[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 2 maart 2026 en op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.B.G.T. von Bóné, en de advocaat van het slachtoffer, diens ouders en de nabestaanden namens hen heeft aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezenverklaard dat verdachte door roekeloos rijgedrag schuld heeft aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 waardoor drie personen zijn overleden en een ander lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Verder heeft de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren opgelegd.
Daarnaast zijn de vorderingen van de benadeelde partijen volledig toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 28 november 2021 te [plaats1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), daarmede rijdende over de weg, de [nummer] (links), roekeloos dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij reeds onder twee portalen met matrixborden (elektronisch signaleringsbord, bord A3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) was door gereden, op welke borden in chronologische volgorde de snelheden 90 kilometer per uur en/of 70 kilometer per uur werden getoond, en/of middels deze borden was gewezen op een (eventuele) gewijzigde verkeerssituatie, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A3 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk (matrix)bord een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- tijdens het besturen van het door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), althans tijdens het rijden, een mobiele telefoon (meermaals) heeft bediend dan wel meerdere keren heeft aangeraakt en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte(n) van die weg (de [nummer] ) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of voornoemde matrixborden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de [nummer] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- toen het voor hem rijdende verkeer langzaam reed en/of snelheid had verminderd en/of (nagenoeg) tot stilstand was gekomen, met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto),
- ten gevolge waarvan dit andere motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met, een of meer andere voertuigen, waardoor anderen (te weten [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] ) werden gedood en/of een ander (te weten [slachtoffer4] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiairhij op of omstreeks 28 november 2021 te [plaats1] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, bestelwagen), daarmee rijdende op de weg, de [nummer] (links),
- terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij reeds onder twee portalen met matrixborden (elektronisch signaleringsbord, bord A3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) was door gereden, op welke borden in chronologische volgorde de snelheden 90 kilometer per uur en/of 70 kilometer per uur werden getoond, en/of middels deze borden was gewezen op een (eventuele) gewijzigde verkeerssituatie,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A3 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk (matrix)bord een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- tijdens het besturen van het door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), althans tijdens het rijden, een mobiele telefoon (meermaals) heeft bediend dan wel meerdere keren heeft aangeraakt en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de [nummer] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- toen het voor hem rijdende verkeer langzaam reed en/of snelheid had verminderd en/of (nagenoeg) tot stilstand was gekomen, met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto),
- ten gevolge waarvan dit andere motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met, een of meer andere voertuigen, en aldus in strijd met het in artikel 5a van de WVW94 gestelde verbod, zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat voormelde verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, waardoor daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was
meer subsidiairhij op of omstreeks 28 november 2021 te [plaats1] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, bestelwagen), daarmee rijdende op de weg, de [nummer] (links),
- terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij reeds onder twee portalen met matrixborden (elektronisch signaleringsbord, bord A3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) was door gereden, op welke borden in chronologische volgorde de snelheden 90 kilometer per uur en/of 70 kilometer per uur werden getoond, en/of middels deze borden was gewezen op een (eventuele) gewijzigde verkeerssituatie,- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A3 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk (matrix)bord een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of- tijdens het besturen van het door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), althans tijdens het rijden, een mobiele telefoon (meermaals) heeft bediend dan wel meerdere keren heeft aangeraakt en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de [nummer] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- toen het voor hem rijdende verkeer langzaam reed en/of snelheid had verminderd en/of (nagenoeg) tot stilstand was gekomen, met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto),
- ten gevolge waarvan dit andere motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met, een of meer andere voertuigen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van roekeloosheid en dat verdachte van dat onderdeel vrijgesproken dient te worden. Als verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld dient een lichtere gradatie van schuld aangenomen te worden.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank het juridisch kader en de feiten grotendeels op juiste wijze uiteen heeft gezet en zal deze uiteenzetting dan ook overnemen en waar nodig aanvullen of verbeteren.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 28 november 2021 omstreeks 16:43 uur heeft op de snelweg [nummer] (in de richting van [plaats 2] ), ter hoogte van hectometerpaal 13,4 (gemeente [plaats1] ) een verkeersongeval plaatsgevonden. Door filevorming moesten alle voertuigen afremmen. Het ongeval betreft een kop-staart-aanrijding met in totaal vijf voertuigen, op de rechter rijbaan (rijstrook 2). De bestuurder van het achterste voertuig was verdachte, die aan het einde van een werkdag in zijn Iveco werkbus op weg was naar huis. Hij is tegen de achterzijde van de Mazda (met daarin grootouders [slachtoffer2] , [slachtoffer1] en kleinkinderen [slachtoffer3] en [slachtoffer4] ) ervoor gereden. Vervolgens zijn de Iveco en de Mazda doorgeschoten en is de Mazda op de achterzijde gebotst van een Kia en een Renault die voor de Mazda reden. De Kia heeft vervolgens een Volvo geraakt, die op de linker rijbaan reed. De Mazda is uiteindelijk tegen de vangrail aan de rechterkant tot stilstand gekomen.
