[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.G. Roethof, en de advocaat van het slachtoffer mr. Breukink, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 28 april 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de rechtbank als bijzondere voorwaarden aan de verdachte een contact- en locatieverbod opgelegd, en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot betaling van de vordering ten behoeve van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,00 met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met uitzondering van de strafoplegging.
Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd -rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen in hoger beroep een zaak moet worden behandeld- dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden met aftrek van het voorarrest.
Voorts vordert de advocaat-generaal oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht inhoudende een contactverbod met
aangeefster en locatieverbod voor de straat waar aangeefster woont, voor de duur van 3 jaar. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om vrijspraak en subsidiair verzocht om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd voor wat betreft het contact- en locatieverbod.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onverhoeds en met gebruik van geweld met zijn vinger seksueel binnendringen van aangeefster, zijn ex-partner. Deze verkrachting vond plaats in de slaapkamer in de woning van het slachtoffer, een plek waar hij zonder haar toestemming naar toe is gegaan en waar aangeefster zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Bovendien heeft het gebeurde plaatsgevonden op het moment dat de jonge kinderen van partijen zich ook in de woning bevonden. De verdachte heeft zich daar kennelijk niets van aangetrokken en zijn lust- en/of wraakgevoelens belangrijker geacht dan de lichamelijke integriteit van aangeefster en de gevolgen voor haar en hun kinderen. Daarnaast heeft de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 27 januari 2026. Daaruit volgt dat geen sprake is van recente recidive. Daarnaast heeft het hof kennis genomen van een reclasseringsrapport van 7 april 2023. De reclassering ziet, vanwege de ontkenning van de verdachte en de onuitvoerbaarheid van behandeling, geen mogelijkheid om met interventies of een zogenaamd ‘kaal’ toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Als uitgangpunt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf zoekt het hof aansluiting bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt van de LOVS, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Daarnaast houdt het hof rekening met de volgende feiten en omstandigheden. Het feit is begaan in de relationele sfeer en lijkt te zijn gevoed door de heftige dynamiek tussen de verdachte en aangeefster. De verkrachting behelsde een (kortstondige) penetratie met de vinger, in de slaapkamer van het slachtoffer terwijl de minderjarige kinderen van de partijen zich in de woning bevonden en werden blootgesteld aan het ontstane tumult naar aanleiding van het door hun vader gepleegde feit. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de geschetste omstandigheden waaronder het feit plaatsvond kan geen andere of lichtere straf volgen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in hoger beroep is met ruim 10 maanden overschreden.
Het hof acht de eis van de advocaat-generaal van 17 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, passend en geboden. Net als de rechtbank ziet het hof aanleiding om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf deels in voorwaardelijke zin op te leggen. Het hof komt daarom tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Contact- en locatieverbod
Het hof zal geen vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding.
Het hof ziet wel aanleiding om een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden op te leggen. Er is een grove inbreuk op aangeefsters integriteit gemaakt hetgeen de gespannen verhouding tussen de verdachte en aangeefster heeft verergerd, terwijl (indirect) contact tussen partijen – gelet op hun gezamenlijke kinderen – in de toekomst wenselijk dan wel op zijn minst onvermijdbaar is. Daarnaast heeft de gemachtigde namens aangeefster ter terechtzitting de wens tot een contact- en locatieverbod gehandhaafd. Het hof legt daarom een contact- en locatieverbod op aan de verdachte, met dien verstande dat indirect contact tussen aangeefster en de verdachte, uitsluitend met tussenkomst van een hulpverlenende instantie, wel mogelijk is voor zover dit ziet op communicatie over de kinderen.
Het hof heeft gelet op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en het feit dat de rechtbank bij het vonnis van 28 april 2023 het contact- en locatieverbod voor de duur van twee jaren dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard en deze twee jaren inmiddels zijn verstreken, en er nauwelijks contact meer tussen de verdachte en aangeefster lijkt te zijn (geweest), geen aanleiding meer om het contact- en locatieverbod weer dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengt dat de gestelde nadelige gevolgen voor [benadeelde] zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is dan ook op grond van dat artikel gehouden die immateriële schade te vergoeden.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade onder meer aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en bij de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, zoals reeds eerder uiteengezet, acht het hof een bedrag van € 3.000,00 als smartengeld billijk en zal de vordering tot immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag. Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 februari 2022, zijnde de datum van het schade toebrengend feit.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. De bijzondere voorwaarden houden in dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [straat] te [plaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1983, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. Contact tussen de verdachte en [benadeelde] , uitsluitend met tussenkomst van een hulpverlenende instantie, is slechts mogelijk voor zover dit ziet op communicatie over hun gezamenlijke kinderen;
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 februari 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door D.J. Stahlie, mr. A.H. Garos en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. de Groot - van de Ruitenbeek en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 10 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. F.P. Holthuis, advocaat-generaal,
mr. M. Klein, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.