[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, wordt opgelegd. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.H. Lek, waarnemend voor mr. W.G. ten Have, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte is door rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van wat aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld en dit is daarom ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 21 november 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard.
Het hof komt tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis – voor zover vatbaar voor hoger beroep – en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – voor zover in het hoger beroep van belang – ten laste gelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vanuit het [bedrijf] stoffen en/of voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of verkocht en/of verstrekt en/of voorhanden heeft gehad, te weten:
- groeimiddelen/plantenvoeding en/of
- assimilatielampen en/of
- koolstoffilters en/of
- slakkenhuizen en/of
- bedieningspanelen en/of
- weegschalen en/of
- kistventilatoren en/of
- kweektenten
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
2.hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2018 tot 11 november 2019, op diverse data en/of tijdstippen, te [plaats 1] , althans in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij op of omstreeks 11 november 2019 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 5130 gram henneptoppen en/of 483 hennepstekken en/of 95 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv)
Standpunt van de verdediging
Evenals bij de rechtbank is door de verdediging op de zitting van het hof een beroep gedaan op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Daartoe is – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op basis van de anonieme meldingen en de daaropvolgende observaties geen redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte kon ontstaan. Volgens de verdediging ontbrak daardoor een toereikende grondslag voor de ingezette opsporingshandelingen, waaronder de (stelselmatige) observatie, het aansluiten van een telefoontap en de verrichte doorzoekingen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het als gevolg daarvan verkregen bewijsmateriaal en vervolgens, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, tot vrijspraak.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft betoogd dat het startpunt van het onderzoek, te weten een anonieme brief, een MMA melding en een mutatie van een buurtagent, elkaar versterken, hetgeen heeft geleid tot een specifieke verdenking gericht op een aantal personen gekoppeld aan het [bedrijf] . Dit is voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld, op basis waarvan de opsporingsmiddelen zijn ingezet.
Oordeel van het hof
De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 november 2023 ten aanzien van het vormverzuim het volgende overwogen.
Het opsporingsonderzoek dat aan deze zaak ten grondslag ligt, is gestart op basis van een anonieme brief van 18 maart 2019, inhoudende dat vanuit het [bedrijf] alle noodzakelijke goederen geleverd zouden worden voor de grootschalige hennepteelt en [bedrijf] een groothandel zou zijn voor de inkoop/verkoop van cannabis. Uit een MMA-melding van 1 8 april 2019 volgt dat verdachte hennepkwekerijen exploiteert. Uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het [bedrijf] sinds 1januari 2019 op naam staat van [medeverdachte 1] , de partner van verdachte. Naar aanleiding hiervan is er in de periode van 7mei2019 tot en met 11 november 2019 in totaal 18 keer door de politie een observatie uitgevoerd. Uit die observaties is onder andere gebleken dat personen die klant zijn bij [bedrijf] , gelinkt kunnen worden aan hennepteelt en overtreding van de Opiumwet. Voorts is gebleken dat personen met gesealde zakken en tassen het pand van [bedrijf] verlaten of betreden.
Uit jurisprudentie volgt dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. Doorgaans is gewenst dat zo mogelijk enig nader onderzoek plaatsvindt ter verificatie van die informatie. De kwaliteit van de verstrekte gegevens is beslissend voor de vraag of zij zonder meer aanleiding mochten geven tot het instellen van een opsporingsonderzoek of dat zij eerst nog ondersteuning behoefden. Het oordeel over die kwaliteit is van feitelijke aard en wordt gevormd door beantwoording van de vraag of de verstrekte informatie voldoende concreet en specifiek is.
Naar het oordeel van de rechtbank kon in deze zaak op basis van anonieme brief, de MMA- melding, en het daaropvolgende onderzoek naar de eigenaar van [bedrijf] redelijkerwijs het vermoeden ontstaan dat verdachte goederen zou leveren voor de grootschalige hennepteelt. De informatie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en specifiek. De informatie is vervolgens aangevuld door nader onderzoek bij de Kamer van Koophandel. Deze combinatie van anonieme en geverifieerde informatie kon de verdenking ex artikel 9 Opiumwet dragen. Op basis van die verdenking waren de latere verrichte onderzoekshandelingen gerechtvaardigd. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.
Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over.
Bewijsmiddelen
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 476 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [bedrijf] /NNRBA19013 d.d. 2 september 2020, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :
V: Volgens de Kamer van Koophandel ben jij de eigenaar van [bedrijf] , [adres 2] . Sinds wanneer ben jij eigenaar van het bedrijf?
A: Officieel 1 januari 2019.
V: Wie heeft de dagelijkse leiding in het bedrijf?
A: Dat is [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ).
