GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.194
zaaknummer rechtbank Gelderland 462540
arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. D. Coskun
tegen
Greenchoice Zakelijk N.V.
die is gevestigd in Nijmegen
die optreedt als verweerster
en bij de rechtbank optrad als verzoekster
hierna: Greenchoice
advocaat: mr. B.T. van Onna
1. De procedure bij de rechtbank
Bij verstekvonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2026 is [appellant] op verzoek van Greenchoice in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot curator aangesteld mr. M.A. Oostendorp, advocaat te Velp.
[appellant] is op 2 februari 2026 in verzet gekomen tegen het vonnis van 20 januari 2026 waarin zijn faillissement is uitgesproken.
Bij vonnis van 17 februari 2026 heef de rechtbank het verzet tegen het vonnis van 20 januari 2026, waarbij [appellant] in staat van faillissement is verklaard, afgewezen.
Het hof verwijst naar de vonnissen van 20 januari 2026 en 17 februari 2026.
2. De procedure bij het hof
Bij op 20 februari 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 20 januari 2026 en 17 februari 2026. [appellant] verzoekt deze vonnissen te vernietigen en het verzoek tot faillietverklaring van Greenchoice alsnog af te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met bijlagen 1 en 2,
- een e-mail van 3 maart 2026 van Greenchoice met het verzoekschrift van 18 december 2025 met producties 1 tot en met 5;
- een e-mail van 4 maart 2026 van [appellant] met bijlagen 3 en 4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Coskun en een tolk. Namens Greenchoice is mr. D. Madrawski verschenen. Verder is de waarnemend curator, mr. S.J.B. Drijber verschenen. Ter zitting heeft mr. Madrawski spreekaantekeningen overgelegd.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
Kern van de zaak
[appellant] had een eenmanszaak met de naam Kebab Delight. Op 20 oktober 2023 is hij een overeenkomst met Greenchoice aangegaan voor het leveren van energie voor de duur van drie jaar. Volgens Greenchoice heeft zij een opeisbare vordering op [appellant] van totaal € 22.430,84. [appellant] heeft dit niet betwist. Op 30 januari 2025 was door Greenchoice een eerder faillissementsverzoek ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is ingetrokken nadat er met [appellant] een betalingsregeling was overeengekomen. [appellant] is deze betalingsregeling niet volledig nagekomen. De onderneming van [appellant] is opgeheven met ingang van 14 augustus 2025. Op 15 januari 2026 is aan [appellant] door de gemeente Arnhem een bijstandsuitkering toegekend.
Greenchoice heeft verzocht [appellant] in staat van faillissement te verklaren. De rechtbank heeft [appellant] bij verstekvonnis van 20 januari 2026 in staat van faillissement verklaard. Het verzet van [appellant] tegen dit vonnis heeft de rechtbank bij vonnis van 17 februari 2026 afgewezen, omdat sprake is van een faillissementssituatie bij [appellant] en Greenchoice geen misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen en dat Greenchoice met het faillissement aan te vragen geen misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een op het moment van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager alsmede van het (op het moment van het arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft, is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand (het zogenoemde pluraliteitsvereiste). Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
De toestand van te hebben opgehouden te betalen
Het vorderingsrecht van Greenchoice wordt door [appellant] ook in hoger beroep niet betwist, zodat dit vaststaat. Daarnaast heeft de waarnemend curator op de mondelinge behandeling onbetwist verklaard dat er sprake is van een schuld aan de belastingdienst van € 300.000,- en van € 140.000,- aan schulden aan overige crediteuren. Hiermee staat eveneens vast dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. [appellant] heeft bovendien erkend dat hij in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Hij is gestopt met zijn onderneming en ontvangt op dit moment een bijstandsuitkering. Dit brengt mee dat voldoende is gebleken dat [appellant] in een faillissementstoestand verkeert.
Belang bij de aanvraag
[appellant] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd hij zich in november 2025 bij de gemeente Arnhem heeft gemeld voor een schuldhulpverleningstraject en dat hij al in contact is met een bewindvoerder die door de gemeentelijke schuldhulpverlening is aangewezen om een schuldsaneringstraject te starten. Volgens [appellant] heeft Greenchoice tegen deze achtergrond geen belang bij het faillissementsverzoek. Er valt redelijkerwijs te verwachten dat het faillissement niet tot een uitkering aan Greenchoice of een andere schuldeiser zal leiden. De curator wordt ten onrechte en onnodig tewerkgesteld, terwijl de gemeente al de nodige kosten en moeite heeft genomen om hem te helpen met zijn schulden, aldus steeds [appellant] .
Niet is gebleken dat Greenchoice misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid het faillissement aan te vragen. Zij heeft een vordering op [appellant] . Hij heeft van de afgesproken acht termijnen van de betalingsregeling maar twee termijnen betaald. [appellant] heeft Greenchoice ook niet op de hoogte gebracht van het door hem bij de gemeente Arnhem gestarte schuldhulpverleningstraject. Dat redelijkerwijs te verwachten valt dat het faillissement niet tot een uitkering aan Greenchoice zal leiden, is nog niet vast te stellen en is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat Greenchoice geen belang heeft bij het faillissementsverzoek. Greenchoice wist op het moment van haar faillissementsaanvraag niet dat [appellant] een bijstandsuitkering ontving en een schuldhulpverleningstraject was gestart en het is ook niet aan haar om dat na te vragen of uit te zoeken.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 17 februari 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, N.M. Brouwer en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.