ECLI:NL:GHARL:2026:1413

ECLI:NL:GHARL:2026:1413

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 21-005587-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Growshopzaak. Verwerping van het beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Vrijspraak van verdachte van het primair tenlastegelegde medeplegen. Bewezenverklaring van het medeplichtigheid aan het vanuit een growshop te koop aanbieden, verkopen, verstrekken en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen bestemd voor grootschalige en beroepsmatige hennepteelt (art. 11a Opiumwet). Volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Teruggave van inbeslaggenomen geldbedragen aan verdachte.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, wordt opgelegd. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedragen heeft de advocaat-generaal teruggave aan verdachte gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door haar raadsvrouw, mr. N.D. Spijker, is aangevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 november 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte voor het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag.

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019, te [plaats1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vanuit het bedrijf " [bedrijfsnaam] " stoffen en/of voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of verkocht en/of verstrekt en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

- groeimiddelen/plantenvoeding en/of

- assimilatielampen en/of

- koolstoffilters en/of

- slakkenhuizen en/of

- bedieningspanelen en/of

- weegschalen en/of

- kistventilatoren en/of

- kweektenten

waarvan zij en haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

subsidiair[Medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019, te [plaats1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, vanuit het bedrijf " [bedrijfsnaam] " stoffen en/of voorwerpen te koop heeft aangeboden en/of verkocht en/of verstrekt en/of voorhanden heeft gehad, te weten:

- groeimiddelen/plantenvoeding en/of

- assimilatielampen en/of

- koolstoffilters en/of

- slakkenhuizen en/of

- bedieningspanelen en/of

- weegschalen en/of

- kistventilatoren en/of

- kweektenten

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat voornoemde voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019, te [plaats1] , opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door haar bedrijf " [bedrijfsnaam] " en/of het bedrijfspand van " [bedrijfsnaam] " aan de [adres1] aldaar aan voornoemde [Medeverdachte] ter beschikking te stellen voor de verkoop van voornoemde stoffen en/of voorwerpen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv)

Standpunt van de verdediging

Evenals bij de rechtbank is door de verdediging op de zitting van het hof een beroep gedaan op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Daartoe is – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op basis van de anonieme meldingen en de daaropvolgende observaties geen redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte kon ontstaan. Volgens de verdediging ontbrak daardoor een toereikende grondslag voor de ingezette opsporingshandelingen, waaronder de (stelselmatige) observatie, het aansluiten van een telefoontap en de verrichte doorzoekingen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het als gevolg daarvan verkregen bewijsmateriaal en vervolgens, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, tot vrijspraak.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het startpunt van het onderzoek, te weten een anonieme brief, een MMA melding en een mutatie van een buurtagent, elkaar versterken, hetgeen heeft geleid tot een specifieke verdenking gericht op een aantal personen gekoppeld aan het bedrijf [bedrijfsnaam] . Dit is voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld, op basis waarvan de opsporingsmiddelen zijn ingezet.

Oordeel van het hof

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 november 2023 ten aanzien van het vormverzuim het volgende overwogen.

Het opsporingsonderzoek dat aan deze zaak ten grondslag ligt, is gestart op basis van een anonieme brief van 18 maart 2019, inhoudende dat vanuit het bedrijf [bedrijfsnaam] alle noodzakelijke goederen voor de grootschalige hennepteelt geleverd zouden worden en [bedrijfsnaam] een groothandel zou zijn voor de inkoop/verkoop van cannabis. Uit een MMA-melding van 18 april 2019 volgt dat de partner van verdachte, medeverdachte [Medeverdachte] , hennepkwekerijen exploiteert. Uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf [bedrijfsnaam] sinds 1 januari 2019 op naam staat van verdachte. Naar aanleiding hiervan is er in de periode van 7 mei 2019 tot en met 11 november 2019 in totaal 18 keer door de politie een observatie uitgevoerd. Uit die observaties is onder andere gebleken dat personen die klant zijn bij [bedrijfsnaam] , gelinkt kunnen worden aan hennepteelt en overtreding van de Opiumwet. Voorts is gebleken dat personen met gesealde zakken en tassen het pand van [bedrijfsnaam] verlaten of betreden.