V: Bij welke bedrijven koopt het [bedrijf] zijn goederen in?
A: Bij Holland Glorie eerst maar die is nu gesloten. Daarvoor was het bij DLS of DAS het zelfde bedrijf. Uit Duitsland MSM Trading. En daarnaast bij leveranciers zoals Canna, Plagron, Atami, Bio TKA, Dutch pro.
V: Voor wat voor groenten.
Voornamelijk voor groeten en fruit. Maar we weten allemaal waar het ook voor bedoeld is. V: Waarvoor dan?
A: Voor wietplantjes.
V: Wie bepaalt welke product bij welke leverancier wordt gekocht?
A: Dat doet [verdachte] . Hij heeft de contacten bij de groothandels en leveranciers. Ik ken die merken omdat ik de facturen voorbij zie komen.
V: Waarom rijden klanten via de roldeur met de auto naar binnen bij jullie bedrijf?
A: Omdat ze vaak aarde meenemen. Dan is het gemakkelijker dat ze ernaast parkeren en het gelijk meenemen.
V: Waarom wordt de roldeur dan weer dicht gedaan?
A: Ja, dat weet ik niet. Ik weet wel dat veel mensen het vervelend vinden om naar zo’n winkel te gaan. Er komen niet alleen buitenlanders maar ook gewone nette Nederlanders die niet gezien willen worden wat ze mee nemen. Ik heb eens meegemaakt dat een klant de auto in een andere straat zetten en mij vroeg of ik hem mee wilde helpen.
V: Wie is eindverantwoordelijk voor de activiteiten die binnen de [bedrijf] uitgevoerd worden?
A: Dat is [verdachte] . Hij runt de winkel en de zaak staat alleen maar om mijn naam en ik de boekhouding.
V: Uit observatie blijkt dat jij en [verdachte] een aantal keer een opslagunit bezoeken aan de [adres 3] . Waarvoor bezochten jullie die opslagunit?
A: Omdat hij daar filters heeft staan. Het enige wat ik weet dat het een blauwe doos is waar een filter inzit. De oude eigenaar heeft tegen ons gezegd dat het niet verstandig is om meerdere van die dingen in de zaak te hebben staan omdat hij heeft gezegd dat wij problemen zouden kunnen krijgen als er controle zou komen. Alle goederen samen zouden een samenhang van goederen voor het kweken van hennep kunnen zijn. Daarom heeft [verdachte] besloten om een unit te huren en daar de filters neer te zetten. Als er dan een klant komt voor een filter wordt het daar gehaald.
V: Op wie zijn naam werd de Unit gehuurd?
A: Op die van [verdachte] .
V: Van wie zijn die filters die er in staan?
A: Van de zaak.
V: Er worden stekblokjes besteld, koop of verkoop jij ook hennepstekjes?
A: Het staat wel in de winkel.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 10 december 2019, opgenomen op pagina 1229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 11 november 2019 vond een actie plaats in het kader van een opsporingsonderzoek tegen onder andere eenmanszaak [bedrijf] (KvK [nummer] ) gevestigd aan de [adres 2] .
Relatie met professionele teelt van hennep/cannabis
In de winkel stond bij de balie, waar ook het kassasysteem op stond, een reclamezuil van het merk [merk] , met daarop foto’s en prijzen van verschillende soorten wietzaden.
In het winkeldeel van het bedrijfspand hing een paneel met daarop regelaars van verschillende systemen die het mogelijk maken om het klimaat in kwekerijen kunstmatig te reguleren (vochtigheid, C02-gehalte, temperatuur).
Op de balie lagen folders over verschillende soorten plantenvoeding, ongediertebestrijding en stond het tijdschrift “Highlife”, het tijdschrift waar artikelen in staan over het gebruik van cannabis.
In beslagname voorwerpen
Tijdens de doorzoeking is een deel van de handelsvoorraad van [bedrijf] , welke was opgeslagen in het winkel- en opslagdeel van het bedrijfspand door ons in beslag genomen, namelijk onder andere:
• groeimiddelen;
• diverse soorten assimilatielampen;
• koolstoffilters;
• slakkenhuizen;
• bedieningspanelen;
• weegschalen.
De in beslag genomen goederen, voor wat betreft de goederen die tot de handelsvoorraad behoren, zijn goederen die in samenhang tot goederen behoren, die gebruikt worden bij de bedrijfsmatige hennepteelt. De lijst indicatoren uit de “Aanwijzing Opiumwet” geven aan of er een hoge indicatie of een lage indicatie is voor de bedrijfsmatige hennepteelt. De goederen die in beslag zijn genomen, voldoen allemaal aan de hoge indicatie voor de bedrijfsmatige hennepteelt. Ook zijn o.a. 2 kistventilatoren in beslaggenomen waarvan de metalen een afzuigcapaciteit heeft van 3250 m3. Deze capaciteit is nodig voor een ruimte van ongeveer 18 m2.
