ECLI:NL:GHARL:2026:1394

ECLI:NL:GHARL:2026:1394

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 21-002929-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verwerping van het beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Verdachte had een kartonnen doos met circa 2 kg wit poeder (inositol) en ponypacks in de auto. Zichtbare aanwezigheid van poeder en eerdere antecedenten gaven een redelijk vermoeden van schuld. Indicatieve tests (TruNarc en Pendar) bevestigden de aard van de substantie als inositol, gebruikt als versnijdingsmiddel, in samenhang met verklaring verdachte, ponypacks en hoeveelheid, voldoende voor wettig en overtuigend bewijs voorhanden hebben van inositol met de intentie als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen. Gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van het voorarrest, geen geldboete.

Uitspraak

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats]

wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, hebben aangevoerd.

Vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 20 juni 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 5.000,00, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 maart 2025 te [adres] , althans in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door ongeveer 2 kilo aan wit poeder, bestaande uit de stof Inositol, te vervoeren, althans aanwezig te hebben, en/of door ponypacks, althans kartonnen verpakkingen aanwezig te hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv)

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is ter zitting van het hof een beroep gedaan op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Daartoe is – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat ten tijde van het openen van de in de auto aangetroffen doos geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Volgens de verdediging zijn de processen-verbaal tegenstrijdig over de vraag of de doos reeds open was en het witte poeder zichtbaar was toen de verbalisanten zich nog buiten de auto bevonden, dan wel dat de inhoud van de doos pas na opening daarvan is waargenomen. Indien de doos gesloten was respectievelijk het witte poeder niet van buiten de auto zichtbaar was, ontbrak een toereikende grondslag voor het openen daarvan en is sprake van een onrechtmatige doorzoeking.

Verder is gewezen op verschillen in de processen-verbaal, onder meer over het moment van het geven van de cautie, hetgeen volgens de verdediging afbreuk doet aan de betrouwbaarheid daarvan.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het als gevolg daarvan verkregen bewijsmateriaal. Dit dient, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, te leiden tot vrijspraak.

Standpunt van de advocaat-generaal

Door de advocaat-generaal is betoogd dat uit de waarnemingen ter plaatse, waaronder de zichtbare aanwezigheid van zakken met wit poeder in de doos, reeds vóór het openen daarvan een redelijk vermoeden van schuld voortvloeide. Uit de processen-verbaal volgt niet dat de doos vóór de aanhouding is geopend; die is pas nadien geopend. Van tegenstrijdigheden die afbreuk doen aan de rechtmatigheid van het optreden is geen sprake.

Ten aanzien van de cautie heeft de advocaat-generaal betoogd dat die bij een aanhouding standaard wordt gegeven en dat het niet ongebruikelijk is dat dit niet door iedere verbalisant afzonderlijk wordt vermeld, terwijl de aanhoudende verbalisant dit wel heeft vastgelegd.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat op 25 maart 2025 in [adres] een Skoda Fabia werd staande gehouden omdat het voertuig was voorzien van een aanhanger zonder kenteken en zonder verlichting. Verdachte was de bestuurder van deze auto en kon op dat moment niet duidelijk maken van wie de auto was. Ook had hij diverse antecedenten op het gebied van handel en bezit van (hard)drugs. Bij de controle werd door de verbalisant waargenomen dat in de auto een kartonnen doos aanwezig was waarvan de bovenzijde gedeeltelijk open was, en waaruit een plastic gripzak met wit poeder stak.

Naar aanleiding van deze omstandigheden ontstond bij de verbalisant een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte harddrugs vervoerde, waarop de aanhouding en het nader onderzoek zijn gebaseerd.

Gelet op de omstandigheden ter plaatse, te weten het ontbreken van kenteken en verlichting van de aanhanger, de onduidelijkheid over de tenaamstelling van de auto, de antecedenten van verdachte en de zichtbare aanwezigheid van een gripzak met wit poeder in de kartonnen doos, bestond naar het oordeel van het hof naar objectieve maatstaven een voldoende redelijk vermoeden van schuld.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verklaring van verdachte over de inhoud van de doos zou zijn afgelegd vóór het geven van de cautie, is het hof van oordeel dat dit verweer feitelijke grondslag mist, nu uit het dossier op pagina 14 volgt dat de cautie correct is gegeven bij de aanhouding.

