ECLI:NL:GHARL:2026:1517

ECLI:NL:GHARL:2026:1517

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 21-003654-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging en tweemaal poging doodslag door te schieten met een vuurwapen. Overwegingen over voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.M.M.M. Vogels, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. M.E.W.M. Rupert, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen verdachte en de officier van justitie hoger beroep hebben ingesteld, heeft de rechtbank:

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (vuur)wapen (van korte afstand) te richten op het hoofd, althans het lichaam, van die [benadeelde 1] .2. primairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, hebbende, verdachte, (meermaals) met een (vuur)wapen (van korte afstand) geschoten op die [benadeelde 2] , althans in de richting van die [benadeelde 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. subsidiairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende, verdachte, (meermaals) met een (vuur)wapen (van korte afstand) geschoten op die [benadeelde 2] , althans in de richting van die [benadeelde 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. meer subsidiairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een (vuur)wapen op die [benadeelde 2] te schieten, althans (meermaals) in de richting van die [benadeelde 2] te schieten met een (vuur)wapen.

3. primairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer ] van het leven te beroven, hebbende, verdachte, (meermaals) met een vuurwapen geschoten, waarbij die [slachtoffer ] is geraakt in zijn been, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. subsidiairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende, verdachte, (meermaals) met een vuurwapen geschoten, waarbij die [slachtoffer ] is geraakt in zijn been, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. meer subsidiairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats 1] [slachtoffer ] heeft mishandeld, door met een vuurwapen te schieten in het been van die [slachtoffer ] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging feiten 1, 2 primair en 3 primair

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 (bedreiging [benadeelde 1] ), 2 primair (poging doodslag [benadeelde 2] ) en 3 primair (poging doodslag [slachtoffer ] ) ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De verklaringen van [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en [getuige 1] kunnen als betrouwbaar worden bestempeld. De verklaringen van de [broers] vinden steun in de verklaringen van elkaar, maar ook in de waarnemingen van [getuige 1] en [getuige 2] . Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan worden vastgesteld dat de kogel die in het been van [slachtoffer ] is terechtgekomen, door verdachte is afgevuurd. Dit wordt gesterkt door de omstandigheid dat [benadeelde 2] op bijna hetzelfde moment voelde dat, op het moment dat verdachte schoot, hij een druk langs zijn been voelde. Het alternatieve scenario dat iemand op exact dat moment en dezelfde plek, los van verdachte, tegelijkertijd zou hebben geschoten en waarvan de kogel in het been van [slachtoffer ] zou zijn terechtgekomen, moet als puur hypothetisch en onaannemelijk terzijde worden geschoven. Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [benadeelde 2] en [slachtoffer ] . Daarnaast heeft verdachte zijn wapen gericht op [benadeelde 1] , welke handeling een bedreiging met de dood oplevert.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Er dient te worden uitgegaan van de verklaring van verdachte en niet van de verklaringen van aangevers [benadeelde 2] en [benadeelde 1] en [getuige 1] . De verklaringen van [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en [getuige 1] bevatten op onderdelen onderlinge tegenstrijdigheden en onjuistheden. De reconstructie (het hof begrijpt: de digitale visualisatie) zoals door de politie is gemaakt kan ook niet bijdragen aan het bewijs. Zelfs als de lezing van verdachte over de feiten niet wordt gevolgd, kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten.

Oordeel van het hof

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de door aangevers [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) en [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) afgelegde verklaringen consistent en gedetailleerd zijn. Het hof acht deze verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Het hof neemt de verklaringen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] als uitgangspunt. Aangevers [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben vrijwel direct na het incident tegenover de politie hun verhaal gedaan en zij zijn in hun verklaringen consistent gebleven. Naast het feit dat [benadeelde 2] en [benadeelde 1] elkaars verklaring bevestigen, vinden hun verklaringen steun in de waarnemingen van [getuige 2] en [getuige 3] . Voorts worden de verklaringen dat is geschoten met een vuurwapen bevestigd door de aangifte van [slachtoffer ] en de geneeskundige verklaring waaruit blijkt dat er een kogelpunt in het been van [slachtoffer ] is aangetroffen. Enkel ter ondersteuning van de hierna beschreven verklaringen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [getuige 2] dat verdachte heeft geschoten met een vuurwapen, gebruikt het hof de verklaring van [getuige 1] . De enkele omstandigheid dat [getuige 1] in zijn verklaringen op onderdelen wisselend heeft verklaard, maakt zijn verklaring niet op voorhand inconsistent en onbetrouwbaar.