In het pand waren, behalve aanwezige consumptie goederen, geen goederen aanwezig die duiden op handel die bestemd voor een ander doel dan de hennepteelt.
Kweektenten voldoen aan de indicator “afscherming". De opstelling zoals in de winkel wordt getoond voldoet aan de in de “Aanwijzing Opiumwet” genoemde definiëring van bedrijfsmatigheid. Deze getoonde tent voldoet aan 2 hoge indicatoren uit bijlage 1 van de Aanwijzing.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2019, opgenomen op pagina 1260 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 11 november 2019 bevond ik mij voor een pand aan de [adres 3] . In dit pand zouden volgens onderzoek zich meerdere opslagunits bevinden waarvan [verdachte] er 1 zou huren. Het vermoeden bestond dat er zich in deze opslagunit verdovende middelen dan wel goederen voor de bedrijfsmatige hennepteelt zouden bevinden. De eigenaar van het pand gaf aan dat [verdachte] inderdaad [opslagunit] die zich in [loods] bevond van hem huurde. Collega’s openden de roldeur van [loods] en zij openden het hangslot van [opslagunit] . Ik rook meteen de voor mij ambtshalve bekende hennepgeur en zag diverse dozen van koolstoffilters staan.
Omstreeks 13:10 uur opende hulpofficier R. Heemstra, welke gemachtigd was door officier van justitie Mr. T. Pitstra, de doorzoeking. In de opslagunit werden de volgende goederen aangetroffen:
- 15 koolstoffilters nieuw in diverse maten, van het merk Can-Lite;
- 1 cannacutter nieuw in doos, van het merk Trimpro;
- 1 cannacutter gebruikt, ruikend naar hennep, van het merk Strippers.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 2072 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
O: op maandag 11 november 2019 uur is er door de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een woning aan de [adres 4] . Op dat moment was u ook aanwezig op genoemde locatie.
V: Klopt dit?
A: Ja dit klopt. Er zat op dat adres een hennepkwekerij.
V: Hoe weet je dat je moet kweken onder een lamp, dat je een filter nodig hebt etc?
A: Ik heb aan iemand gevraagd hoe dit moest. Ik heb het hier geleerd.
V: Aan wie heb je dit gevraagd?
A: Aan de growshop.
V: Welke growshop?
A: growshop aan de [adres 2] .
V: Wat heb je daar allemaal gekocht?
A: Alles wat je nodig hebt. Ik ben daar naartoe gegaan en gevraagd wat ik nodig had om hennep te kweken. Zij vertelden mij toen hoe het moest en boden mij de spullen aan die ik nodig had om hennep te kweken. Ik heb toen de spullen gekocht bij die Growshop aan de [adres 2] .
V: Hoe ben jij aan de plantjes (kloontjes) gekomen?
A: Die heb ik daar ook gekocht bij die growshop.
V: Hoeveel plantjes heeft u daar gekocht?
A: 60 plantjes. Ik heb 1 maand geleden de plantjes daar gekocht.
V: Wanneer heeft u de vorige plantjes gekocht dan voor deze plantjes?
A: 4 a 5 maanden geleden. Ik heb elke 4 maanden plantjes gekocht. Dit was de 4e keer dat ik plantjes had gekocht .
V: Hoeveel van de plantjes heb jij zelf gekweekt?
A: Ik heb 4 keer 60 plantjes gekocht. Ik heb dit allemaal bij [verdachte] gekocht.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2020. opgenomen op pagina 2131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Onder verdachte [verdachte] , is zijn telefoon van het merk Apple , type iPhone SE met [Imeinummer] en voorzien van [telefoonnummer 1] inbeslaggenomen. Deze telefoon is door de afdeling Team Digitale Opsporing, Noord Nederland uitgelezen en zijn de in de telefoon aanwezige gegevens, veiliggesteld en ter beschikking gesteld van het onderzoeksteam.
In de iPhone zijn WhatsApp berichten aangetroffen tussen [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte] en de gebruiker van31 [telefoonnummer 2] .
Uit de WhatsApp berichten valt op te maken dat de gebruiker van het mobile telefoonnummer [telefoonnummer 2] , leverancier van hennepstekken is.
[verdachte] vraagt op 30 augustus 2018, via WhatsApp aan de gebruiker van [telefoonnummer 2] , of hij 600 kleintjes voor [verdachte] heeft. Voor de prijs van € 3,50 per stuk. De gebruiker van [telefoonnummer 2] geeft aan dat alles net weg is.