Het hof acht het optreden van de verbalisant rechtmatig en verwerpt het verweer van de verdediging.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Basisteam [plaats] met nummer PL0900-2025095241 d.d. 31 maart 2025, inhoudend als verklaring van verbalisant:

Op 25 maart 2025 werd in [adres] een Skoda Fabia staande gehouden, omdat het voertuig was voorzien van een aanhanger zonder kentekenplaat en verlichting. Ik zag dat de bestuurder was genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1998.

Ik zag in het politie informatiesysteem BVI-IB, dat [verdachte] diverse politie antecedenten had waaronder: - 2024, handel in harddrugs - 2023, bezit harddrugs - 2023, witwassen - 2020, bezit harddrugs - 2019, handel in softdrugs

Ik zag dat de kartonnendoos aan de bovenzijde gedeeltelijk open was. Ik zag uit de bovenzijde van de doos, een plastic gripzak steken met daarin een wit poeder. Gezien de antecedenten van [verdachte] , de onduidelijke verklaring over de eigenaar van het voertuig en de plastic gripzak met daarin wit poeder, had ik het vermoeden dat [verdachte] harddrugs vervoerde.

Ik wilde hierop de auto doorzoeken ter inbeslagneming op grond van artikel 96 B, Wetboek van Strafvordering. Ik pakte de kartonnen doos uit de auto en zag twee gripzakken met wit poeder in de doos.

Nadat [verdachte] en [medeverdachte] waren aangehouden, deed ik onderzoek aan de kartonnen doos. Onder de twee gripzakken zag ik diverse stapeltjes met karton/ papieren vierkanten. De vierkanten waren voorzien van een Louis Vuitton print. Ik weet ambtshalve dat dergelijke karton/papieren vierkanten worden gebruikt als ponypack voor verdovende middelen. Ik nam de kartonnen doos met karton/ papieren vierkanten en de twee gripzakken met wit poeder in beslag.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 25 maart 2025, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Beslagene en eigenaar: [verdachte] (geboren op [geboortedag] 1998) Goednummer: PL0900-2025095241-3502888 Object: verdovende mid Aantal: 2 stuks Verpakking: Zak plastic

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant:

Op woensdag 26 maart 2025 kreeg ik de uitslag van het onderzoek van de Forensische Opsporing. Ik zag dat ik de onderstaande uitslag kreeg: Indicatief onderzoek verdovende middelen (Goednummer: 3502888)

Goed betreft: - 2x geelkleurige gripzak (IKEA) met hierin wit poeder - Bruto gewicht zak 1: 1031,8 gram - Bruto gewicht zak 2: 1069,7 gram

Indicatief onderzoek: - TruNarc: Inositol - Pendar X10: Inositol

Inositol wordt vaak aangetroffen als versnijdingsmiddel voor onder andere cocaïne, maar staat niet vermeld op Lijst I/II van de Opiumwet.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de zitting van het hof – subsidiair – vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte een versnijdingsmiddel voorhanden had of wist dat het voor dat doel bestemd was. Vaststaat dat verdachte de doos slechts heeft opgehaald en vervoerd en zelf sprak over een sportpoeder. Het poeder is niet onderzocht met een betrouwbare test, nu indicatieve testen waarbij gebruik wordt gemaakt van een reagens, waarvan er twee negatief waren, volgens jurisprudentie onvoldoende zijn om het voorhanden hebben van een versnijdingsmiddel aan te tonen. Evenmin kan op basis hiervan worden aangenomen dat verdachte opzet had op het gebruik van het middel voor het versnijden van drugs.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarbij is vooral het volgende van belang.

Uit het dossier volgt dat, nadat verdachte was aangehouden en hem de cautie was gegeven, de kartonnen doos met de substantie van de achterbank is gehaald. Ter zake heeft [verbalisant] verklaard dat verdachte bij die gelegenheid heeft gezegd dat het om een zogenoemd sportpoeder ging. Verdachte heeft vervolgens zelf een naam genoemd — “Insultate” of woorden van gelijke strekking — waaruit naar het oordeel van het hof volgt dat verdachte zich in ieder geval globaal bewust was van de aard van de substantie die hij vervoerde.