Uit jurisprudentie volgt dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. Doorgaans is gewenst dat zo mogelijk enig nader onderzoek plaatsvindt ter verificatie van die informatie. De kwaliteit van de verstrekte gegevens is beslissend voor de vraag of zij zonder meer aanleiding mochten geven tot het instellen van een opsporingsonderzoek of dat zij eerst nog ondersteuning behoefden. Het oordeel over die kwaliteit is van feitelijke aard en wordt gevormd door beantwoording van de vraag of de verstrekte informatie voldoende concreet en specifiek is.

Naar het oordeel van de rechtbank kon in deze zaak op basis van anonieme brief, de MMA-melding, en het daaropvolgende onderzoek naar de eigenaar van [bedrijfsnaam] redelijkerwijs het vermoeden ontstaan dat verdachte goederen zou leveren voor de grootschalige hennepteelt. De informatie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en specifiek. De informatie is vervolgens aangevuld door nader onderzoek bij de Kamer van Koophandel. Deze combinatie van anonieme en geverifieerde informatie kon de verdenking ex artikel 9 Opiumwet dragen. Op basis van die verdenking waren de latere verrichte onderzoekshandelingen gerechtvaardigd. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op de zitting van het hof integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in de winkel aanwezige, aangeboden respectievelijk verkochte goederen bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. Verdachte hield zich volgens de verdediging uitsluitend bezig met schoonmaak- en administratieve werkzaamheden. De betreffende goederen hadden legale toepassingsmogelijkheden en van (voorwaardelijk) opzet op het verschaffen van gelegenheid of middelen is geen sprake. Hooguit kan verdachte naïviteit worden verweten.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom zal het hof verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarbij is vooral het volgende van belang.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde – medeplichtigheid aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet – vereist is dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het te koop aanbieden, verkopen, verstrekken of voorhanden hebben van stoffen of voorwerpen, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren voor beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige hennepteelt. Artikel 11a Opiumwet ziet op alle stoffen en voorwerpen die bestemd zijn om gebruikt te worden bij professionele of grootschalige hennepteelt. Niet de afzonderlijke goederen zijn strafbaar – die zijn en blijven legaal – maar het gaat om de criminele intentie waarmee de persoon deze voorhanden heeft, aanbiedt of verkoopt.

De criminele intentie omvat de wetenschap of de ernstige reden te vermoeden dat de voorwerpen bestemd zijn voor de hennepteelt. Het type en samenstel van de aangetroffen goederen kan daarbij van belang zijn.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op 11 november 2019 een doorzoeking heeft plaatsgevonden van het bedrijfspand van de onderneming [bedrijfsnaam] . Verdachte is formeel eigenaar van deze onderneming en verrichtte schoonmaak- en administratieve werkzaamheden binnen het bedrijf. Haar partner, medeverdachte [Medeverdachte] , hield zich bezig met de dagelijkse leiding van de onderneming. Tijdens de doorzoeking zijn goederen aangetroffen die als voorraad in het bedrijfspand aanwezig waren. Daarbij ging het onder meer om groeimiddelen, assimilatielampen, koolstoffilters, slakkenhuizen, bedieningspanelen, weegschalen, kistventilatoren en kweektenten. In een externe opslagunit, waartoe verdachte samen met [Medeverdachte] toegang had, zijn meerdere koolstoffilters en zowel een nieuwe als een gebruikte cannacutter aangetroffen. Bij het openen van deze opslagunit werd een hennepgeur geroken. Uit observaties van de politie blijkt bovendien dat meerdere personen na een bezoek aan [bedrijfsnaam] rechtstreeks naar panden reden waar later in werking zijnde hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Getuige [getuige] heeft daarnaast verklaard dat hij alle goederen ten behoeve van zijn hennepkwekerij bij [bedrijfsnaam] heeft gekocht en daar ook uitleg heeft gekregen over het met behulp daarvan kweken van hennep.