Het hof gaat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 januari 2025, omstreeks 03:30 uur, is aan de [straatnaam 1] in [plaats 1] een confrontatie geweest tussen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [getuige 2] enerzijds en verdachte en [naam 1] (de zoon van verdachte) anderzijds, waarbij over en weer is geslagen.

Uit de verklaring van [benadeelde 1] leidt het hof af dat verdachte hem in zijn gezicht sloeg. Daarna sloeg [benadeelde 1] verdachte terug en deze ging naar de grond. Toen verdachte opstond van de grond, pakte hij een vuurwapen, richtte dat op [benadeelde 1] , waarna er een knal volgde. Vervolgens hield [benadeelde 1] , zoals is gebleken uit het aanvullende verhoor, [naam 1] voor zich om zichzelf te beschermen, wat wordt bevestigd door de verklaring van [benadeelde 2] . Daarna kwam verdachte naar [benadeelde 1] toegelopen en richtte hij het pistool van dichtbij op het hoofd van [benadeelde 1] . Op het moment dat [benadeelde 2] [benadeelde 1] wilde helpen, zwaaide verdachte het vuurwapen in de richting van [benadeelde 2] die daarop wegrende.

Het hof stelt op basis van de verklaring van [benadeelde 2] vast dat er meerdere knallen klonken toen hij wegrende in de richting van een nabijgelegen steeg. [benadeelde 2] voelde, meteen nadat verdachte schoot, dat er een druk langs zijn been ging.

Getuige [slachtoffer ] , die tijdens die nacht aan de andere kant van de [straatnaam 1] met vrienden stond te kijken naar een brandende auto, kreeg mee dat er ruzie werd gemaakt en dat er geslagen werd. Dit vond naar zijn zeggen plaats op ongeveer tien meter afstand. Hij hoorde iemand schreeuwen ‘niet schieten!’, waarna hij plots voelde dat hij in zijn been was geraakt. [slachtoffer ] merkte dat er veel bloed uit zijn been kwam en dat hij een schotwond had.

[getuige 1] , die rond hetzelfde tijdstip vanuit een woning in de straat naar het incident keek, heeft verklaard dat hij zag dat verdachte twee keer schoot met een pistool.

De verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] worden bevestigd door [getuige 2] . De verbalisanten horen hem vlak na het incident zeggen dat hij het van een afstand zag gebeuren, dat hij verdachte herkende en dat hij verdachte zag schieten.

Het tijdstip van schieten, het moment van wegrennen en het tijdstip van 03:45 uur waarop hard op het raam werd gebonsd en wordt aangebeld bij [getuige 3] passen in de tijdlijn. [getuige 3] zag dat [benadeelde 1] met een bebloed gezicht bij de deur aankwam. Zij hoorde van [benadeelde 1] dat verdachte hem had geslagen in zijn gezicht en dat verdachte had geschoten op hem en op [benadeelde 2] .

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij ruzie kreeg met de [broers] , dat hij een klap van achteren kreeg met een soort staaf of stok en dat hij [benadeelde 1] vervolgens heeft teruggeslagen. Volgens verdachte trok hij [naam 1] daarna weg en zijn [benadeelde 1] en [benadeelde 2] weggerend. Verdachte heeft niet meegekregen dat er is geschoten en verklaart vervolgens naar huis te zijn gelopen.