Op 23 september 2019 geeft de gebruiker van [telefoonnummer 2] aan dat hij 650 heeft staan voor [verdachte] .
Op 8 oktober 2019 vraagt [verdachte] om 500. De gebruiker van [telefoonnummer 2] geeft aan dat het nog wel 7 weken duurt, als het een beetje draait.
Op 4 november 2019 geeft de gebruiker van [telefoonnummer 2] aan dat hij 145 haas voor [verdachte] heeft. De prijs is 3.0 pp. Op 5 november 2019 wordt er nog meer geappt over de prijs.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2020, opgenomen op pagina 2147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Onder [verdachte] ( [geboortedag] -1984), is zijn telefoon van het merk Apple, type iPhone SE met [Imeinummer] en voorzien van [telefoonnummer 1] inbeslaggenomen.
Deze telefoon is door de afdeling Team Digitale Opsporing, Noord Nederland uitgelezen en zijn de in de telefoon aanwezige gegevens, veiliggesteld en ter beschikking gesteld van het onderzoeksteam. In de iPhone zijn WhatsApp berichten aangetroffen tussen [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte] en de gebruiker van [telefoonnummer 3] ).
Uit de WhatsApp berichten valt op te maken dat de gebruiker van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] leverancier van hennepstekken is. Er zijn meerdere WhatsApp berichten waarin [verdachte] om aantallen, vermoedelijke hennepstekken, vraagt.
Op 27-08-19 vraagt [verdachte] : “Goeie morgen heb je morgen 175 185 en 65 voor mij”
Door ‘ [telefoonnummer 3] ’ wordt onder andere hierop gereageerd: “Ok. Die van vorige week waren naar tevredenheid? ?”
Op 28-08-19 geeft [verdachte] aan: ”De jongens zeggen 220 zijn uitgedroogd”
Er zijn meerdere WhatsApp berichten waarin [verdachte] om aantallen vraagt.
Op 10-09-19 geeft [verdachte] aan: “Ik kan jou ook 3.25 geven op moment”
“Als je me beloofd wel mij te geven alles”
‘ [telefoonnummer 3] ’ geeft hierop aan: “Ik wil je het graag doen. Maar deze week ben ik sowieso leeg”
Op 24 september 2019 stelt ‘ [telefoonnummer 3] ’ de volgende vraag: “Dimlux 1000 watt wat kosten die bij jou ??”
Door [verdachte] wordt hierop aangegeven dat hij er niet aan kan komen omdat de oude eigenaar deze heeft besteld maar nooit betaald.
Op internet is van de Dimlux 1000w de volgende afbeelding te vinden. De Dimlux wordt gebruikt bij de professionele hennepteelt.
(Afbeelding)
Op 18 oktober 2019 ‘ [telefoonnummer 3] ’ vraagt aan [verdachte] of hij een softbox 1500 M3 kan leveren. Er wordt gesproken over een ijzeren of mdf. Op internet zijn hiervan afbeeldingen te vinden en het gaat hierbij om afzuigsystemen die bij de professionele teelt van hennep worden gebruikt.
(Afbeelding)
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2019, opgenomen op pagina 1111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 10 juli 2019 heb ik, [verbalisant 1] , post ingenomen in de directe nabijheid van [bedrijf] . Vanuit die positie heb ik de bewegingen rondom [bedrijf] in de gaten gehouden.
uur
Ik zag dat een Opel Combo, met [kenteken 1] komt aanrijden. Bestuurder stapt uit en loopt de zaak binnen.
uur
Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bestuurder Opel Combo met [kenteken 1] vertrekt vanaf [bedrijf] . Komt met een tasje in zijn hand naar buiten lopen.
Wij, verbalisanten zijn hierop dit voertuig gevolgd. Wij reden achter dit voertuig over de A7 richting [plaats 2] . Wij zagen dat het voertuig de afslag [plaats 2] neemt. Wij zagen dat het voertuig reed naar het adres waar het voertuig thuis hoort, [adres 5] . Wij zagen dat het voertuig daar het terrein opreed.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 30 juli 2019, opgenomen op pagina 1275 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
[adres 5] . In voornoemd perceel werd op 24 juli 2019 een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zag ik het volgende: op de zolderverdieping, die was te bereiken via een vlizotrap, waren twee ruimtes gecreëerd. In 1 ruimte was een inwerking zijnde hennepkwekerij.
Kweekruimte 2
Na het binnentreden zag ik het volgende: in de garage was een ruimte georeerd achter de niet in werking zijnspuitcabine. De ruimte was verborgen achter een verrijdbare kast. Achter deze kast zat de deur naar de kweekruimte. Achter deze deur zat een inwerking zijnde hennepkwekerij.