Het hof stelt vast dat de aangetroffen stoffen en voorwerpen, gelet op hun aard, functie en onderlinge samenhang, naar hun uiterlijke verschijningsvorm geschikt zijn voor het inrichten en exploiteren van een grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepkwekerij. Het gaat om een samenhangend assortiment dat ziet op alle essentiële onderdelen van een professionele kweekopstelling en dat kan bijdragen aan een optimale en op winst gerichte teelt. Het betreft geen benodigdheden die slechts zien op incidentele of hobbymatige teelt.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat deze stoffen en voorwerpen bestemd waren voor grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Bij de beantwoording van die vraag betrekt het hof haar rol binnen de onderneming, haar kennis van het assortiment en haar eigen verklaringen. Zoals reeds overwogen was verdachte formeel eigenaar van het bedrijf, voerde zij de administratie en had zij aldus inzicht in de inkoop en verkoop van goederen. Zij was ermee bekend dat bepaalde goederen, zoals koolstoffilters, apart werden opgeslagen omdat de combinatie van goederen kon duiden op hennepteelt. Om die reden werden koolstoffilters opgeslagen in een externe unit, waartoe verdachte samen met medeverdachte [Medeverdachte] toegang had. Indien nodig haalde verdachte zelf de koolstoffilters uit deze opslagunit ten behoeve van klanten. Zij was bovendien op de hoogte van de wijze waarop de verkoop plaatsvond, waaronder het verpakken van verkochte goederen in zwarte tasjes of vuilniszakken, het via de roldeur met de auto naar binnen rijden omdat klanten niet gezien wilden worden, het vrijwel uitsluitend contant afrekenen en het ontbreken van een vastlegging van het klantenbestand. In de winkel waren bovendien hennepgerelateerde reclame-uitingen en informatiemateriaal aanwezig.

Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat “we allemaal weten waar het ook voor bedoeld is”, namelijk voor wietplantjes. Nadat haar tijdens het verhoor het één en ander is uiteengezet over grootschalige hennepteelt en foto’s van de aangetroffen goederen zijn getoond, heeft zij weliswaar verklaard dat het achteraf duidelijk is dat deze daarvoor bestemd zijn, maar nu zij gedurende een lange tijd niet alleen zelf de winkelinventaris én winkelvoorraad en apart opgeslagen koolstoffilters heeft waargenomen én zij compleet op de hoogte was van in- en verkoop door [bedrijfsnaam] , kan het niet anders dan dat dit voor haar al veel eerder volstrekt duidelijk moet zijn geweest. Deze verklaring sluit immers aan bij de aard en de omvang van het aangetroffen assortiment.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte in elk geval ernstige reden had te vermoeden dat de in de winkel verkochte stoffen en voorwerpen bestemd waren voor grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Dat verdachte mogelijk geen volledig zicht had op alle contacten van medeverdachte met klanten, doet daaraan niet af. Het verweer en de stelling dat bij verdachte slechts sprake zou zijn geweest van naïviteit wordt verworpen.

Door de op haar naam staande onderneming en het bedrijfspand aan haar partner en medeverdachte [Medeverdachte] ter beschikking te stellen, de administratie te voeren en voor de schoonmaak te zorgen en door – zo nodig – goederen uit de opslagunit te halen ten behoeve van klanten, dit alles terwijl zij bekend was met de manier waarop de onderneming werd gedreven, heeft verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk gelegenheid en middelen verschaft en is zij opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van het gronddelict. Het hof acht het subsidiair tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 476 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [bedrijfsnaam] / [dossiernummer] d.d. 2 september 2020, inhoudend als verklaring van [verdachte] :

V: Volgens de Kamer van Koophandel ben jij de eigenaar van [bedrijfsnaam] , [adres1] , [postcode] te [plaats1] . Sinds wanneer ben jij eigenaar van het bedrijf?

A: Officieel 1 januari 2019.

V: Wie heeft de dagelijkse leiding in het bedrijf?

A: Dat is [Medeverdachte] (het hof begrijpt: verdachte [Medeverdachte] ).

V: Bij welke bedrijven koopt het bedrijf [bedrijfsnaam] zijn goederen in?

A: Bij Holland Glorie eerst maar die is nu gesloten. Daarvoor was het bij DLS of DAS het zelfde bedrijf. Uit Duitsland MSM Trading. En daarnaast bij leveranciers zoals Canna, Plagron, Atami, Bio TKA, Dutch pro.

