[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats]
wonende te [adres]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 respectievelijk wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte is aangevoerd.
Beoordeling
Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat nader onderzoek noodzakelijk is.
Ter terechtzitting heeft verdachte aan het hof te kennen gegeven dat het hem in dit hoger beroep in de kern te doen is om de hoogte van de straf die hem door de rechtbank is opgelegd. Die straf vindt verdachte, mede gelet op de daarvan te verwachten negatieve gevolgen voor hemzelf en zijn werk, te hoog. Bij de ondervraging van verdachte over de inhoud van het dossier en zijn bezwaren tegen de hem opgelegde straf is bij het hof de indruk ontstaan dat verdachte blijk geeft van een beperkt inlevingsvermogen ten aanzien van de gevolgen van zijn handelen. In zijn verklaringen plaatst verdachte de oorzaken van zijn gedrag grotendeels buiten zichzelf en blijft hij erop terugkomen dat hij zelf nimmer de intentie zou hebben gehad seks met een minderjarige te hebben. Het stelde volgens verdachte daarom allemaal niet veel voor, hetgeen aanleiding zou moeten zijn voor oplegging van een milde straf. Verdachte toont weinig empathie voor de impact die zijn handelen op het minderjarige slachtoffer heeft gehad en lijkt zichzelf in zekere zin als slachtoffer van de omstandigheden en van zijn eigen handelen te zien. Dit externaliserende patroon roept vragen op over het zelfinzicht en probleembesef van verdachte alsmede over het recidiverisico en, aanpalend, de eventuele noodzaak tot behandeling.
Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk dat door de reclassering nader wordt gerapporteerd omtrent de persoon van verdachte, in het bijzonder ten aanzien van de vraag of met het oog op het voorgaande een psychologisch onderzoek geïndiceerd is.
Het hof zal daarom het onderzoek heropenen en de advocaat-generaal opdracht geven de reclassering een rapport te laten opmaken waarin dit een en ander wordt onderzocht en daarover gemotiveerd wordt geadviseerd.
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met de opdracht een reclasseringsrapportage tot stand te laten brengen zoals bovenomschreven.
Stelt de stukken aansluitend in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde naar aanleiding van het nadere rapport van de reclassering te handelen naar bevind van zaken.
Bepaalt dat het onderzoek wordt voortgezet op een nog te bepalen zitting.
Beveelt dat verdachte wordt opgeroepen tegen het nog te bepalen tijdstip.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. J. Hielkema en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.