De verdachte wordt verdacht van overtreding van art. 3 onder B, jo art. 11 lid 3 Opiumwet: Het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een verbod.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2019, opgenomen op pagina 1037 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Een zwarte Renault met [kenteken 2] komt aanrijden bij [bedrijf] , rijdt direct de loods binnen.
Zwarte Renault met [kenteken 2] komt de loods weer uit. Rijdt weg richting de [toren] .
Zwarte Renault met [kenteken 2] parkeert in de buurt van de woning, bestuurder stapt uit, en loopt richting woning waar tenaamgestelde thuis hoort. Komt terug, kofferbak gaat open. Iets groots, twee blauwe zakken, komt achter uit de auto. Kofferbak ging open, kofferbak ging bij zien van collega weer dicht en even later ging de kofferbak alsnog open. Portiek [adres 6] is de bestuurder naar binnen gelopen vervolgens naar binnen gelopen. Gaat naar de berging, loopt met spullen heen en weer vanaf de berging naar de woning.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op pagina 1298 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Na het binnentreden van de woning aan de [adres 6] zag ik het volgende: In de woning op de eerste verdieping troffen we in de eerste kamer rechts de hennepkwekerij. In de ruimte stond een kweektent van twee bij 1 meter groot.
De verdachte wordt verdacht van overtreding van art. 3 onder B, jo art. 11 lid 3 Opiumwet: Het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijke handelen in strijd met een verbod.
Er zijn diverse aanwijzingen dat er eerdere oogsten zijn geweest en dat er dus bedrijfsmatigheid is geweest.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] met als bijlagen tapgesprekken d.d. 18 maart 2020, opgenomen op pagina 744 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
V: Woonde u op 10 juli 2019 op het adres [adres 7] ?
A: Ja.
A: Ik heb de huissleutel die ik over had aan bekenden gegeven. Zij hebben spullen in mijn huis neergelegd en die zijn ontvreemd.
V: Hoe werd er wiet in jouw huis bewaard?
A: Ze hebben al enkele maanden de sleutel en vroegen mij om een stash/opslagplaats.
V: Heb je wel eens iets geroken in de slaapkamer of badkamer of werden de wiettoppen bij jouw gedroogd?
A: Ruiken wel, ook zien liggen. Paar zakjes.
V: Hoeveel en waarin?
A: Volle zakjes van paar kilo. Het zat in een tas waarmee bergbeklimmers mee op reis gaan. V: Hoeveel kilo lag er dan?
A: Dat was verschillend tussen de 3-9 kilo of niets.
V: Op welke wijze werd de wiet opgehaald?
V: Wie was eigenaar van de weggenomen wiet?
A: Als ik het tapgesprek moet geloven, dan was [verdachte] de eigenaar.
V: Wat bedoeld [verdachte] met eigen geld, het lag toch bij jou in de woning?
A: Mijn huis werd gebruikt als opslagplaats voor wiet en geld.
Bijlage 5:
Beller: [telefoonnummer 1] Naam: [verdachte]
Tnv: no-hit CIOT
Datum: 09-07-2019 20:05:04 Duur: 0:02:20
Taplijn: TA001
Sessienr: 2432
Aard: Spraak
Gebelde: [telefoonnummer 4]
Naam: NN2426
Tnv: no-hit CIOT
Herkomst tap: [telefoonnummer 1]
Locatie gebelde: [adres 8]
Kenmerkregel: 9987 wil garantie dat [verdachte] niet een op hem afstuurt
Samenvatting:
[verdachte] WGDNNM9987
Samenvatting:
Arabisch gesprek vertaald door tolk 1124.
NN man met de Egyptische accent wordt gebeld door [verdachte] .
A: Umm. Ze hebben in mijn huis ingebroken. Ze namen de GOEDEREN en GELD mee. NN: Uit je eigen woning?
A: Jawel.
NN: Of andere woning?
A: Nee, niet mijn eigen, het is de woning van mijn gezel de ezel.
Bijlage 7:
Beller: [telefoonnummer 5] Naam: NNM9987 [medeverdachte 2] Tnv: [medeverdachte 2]
[adres 9]
Datum: 12-07-2019 18:24:55
Duur: 00:01:28
Taplijn: TA001
Sessienr: 4301
Aard: Spraak
Gebelde: [telefoonnummer 1] Naam: [verdachte]
Tnv: no-hit CIOT
Herkomst tap: [telefoonnummer 1]
Locatie gebelde: [adres 10]
Kenmerkregel: wiet gestolen
Samenvatting: [verdachte] WGD NNM9987 (waarschijnlijk [medeverdachte 2] )
[verdachte] zegt dat hij op zoek is naar die dief van zijn eigen wiet. [verdachte] zegt tegen 9987 dat als hij erachter komt dat 9987 dat heeft gedaan voor (FON) [naam 1] , dan roeit hij zijn familie uit.
