ECLI:NL:GHARL:2026:1395

ECLI:NL:GHARL:2026:1395

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 21-005523-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Insluiping in twee woningen. Vernietiging van het vonnis van de politierechter. Verwerping verweer: verdachte beschikte uiterlijk om 10:15 uur over de weggenomen bankpassen en gebruikte deze vrijwel direct. Zijn wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de vindplaats vormen geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring. Bewezenverklaring van het wegnemen van bankpassen en sieraden uit een woning en het wegnemen van oorbellen uit een andere woning. Gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 3 jaren en meldplicht bij GGZ reclassering Fivoor. Toewijzing vordering benadeelde partij tot € 1.000,00 ter vergoeding van materiële schade, mede gelet op de stelplicht en het ontbreken van aankoopbewijzen voor deels erfstukken, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Beslissingen op vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. van den Broek, hebben aangevoerd.

Vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 12 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de volgende beslissingen genomen:

In het proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland zijn de gebruikte bewijsmiddelen niet uitgewerkt en het hof komt tot een andere strafoplegging dan de politierechter. Hierdoor kan het hof het vonnis niet bevestigen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 15 augustus 2024 te [plaats] , [gemeente] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten op de [straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, bankpassen en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

1. subsidiairhij op of omstreeks 15 augustus 2024 te [plaats] , [gemeente] , althans in Nederland, geld(bedragen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat/die weg te nemen geld(bedragen) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van twee gestolen bankpassen en daarmee geldbedragen af te rekenen;

1. meer subsidiairhij op of omstreeks 15 augustus 2024 te [plaats] , [gemeente] , althans in Nederland, meerdere bankpassen, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.hij in of omstreeks de periode van 6 april 2024 tot en met 10 april 2024 te [plaats] , [gemeente] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten op de [straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, oorbellen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Feit 1 primair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 augustus 2024, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van de politie Eenheid Midden-Nederland met nummer PL0900-2024290962 d.d. 27 september 2024, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 1] :

Op 15 augustus 2024, omstreeks 19:30 uur, ontdekte mijn vrouw dat haar pinpas en een bedrag van 25 euro aan contant geld niet meer in het mapje van haar mobiele telefoon zaten. In de bankapp op de telefoon van mijn vrouw zag ik dat er een bedrag van 13,20 euro was afgeschreven. Dit bedrag is bij de betaalautomaat van de NS [plaats] afgeschreven.

Mijn vrouw heeft een rekening bij de [bank] met het volgende gegevens: [benadeelde partij 2] [rekeningnummer] [pasnummer]

Op het afschrift staat het volgende: 15-08-2024 [plaats] Bsm 203 [plaats] NLD Pasvolgnr 005 15-08-2024 10:15 Transactie: [transactie] Valutadatum: 15-08-2024

Op vrijdag 16 augustus 2024 bedacht ik mij dat ik meerdere bankpasjes in een lade in mijn bureau had liggen. Ik ben toen gaan kijken of deze pasjes er nog lagen, maar alle bankpasjes waren weg. Ik heb alle bankrekeningen bekeken en kwam erachter dat er van de rekening van mijn zoon ook een bedrag is afgeschreven. Onze zoon heeft een rekening bij de [bank] met het volgende gegevens: [naam] [rekeningnummer] [pasnummer]

Op het afschrift staat het volgende: [bank] betaalpas [locatie] , [pasnummer] NR: [gegevens] Uitvoering donderdag 15 augustus 2024 12:05 Bedrag - 36,36 euro Tegenrekening [locatie] , [pasnummer] Rekeningnummer [rekeningnummer]

De andere bankpassen die weg zijn zijn: [bank] tnv [benadeelde partij 1] [naam] [rekeningnummer] [pasnummer]

[bank] tnv [benadeelde partij 2] [rekeningnummer] [pasnummer]

Op een ladekast in de slaapkamer hadden wij drie kistjes met juwelen staan. Op zaterdag 17 augustus 2024 ontdekten mijn vrouw en ik dat het kleinste kistje met juwelen niet meer op het ladekastje stond. In het kistje zaten de volgende goederen: - gouden ring; - witgouden ring; - gouden ketting; - gouden trouwring; - witgouden ketting; - zilveren ring; - gouden ketting; - gouden ring.

Ik heb nergens sporen van braak kunnen ontdekken. Ik weet niet hoe deze persoon of personen in onze woning zijn gekomen. De enige manieren om bij onze woning binnen te komen zijn via de voordeur en via het balkon. Met deze warmte doet mijn vrouw de balkondeur open als zij thuis is en dicht als zij de deur uit gaat.