[slachtoffer2] en [slachtoffer1] hebben als gevolg van het ongeval zo’n zware impact op hun borstkast, hart en longen gekregen dat zij zijn komen te overlijden. [slachtoffer3] heeft als gevolg van het ongeval neurologisch zuurstoftekort gekregen en is ongeveer zes uur na het ongeval komen te overlijden. [slachtoffer4] heeft als gevolg van het ongeval in ieder geval een hersenschudding, een scheurtje in zijn milt en lever, een kleine klaplong links en een longkneuzing met een scheurtje in zijn linkerlong opgelopen.
Uit de aanvullende medische stukken is komen vast te staan dat [slachtoffer4] als gevolg van het ongeval (onder meer) niet-aangeboren hersenletsel heeft opgelopen.
Op 28 november 2021, omstreeks 17:25 uur heeft de politie een onderzoek ingesteld op de plaats van het ongeval. Het ongeval heeft bij schemer plaatsgevonden, het was droog, bewolkt en helder weer. Het zicht van verdachte werd hoogstwaarschijnlijk niet belemmerd door de voorruit of vaste obstakels.
Naar het gebruik van de telefoon en de overige omstandigheden ter plaatse is uitgebreid nader onderzoek gedaan. Het hof zal eerst ingaan op de ter plaatse toegestane en gereden snelheid.
Snelheid
Uit het onderzoek van de politie komt naar voren dat de maximumsnelheid ter plaats onder normale omstandigheden 100 kilometer per uur (hierna: km/u) bedroeg. Op 28 november 2021 rond het tijdstip van het ongeval werd door de matrixborden echter een afwijkende maximumsnelheid aangegeven, namelijk 70 km/u. Verdachte verklaart dat hij de matrixborden met daarop een aangepaste snelheid van 90 km/u wel heeft gezien, maar dat hij de matrixborden met daarop 70 km/u niet heeft gezien. Verdachte is ter plaatse bekend en weet dus dat die borden er hangen.
Door de verbalisanten is onderzoek gedaan naar de zichtbaarheid van de matrixborden. Hierbij is geconstateerd dat de matrixborden destijds duidelijk zichtbaar en leesbaar moeten zijn geweest. Dat de matrixborden, met daarop de aangepaste snelheid, duidelijk zichtbaar waren wordt bevestigd door getuige [getuige] . Deze getuige, rijdend in de richting van [plaats 2] , reed op de parallelweg van de [nummer] naar de oprit van de A15. Hij zag dat er een file stond op de [nummer] en zag vervolgens een witte bus op de [nummer] rijden, die parallel met hem op reed en mogelijk zelfs iets harder. Getuige [getuige] verklaart dat hij zelf ongeveer 100 tot 110 km/u reed. Hij dacht meteen dat het fout zou gaan, want de bus reed veel te hard om zo aan te sluiten bij de file. Hij zag vervolgens dat de witte bus vol op de file reed. Hij heeft geen remlichten van de bus zien branden.
De snelheid van de Iveco, waar verdachte in reed, is door de Airbag Controle Module (hierna: ACM) geregistreerd. Uit de ACM komt naar voren dat een snelheid van 89 km/u is geregistreerd. Ook uit de uitgevoerde snelheid- en impactanalyse volgt dat deze 89 km/u een goede indicatie is van de botssnelheid van de Iveco. Uit deze analyse blijkt ook dat het voertuig van verdachte ruim twee maal zwaarder was dan de Mazda, waar de slachtoffers in zaten, te weten 2350 tot 2430 kg (Iveco) ten opzichte van 990 tot 1070 kg (Mazda).