V: Voor wat voor groenten.

A: Voornamelijk voor groeten en fruit. Maar we weten allemaal waar het ook voor bedoeld is. V: Waarvoor dan?

A: Voor wietplantjes.

V: Wie bepaalt welke product bij welke leverancier wordt gekocht?

A: Dat doet [Medeverdachte] . Hij heeft de contacten bij de groothandels en leveranciers. Ik ken die merken omdat ik de facturen voorbij zie komen.

V: Waar worden verkochte goederen in verpakt als de klant het heeft gekocht?

A: Wij hebben zwarte plastic tasjes en als het groot is word het in vuilniszakken verkocht.

V: Waarom rijden klanten via de roldeur met de auto naar binnen bij jullie bedrijf?

A: Omdat ze vaak aarde meenemen. Dan is het gemakkelijker dat ze ernaast parkeren en het gelijk meenemen.

V: Waarom wordt de roldeur dan weer dicht gedaan?

A: Ja, dat weet ik niet. Ik weet wel dat veel mensen het vervelend vinden om naar zo’n winkel te gaan. Er komen niet alleen buitenlanders maar ook gewone nette Nederlanders die niet gezien willen worden wat ze mee nemen. Ik heb eens meegemaakt dat een klant de auto in een andere straat zetten en mij vroeg of ik hem mee wilde helpen.

V: Hoe worden de verkopen betaald, contant of pin?

A: Contant. Alles loopt daar contant.

V: Wie is eindverantwoordelijk voor de activiteiten die binnen de bedrijf [bedrijfsnaam] uitgevoerd worden?

A: Dat is [Medeverdachte] . Hij runt de winkel en de zaak staat alleen maar om mijn naam en ik de boekhouding.

V: Hoe is bij [bedrijfsnaam] het klantenbestand vastgelegd?

A: Niet.

V: Uit observatie blijkt dat jij en [Medeverdachte] een aantal keer een opslagunit bezoeken aan de [adres2] te [plaats1] . Waarvoor bezochten jullie die opslagunit?

A: Omdat hij daar filters heeft staan. Het enige wat ik weet dat het een blauwe doos is waar een filter inzit. De oude eigenaar heeft tegen ons gezegd dat het niet verstandig is om meerdere van die dingen in de zaak te hebben staan omdat hij heeft gezegd dat wij problemen zouden kunnen krijgen als er controle zou komen. Alle goederen samen zouden een samenhang van goederen voor het kweken van hennep kunnen zijn. Daarom heeft [Medeverdachte] besloten om een unit te huren en daar de filters neer te zetten. Als er dan een klant komt voor een filter wordt het daar gehaald.

V: Op wie zijn naam werd de Unit gehuurd?

A: Op die van [Medeverdachte] .

V: Wie hebben de toegang tot de unit?

A: Wij met z’n tweeën. Als ik in de winkel ben en [Medeverdachte] kan niet, dan haal ik een filter die hij nodig heeft.

V: Hoe vaak moet jij een filter halen?

A: Het ligt er aan. Soms een hele week niet en dan ineens voor 3 mensen.

V: Van wie zijn die filters die er in staan?

A: Van de zaak.

V: Er worden stekblokjes besteld, koop of verkoop jij ook hennepstekjes?

A: Het staat wel in de winkel.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 10 december 2019, opgenomen op pagina 1229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 11 november 2019 vond een actie plaats in het kader van een opsporingsonderzoek tegen onder andere eenmanszaak [bedrijfsnaam] (KvK nummer [kvk-nummer] ) gevestigd aan de [adres1] in [plaats1] .

Relatie met professionele teelt van hennep/cannabis

In de winkel stond bij de balie, waar ook het kassasysteem op stond, een reclamezuil van het merk Royal Queen Seeds, met daarop foto’s en prijzen van verschillende soorten wietzaden.

In het winkeldeel van het bedrijfspand hing een paneel met daarop regelaars van verschillende systemen die het mogelijk maken om het klimaat in kwekerijen kunstmatig te reguleren (vochtigheid, C02-gehalte, temperatuur).