Deze kennis van verdachte moet worden bezien in samenhang met de overige omstandigheden waaronder de substantie werd aangetroffen. De gripzakken met wit poeder bevonden zich achterin de auto, tezamen met een groot aantal ponypacks, en in een hoeveelheid die niet past bij louter persoonlijk gebruik. Verdachte heeft daarnaast geweigerd te verklaren voor wie de substantie bestemd was en hij heeft antecenten op het gebied van handel in - en bezit van (hard)drugs. Het hof acht dit alles relevant bij de waardering van het bewijs omtrent het voorhanden hebben van een stof waarvan algemeen bekend is dat die veel als versnijdingsmiddel wordt gebruikt.

Voor de beoordeling van de aard van de aangetroffen substantie zijn indicatieve analysetests uitgevoerd met behulp van draagbare Ramanspectrometers, te weten de TruNarc en de Pendarapparatuur.

Uit openbare bronnen blijkt dat dergelijke apparatuur wereldwijd door opsporingsdiensten wordt gebruikt voor de presumptieve identificatie van verdovende middelen en aanverwante stoffen, met een hoge mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. Raman-spectrometers werken fundamenteel anders dan kleurreacties (reagentia) doordat ze gebruikmaken van lichtverstrooiing in plaats van een chemische reactie om stoffen te identificeren. Waar reagenskleuren berusten op een zichtbare kleurverandering door een chemische reactie, analyseert een Raman-spectrometer de "vingerafdruk" van moleculaire trillingen door middel van een laser.

Deze indicatieve tests hebben in de onderhavige zaak uitgewezen dat de aangetroffen poeders overeenkomen met inositol, een stof die in de praktijk, als gezegd, veelvuldig wordt aangetroffen als versnijdingsmiddel bij verdovende middelen.

In combinatie met de eigen verklaring van verdachte over de aard van de substantie, de aanwezigheid van de ponypacks en de hoeveelheid van de aangetroffen substantie, acht het hof de resultaten van de indicatieve tests betrouwbare aanwijzingen voor de identiteit van de substantie.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte inositol in bezit had, zich bewust zijnde van de aard daarvan en van het mogelijke gebruik als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 25 maart 2025 te [adres] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door ongeveer 2 kilogram aan wit poeder, bestaande uit de stof inositol te vervoeren en door ponypacks aanwezig te hebben.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een versnijdingsmiddel, te weten circa 2 kilogram inositolen een groot aantal ponypacks. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de harddrugshandel, aangezien versnijdingsmiddelen worden gebruikt om extra winst te genereren en de continuïteit van de handel te waarborgen. Daarnaast wordt door harddrugs de volksgezondheid ernstig bedreigd.

Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 27 januari 2026, waaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor Opiumwetdelicten en daarnaast voor rijden onder invloed van drugs. Verder is het onderhavige feit gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit.

De raadsman heeft betoogd dat strafmatiging op zijn plaats zou zijn, nu het uitsluitend gaat om het voorhanden hebben van een versnijdingsmiddel en niet om cocaïne zelf.

Hoewel feitelijk juist (verdachte had een versnijdingsmiddel voorhanden en niet pure cocaïne) is het hof van oordeel dat dit niet tot het door de raadsman voorgestane gevolg dient te leiden. In tegendeel, gezien het feit dat versnijdingsmiddelen een cruciale rol plegen te vervullen in de harddrugshandel – doordat zij die tegen relatief lage kosten winstgevender maken en het criminele circuit in stand helpen houden – versterkt de aanwezigheid van een dergelijke forse hoeveelheid versnijdingsmiddel veeleer de ernst van het feit dan dat het een reden oplevert voor matiging van de straf..

Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal en de politierechter, een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Anders dan de advocaat-generaal en de politierechter ziet het hof in de bewezenverklaring geen aanleiding om naast de gevangenisstraf ook een geldboete op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op artikel 10a van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. P.S. Bakker, mr. J. Hielkema en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?