In zijn eerste twee verhoren ten overstaan van de politie heeft verdachte geen antwoord gegeven op vragen. Op een pro-forma zitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij met een van de [broers] ruzie heeft gehad en heeft gevochten, dat er over en weer is geslagen en verder niets. Op een latere pro-forma zitting heeft verdachte verklaard dat hij alleen een klap heeft gegeven en niet heeft geschoten. Op de terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte verklaard dat [benadeelde 2] hem met een ploertendoder heeft geslagen, dat hij hem terugsloeg, dat hij [naam 1] naar huis had gestuurd en daarna zelf ook is vertrokken.

Het hof schuift het scenario van verdachte, over zijn betrokkenheid voorafgaand aan en na afloop van het schietincident, als niet aannemelijk terzijde. Verdachte verklaart wisselend en wijzigt zijn verklaring op onderdelen, bijvoorbeeld over het voorwerp waarmee hij zou zijn geslagen door [benadeelde 2] . In het licht van de overige bewijsmiddelen, zoals die hierna zijn uitgewerkt, acht het hof de verklaringen van verdachte niet betrouwbaar en niet aannemelijk. Het staat daarmee voor het hof vast dat het verdachte is geweest die een vuurwapen heeft gepakt en daarmee heeft geschoten.

Poging tot doodslag

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangevers [benadeelde 2] en [slachtoffer ] toen hij met zijn vuurwapen op hen schoot. Het hof dient te beoordelen of verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [benadeelde 2] als ook [slachtoffer ] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte – terwijl hij een fysieke confrontatie had met [benadeelde 2] en [benadeelde 1] – meermaals (op korte afstand) gericht heeft geschoten op [benadeelde 2] . Toen [benadeelde 2] wegrende, voelde hij een druk langs zijn been gaan. Het op korte afstand gericht op iemand schieten kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, zonder contra-indicaties, niet anders begrepen worden dan het hebben van opzet op de dood van het slachtoffer.

Naar algemene ervaringsregels brengt op korte afstand schieten op een persoon de aanmerkelijke kans in het leven dat die persoon daardoor dodelijk wordt getroffen. Indien een persoon van korte afstand wordt beschoten, is de kans dat een vitaal lichaamsdeel wordt geraakt en dat vervolgens de dood zal intreden immers aanmerkelijk te achten.

Voorts heeft verdachte om zich heen geschoten, waarbij een kogel in het onderbeen van [slachtoffer ] is terechtgekomen. [slachtoffer ] bevond zich op datzelfde moment op een afstand van circa tien meter van verdachte en had niets met het conflict te maken. Hij was, samen met anderen afgekomen op een brand in de [straatnaam 1] die de brandweer aan het blussen was.

Het hof is van oordeel dat in deze situatie, door in de nieuwjaarsnacht in een straat die bevolkt werd door groepen mensen, ook in de directe nabijheid van verdachte, met een scherp wapen om zich heen te schieten, de kans dat niet alleen iemand geraakt zou worden maar ook dat diegene dodelijk getroffen zou worden aanmerkelijk is te achten.

Het hof is van oordeel dat doorslaggevend is dat verdachte door zijn handelen een situatie heeft gecreëerd waarin de aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop aanwezig was en dat deze kans zich bovendien heeft verwezenlijkt doordat het vuurwapen meermaals is afgegaan en hij tevens een omstander heeft geraakt.

Het hof leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte af dat hij deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangevers [benadeelde 2] en [slachtoffer ] .

Conclusie

Het hof acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] heeft bedreigd met een vuurwapen door deze op [benadeelde 1] hoofd te richten, en dat hij heeft geprobeerd [benadeelde 2] en [slachtoffer ] te doden door met een vuurwapen gericht op [benadeelde 2] en daarna om zich heen, te schieten in de nabijheid van een groep omstanders.