9987 vraagt welke dief [verdachte] zoekt.
[verdachte] zegt de dief die jouw eigen wiet heeft gestolen bij jou in huis.
9987 vraagt hoe [verdachte] die wil vinden.
[verdachte] zegt dat hij er wel achter komt. En als hij er achter komt, dan gaan er dingen gebeurden, met families, allemaal. Hij zegt tegen 9987 dat hij zich niet druk hoeft te maken, het komt wel goed.
Bijlage 8:
Beller: [telefoonnummer 5] Naam: NNM9987
Tnv: [medeverdachte 2]
[adres 9]
Datum: 12-07-2019 19:22:37
Duur: 00:01:27
Taplijn: TA001
Sessienr: 4435
Aard: Spraak
Gebelde: [telefoonnummer 1] Naam: [verdachte]
Tnv: no-hit CIOT
Herkomst tap: [telefoonnummer 1]
Locatie gebelde: [adres 8]
Kenmerkregel: 9987 wil garantie dat [verdachte] niet een op hem afstuurt
Samenvatting:
[verdachte] WGDNNM9987
9987 vraagt waar [verdachte] is, [verdachte] zegt dat hij in de winkel is.
9987 vraagt aan [verdachte] welke garantie hij hem kan geven dat [verdachte] niet eentje op hem heeft afgestuurd.
[verdachte] vraag: Serieus? Om mijn eigen geld te pakken?
9987: Door bijvoorbeeld goede naam te creëren in [plaats 1] , en mij in diskrediet te brengen, en dat jij bepaalde mensen niet hoeft te betalen.
A: Ja? Ik hoef je helemaal geen garantie te geven jongen.
9987: Ik weet het niet, het is een vraag.
A: ik hoef je geen garantie te geven.
9987: Nee.
A: Het is mijn eigen geld, het is gewoon hoe het is, het is mijn eigen geld, ik hoef je geen garantie te geven, het moet andersom. Begrijp je. Als het niet andersom gebeurd, dan gaan er dingen gebeuren, begrijp je? Maar dat hoef ikje allemaal niet uit te leggen, gewoon even afwachten.
9987: wat bedoel je, wat moet andersom? Wat bedoel je.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 december 2020, opgenomen op pagina 228 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 11 november 2019 vond een actie plaats in het kader van een opsporingsonderzoek tegen onder andere eenmanszaak [bedrijf] (KvK [nummer] ) gevestigd aan de [adres 2] .
Tijdens de doorzoeking hebben wij ook het voertuig Opel Combo met [kenteken 3] doorzocht, die voor het bedrijfspand stond geparkeerd. In de laadruimte van het voertuig troffen wij dozen met hennepstekken en zakken met henneptoppen aan.
De henneptoppen heb ik, [verbalisant 2] , in beslag genomen en afgevoerd naar het Beslaghuis van de Politie Noord Nederland. De hennep heb ik in het Beslaghuis gewogen. Het totale bruto gewicht van de aangetroffen henneptoppen bleek 5,13 kilogram. De hennepstekken zaten verpakt in 6 dozen met verschillende opschriften. In totaal bleken er 483 hennepstekken in de dozen te zitten.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 november 2019, opgenomen op pagina 1171 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Wij hebben op 11 november 2019, tussen 08:15 uur en 11:50 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht:
10:07
965
Ik zag [verdachte] , geboren op [geboortedag] -1984 te [geboorteplaats] , nader te noemen [verdachte] en zijn vriendin [medeverdachte 1] samen uit perceel [adres 11] te [plaats 3] komen. Ik zag dat [verdachte] in de witte Opel Combo, voorzien van het [kenteken 3] stapte en vertrok.
10:17
831
Middels technisch hulpmiddel zag ik de Opel en de Peugeot stoppen nabij [bedrijf] , [adres 2] . Ik zag dat de Opel, via de roldeur, naar binnen werd gereden bij [bedrijf] .
10:42
965
Ik zag dat de Opel Combo uit [bedrijf] werd gereden en buiten werd geparkeerd.
14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 11 november 2019, opgenomen op pagina 346 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 11 november 2019 omstreeks 11:38 uur, hielden wij op de locatie [adres 2] , als verdachte aan:
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1984
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
15. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 24 februari 2026:
Het blokje hasj dat is aangetroffen in het kantoor van [bedrijf] is van mij.
16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 245 e.v. van voornoemd dossier inhoudend als relaas van verbalisant:
Op maandag 11 november 2019 vond er een doorzoeking plaats in het bedrijfspand aan de [adres 2] . Aldaar is de growshop “ [bedrijf] ” gevestigd.
