ECLI:NL:GHARL:2026:1365

ECLI:NL:GHARL:2026:1365

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 000442-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en wijst de op grond van artikel 530 Sv gevraagde vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand en voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift af. Na acceptatie van een reguliere piketmelding op betalende basis rechtsbijstand verlenen gedurende de piketfase verhoudt zich – zonder een onderbouwing die concreet redengevend is voor deze werkwijze – slecht met de Inschrijvingsvoorwaarden en het Reglement Piket Raad voor de Rechtsbijstand. Het hof benoemt daarnaast twijfels over hetgeen is gedeclareerd. Naar het oordeel van het hof ontbreken onder deze omstandigheden gronden van billijkheid voor toekenning van enige vergoeding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

AV-nummer: 000442-25

Parketnummer: 05-260031-24

Uitspraak d.d.: 9 maart 2026

Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, d.d. 18 februari 2025 op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering van:

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

bijgestaan door mr. J.J. Douwes, advocaat te Arnhem,

postadres: [adres] ,

hierna te noemen: appellant.

Procesgang

In een op 13 november 2024 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellant gevraagd om een (geschatte) vergoeding van € 2.417,70 uit ’s Rijks kas voor in een strafzaak tegen appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand, zoals nader in het verzoekschrift omschreven. In een op 15 januari 2025 door de rechtbank ontvangen gewijzigd verzoekschrift heeft appellant gevraagd om een vergoeding van € 3.251,39 uit ’s Rijks kas voor in een strafzaak tegen appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand, zoals nader in dat verzoekschrift omschreven. Daarnaast heeft appellant gevraagd om een (forfaitaire) vergoeding voor de kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift, dat ook een verzoek op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering inhoudt.

De rechtbank heeft bij voormelde beschikking appellant een vergoeding toegekend van € 1.625,70 voor kosten van rechtsbijstand en € 340 voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift en het verzoek voor het overige afgewezen.

Namens appellant is op 28 maart 2025 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft het hoger beroep in het openbaar in raadkamer behandeld op 23 februari 2025, waarbij is gehoord de advocaat-generaal. Mr. Douwes heeft het hof voorafgaand aan de behandeling in raadkamer bericht dat hij vanwege verplichtingen bij Defensie niet aanwezig zou zijn bij de behandeling van het hoger beroep en dat appellant ook niet zou verschijnen. Mr. Douwes heeft het hoger beroep in dat bericht nader toegelicht.

Beoordeling van het hoger beroep

Bij brief van 14 augustus 2024 is aan appellant kennisgegeven van de beslissing van de officier van justitie om appellant niet verder te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs is (sepotcode 02). De strafzaak is daarmee geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan ingevolge artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman. Een verzoekschrift als bedoeld in artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering moet door de verzoeker zelf zijn ondertekend om vast te stellen dat hij persoonlijk aanspraak maakt op het verzochte bedrag.

Het op 13 november 2024 bij de rechtbank ontvangen verzoekschrift is niet ondertekend door appellant. De rechtbank heeft mr. Douwes meegedeeld dat het verzoek vooralsnog niet-ontvankelijk is, omdat het verzoek niet door verzoeker is ondertekend, en dat verzoeker nog in het verzoek zou kunnen worden ontvangen indien alsnog een door hem ondertekend verzoekschrift zou worden ingediend of wanneer hij bij de mondelinge behandeling zou verschijnen. De rechtbank heeft vervolgens in de op 15 januari 2025 (de dag voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank) verzonden e-mail van mr. Douwes een ‘gewijzigd verzoek tot schadevergoeding ex artikel 591a Sv/89 Sv’ ontvangen. In dit verzoekschrift is onderaan een handtekening geplakt met daarbij vermeld ‘ [appellant] ’. Volgens mr. Douwes is dit een printscreen van een WhatsApp-bericht dat appellant hem heeft gestuurd, met zijn handtekening.

Het hof constateert dat de initialen die bij de handtekening staan niet overeenkomen met de initialen van appellant, maar zal in het voordeel van appellant aannemen dat het een verschrijving betreft. Het hof zal dit welwillend lezen en appellant ontvankelijk achten in zijn verzoek.

Ingevolge artikel 530, vierde lid, in verbinding met artikel 534, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter alle omstandigheden in aanmerking genomen gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding kan worden toegewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand wordt, indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, geen vergoeding van kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

De ratio van de wettelijke regeling van artikel 530 van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand is te voorkomen dat de gewezen verdachte (achteraf) - al dan niet afhankelijk van het (te verwachten) resultaat - kan afzien van verdere gefinancierde rechtsbijstand en na afloop van de zaak een vergoeding kan vorderen van de Staat voor de kosten van juridische bijstand. Het hof acht de aanwijzing in het kader van de piketregeling als onderdeel van het totale systeem van gefinancierde rechtsbijstand, vergelijkbaar met de toevoeging in een strafzaak.