Op de balie lagen folders over verschillende soorten plantenvoeding, ongediertebestrijding en stond het tijdschrift “Highlife”, het tijdschrift waar artikelen in staan over het gebruik van cannabis.

In beslagname voorwerpen

Tijdens de doorzoeking is een deel van de handelsvoorraad van [bedrijfsnaam] , welke was opgeslagen in het winkel- en opslagdeel van het bedrijfspand door ons in beslag genomen, namelijk onder andere:

• groeimiddelen;

• diverse soorten assimilatielampen;

• koolstoffilters;

• slakkenhuizen;

• bedieningspanelen;

• weegschalen.

De in beslag genomen goederen, voor wat betreft de goederen die tot de handelsvoorraad behoren, zijn goederen die in samenhang tot goederen behoren, die gebruikt worden bij de bedrijfsmatige hennepteelt. De lijst indicatoren uit de “Aanwijzing Opiumwet” geven aan of er een hoge indicatie of een lage indicatie is voor de bedrijfsmatige hennepteelt. De goederen die in beslag zijn genomen, voldoen allemaal aan de hoge indicatie voor de bedrijfsmatige hennepteelt. Ook zijn o.a. 2 kistventilatoren in beslaggenomen waarvan de metalen een afzuigcapaciteit heeft van 3250 m3. Deze capaciteit is nodig voor een ruimte van ongeveer 18 m2.

In het pand waren, behalve aanwezige consumptie goederen, geen goederen aanwezig die duiden op handel die bestemd voor een ander doel dan de hennepteelt.

Kweektenten voldoen aan de indicator “afscherming". De opstelling zoals in de winkel wordt getoond voldoet aan de in de “Aanwijzing Opiumwet” genoemde definiëring van bedrijfsmatigheid. Deze getoonde tent voldoet aan 2 hoge indicatoren uit bijlage 1 van de Aanwijzing.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 november 2019, opgenomen op pagina 513 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :

V: Tijdens onze actie op maandag 11 november 2019 hebben wij een groot aantal hennepgerelateerde goederen aangetroffen, zoals een aantal koolstoffilters ten behoeve van een afzuiginstallatie, luchtafvoerslangen, heel veel plantenvoeding voor hennepplanten, ziektebestrijding, afzuigkisten, assimilatielampen, verpakkingszakken voor hennep, merk- hennepzaden, voorschakelunits, elektronica ten behoeve van schakelborden en ga zo maar door. Wij laten jouw een aantal foto's zien en vragen jouw daar even goed naar te kijken. Daarna enkele vragen voor jouw. Is dat duidelijk? Foto's 6 tot en met 17 worden getoond.

A: Kun je op deze foto’s reageren?

* Foto 6, dit zijn folders van die zaadjes en folders van plantenvoeding.

* Foto 7, de plantenvoeding ken ik wel, dit zijn voedingslijnen.

* Foto 8, ik heb het wel zien staan. Ik weet dat het in het begin van de winkel staat.

* Foto 9, ik heb het wel zien staan, staat aan de zijkant van de loods.

* Foto 10, ik heb het wel gezien.

* Foto 11, duidelijk, dit is een kweektent en iets met elektra.

* Foto 12, dit staat in de vitrinekast, dit zijn proefmonsters die we hebben gekregen.

* Foto 13, iets van vitamines voor planten.

* Foto 14, ik ben er wel langs gelopen.

* Foto 15, ik weet dat het lampen zijn.

* Foto 17, dit zijn weegschalen.

V: Nu je deze foto’s allemaal gezien hebt, vallen deze goederen volgens jouw dan onder de categorie goederen ten behoeve van de hobbymatige teelt van hennep of onder de groep goederen die bestemd zijn voor de professionele/bedrijfsmatige teelt van hennep?

A: Ik denk dat het duidelijk is dat het voor professionele teelt van hennep is. Nadat je mij dit hebt uitgelegd is dit mij wel duidelijk.

V: Het klopt dat deze goederen allemaal te koop worden aangeboden in [bedrijfsnaam] ?