In het kantoor zag ik een bureau staan met een lade kast ernaast. In deze lade kast zag ik een blok hasj liggen. Dit herkende ik door mijn ervaring als rechercheur waarbij ik meerdere malen te maken heb gehad met hasj en hennep.
Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof – subsidiair –vrijspraak bepleit van feit 1. Zij heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de door hem verkochte goederen bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt als bedoeld in artikel 11a Opiumwet. Volgens de verdediging betrof het goederen met legale toepassingsmogelijkheden en ontbreken in het dossier aanwijzingen dat verdachte wetenschap had van een strafbare bestemming.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich – wederom subsidiair - gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw – eveneens subsidiair – betoogd dat niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de in de Opel Combo aangetroffen hennepstekken en henneptoppen aan verdachte toebehoorden, nu de auto door meerdere personen werd gebruikt. Voor wat betreft de aangetroffen hasjiesj heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs.
Verder is het hof van oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten vrijwel steeds de juiste toetsingsmaatstaven heeft gehanteerd en juiste afwegingen heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant cursief overnemen en tot de zijne maken. Daar waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld of aangepast.
Feit 1
Ten aanzien van feit 1 heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende overwogen.
Artikel 11a Opiumwet stelt – voor zover hier van belang – iemand strafbaar die stoffen of voorwerpen, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet) (onder meer) te koop aanbiedt, verkoopt of voorhanden heeft.
Artikel 11a Opiumwet ziet op alle stoffen en voorwerpen die bestemd zijn om gebruikt te worden bij professionele of grootschalige hennepteelt. Niet de afzonderlijke goederen zijn strafbaar - die zijn en blijven legaal - maar het gaat om de criminele intentie waarmee de persoon deze voorhanden heeft, aanbiedt of verkoopt.
De criminele intentie omvat de wetenschap of de ernstige reden te vermoeden dat de voorwerpen bestemd zijn voor de hennepteelt. Het type en samenstel van de aangetroffen goederen kan daarbij van belang zijn.
De rechtbank zal op grond van het voorgaande moeten onderzoeken of de ten laste gelegde goederen afzonderlijk, dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond.
De rechtbank stelt het volgende vast op grond van de bewijsmiddelen. Op 11 november 2019 vond een doorzoeking plaats van het bedrijfspand van de onderneming [bedrijf] . [medeverdachte 1] is formeel eigenaar van deze onderneming en zij is samen met verdachte werkzaam in het bedrijf. Bij de doorzoeking zijn goederen aangetroffen die als voorraad in het bedrijfspand aanwezig waren. Door de politie is geobserveerd bij [bedrijf] . Hieruit is gebleken dat [bedrijf] meerdere malen is bezocht door bestuurders van voertuigen die direct na hun bezoek naar een pand zijn gereden waar later een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Onder meer bij [getuige] is een hennepkwekerij aangetroffen. Hij heeft verklaard dat hij alle goederen ten behoeve van zijn kwekerij bij [bedrijf] heeft gekocht.
De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde stoffen en voorwerpen gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de goederen vanwege hun aard en functie die bestemming kunnen hebben. De goederen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard en/of functie geschikt voor de bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van een hennepkwekerij en aldus bevorderen zij een professionele op winst gerichte hennepteelt. Gelet op deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat de verdachte de grootschalige en professionele hennepteelt heeft gefaciliteerd, door goederen die hiervoor bestemd waren te koop aan te bieden en te leveren.
Voorts staat voor de rechtbank vast dat verdachte de wetenschap ten aanzien van deze bestemming had. Dat blijkt in de eerste plaats uit de verklaring van [medeverdachte 1] . Zij heeft verklaard dat de vorige eigenaar van [bedrijf] haar en verdachte had geadviseerd om de koolstoffilters op een andere locatie op te slaan, omdat alle goederen tezamen een samenhang van goederen voor het kweken van hennep zouden kunnen zijn. Daar komt bij dat de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld dat de personen die in verband kunnen worden gebracht met de bij hen aangetroffen kwekerijen, [bedrijf] hebben bezocht om goederen af te nemen. Daarnaast heeft een klant, [getuige] , ook verklaard dat hij bij [bedrijf] uitleg heeft gekregen over hoe hij het beste hennep kon kweken. Bovendien zijn in de telefoon van verdachte meerdere gesprekken aangetroffen waarin gevraagd wordt naar goederen die gebruikt worden bij de professionele hennepteelt. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte heeft geweten dat de goederen die hij verkocht voor de professionele/grootschalige hennepteelt bestemd waren.
Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over.