De vraag is vervolgens hoe kan worden verklaard dat verdachte de file en de matrixborden niet heeft gezien.
Telefoon
Er is onderzoek gedaan naar het gebruik van de telefoon van verdachte in de minuten voor het ongeval. Hieruit komt naar voren dat verdachte (die alleen in de auto zat) op 28 november 2021 van 16.39.20 uur tot en met 16.42.31.786075 uur bijna drie minuten aantoonbaar actief op zijn telefoon is geweest. Het gaat daarbij om de volgende handelingen waarbij is opgemerkt dat de aanrakingen die bij een tijdstip zijn vermeld hebben plaatsgevonden in de periode er aan voorafgaand :
Naar het oordeel van het hof kan hiermee worden bewezen dat verdachte in de 49 seconden (vanaf 16:41:42:041 tot en met 16:42:31:127) direct voor het ongeval in ieder geval 55 keer (en daarmee gemiddeld meer dan een keer per seconde) zijn scherm heeft aangeraakt en losgelaten. In die 49 seconden zijn drie WhatsApp-berichten verstuurd.
Iedere verkeersdeelnemer heeft de bijzondere zorgplicht te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer. Uit al het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat die dag, op het moment van het ongeval (en daaraan voorafgaand) sprake is geweest van een verkeersopstopping en dat extra oplettendheid van verdachte moet worden verwacht. Verdachte reed echter aanzienlijk te hard, gelet op de omstandigheden en op de op dat moment ter plaatse geldende maximumsnelheid. Verdachte hield zich daarbij, rijdend met een snelheid van ongeveer 89 km/u, bezig met het versturen van WhatsApp-berichten en het aanraken van zijn telefoon. Gelet op de aaneenschakeling van aanrakingen en loslatingen van de telefoon en de omstandigheid dat verdachte geen file dan wel matrixborden heeft gezien, kan het hof niet anders concluderen dan dat verdachte in deze 49 seconden niet op de weg heeft gelet dan wel is blijven letten. Van een noodremming is geen sprake geweest. Door op deze wijze, rijdend met een hoge snelheid, zijn telefoon te gebruiken is verdachte in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet meer in staat geweest om tijdig de weg te overzien en te stoppen. Het ongeval is dan ook door de aanzienlijke overschrijding van de toen geldende maximumsnelheid in combinatie met het langdurig telefoongebruik door verdachte veroorzaakt. De verklaring van verdachte dat zijn onoplettendheid zou zijn veroorzaakt door een raambediening die haperde, wat daar ook van zij, maakt dat oordeel niet anders.
Naar het oordeel van het hof zijn de tenlastegelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen.
Gevolgen
[slachtoffer2] , [slachtoffer1] en [slachtoffer3] zijn als gevolg van het ongeval komen te overlijden.
Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer4] is het hof van oordeel dat zijn letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat hij als gevolg van het ongeval een hersenschudding, een scheurtje in zijn milt en lever, een kleine klaplong links en een longkneuzing met een scheurtje in zijn linkerlong heeft opgelopen. Daarnaast is gebleken dat bij [slachtoffer4] als gevolg van het ongeval niet-aangeboren hersenletsel is vastgesteld. Het hof concludeert dan ook dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld.
Het hof is van oordeel dat de bewezen gedragingen van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, het ongeval hebben veroorzaakt en de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.
Roekeloosheid
Bij de beantwoording van de vraag of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen i) roekeloos, ii) zeer onvoorzichtig en onoplettend en iii) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 WVW is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Artikel 5a, eerste lid, WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als deze verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 km/u. Verdachte heeft aldus de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 70 km/u in aanzienlijke mate overschreden. Het overschrijden van de maximumsnelheid is een gedraging die ingevolge artikel 5a, eerste lid, onder g, WVW uitdrukkelijk wordt aangemerkt als gedrag waarbij de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte vlak voor het ongeval bijna drie minuten aantoonbaar actief is geweest op zijn telefoon. Hoewel door het hof niet kan worden vastgesteld dat verdachte zijn telefoon tijdens het rijden daadwerkelijk heeft vastgehouden (zoals specifiek genoemd in artikel 5a, eerste lid onder k, WVW), kan het langdurig gebruikmaken van de telefoon door verdachte, mede omdat er geen telefoonhouder in zijn auto is aangetroffen, worden gekwalificeerd als het overtreden van een andere verkeersregel van soortgelijk belang als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, onder m, WVW en daarmee eveneens van een ernstige schending van de verkeersregels.
Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte het matrixbord met daarop de aangepaste snelheid van 90 km/u heeft gezien, maar het matrixbord met daarop de aangepaste snelheid van 70 km/u heeft gemist. Verdachte heeft ervoor gekozen om, op een moment waarop de verkeerssituatie extra aandacht van hem vroeg, langdurig gebruik te maken van en zijn aandacht te vestigen op zijn telefoon in plaats van op de weg(gebruikers) voor hem op de snelweg, waarbij hij ook nog eens de maximumsnelheid aanzienlijk overschreed. Hierdoor heeft hij de filevorming totaal gemist en heeft hij daarop in het geheel niet kunnen anticiperen– - hij heeft zelfs niet eens geremd- en is daardoor, wetende dat hij een groot en zwaar voertuig bestuurde, met hoge snelheid hard op de voor hem stilstaande auto’s gebotst, waardoor een kettingbotsing is ontstaan.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden door, nadat hij door een matrixbord was gewaarschuwd zijn snelheid te reguleren ervoor te kiezen gedurende geruime tijd intensief gebruik te maken van zijn mobiele waardoor hij niet op de weg voor hem heeft gelet en daardoor een volgend matrixbord niet heeft gezien en ook de filevorming voor hem geheel heeft gemist, terwijl hij met een te hoge snelheid reed, waardoor hij zijn voertuig niet tijdig heeft kunnen afremmen voor de naderende file en met hoge snelheid achterop de (nagenoeg stilstaande) Mazda van de slachtoffers is gebotst. Door het rijgedrag van verdachte heeft hij bewust geen acht geslagen op (mogelijke) andere verkeersdeelnemers en daarmee onaanvaardbare risico’s genomen. Gelet op het voorgaande waren de gedragingen van verdachte dan ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht.
Door de gedragingen van verdachte was gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere verkeersdeelnemers te duchten. Het door verdachte gecreëerde gevaar voor andere verkeersdeelnemers heeft zich die dag ook op een zeer heftige wijze verwezenlijkt. Niet alleen is als gevolg van de aanrijding door verdachte aan [slachtoffer4] zwaar lichamelijk letsel toegebracht, maar ook zijn [slachtoffer2] , [slachtoffer1] en [slachtoffer3] als gevolg van het ongeval komen te overlijden.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat het rijgedrag van verdachte gezien de daar geldende situatie is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en daarmee gelet op het hiervoor overwogene ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij op of omstreeks 28 november 2021 te [plaats1] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), daarmede rijdende over de weg, de [nummer] (links), roekeloos dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- terwijl hij ter plaatse bekend was en/of
- terwijl hij het motorrijtuig beroepsmatig bestuurde en/of
- terwijl hij reeds onder twee portalen met matrixborden (elektronisch signaleringsbord, bord A3 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) was door gereden, op welke borden in chronologische volgorde de snelheden 90 kilometer per uur en/of 70 kilometer per uur werden getoond, en/of middels deze borden was gewezen op een (eventuele) gewijzigde verkeerssituatie,
- geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A3 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk (matrix)bord een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- tijdens het besturen van het door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen), althans tijdens het rijden, een mobiele telefoon (meermaals) heeft bediend dan wel meerdere keren heeft aangeraakt en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte(n) van die weg (de [nummer] ) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of voornoemde matrixborden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, bestelwagen) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg (de [nummer] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- toen het voor hem rijdende verkeer langzaam reed en/of snelheid had verminderd en/of (nagenoeg) tot stilstand was gekomen, met een snelheid van ongeveer 89 kilometer per uur is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, een voor hem uit langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto),
- ten gevolge waarvan dit andere motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanraking is gekomen met, een of meer andere voertuigen, waardoor anderen (te weten [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] ) werden gedood en/of een ander (te weten [slachtoffer4] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.
en
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straffen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen en verzoekt daarmee verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daarnaast als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaren.