A: Ja

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2019, opgenomen op pagina 1260 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 11 november 2019 bevond ik mij voor een pand aan de [adres2] te [plaats1] . In dit pand zouden volgens onderzoek zich meerdere opslagunits bevinden waarvan verdachte [Medeverdachte] er 1 zou huren. Het vermoeden bestond dat er zich in deze opslagunit verdovende middelen dan wel goederen voor de bedrijfsmatige hennepteelt zouden bevinden. De eigenaar van het pand gaf aan dat [Medeverdachte] inderdaad opslagunit C12 die zich in loods 3 bevond van hem huurde. Collega’s openden de roldeur van loods 3 en zij openden het hangslot van opslagunit C12. Ik rook meteen de voor mij ambtshalve bekende hennepgeur en zag diverse dozen van koolstoffilters staan.

Omstreeks 13:10 uur opende hulpofficier [hulpofficier] , welke gemachtigd was door officier van justitie Mr. [officier van Justitie] , de doorzoeking. In de opslagunit werden de volgende goederen aangetroffen:

- 15 koolstoffilters nieuw in diverse maten, van het merk Can-Lite;

- 1 cannacutter nieuw in doos, van het merk Trimpro;

- 1 cannacutter gebruikt, ruikend naar hennep, van het merk Strippers.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 november 2019, opgenomen op pagina 2072 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

O: op maandag 11 november 2019 uur is er door de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een woning aan de [adres3] te [plaats1] . Op dat moment was u ook aanwezig op genoemde locatie.

V: Klopt dit?

A: Ja dit klopt. Er zat op dat adres een hennepkwekerij.

V: Hoe weet je dat je moet kweken onder een lamp, dat je een filter nodig hebt etc?

A: Ik heb aan iemand gevraagd hoe dit moest. Ik heb het hier geleerd.

V: Aan wie heb je dit gevraagd?

A: Aan de growshop.

V: Welke growshop?

A: growshop aan de [adres1] te [plaats1] .

V: Wat heb je daar allemaal gekocht?

A: Alles wat je nodig hebt. Ik ben daar naartoe gegaan en gevraagd wat ik nodig had om hennep te kweken. Zij vertelden mij toen hoe het moest en boden mij de spullen aan die ik nodig had om hennep te kweken. Ik heb toen de spullen gekocht bij die Growshop aan de [adres1] te [plaats1] .

V: Hoe ben jij aan de plantjes (kloontjes) gekomen?

A: Die heb ik daar ook gekocht bij die growshop.

V: Hoeveel plantjes heeft u daar gekocht?

A: 60 plantjes. Ik heb 1 maand geleden de plantjes daar gekocht.

V: Wanneer heeft u de vorige plantjes gekocht dan voor deze plantjes?

A: 4 a 5 maanden geleden. Ik heb elke 4 maanden plantjes gekocht. Dit was de 4e keer dat ik plantjes had gekocht .

V: Hoeveel van de plantjes heb jij zelf gekweekt?

A: Ik heb 4 keer 60 plantjes gekocht. Ik heb dit allemaal bij [Medeverdachte] gekocht.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 februari 2020, opgenomen op pagina 2131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Onder verdachte [Medeverdachte] , is zijn telefoon van het merk Apple , type iPhone SE met Imeinummer [nummer] en voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer1] inbeslaggenomen. Deze telefoon is door de afdeling Team Digitale Opsporing, Noord Nederland uitgelezen en zijn de in de telefoon aanwezige gegevens, veiliggesteld en ter beschikking gesteld van het onderzoeksteam.

In de iPhone zijn WhatsApp berichten aangetroffen tussen [telefoonnummer1] , in gebruik bij [Medeverdachte] en de gebruiker [gebruikersnaam] .

Uit de WhatsApp berichten valt op te maken dat de gebruiker van het mobile telefoonnummer [telefoonnummer2] , leverancier van hennepstekken is.

[Medeverdachte] vraagt op 30 augustus 2018, via WhatsApp aan de gebruiker van [telefoonnummer2] , of hij 600 kleintjes voor [Medeverdachte] heeft. Voor de prijs van € 3,50 per stuk. De gebruiker van [telefoonnummer2] geeft aan dat alles net weg is.

Op 23 september 2019 geeft de gebruiker van [telefoonnummer2] aan dat hij 650 heeft staan voor [Medeverdachte] .