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 januari 2025, opgenomen op pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] :
8. Een schriftelijk bescheid ‘Geneeskundige verklaring’ d.d. 1 januari 2025, opgenomen op pagina 65 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [hulpverlener] :
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2025, opgenomen als aanvullend proces-verbaal bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant] :

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2025, opgenomen op pagina 69 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025000452 d.d. 4 maart 2025, inhoudend als verklaring van [benadeelde 1] : Op 1 januari 2025, omstreeks 03:32 uur, ben ik samen met [benadeelde 2] en [getuige 2] naar de [straatnaam 1] gegaan. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , verdachte) kwam in mijn richting lopen. [verdachte] sloeg mij tegen mijn hoofd. Ik heb [verdachte] hierop teruggeslagen. Toen ik [verdachte] sloeg, viel hij op de grond. Toen [verdachte] opstond vanaf de grond, zag ik dat hij een normaal pistool gepakt had en in zijn rechterhand hield. Dat pistool richtte [verdachte] op mij. Ik hoorde een knal. Ik raakte in paniek en trok [naam 1] voor mij. Ik schrok mij kapot en realiseerde mij dat [verdachte] een echt pistool had en mij probeerde te doden. Ik vreesde voor mijn eigen leven en hoopte dat hij zo niet zou schieten. [verdachte] kwam naar mij toe lopen en richtte, op nog geen meter, het pistool weer op mijn hoofd. Ik had [naam 1] nog steeds vast en duwde die tussen mij [verdachte] in, zodat [verdachte] niet kon schieten. Ik hoorde nog een aantal knallen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aanvullend verhoor aangever d.d. 10 juni 2025, aanvullend opgemaakt, inhoudend als verklaring van [benadeelde 1] : [verdachte] richtte het wapen op mij, maar omdat ik zijn zoon ertussen trok schoot hij niet. [benadeelde 2] wilde mij helpen en heeft [verdachte] van achteren aangevallen. Ik zag dat [verdachte] zijn wapen in de richting van mijn broertje zwaaide. Ik zag dat mijn broertje wegrende in de richting van de steeg. Terwijl mijn broertje wegvluchtte hoorde ik meerdere knallen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [benadeelde 2] : In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 was ik met [benadeelde 1] en [getuige 2] in de [straatnaam 1] . [verdachte] sprak [benadeelde 1] aan. Daarop sloeg [verdachte] [benadeelde 1] met een bierfles. Daarop sloeg [benadeelde 1] [verdachte] . [verdachte] viel op de grond. Ik kreeg een klap van [naam 1] tegen mijn hoofd. Vervolgens liep [naam 1] naar [benadeelde 1] . [verdachte] stond op en had een pistool in de hand. [benadeelde 1] pakte daarop [naam 1] voor zich om tussen hem en [verdachte] en het wapen te houden. Daarop begon [verdachte] op mij te schieten. Ik voelde meteen dat er een druk langs mijn been ging. Ik rende weg. [verdachte] liep me achterna en schoot nog enkele keren op mij. Ik denk één of twee keer.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2025, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [functie] der Koninklijke Marechaussee [naam 3] en [naam 4] : Op woensdag 1 januari 2025 omstreeks 03:40 uur kregen wij een melding inhoudende dat er aan de [adres 2] een slachtoffer van mishandeling zou zitten. Korte tijd later kwamen wij ter plaatse aan de [adres 2] , waar wij drie manspersonen rondom een tafel troffen. Wij zagen dat één van hen verwondingen in zijn gelaat had, met name zijn neus en rondom zijn linker oog. Deze gaf op te zijn [benadeelde 1] . De andere persoon gaf op te zijn [getuige 2] . De derde persoon gaf op te zijn [benadeelde 2] . Wij hoorden [getuige 2] zeggen dat hij [verdachte] herkende en zag schieten.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 januari 2025, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] : Op 1 januari omstreeks 03:45 uur werd er hard op het raam gebonsd en aangebeld. Ik zag [benadeelde 1] voor de deur staan met zijn gezicht vol bloed. [getuige 2] en [benadeelde 2] waren daar ook bij. [benadeelde 1] vertelde dat [verdachte] op [benadeelde 1] afliep en toen kreeg[benadeelde 1] een paar klappen in het gezicht. [verdachte] heeft twee keer geschoten op [benadeelde 1] en ook nog een keer op [benadeelde 2] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 januari 2025, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 was ik aan de [adres 3] in [plaats 1] . Ik zie [verdachte] vechten met 2 of 3 jongens. Ik zag dat [verdachte] een beweging maakte bij zijn broek alsof het leek alsof hij daar zijn pistool vandaan haalde. Ik zie dat hij er 2 keermee geschoten heeft.

