GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.330
(zaaknummer rechtbank Gelderland 436951)
beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
[appellant1] ,
die woont in [woonplaats]
en
[appellant2] ,
die woont op een bij het hof bekend adres,
verzoekers in hoger beroep,
verder samen te noemen: [appellanten] ,
advocaten: mr. N.M.A. Deckers en mr. C. Hokken,
en
[geïntimeerde] ,
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.J. Germs.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift, ingekomen op 30 juni 2025, met producties;
het verweerschrift.
De mondelinge behandeling heeft op 29 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
[appellanten] met hun advocaten;
[geïntimeerde] met haar advocaat.
De advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd.
3. De feiten
[appellanten] zijn de kinderen van [de meoder] (hierna: de moeder) en [de vader] (hierna: de vader).
De moeder is op 31 juli 2008 overleden.
Op 30 oktober 2012 hebben de vader en [geïntimeerde] een samenlevingsovereenkomst
gesloten.
De vader heeft op 14 juli 2017 bij testament [geïntimeerde] benoemd tot zijn enig
erfgenaam en executeur.
Op 25 maart 2022 heeft de vader een notarieel levenstestament opgemaakt, waarbij hij
[geïntimeerde] ter zake zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen een
algemene, notariële volmacht heeft verleend.
Op 25 december 2022 is de vader opgenomen in het ziekenhuis vanwege letsel door een val.
Op 6 januari 2023 zijn de vader en [geïntimeerde] in het ziekenhuis een geregistreerd
partnerschap aangegaan, nadat door het Openbaar Ministerie vrijstelling was verleend van de
voorgeschreven wachttijd.
Op 11 januari 2023 is de vader ontslagen uit het ziekenhuis, waarna hij thuis op
14 januari 2023 is overleden.
4. De omvang van het geschil
[appellanten] hebben de rechtbank op 30 mei 2024 verzocht:
het op 6 januari 2023 gesloten geregistreerde partnerschap tussen de vader en [geïntimeerde] nietig te verklaren, althans een bepaling op te nemen met gelijke strekking;
te verklaren dat [geïntimeerde] ten aanzien van het geregistreerd partnerschap te kwader trouw, althans niet te goeder trouw, heeft gehandeld, zodat de nietigheid terugwerkt tot het moment van aangaan van het geregistreerd partnerschap, althans een bepaling op te nemen van gelijke strekking;
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen te gelasten om de beschikking in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand en toe te voegen aan de akte van partnerschapsregistratie, althans een bepaling op te nemen van gelijke strekking;
[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en de rechtbank gevraagd [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, althans hun verzoeken af te wijzen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de te geven beschikking.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van [appellanten] afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen kosten moet betalen.
[appellanten] zijn met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, hun inleidende verzoeken alsnog toe te wijzen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, althans een beschikking met gelijke strekking te geven.
[geïntimeerde] voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans de verzoeken van [appellanten] te ontzeggen, dan wel deze verzoeken af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van beide instanties, inclusief de verschuldigde nakosten.
5. De motivering van de beslissing
De beslissing
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van [appellanten] moeten worden afgewezen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom in stand laten. Het hof zal [appellanten] hoofdelijk veroordelen in de kosten aan de kant van [geïntimeerde] van dit hoger beroep en het meer of anders verzochte afwijzen. Het hof legt hierna uit waarom.
De motivering
Wettelijk kader
Volgens de wet kan worden verzocht om de nietigverklaring van een geregistreerd partnerschap, indien de partners niet voldeden aan de vereisten om de partnerschapsregistratie te kunnen aangaan. De nietigverklaring kan worden verzocht door onder andere de bloedverwanten in de rechte lijn van een van de geregistreerd partners. Een geregistreerd partnerschap mag niet worden aangegaan als de geestesvermogens van een partij zodanig zijn verstoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen (met andere woorden: als iemand wilsonbekwaam is).
Standpunt [appellanten]
stellen dat de vader op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen, omdat op dat moment bij hem sprake was van een delier. Ter onderbouwing van het deel van de stelling dat op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap bij de vader sprake was van een delier hebben [appellanten] de volgende stukken ingediend: een rapportage van het ziekenhuis (productie 10), een foto van de vader en [geïntimeerde] die kennelijk vlak na de ceremonie is genomen (productie 11), en twee verklaringen van specialist ouderengeneeskunde de heer [deskundige] (verder: [deskundige] ) van respectievelijk 1 mei 2024 (productie 17) en 26 juni 2025 (productie 25). Volgens [appellanten] is iemand per definitie wilsonbekwaam als bij hem of haar sprake is van een delier.