Op 8 oktober 2019 vraagt [Medeverdachte] om 500. De gebruiker van [telefoonnummer2] geeft aan dat het nog wel 7 weken duurt, als het een beetje draait.

Op 4 november 2019 geeft de gebruiker van [telefoonnummer2] aan dat hij 145 haas voor [Medeverdachte] heeft. De prijs is 3.0 pp. Op 5 november 2019 wordt er nog meer geappt over de prijs.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2020, opgenomen op pagina 2147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Onder [Medeverdachte] (01-11-1984), is zijn telefoon van het merk Apple, type iPhone SE met Imeinummer [nummer] en voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer1] inbeslaggenomen.

Deze telefoon is door de afdeling Team Digitale Opsporing, Noord Nederland uitgelezen en zijn de in de telefoon aanwezige gegevens, veiliggesteld en ter beschikking gesteld van het onderzoeksteam. In de iPhone zijn WhatsApp berichten aangetroffen tussen [telefoonnummer1] , in gebruik bij [Medeverdachte] en de gebruiker van [telefoonnummer3] ( [naam] ).

Uit de WhatsApp berichten valt op te maken dat de gebruiker van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer3] leverancier van hennepstekken is. Er zijn meerdere WhatsApp berichten waarin [Medeverdachte] om aantallen, vermoedelijke hennepstekken, vraagt.

Op 27-08-19 vraagt [Medeverdachte] : “Goeie morgen heb je morgen 175 185 en 65 voor mij”

Door ‘ [naam] ’ wordt onder andere hierop gereageerd: “Ok. Die van vorige week waren naar tevredenheid? ?”

Op 28-08-19 geeft [Medeverdachte] aan: ”De jongens zeggen 220 zijn uitgedroogd”

Er zijn meerdere WhatsApp berichten waarin [Medeverdachte] om aantallen vraagt.

Op 10-09-19 geeft [Medeverdachte] aan: “Ik kan jou ook 3.25 geven op moment”

“Als je me beloofd wel mij te geven alles”

‘ [naam] ’ geeft hierop aan: “Ik wil je het graag doen. Maar deze week ben ik sowieso leeg”

Op 24 september 2019 stelt ‘ [naam] ’ de volgende vraag: “Dimlux 1000 watt wat kosten die bij jou ??”

Door [Medeverdachte] wordt hierop aangegeven dat hij er niet aan kan komen omdat de oude eigenaar deze heeft besteld maar nooit betaald.

Op internet is van de Dimlux 1000w de volgende afbeelding te vinden. De Dimlux wordt gebruikt bij de professionele hennepteelt.

[afbeelding}

Op 18 oktober 2019 ‘ [naam] ’ vraagt aan [Medeverdachte] of hij een softbox 1500 M3 kan leveren. Er wordt gesproken over een ijzeren of mdf. Op internet zijn hiervan afbeeldingen te vinden en het gaat hierbij om afzuigsystemen die bij de professionele teelt van hennep worden gebruikt.

{afbeelding}

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2019, opgenomen op pagina 1111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 10 juli 2019 heb ik, [verbalisant] , post ingenomen in de directe nabijheid van [bedrijfsnaam] . Vanuit die positie heb ik de bewegingen rondom [bedrijfsnaam] in de gaten gehouden.

uur

Ik zag dat een Opel Combo, met kenteken [kenteken1] komt aanrijden. Bestuurder stapt uit en loopt de zaak binnen.

uur

Ik, [verbalisant] , zag dat de bestuurder Opel Combo met kenteken [kenteken1] vertrekt vanaf [bedrijfsnaam] . Komt met een tasje in zijn hand naar buiten lopen.

Wij, verbalisanten zijn hierop dit voertuig gevolgd. Wij reden achter dit voertuig over de A7 richting Zuidbroek. Wij zagen dat het voertuig de afslag Zuidbroek neemt. Wij zagen dat het voertuig reed naar het adres waar het voertuig thuis hoort, [adres4] . Wij zagen dat het voertuig daar het terrein opreed.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 30 juli 2019, opgenomen op pagina 1275 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

[adres4] . In voornoemd perceel werd op 24 juli 2019 een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd.