Uit het proces-verbaal van voorgeleiding na aanhouding komt naar voren dat appellant op 22 mei 2024 aan de politie te kennen heeft gegeven een toegewezen piketadvocaat te willen consulteren en dat vervolgens de piketcentrale is ingelicht over de wens van appellant. Uit het dossier blijkt dat verzoeker, net als de twee medeverdachten, is bezocht in het kader van de piketregeling door mr. Douwes, waaruit blijkt dat mr. Douwes de piketmelding heeft geaccepteerd in het kader van zijn piketdienst. Ten overstaan van de rechtbank heeft mr. Douwes op 16 januari 2025 bevestigd dat de bezoeken zijn verricht in het kader van de piketdienst. Mr. Douwes is op 23 mei 2024 bij het politieverhoor aanwezig geweest.

Ingevolge artikel 2.12 lid 2 van de Inschrijvingsvoorwaarden en artikel 1.1 van het Reglement Piket Raad voor de Rechtsbijstand (verder: Reglement) verklaren advocaten die deelnemen aan de piketregeling zich bereid om de daaruit voortvloeiende zaken op toevoegingsbasis af te wikkelen. Uit het Reglement en de inschrijvingsvoorwaarden volgt bovendien dat een advocaat die deelneemt aan de piketregeling een melding moet accepteren, zijn werkzaamheden persoonlijk dient te verrichten en gerechtigd is tot het vergoed krijgen van de verrichte dienst als hij de melding op juiste wijze heeft verricht, zijn cliënt heeft bezocht en heeft bijgestaan. Het hof leidt uit dit samenstel van bepalingen af dat het minst genomen op gespannen voet staat met de geest en strekking van de piketregeling om in het kader van een reguliere piketdienst – waarbij door de verdachte niet de bijstand van een specifieke advocaat is verzocht – alsnog betalingsafspraken te maken.

De werkzaamheden die mr. Douwes tot en met 23 mei 2024, de datum waarop appellant in vrijheid is gesteld, heeft verricht hebben in de piketperiode plaatsgevonden. Deze werkzaamheden hadden betaald kunnen worden door de Raad voor Rechtsbijstand op basis van deelname aan de piketregeling die door acceptatie van de piketmelding tot stand is gekomen door middel van het indienen van het ingevulde piketformulier bij de Raad voor Rechtsbijstand. Het na acceptatie van de piketmelding op betalende basis bijstaan van appellant verhoudt zich – zonder een onderbouwing die concreet redengevend is voor deze werkwijze – slecht met de Inschrijvingsvoorwaarden en het Reglement. Daarbij wordt opgemerkt dat het hof geen zicht heeft gekregen op het moment of de wijze waarop de betalingsafspraken zouden zijn gemaakt. Appellant is in eerste aanleg en in hoger beroep niet verschenen om hierover uitleg te verschaffen en bij de door mr. Douwes overgelegde stukken zit geen opdrachtbevestiging of enig ander stuk dat inzicht biedt in de afspraak om op betalende basis bijstand te verlenen.

Het hof merkt verder op dat het twijfelt aan hetgeen is gedeclareerd. Zo komt uit de urenspecificatie naar voren dat 1,3 uur is gedeclareerd voor ‘bespreking cliënt’ en daarnaast 2 uur voor ‘verhoor incl wachttijd en bespr cl pol bureau’ op 23 mei 2024, terwijl uit het proces-verbaal van verhoor verdachte naar voren komt dat appellant op 23 mei 2024 om 10:30 uur overleg heeft gevoerd met mr. Douwes en dat het verhoor vervolgens van 10:48 uur tot 11:51 uur heeft plaatsgevonden. In totaal is dit 1,3 uur in plaats van de gedeclareerde 3,3 uur. Bovendien ziet een aanzienlijk deel van de gedeclareerde kosten (1,4 uur á € 325) op werkzaamheden die ver na de sepotbeslissing op 14 augustus 2024, namelijk vanaf 12 september 2024 tot en met 11 november 2024, zouden zijn verricht, waaronder een half uur voor ‘afwikkeling’. Tot slot doet ook de mededeling in het aanvullende verzoekschrift van 15 januari 2025 – dat de juridische kosten uiteindelijk hoger zijn uitgevallen dan aanvankelijk geschat – twijfelen aan de legitimiteit van hetgeen is gedeclareerd, nu de gedeclareerde bijstand volledig was geleverd voorafgaand aan de indiening van het initiële verzoekschrift op 13 november 2024.

Naar het oordeel van het hof ontbreken onder deze omstandigheden niet alleen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand maar ook voor het toekennen van een (standaard)vergoeding voor de kosten van de behandeling van het verzoekschrift.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover inhoudende de beslissing op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering;

Wijst af het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering.

Aldus gegeven door

mr. J.L.F. Groenhuijsen, voorzitter,

mr. M.L. Plas en mr. O.G. Schuur, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,

door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 9 maart 2026 ter openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.L.F. Groenhuijsen
  • mr. M.L. Plas
  • mr. O.G. Schuur

Griffier

  • mr. E. van der Zandt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?