Op donderdag 15 augustus 2024: - ben ik rond 7:00 uur van huis vertrokken; - is er van de rekeningen gepind om 10:15 uur en 12:05 uur; - is mijn vrouw rond 14:00 uur van huis vertrokken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 1 september 2024, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Tijdens deze insluiping waren er vier pinpassen weggenomen. Met twee van deze pinpassen is er gepind bij [bedrijf] , dit betreft een coffeeshop en is gelegen aan de [straat] te [plaats] en bij het NS station [plaats] , dit is gelegen aan [straat] te [plaats] .

Vordering camerabeelden Middels een vordering volgens artikel 126nda Wetboek van Strafvordering, zijn er beelden verkregen van de beveiligingscamera's van [bedrijf] .

Verkregen camerabeelden Er zijn drie beelden verkregen van drie verschillende beveiligingscamera's. Op de beelden staat geen dag, datum of tijd vermeld. De verstrekker van de beelden vertelde mij dat deze beelden van 15 augustus 2024 van 12.00 uur tot 12.10 uur waren.

Foto 3. Werkelijke tijd 12:01:34 uur. Ik zie een persoon die ik herken als [verdachte] [geboortedatum] te [plaats] . Ik herken deze persoon omdat hij al een aantal weken dagelijks op de basisteam briefing word getoond in verband met de woning inbraken/insluipingen die hij pleegt. Tevens weet ik dat hij in het politiesysteem BVI-IB gelabeld is als doelgroep woninginbrekers district oost Utrecht. De foto's die in deze briefing worden gebruikt zal ik toevoegen aan dit proces. Ik zie dat [verdachte] naar de toonbank loopt en hier zijn bestelling plaatst. Ik kan [verdachte] als volgt omschrijven: - man; - kaal; - getint; - zonnebril met donkere glazen; - witte oordoppen in zijn oor; - wit T-shirt met rond logo op zijn linkerborst; - witte korte broek met rond logo op de linker broekspijp. Betreft hetzelfde logo als op het T-shirt; - witte sokken tot halverwege de kuit; - wit met zwarte [merk] schoenen.

Foto 8. Werkelijke tijd 12:05:09 uur. Ik zie dat [verdachte] wederom aan het rommelen is met spullen in zijn handen. Ik zie dat hij vervolgens een groene kaart op het pinapparaat legt. Ik herken deze kaart als een pinpas van de [bank] . Het lijkt erop alsof de transactie nu wel lukt. Ik zie namelijk dat hij zijn wiet overhandigt krijgt en de winkel uitloopt.

Foto 13. Ik zie dat de pinpas van de [bank] niet werkt. Ik zie dat [verdachte] vervolgens een pinpas van de [bank] aanbied. Ik zie dat de transactie nu wel lukt doordat er een groen vinkje verschijnt op het pinapparaat.

Foto 14 en 15. Ik herkende de verdachte als [verdachte] . Tijdens de dagelijkse briefing op het basisteam worden de foto's van [verdachte] getoond met het verzoek hem in de gaten te houden voor inbraken danwel insluipingen. Aangezien ik de foto's van [verdachte] zo vaak heb gezien durf ik met zekerheid te zeggen dat de persoon op beeld bij de [bedrijf] , [verdachte] betreft.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 27 augustus 2024, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant:

Ik bekeek de door mij gevorderde camerabeelden van een pintransactie met een gestolen pinpas bij een NS kaart verkoop automaat in de stationshal [plaats] . De transactie zou volgens de aangever op 15 augustus 2024 te 10.15 uur hebben plaatsgevonden.

Op het camerabeeld vanaf perron 1, welke zicht heeft op een deur die uitkomt in de stationshal, zag ik de genoemde persoon na 5 minuut en 39 seconden vanuit de stations hal het perron op lopen. Werkelijke tijd is dan omstreeks 10.15 uur en 37 seconden. Ongeveer 10 meter achter de deur, de stationshal in, bevind zich de kaart verkoop automaat waar met de gestolen pinpas is betaald. Ik dacht in de persoon betrokkene [verdachte] te herkennen. Betrokkene [verdachte] heeft de afgelopen 2 weken op de briefing gestaan als mogelijke insluiper bij woningen.

Ik verbalisant [verbalisant] heb mij geconcentreerd op de directe omgeving en zag op perron 2 een persoon lopen die ik volledig herkende als de persoon welke ik een dag eerder op de camerabeelden van de pintransactie met de gestolen pinpas had gezien. Hierop zijn wij direct naar de persoon op perron 2 gefietst. We hebben de persoon staande gehouden en hebben zijn identificerende gegevens gevorderd. De persoon overhandigde ons een identiteitskaart en identificeerde zich als betrokkene [verdachte] . Wij hebben direct een aantal foto's van de betrokkene gemaakt. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat de betrokkene Azagaug dezelfde korte broek en t shirt droeg als op de camerabeelden die ik een dag eerder had gezien.