Kweekruimte 1

Na het binnentreden zag ik het volgende: op de zolderverdieping, die was te bereiken via een vlizotrap, waren twee ruimtes gecreëerd. In 1 ruimte was een inwerking zijnde hennepkwekerij.

Kweekruimte 2

Na het binnentreden zag ik het volgende: in de garage was een ruimte georeerd achter de niet in werking zijnspuitcabine. De ruimte was verborgen achter een verrijdbare kast. Achter deze kast zat de deur naar de kweekruimte. Achter deze deur zat een inwerking zijnde hennepkwekerij.

De verdachte wordt verdacht van overtreding van art. 3 onder B, jo art. 11 lid 3 Opiumwet: Het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijke handelen in strijd met een verbod.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2019, opgenomen op pagina 1037 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Een zwarte Renault met kenteken [kenteken2] komt aanrijden bij [bedrijfsnaam] , rijdt direct de loods binnen.

Zwarte Renault met kenteken [kenteken2] komt de loods weer uit. Rijdt weg richting de [plaats2] .

Zwarte Renault met kenteken [kenteken2] parkeert in de buurt van de woning, bestuurder stapt uit, en loopt richting woning waar tenaamgestelde thuis hoort. Komt terug, kofferbak gaat open. Iets groots, twee blauwe zakken, komt achter uit de auto. Kofferbak ging open, kofferbak ging bij zien van collega weer dicht en even later ging de kofferbak alsnog open. [adres5] is de bestuurder naar binnen gelopen vervolgens naar binnen gelopen. Gaat naar de berging, loopt met spullen heen en weer vanaf de berging naar de woning.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op pagina 1298 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Na het binnentreden van de woning aan de [adres5] te [plaats1] zag ik het volgende: In de woning op de eerste verdieping troffen we in de eerste kamer rechts de hennepkwekerij. In de ruimte stond een kweektent van twee bij 1 meter groot.

De verdachte wordt verdacht van overtreding van art. 3 onder B, jo art. 11 lid 3 Opiumwet: Het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijke handelen in strijd met een verbod.

Er zijn diverse aanwijzingen dat er eerdere oogsten zijn geweest en dat er dus bedrijfsmatigheid is geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

subsidiair[Medeverdachte] in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019, te [plaats1] , vanuit het bedrijf " [bedrijfsnaam] " stoffen en voorwerpen te koop heeft aangeboden, verkocht, verstrekt en voorhanden heeft gehad, te weten:

- groeimiddelen/plantenvoeding, en

- assimilatielampen, en

- koolstoffilters, en

- slakkenhuizen, en

- bedieningspanelen, en

- weegschalen, en

- kistventilatoren, en

- kweektenten,

waarvan hij wist dat voornoemde voorwerpen bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019 te [plaats1] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door haar bedrijf " [bedrijfsnaam] " en het bedrijfspand van " [bedrijfsnaam] " aan de [adres1] aldaar aan voornoemde [Medeverdachte] ter beschikking te stellen voor de verkoop van voornoemde stoffen en voorwerpen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan voorwerpen te koop aanbieden, verkopen en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich vanuit growshop “ [bedrijfsnaam] ” schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het te koop aanbieden, verkopen, verstrekken en voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen die bestemd waren voor grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Door haar handelen heeft verdachte een faciliterende rol vervuld bij illegale hennepkwekerijen en bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de daarmee gepaard gaande criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op het strafblad van verdachte van 27 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Tot slot houdt het hof rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 28 november 2023 en het hof doet uitspraak op 10 maart 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee overschreden met bijna 4 maanden. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen zijn niet gebleken. Gelet op de aard en de hoogte van de op te leggen straf kan het hof evenwel op dit punt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat, hoewel het subsidiair bewezenverklaarde feit lichter van aard is dan het primaire feit, gelet op de ernst van het handelen oplegging van een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Beslissing omtrent beslag

Het hof gelast teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten verdachte.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op artikel 11a van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 314 EUR (Omschrijving: G1204867);

- 1000 EUR (Omschrijving: [dossiernummer] _566656).

Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. P.S. Bakker en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?