie van de jeugdbeschermers (die zicht hebben op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen) duidelijk was en is. Verdachte houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden en het contact tussen de kinderen en de jeugdbeschermer verloopt fijn. Verdachte heeft door de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis een band op kunnen bouwen met haar dochter.
SAVE heeft geen zorgen met betrekking tot de veiligheid en ontwikkeling van de drie kinderen en die mening wordt gedeeld door school, de familie en de Raad voor de Kinderbescherming.
In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 januari 2025 is geconcludeerd dat er geen zorgen zijn over de veiligheid en het welzijn van de kinderen in de thuissituatie. Het gezin en het professionele en informele netwerk eromheen leven de geldende afspraken en schorsingsvoorwaarden na. Er is nauw contact tussen alle partijen en er is veel controle.
Overschrijding redelijke termijn
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg overweegt het hof dat verdachte op 15 september 2020 in de zaak van de dochter is verhoord. Op 28 januari 2021 is verdachte aangehouden. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte vanaf de dag van haar aanhouding in redelijkheid kunnen verwachten dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De redelijke termijn is daarmee aangevangen op 28 januari 2021 en de rechtbank heeft op 19 maart 2024 uitspraak gedaan. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het in dit onderzoek gaat om een bijzonder complexe verdenking. Op verzoek van onder meer de verdediging is veel en langdurig onderzoek verricht door diverse deskundigen. Dit maakt dat de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden afgerond met een einduitspraak in dit concrete geval op drie jaar moet worden gesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim anderhalve maand is overschreden. Het hof is van oordeel dat vanwege deze beperkte mate van overschrijding in een complexe zaak als deze kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in eerste aanleg is overschreden, maar dat volstaan kan worden met de enkele constatering.
De conclusie
Gelet op de bijzondere ernst van de delicten en de omstandigheden zoals die bekend zijn dient een straf die vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt te volgen
Verdachte heeft zich uitermate manipulatief gedragen door haar moedermelk te verdunnen en te vergiftigen met loperamide. Haar echtgenoot en overige dierbaren heeft zij daarbij een rad voor ogen gedraaid door dit niet kenbaar te maken toen bleek dat [benadeelde partij 1] daar zeer ernstig ziek van werd. Ook de behandelaars van [benadeelde partij 1] heeft zij niet ingelicht om ernstigere schade te voorkomen. Het gaat hier om meerdere pogingen om een ernstig levensdelict te plegen alsmede voorbereidingshandelingen die tot nog grotere schade bij de dochter van verdachte had kunnen leiden. Het hof neemt dat verdachte zeer kwalijk. Het hof weegt ook mee dat verdachte ook thans nog geen rekenschap aflegt over haar handelen.
De rechtbank had aan verdachte een gevangenisstraf van elf jaar opgelegd. De advocaten-generaal hebben deze straf in hoger beroep opnieuw gevorderd. Alhoewel in hoger beroep de redelijke termijn waarbinnen een zaak moet worden afgedaan niet is overschreden, heeft het hof wel oog voor de lange duur van de procedure in zijn geheel. Het hof zal daar bij de strafmaat rekening houden. Tevens neemt het hof bij de bepaling van de straf mee dat het hier een poging betreft en voorbereidingshandelingen, maar gelukkig geen voltooid delict. Omdat de verdachte de feiten enigszins verminderd kunnen worden toegerekend, is het hof alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen en dus verdachte, in afwachting van een eventuele cassatieprocedure, weer in hechtenis te nemen. De belangenafweging die in het kader van de schorsing in het voordeel van verdachte uitviel, zal na de veroordeling door het hof anders moeten worden gewogen en rechtvaardigt een opheffing van de schorsing.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en dus verdachte in vrijheid een eventueel verder verloop van het proces te laten afwachten. Daarnaast heeft de verdediging onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 gesteld dat er in geval van een veroordeling geen grond bestaat voor het opheffen van de schorsing bij het wijzen van arrest. Uit de brieven van SAVE, het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en het Pro Justitia rapport volgt dat verdachte zich gedurende de schorsing heeft gehouden aan de voorwaarden, haar kinderen baat hebben bij de zorg en aanwezigheid van hun moeder bij de opvoeding en beschrijven de deskundigen geen verhoogd risico op herhaling.
Het oordeel van het hof
Verdachte is op grond van de verdenking in de onderhavige zaak op 28 januari 2021 in verzekering gesteld, waarna haar bewaring en gevangenhouding is bevolen. Hierna is haar voorlopige hechtenis bij beslissing van de raadkamer van de rechtbank van 25 februari 2021 geschorst onder voorwaarden met ingang van 26 februari 2021. De schorsing van de voorlopige hechtenis is bij einduitspraak van de rechtbank van 19 maart 2024, te weten drie jaar later, weer opgeheven.