Standpunt [geïntimeerde]
voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat de vader op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap wilsonbekwaam was. Zij voert onder meer aan dat uit de rapportage van het ziekenhuis niet blijkt dat de vader wilsonbekwaam was, dat de behandelend artsen in het kader van de vrijstellingsprocedure hebben bevestigd dat de vader zelfstandig en bewust de wens uitte om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, dat in de verpleegkundige rapportages staat genoteerd dat de vader omstreeks 6 januari 2023 ‘helder en adequaat’ overkwam (productie 13) en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de vader wilsbekwaam heeft bevonden (productie 6). Volgens [geïntimeerde] is iemand niet zonder meer wilsonbekwaam als bij hem of haar sprake is van een delier, maar moet de wilsbekwaamheid altijd per moment en per beslissing worden beoordeeld.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] hun stelling dat op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap bij de vader sprake was van een delier, in het licht van de betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende met stukken onderbouwd. Daarmee is niet komen vast te staan dat de vader op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.
Het hof stelt voorop dat op grond van de stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is komen vast te staan dat de vader en [geïntimeerde] op 6 januari 2023 een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, maar dat niet is gebleken op welk tijdstip het geregistreerd partnerschap is voltrokken. Geen van de partijen heeft hierover een stelling ingenomen en het tijdstip blijkt ook niet uit de stukken. In de door [appellanten] ingediende rapportage van het ziekenhuis is over de situatie op 6 januari 2023 - voor zover naar het oordeel van het hof relevant - het volgende opgenomen:
“06-01-2023 17:42
Algemene indruk: Dhr is met vlagen wat onrustig, goed te
Chirurgie
Verpleegkundige
corrigeren. Later op de avond na inname haldol rustiger
06-01-2023 11:57
(…)
Geriatrie
(…)
Arts
(…)
Beloop
[Geriater] en [Verpleegkundig Specialist] bezochten patiënt op de
afdeling.
Anamnese:
ligt te slapen in bed heeft zuurstofmasker af. Opent wel de ogen op
aanspreken, maakt zelf verder geen contact.
Kan ook niet duidelijk antwoorden. Ontkent pijn of on rust. Voert
opdrachten moeizaam en matig uit. Zakt dan snel weer in slaap.
(…)
Aanvullend onderzoek
Psychiatrisch onderzoek:
bewustzijn: verlaagd, wel wekbaar. Aandacht / concentratie, zeer
korte aandachtsspanne van tiental seconden, zakt snel weer in
slaap. Waarnemen: imponeert nu adequaat, ontkent hallucinaties,
in afgelopen nacht wel sprake van onrust en roepgedrag.
Psychomotoriek: nu geen plukgedrag.
Conclusie
70-jarige patiënt met (…) en nu weer toenemend delirant na eerder wat verbetering.
Bevindingen: precipiterende factoren van het delier zijn
(…)
Predisponerende factoren voor het delier zijn:
(…)
Beleid
Advies :
(…)
In het kader van delier nog speciale aandacht voor eventuele:
(…)
Vanwege risico op angst en toename onrust bij delier is het zinvol te
starten met haldol.
(…)
Overige medicamenteuze adviezen:
(…)
-stop (…) (kan delier onderhouden en versterken),
(…)
Verder is het van belang alert te zijn op delieronderhoudende
complicaties zoals: (…)
Overdracht
Patiënt zal bij opklaren van het beeld en verder herstel worden
uitgenodigd op de post-delier-polikliniek ter evaluatie herstel delier
over 3 maanden na ontslag.
06-01-2023 09:23
Algemene indruk: Dhr. Oogt mi rustig.
Chirurgie
Verpleegkundige
Psyche: Dhr. Komt mi passief over. Geen onrust zichtbaar.”