Wij gingen naar de brandweer toe rond 03:30 uur (het hof begrijpt: op 1 januari 2025). Wij kwamen via de [straatnaam 2] in de straat [straatnaam 1] terecht en zagen

daar de brandweer staan. Ik ben via een brandgang/ steegje vanaf de [straatnaam 2] in de [straatnaam 1] gekomen. Ik zag aan de overzijde van de straat, aan de kant waar de tent niet stond, dat een man een andere man sloeg. Dit gaat over die twee groepen die ruzie hadden. Er gingen nu meerdere mensen met elkaar op de vuist. Dit gebeurde allemaal rond tien meter afstand. Toen werd ik plots in mijn been geschoten. Ik hoorde voorafgaand aan mijn verwonding iemand schreeuwen: "Niet schieten!" Ik voelde daarna wat branden in mijn rechter onderbeen. Toen ik naar beneden keek zag ik dat er veel bloed uit mijn been kwam. Ik wist nu dat ik een schotwond had.

Medische informatie betreffende:

Achternaam: [slachtoffer ]

Voornamen: [slachtoffer ]

Geboren: [geboortedag 2] 2008

Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] in Nederland

Geslacht: Man

Nationaliteit: Nederlandse

Uitwendig waargenomen letsel:

Wond binnenkant onderbeen, rechtsonder de knie.

Er is sprake van uitwendig en ernstig bloedverlies.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 1 januari 2025

Overige van belang zijnde informatie: Kogel bovenin onderbeen rechts, waarmee wond vermoedelijk inschotwond is.

Ondertekend door [hulpverlener] te [plaats 2] op 1 januari 2025

Op woensdag 01 januari 2025 omstreeks 05:00 uur werd op bovengenoemde locatie een

forensisch onderzoek gestart. Tijdens dit onderzoek werden er 24 intacte knalpatronen

van het merk Walther, kaliber 9mm, op de straat ter hoogte van perceel [nummer 1] ,

aangetroffen.

Op straat, ter hoogte van perceel [nummer 2] , werd een verschoten knalpatroon (huls) van het

merk POBJEDA, kaliber 9 mm, aangetroffen.

De aangetroffen knalpatronen betreffen kogel-loze patronen, die puur een luide

knal produceren

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op 1 januari 2025 te [plaats 1] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een (vuur)wapen (van korte afstand) te richten op het hoofd en het lichaam, van die [benadeelde 1] .

2.primairhij op 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, hebbende, verdachte, meermaals met een vuurwapen (van korte afstand) geschoten op die [benadeelde 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.primairhij op 1 januari 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer ] van het leven te beroven, hebbende, verdachte, met een vuurwapen geschoten, waarbij die [slachtoffer ] is geraakt in zijn been, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde levert op:

telkens: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

situaties om te gaan. Verdachte heeft in het verleden klinische en ambulante behandeling gehad, waardoor hij meer zicht heeft gekregen op zijn problematiek. De reclassering acht de responsiviteit van verdachte ten opzichte van hulpverlening laag. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling wordt oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd;

- de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten is alleen een gevangenisstraf van forse duur passend en geboden. Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien zal het hof daarom – zoals gevorderd door de advocaat-generaal – overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

Bevel gevangenneming

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte gevorderd.

Het hof wijst de vordering tot gevangenneming af. Een voornaam strafvorderlijk uitgangspunt is dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten, tenzij sprake is van vluchtgevaar of indien sprake is van gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die de vrijheidsbeneming vorderen. Een dergelijke bijzondere omstandigheid acht het hof in onderhavige zaak niet aanwezig.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 45, 57, 63, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. L.J. Hofstra en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?