Zie foto 1 en 2 van bijlage 1 bij dit proces verbaal voor 2 stills van de persoon welke op camera staat in de stationshal ter hoogte van de kaartjes verkoop apparaat toen er gepind werd met de gestolen pinpas. Op foto 2 is duidelijk een tekst achterop de rug van betrokkene te zien, evenals een tekst op de rechter kontzak.

Zie foto 3 en 4 van bijlage 1 bij dit proces verbaal voor de 2 foto's van betrokkene [verdachte] tijdens onze staandehouding.

Feit 2

Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 24 februari 2026;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 september 2022, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2024, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 primair tenlastegelegde feit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Daartoe heeft zij – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het tijdsbestek tussen het plegen van de inbraak (tussen 7:00 en 10:15 uur) en het moment waarop verdachte met de weggenomen bankpassen heeft gepind, niet zodanig kort is dat daaruit zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte ook de inbraak heeft gepleegd. Verdachte heeft bovendien direct bij de politie verklaard dat hij de pasjes in het NS-station heeft gevonden. Dat hij wisselend heeft verklaard over de vindplaats, kan heel goed te maken hebben met zijn zwakbegaafdheid en maakt zijn verklaring dus niet zonder meer ongeloofwaardig. Zijn lezing van de wijze waarop hij in het bezit van de pasjes is gekomen, is niet op voorhand onaannemelijk. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarbij is vooral het volgende van belang.

Uit de aangifte volgt dat op 15 augustus 2024 uit de woning van aangevers meerdere bankpassen en sieraden zijn weggenomen. Aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij die ochtend rond 7:00 uur de woning heeft verlaten en dat om 10:15 uur met de [bank] -bankpas van zijn echtgenote is betaald bij de NS-kaartautomaat te [plaats] . Om 12:05 uur is met de [bank] -bankpas van zijn zoon gepind bij een coffeeshop in [plaats] . De bankpassen bevonden zich vóór 15 augustus 2024 in de woning en zijn zonder toestemming van aangevers gebruikt.

Uit de processen-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte degene is geweest die deze transacties heeft verricht. Hij is op de camerabeelden bij zowel de NS-automaat (10:15 uur) als bij de coffeeshop in [plaats] (12:05 uur) herkend. Dat hij degene is geweest die daar en toen met de bankpassen heeft gepind, heeft verdachte ook niet betwist. Bij de transactie in [plaats] heeft hij eerst tevergeefs een [bank] -bankpas aangeboden, waarna hij succesvol betaalde met de [bank] -bankpas van de zoon van aangever [benadeelde partij 1] .

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880, NJ 2010/475). Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De omstandigheid dat hij weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van het voorwerp, kan op zichzelf – mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv – niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal niet zou mogen betrekken dat de verdachte voor zo'n omstandigheid als het voorhanden hebben van het voorwerp – welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

Vaststaat dat verdachte uiterlijk om 10:15 uur de beschikking had over de bij de inbraak weggenomen bankpassen. Daarmee beschikte hij al binnen enkele uren nadat aangever de woning om 7:00 uur had verlaten over die bankpassen en is hij deze ook vrijwel direct gaan gebruiken.

Verdachte heeft verklaard dat hij de bankpassen in de hal van het treinstation [plaats] heeft gevonden. Hij heeft echter sterk wisselend en onderling tegenstrijdig verklaard over de vindplaats van de pasjes: aanvankelijk zou hij een pas op een ‘toonbank’ hebben aangetroffen, vervolgens op een zitbankje, later zouden meerdere passen verspreid op de grond van het station door hem zijn aangetroffen, terwijl hij ter zitting bij het hof weer een nieuwe vindplaats voor de pasjes heeft genoemd, te weten bovenop een kaartjesautomaat in de stationshal. Door dit alles kan niet worden gesproken van een aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring van verdachte voor het door hem zeer kort na de inbraak de beschikking hebben over de bankpassen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de inbraak heeft gepleegd. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primairhij op 15 augustus 2024 te [plaats] in een woning, te weten op de [straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, bankpassen en sieraden aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op 6 april 2024 te [plaats] in een woning, te weten op de [straat] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, oorbellen die aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:

telkens diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen in een woning, waarbij hij zich telkens buiten weten of tegen de wil van de rechthebbenden in die woning bevond. Op 15 augustus 2024 heeft hij bankpassen en sieraden weggenomen uit een woning en vervolgens nog diezelfde ochtend met de weggenomen bankpassen betalingen verricht. Daarnaast heeft hij op 6 april 2024 oorbellen weggenomen uit een andere woning. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van een ander. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten bij de bewoners veelal gevoelens van angst en onveiligheid teweeg kunnen brengen, dit terwijl een woning juist bij uitstek een plaats betreft waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft uitsluitend gehandeld uit eigen financieel gewin en zich kennelijk geen rekenschap gegeven van de financiële en emotionele gevolgen die het bewezenverklaarde handelen voor de slachtoffers heeft.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 27 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke vermogensdelicten.