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het verslag van het ziekenhuis, in het bijzonder de hierboven weergegeven passages, niet dat op 6 januari 2023 bij de vader sprake was van een delier, laat staan op het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap. In het verslag van het ziekenhuis op de datum 6 januari 2023 wordt vermeld dat patiënt (de vader) "toenemend delirant" is. Er staat beschreven wat de "precipiterende en predisponerende factoren" van het delier zijn. Dergelijke factoren kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een delier. Dat er daadwerkelijk sprake was van een delier blijkt hier niet uit. Dit blijkt ook niet uit de overige medische informatie van die dag en de dagen er omheen, waarin staat dat patiënt helder en adequaat was. Dit is ook niet af te leiden uit de foto die [appellanten] hebben ingediend. Op die foto is te zien dat de vader in een ziekenhuisbed ligt met (half)gesloten ogen en een zuurstofslangetje in zijn neus. De foto zegt niets over de psychische toestand van de vader op dat moment. [deskundige] heeft op basis van een deel van het medisch dossier van de vader achteraf geconcludeerd dat op 6 januari 2023 bij de vader sprake was van een delier. Hij heeft in zijn verklaring van 1 mei 2024 onder meer geschreven: “Op 6-1-2023 om 11:57 uur stelt wederom een arts van de afdeling Geriatrie vast dat betrokkene een delier doormaakt” en “Op 6 januari 2023 is een delier vastgesteld.” Zoals hiervoor overwogen, volgt deze conclusie naar het oordeel van het hof niet uit de rapportage van het ziekenhuis, en overigens ook niet uit de andere ingediende stukken waarop [appellanten] zich beroepen. [deskundige] heeft in zijn verklaring van 1 mei 2024 ook nog het volgende geschreven: “Wanneer de rapportage van 5-1-2023 van 23:29 uur met de criteria van de DSM-5 worden vergeleken, voldoet betrokkene in retrospect aan de criteria die aan een delier gesteld worden. Er is sprake van een verminderd besef van omgeving, zich uitend in 'ervan overtuigd zijn ergens anders te zijn', een aandachtsstoornis, zich uitend in ‘is hierin niet te corrigeren’ en 'roept veel’. Dit beeld is in korte tijd ontstaan wanneer vergeleken wordt met de indruk uit de overige rapportages van de voorliggende dagen. Er zijn oriëntatiestoornissen en de symptomen kunnen niet beter verklaard worden door een andere eerder bestaande stoornis. (…)” [deskundige] baseert zich op waarnemingen van een verpleegkundige op 5 januari 2023 om 23.29 uur. Naar het oordeel van het hof blijkt hier niet uit dat op 6 januari 2023 bij de vader sprake was van een delier, laat staan op het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap. In zijn verklaring van 26 juni 2025 heeft [deskundige] slechts herhaald dat op 6 januari 2023 een delier is vastgesteld, “op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek, aangevuld met informatie vanuit verslaglegging en hetero-anamnese door een ter zake deskundig arts.” Deze verklaring biedt naar het oordeel van het hof geen nadere onderbouwing van de stelling van [appellanten] dat op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap bij de vader sprake was van een delier.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten] om getuigen te horen, onder wie [getuigen] en/of [deskundige] . Het aanbod om ‘getuigen’ te horen is te algemeen om te kunnen worden gehonoreerd. De door [appellanten] bij naam genoemde getuigen [getuigen] en [deskundige] hebben zich al schriftelijk uitgelaten. [appellanten] hebben onvoldoende concreet duidelijk gemaakt wat deze getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al hebben verklaard. In zoverre is het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd. Daarnaast hebben [appellanten] onvoldoende concreet aangegeven dat [getuigen] zouden kunnen verklaren over de stelling dat op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap bij de vader sprake was van een delier. In zoverre is het bewijsaanbod niet ter zake dienend.
Als hoofdregel geldt – ook in familiezaken – dat de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten. In familiezaken kan een uitzondering worden gemaakt op die hoofdregel: de rechter kan bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het hof ziet in dit geval geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat er tussen [appellanten] en [geïntimeerde] geen familierechtelijke betrekking is. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] verzoekt het hof om [appellanten] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van beide instanties. Omdat zij geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren, komt het hof niet toe aan dit verzoek.
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1 punt voor het indienen van het verweerschrift, 1 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling, € 1.290,- per punt), aan griffierecht € 362,- en aan nakosten € 189,- (indien sprake is van betekening te vermeerderen met een bedrag aan salaris van € 98,00 en de explootkosten) en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 april 2025;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten aan de kant van [geïntimeerde] van dit hoger beroep, begroot op € 2.580,- voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief en
€ 362,- aan griffierecht, de nakosten ad € 189,-, te vermeerderen met eventuele betekeningskosten en te vermeerderen met de rente daarover vanaf veertien dagen na betekening;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, K.A.M. van Os-ten Have en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door de griffier, en is op 12 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.