De raadsman heeft verzocht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te matigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft door zijn roekeloze rijgedrag een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij is tijdens het rijden gedurende een langere periode actief geweest op zijn telefoon, terwijl hij aanzienlijk harder reed dan op dat moment was toegestaan. Daardoor heeft hij een matrixbord dat hem waarschuwde zijn snelheid te verminderen en filevorming voor hem op de snelweg geheel gemist, waardoor hij keihard achterop een ander voertuig is gereden, waarvan de inzittenden [slachtoffer2] , [slachtoffer1] en [slachtoffer3] als gevolg van dit ongeval zijn komen te overlijden en [slachtoffer4] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Vlak na het ongeval heeft verdachte berichten van zijn telefoon gewist. Hij heeft tot en met de zitting in hoger beroep verklaard dat hij zich niets meer van het telefoongebruik tijdens het rijden alsmede van het wissen van berichten kan herinneren. Naar het oordeel van het hof is hij hier niet eerlijk over geweest nu hij aan andere details nog wel herinneringen heeft. Dit neemt het hof hem kwalijk.
Het verkeersongeval heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed veroorzaakt. Daarnaast is het ongeval voor [slachtoffer4] enorm ingrijpend en beangstigend geweest. Bij [slachtoffer4] is niet-aangeboren hersenletsel vastgesteld. Door het letsel is hij ernstig beperkt in zijn dagelijks leven. Hij zal daar de rest van zijn leven last van blijven houden.
De gevolgen van het ongeval voor [slachtoffer4] en de nabestaanden zijn het hof op indringende wijze gebleken uit de in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaringen.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW, waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen en sprake is van een zeer hoge mate van schuld, geldt als vertrekpunt een gevangenisstraf van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaren. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en sprake is van een zeer hoge mate van schuld, geldt als vertrekpunt een gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren.
Daarbij dient te worden opgemerkt dat een zeer hoge mate van schuld geen synoniem is voor roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW. Voor roekeloosheid is geen afzonderlijk oriëntatiepunt, maar het ligt in de rede om in zaken waarin de schuld in roekeloosheid bestaat hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan die in de oriëntatiepunten zijn vermeld voor een zeer hoge mate van schuld. In dit geval is bovendien sprake van drie dodelijke slachtoffers en één slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel. Daardoor ligt het in de rede om ruim boven de hiervoor genoemde oriëntatiepunten uit te komen bij een op te leggen straf.
Ook heeft het hof acht geslagen op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 januari 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.
Het hof ziet ook dat verdachte nooit het opzet heeft gehad op de gevolgen van zijn handelen en dat het feit ook veel impact op hem heeft. Het gezin van verdachte is op dit moment van hem afhankelijk. Voor de uitoefening van zijn werk heeft hij ook zijn rijbewijs nodig. Verder heeft hij – naar eigen zeggen – zijn rijgedrag aangepast. Verdachte heeft ter zitting benadrukt dat hij meeleeft met de nabestaanden en met [slachtoffer4] en dat hij nog iedere dag stil staat bij het ongeluk en de dood van de slachtoffers. Hij zal ermee moeten leren leven dat hij dat heeft veroorzaakt. Verdachte komt daarin oprecht over.
Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof acht de straf zoals opgelegd door de rechtbank, een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Daarnaast zal het hof om de verkeersveiligheid in de toekomst tegen het rijgedrag van verdachte te beschermen een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaren opleggen.
Het hof heeft geconstateerd dat in eerste aanleg sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verdachte is op 28 november 2021 als verdachte door de politie verhoord. Het vonnis is gewezen op 5 april 2024, zodat de redelijke termijn van twee jaren waarbinnen de zaak in eerste aanleg afgedaan had moeten worden met ruim vier maanden is overschreden. Ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf iets te verhogen.
Daarom zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opleggen, naast de bovengenoemde ontzegging van de rijbevoegdheid.
Vorderingen van de benadeelde partijen
In eerste aanleg hebben de benadeelde partijen [benadeelde partij1] , [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] een verzoek tot schadevergoeding ingediend. De raadsman van de benadeelde partijen heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat de vorderingen inmiddels volledig door de verzekeraar zijn voldaan. Dit betekent dat deze vorderingen in hoger beroep niet langer worden gehandhaafd en daarmee niet meer aan de orde zijn. Het hof zal daarop dan ook geen beslissing meer behoeven te nemen.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Gilhuis, D.J. Stahlie en mr. M. Nooijen, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 maart 2026.
mr. K. Gilhuis en mr. M. Nooijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.