[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-
Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 februari 2026 bij het hof is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof overweegt als volgt ten aanzien van de ontvankelijkheid van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep.
De vorige raadsman van verdachte, mr. T. Bruinsma, heeft de griffie van de rechtbank Noord-Nederland via een e-mailbericht gemachtigd tot het instellen van dit hoger beroep.
Het hof is, onder verwijzing naar het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2026, van oordeel dat voornoemde schriftelijke volmacht niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldoet. Zo bevatte de volmacht geen adres dat door verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep.
In een dergelijk geval is het in de regel zo dat, uitzonderingen daargelaten, verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep. De genoemde uitzonderingen omvatten de gevallen dat verdachte dan wel een gemachtigde raadsman ter zitting in hoger beroep verschijnt en aangeeft dat het inderdaad zijn wens is (geweest) om hoger beroep in te stellen, of in het geval de (nadere) oproeping voor de zitting in hoger beroep in persoon is uitgereikt. Van deze situaties is in onderhavige zaak geen sprake. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L.T. Wemes en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 februari 2026.