[verdachte] ,
gevestigd in [plaats] , [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 3 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.L.J.J. Nelissen, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, en is verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00, waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist. Het hof bevestigt daarom het vonnis - met aanvulling van een overweging over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en een verbetering van de gebezigde bewijsmiddelen - behalve voor zover het de straf betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, te weten met ruim twee jaren en drie maanden, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het maatschappelijke belang bij normhandhaving weegt in dit uitzonderlijke geval niet op tegen het fundamentele recht van verdachte op een tijdige en eerlijke berechting.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat bij een overschrijding van de redelijke termijn het openbaar ministerie zelfs in uitzonderlijke gevallen nooit niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Oordeel van het hof
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een overschrijding van de redelijke termijn op zichzelf – en dus zonder dat daarnaast is vastgesteld dat (mede) als gevolg van die overschrijding sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn – nooit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van een verdachte (ECLI:NL:HR:2025:1875)).
Van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn is niet gebleken. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.
Verbetering van de gebezigde bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in zoverre dienen te worden verbeterd dat de vindplaats van de door de rechtbank onder nummer 10 en 14 gebezigde bewijsmiddelen dienen te worden opgenomen als:
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 november 2021
14. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 november 2021
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 37.000,00, waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, indien het feit wordt bewezenverklaard, primair te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen. Meer subsidiair, indien een (deels) onvoorwaardelijke geldboete wordt opgelegd, heeft de raadsman verzocht om deze te matigen, gelet op het tijdsverloop.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en het maatschappelijk functioneren van verdachte.
Een werknemer van verdachte is van een verdiepingsvloer gevallen omdat er geen bescherming tegen valgevaar was. Hij werkte met andere werknemers op meer dan 250 cm hoogte. Verdachte heeft de Arbowet overtreden en heeft zich niet gehouden aan de in het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van haar werknemers. Verdachte heeft de op haar rustende zorgplicht verzaakt. Daardoor is de werknemer van verdachte bij de uitvoering van zijn werkzaamheden ernstig gewond geraakt en later aan zijn verwondingen overleden. Dit heeft veel leed veroorzaakt bij de nabestaanden. Niet alleen het slachtoffer, maar ook andere werknemers van verdachte zijn in gevaar gebracht..
De Arbowet en bijbehorende regelgeving beogen dit soort ongevallen op de werkvloer te voorkomen. Daartoe worden werkgevers verplicht een adequaat veiligheidsbeleid te voeren en concrete maatregelen te nemen. Het veiligheidsbeleid van verdachte en in ieder geval de uitvoering daarvan op de betreffende werklocatie is tekortgeschoten. Het kenbare risico van valgevaar voor haar werknemers is niet voldoende ondervangen of beperkt. Dat rekent het hof verdachte aan.
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld, zodat dat niet strafverhogend werkt.
De redelijke termijn is in hoger beroep fors overschreden, wat juist in deze zaak waarin het overlijden van [slachtoffer] te betreuren is, zwaar weegt. De impact van dit overlijden op de kleine gemeenschap waarin niet alleen [slachtoffer] woonde, maar ook verdachte als familiebedrijf gevestigd is kan enkel groot worden genoemd. Meer in het bijzonder is die impact groot geweest voor zowel de nabestaanden van [slachtoffer] als voor de familie [naam] . Twee van de zonen van [naam] voerden op het moment van het ongeval dezelfde werkzaamheden op dezelfde werkplaats uit als die [slachtoffer] fataal is geworden. De onderhavige strafzaak had dan ook veel eerder behandeld moeten worden.
Gelet op het lange tijdsverloop van de zaak acht het hof een voorwaardelijk deel van de geldboete niet langer opportuun. Ook zal de geldboete als geheel door het lange tijdsverloop lager uitvallen.
Al het voorgaande in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat een geldboete van € 25.000,00 passend en geboden is.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. A.H. Garos, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. S. Bek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Salvino, griffier,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.