Het hof komt evenwel tot een andere kwalificatie ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 1] . Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. Het hof acht daarom bewezen dat verdachte als pleger voorwerpen en stoffen te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren voor de grootschalige en professionele hennepteelt.
Feit 3
Ten aanzien van feit 3 heeft de rechtbank in haar vonnis het volgende overwogen.
Verdachte heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij de aangetroffen hennepstekken en-toppen voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht evenwel op grond van na te noemen bewijsmiddelen dit gedeelte van het ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 11 november 2019 in de Opel Combo naar het bedrijfspand van [bedrijf] is gereden, waar de hennepstekken en -toppen zijn aangetroffen. Dat deze hennep door een andere persoon in de Opel Combo zou zijn gelegd, zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank onwaarschijnlijk. Verdachte heeft deze verklaring pas ter terechtzitting voor het eerst afgelegd en wie deze persoon zou zijn, wil hij niet zeggen en is dus niet verifieerbaar. De rechtbank wordt bovendien in haar overtuiging gesterkt door het feit dat verdachte, zoals hierboven reeds is weergegeven, in hennep heeft gehandeld.
Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over. In aanvulling daarop overweegt het hof dat verdachte in eerste aanleg heeft verklaard dat uit de observaties zou blijken dat, op het moment dat hij bij de Kamer van Koophandel was, de Opel Combo en een groene Peugeot het pand binnenreden, maar dat dit in de stukken ontbreekt. De bestuurder van de groene Peugeot is volgens verdachte een man die zichzelf “ [naam 2] ” noemde en die man is op de dag van de inval volgens verdachte ook aangehouden. Verdachte heeft geen nadere gegevens verstrekt, waardoor deze verklaring destijds niet verifieerbaar was. Op de zitting van het hof heeft verdachte aan zijn eerdere relaas over deze “ [naam 2] ” toegevoegd dat dit een blanke man uit [plaats 4] betreft.
Het hof stelt vast dat deze opgave noch concreet is onderbouwd, noch verifieerbaar is en ook geen steun vindt in het dossier, aangezien de naam “ [naam 2] ” daarin niet voorkomt. Bovendien sluiten de waarnemingen van de verbalisanten niet aan bij de verklaring van verdachte, nu zij hebben verklaard dat om 08:55 uur uit een groene Peugeot 106 een donkere man met een witte muts stapte en er geen melding van maken dat deze groene Peugeot 106 naar binnen is gereden.
Het hof acht deze stelling van verdachte derhalve niet aannemelijk en verwerpt het verweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019 te [plaats 1] , vanuit het bedrijf " [bedrijf] " stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden, verkocht, verstrekt en voorhanden heeft gehad, te weten:
- groeimiddelen/plantenvoeding, en
- assimilatielampen, en
- koolstoffilters, en
- slakkenhuizen, en
- bedieningspanelen, en
- weegschalen, en
- kistventilatoren, en
- kweektenten,
waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;
2.hij in de periode van 30 augustus 2018 tot 11 november 2019 op diverse data te [plaats 1] , opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij op 11 november 2019 te [plaats 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 5130 gram henneptoppen, 483 hennepstekken en 95 gram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
voorwerpen te koop aanbieden, verkopen en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich vanuit growshop “ [bedrijf] ” schuldig gemaakt aan het verkopen van producten bestemd voor de professionele en grootschalige hennepteelt. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het verkopen van hennep en het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Door zijn handelen heeft verdachte een faciliterende rol vervuld bij illegale hennepkwekerijen en bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Ook heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het gebruik van verdovende middelen, terwijl algemeen bekend is dat het gebruik daarvan risico’s voor de gezondheid van gebruikers meebrengt.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 27 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Tot slot houdt het hof rekening met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof stelt vast dat verdachte op 28 november 2023 hoger beroep heeft ingesteld en dat het hof uitspraak doet op 10 maart 2026. De behandeling in hoger beroep is dus niet afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren na het instellen van het hoger beroep. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met bijna vier maanden. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Het hof zal daar in het voordeel van verdachte rekening mee houden.
Het hof acht een taakstraf van 200 uren in beginsel passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
Beslissing omtrent beslag
Ten aanzien van het beslag overweegt het hof als volgt. Door de verdediging is niet weersproken dat het inbeslaggenomen geldbedrag geheel of grotendeels is verkregen uit de baten van de hiervoor genoemde bewezenverklaarde strafbare feiten, zodat ook het hof daarvan uitgaat.. Het geldbedrag behoort verdachte toe en het hof zal dit daarom verbeurdverklaren. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 4415 EUR (Omschrijving: PL0100-2019098255-1204858).
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. P.S. Bakker en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.