In de procedure in hoger beroep is bij beschikking van het hof van 8 mei 2024, nadien hersteld bij beschikking van 23 mei 2024, de voorlopige hechtenis opnieuw geschorst onder voorwaarden met ingang van 10 mei 2024. Bij de laatste beslissing van het hof van 21 november 2025 tot wijziging van de schorsingsvoorwaarde is de tijdsduur van aanwezigheid van verdachte in de woning verruimd.
Het hof stelt voorop dat het bij de beslissing over opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gaat om een afweging van belangen van strafvordering en belangen van verdachte. Bij die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat voorlopige hechtenis wordt geschorst als het doel dat (gelet op de grond of gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen) in het concrete geval met voorlopige hechtenis wordt nagestreefd ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van schorsing. De rechter mag pas tot opheffing van de schorsing overgaan als opheffing noodzakelijk is gelet op genoemd doel.
Het hof heeft verdachte bij dit arrest veroordeeld wegens het meerdere keren proberen te vermoorden van haar dochter en het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe, tot een gevangenisstraf van acht jaren. Het hof is van oordeel dat in beginsel in zaken als de onderhavige waarbij een jarenlange gevangenisstraf wordt opgelegd, het belang van strafvordering bij opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het belang van verdachte om de schorsing onder voorwaarden te laten voortduren. In deze zaak doet zich echter de bijzonderheid voor dat de voorlopige hechtenis van verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep jarenlang is geschorst en dat verdachte daardoor in de gelegenheid is gesteld een band op te bouwen met de dochter. Gelet op de opgestelde rapportages heeft verdachte zich gehouden aan vrij strikt geformuleerde schorsingsvoorwaarden. Zij is nauw betrokken bij de opvoeding en verzorging van de kinderen en er worden door SAVE Jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming geen zorgen geuit met betrekking tot de veiligheid en ontwikkeling van de drie kinderen in de thuissituatie. Er zijn meerdere instanties bij het gezin betrokken, onder andere in het kader van de ondertoezichtstelling, er is nauw contact tussen alle partijen en er is veel controle.
Hoewel de deskundigen van het Pro Justitia triple-onderzoek geen risico-inventarisatie hebben kunnen uitvoeren vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte, blijkt uit de voorliggende stukken niet van een op dit moment (verhoogd) risico op recidive.
Bij de huidige stand van zaken, waarbij de jarenlange schorsing goed is verlopen en er geen zorgen zijn ten aanzien van het welzijn en de veiligheid van de kinderen, ziet het hof aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren onder de bij beslissing van het hof van 21 november 2025 vermelde voorwaarden.
Het hof wijst daarom af de verzoeken van het openbaar ministerie en de verdediging tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan wel tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit betekent dat de schorsing onder de door het hof gestelde voorwaarden blijft doorlopen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde partij 1] , mr. H. Hooijer, vertegenwoordigd door mr. C.H. Dijkstra, advocate te Amersfoort, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Hoge Raad van 8 juli 2025 (HR:2025:1061 en HR:2025:1055) gesteld dat voor toekenning van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW moet komen vast te staan dat de benadeelde partij, in dit geval [benadeelde partij 1] , kennis moet (kunnen) hebben gehad van aan haar toegebracht leed. De verdediging betwist dat dit het geval is geweest.
Het oordeel van het hof
Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is niet betwist, dus het hof kan enkel afwijken indien de gevorderde schadevergoeding onrechtmatig voorkomt. Hiervan is geen sprake. Het verweer van de verdediging gaat naar het oordeel van het hof niet op. Anders dan in de aangehaalde uitspraken is hier sprake van een minderjarig kind dat vertegenwoordigd wordt door een bijzonder curator. Deze heeft zeker kennis van het aan [benadeelde partij 1] toegebrachte leed en vordert schade in haar plaats. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij fysiek heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte alsmede dat de aard en ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Het hof zal de gevorderde schadevergoeding geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 juni 2020 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 juni 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 75 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Het hof zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen-)clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige.
De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46, 55, 56, 57, 289 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 3;
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juni 2020.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, voorzitter, mr. G. Mintjes en mr. J. Steenbrink, raadsheren, in aanwezigheid van de griffiers mr. Y.A. Hoekstra en R.H.D. de Roo, MSc, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 maart 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. A.H. Garos, voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. J. Steenbrink, raadsheren,
mr. G. Nijpels, advocaat-generaal,
mr. Y.A. Hoekstra en R.H.D. de Roo, MSc, griffiers.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.