Verder heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting van het hof zijn besproken. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte zwakbegaafd en kwetsbaar is. Uit het reclasseringsrapport van 19 december 2025 volgt dat recent een begin is gemaakt met begeleiding en behandeling, onder meer van [zorginstelling] in het kader van de Wet langdurige zorg. Verdachte heeft aangegeven dat hij sinds kort ook in gesprek is met een psycholoog. Het hof acht het van belang dat deze nog prille positieve ontwikkeling niet wordt doorkruist door een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Het hof acht in beginsel de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend, maar ziet in de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om te kiezen voor een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht het van belang dat verdachte zijn beschermde woonplek behoudt en hulp krijgt van [zorginstelling] en [GGZ] . Daarnaast acht het hof wenselijk dat door de reclassering onderzoek wordt gedaan naar de geestelijke ontwikkeling van verdachte, mede ook gelet op de laagbegaafdheid en de kwetsbaarheid van verdachte zoals die is gebleken op de zitting van het hof. De voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf dient tevens als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten zal begaan.

Alles afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij [GGZ] , passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Vordering

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg aangegeven dat haar totale schade € 5.311,56 bedroeg. Door de verzekering van de benadeelde is hiervan een gedeelte groot € 2.196,56 vergoed, zodat aan schade een bedrag van € 3.115,00 resteert. Voor dit deel van de schade heeft de benadeelde partij vergoeding in het strafproces gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan..

De niet vergoede materiële schade bestaat uit de volgende posten:

De politierechter heeft deze vordering schattenderwijs voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag van € 3.115,00 nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat een deel van de schade reeds door de verzekering is vergoed voor zover daarvoor bewijsstukken zijn overgelegd. Ten aanzien van de overige gevorderde bedragen ontbreken volgens de verdediging aankoopbonnen of andere onderbouwing waaruit blijkt hoe de bedragen zijn vastgesteld in relatie tot de waarde van de weggenomen sieraden.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte, nu vaststaat dat meerdere sieraden uit de woning van de benadeelde partij zijn weggenomen. De benadeelde partij heeft de weggenomen sieraden concreet en gespecificeerd omschreven en per sieraad een afzonderlijk schadebedrag opgevoerd. Het enkele ontbreken van aankoopbonnen brengt niet reeds mee dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Daarbij betrekt het hof dat het (deels) gaat om sieraden die als erfstukken in bezit waren, zodat het ontbreken van aankoopbewijzen in zoverre alleszins begrijpelijk is.

Daarmee heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof in voldoende mate aan haar stelplicht voldaan. Van de benadeelde partij kan in een geval als dit niet méér worden verlangd, te minder nu verdachte niet heeft betwist dat de betreffende sieraden bij de inbraak zijn buitgemaakt en het juist aan zijn eigen onrechtmatige handelwijze te wijten is dat de sieraden thans niet meer beschikbaar zijn om aan een waardebepaling te worden onderworpen.

Artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt de rechter de ruimte om de hoogte van de geleden schade te schatten wanneer, zoals in het onderhavige geval, volledige feitelijke gegevens ontbreken om de schade nauwkeurig vast te stellen. Het hof schat, gebruikmakend van deze wettelijke bevoegdheid, evenals de politierechter, de hoogte van de materiële schade op € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2024. Het hof zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 16-007729-23

In de zaak met parketnummer 16-007729-23 is verdachte op 1 december 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke taakstraf opgelegd van 8 uren, subsidiair 4 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke taakstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde. De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering toe te wijzen. De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.

Parketnummer 16-072512-23

In de zaak met parketnummer 16-072512-23 is verdachte op 22 maart 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde. De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering af te wijzen. De raadsvrouw van verdachte heeft zich daarbij aangesloten.

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg geen beslissing is genomen op de vordering tot tenuitvoerlegging. Gelet hierop kan het hof de door de advocaat-generaal in hoger beroep aan de orde gestelde tenuitvoerlegging niet inhoudelijk beoordelen.

Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering tot tenuitvoerlegging.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij [GGZ] en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, zolang zij dit noodzakelijk acht.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 augustus 2024.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2023, parketnummer 16-007729-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

taakstraf voor de duur van 8 (acht) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 16-072512-23.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Meester, mr. J. Hielkema en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?