[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Vonnis
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001332-25
Uitspraakdatum: 13 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 maart 2025 met parketnummer 16-327396-23 in de strafzaak tegen:
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 27 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Dorrestein, hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor:
meerdaadse samenloop van:
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is beslist op het beslag en ten slotte op de verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op goede gronden en juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden bevestigen, behalve voor zover het betreft de opgelegde straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis hanteert het hof een iets andere strafmotivering dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis – mede gelet op helderheid in de strafoplegging – dan ook worden vernietigd. Ter vermijding van misverstanden: de bevestiging betreft ook de beslissing van de rechtbank over het beslag.
Het hof zal aldus het vonnis bevestigen, met dien verstande dat:
Aanvulling van gronden
Het hof heeft in aanvulling op de bewijsmiddelen uiteengezet in het vonnis, de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor het bewijs.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wat zag je dan aan de kat?
A: Volgens mij was het gewoon de hele kat die in de fik stond. Het was voor mij gewoon een rennende vuurbal.
Een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij waren belast met het onderzoeken van de mobiele telefoon van verdachte [verdachte] .
Wij verbalisanten hebben de Google Chrome app op de telefoon geopend en hebben de zoekgeschiedenis bekeken. Wij zagen dat er op woensdag 6 december 2023 om 01.20 uur, via google.com, is gezocht op de volgende term: Kat vergiftigen.
Wij zagen dat er op woensdag 6 december om 19.01 uur, via google.com, is gezocht op de volgende term: Dodelijk vergif voor katten.
Wij zagen dat er op zaterdag 9 december 2023 om 02.33 uur, via google.com, is gezocht op de volgende term: Dodelijk vergif voor katten.
Verbetering van de kwalificatie
De in het vonnis opgenomen kwalificatie van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde betreft, gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering, een kennelijke misslag, die op de strafbepaling geen invloed zal hebben gehad, en die zich om die reden leent voor verbeterde lezing.
Het hof is derhalve van oordeel dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde verbeterd dient te worden gelezen, als volgt:
Meerdaadse samenloop van:
Feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Feit 2
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zestien maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van honderd dagen waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast kan de maximale werkstraf van 240 uren worden opgelegd.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof sluit grotendeels aan bij dat wat door de rechtbank is overwogen. De uit het vonnis overgenomen overwegingen zijn cursief weergegeven. Waar hierin ‘de rechtbank’ staat moet worden gelezen ‘het hof’. Het deel of de delen die niet cursief weergegeven zijn, zijn de toevoegingen of aanpassingen van het hof.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft, onder invloed van alcohol en verschillende soorten drugs, brand gesticht in de woning van zijn vriendin. Verdachte heeft dit op een hele nare wijze gedaan: hij heeft daarbij één van de katten van zijn vriendin met een ontvlambare/brandbare stof bespoten en die in brand gestoken. De kat is al brandend door de woonkamer gerend en moest uiteindelijk geëuthanaseerd worden. Het leed van de kat moet enorm zijn geweest. Verdachte heeft desondanks geen enkele poging gedaan de brandende kat te blussen. Hij werd languit liggend op de bank in de woonkamer aangetroffen, terwijl de kat nog in brand stond. Verdachte heeft hiermee aangetoond dat het enorme leed van de kat hem geheel koud liet. Verdachte heeft zich met zijn handelen niet verplaatst in de gevoelens van een levend wezen en het hof rekent dit verdachte aan.
Naast dat dierenleed heeft verdachte met zijn handelen echter ook een levensgevaarlijke situatie doen ontstaan. Op het moment van de brandstichting lag de vriendin van verdachte boven te slapen. Indien de brandende kat dan ook tot een verdere verspreiding van de brand had geleid – wat volgens het NFI heel goed had gekund – waren zij en haar dochter, die ook boven in bed lag, in levensgevaar geweest.
De persoon van verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 21 juni 2024 en de Pro-Justitia rapportage van 8 maart 2024. Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering bij een bewezenverklaring adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit de Pro-Justitiarapportage volgt – kortgezegd – dat de deskundigen geen stoornis bij verdachte hebben kunnen vaststellen, die mogelijk van invloed is geweest op het ten laste gelegde.
Oplegging van de straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de impact en de gevolgen van de brandstichting, waaronder het daarbij ontstane gevaar voor personen en goederen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, gelet op de houding van verdachte en in de inhoud van het reclasseringsrapport, geen aanleiding ziet om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Wel komt het hof tot een lagere strafoplegging dan door de advocaat-generaal is geëist, omdat het hof niet is gebleken dat verdachtes handelen gericht was op gevaar voor de woning of anderen veroorzaken. Verdachte heeft een kat in brand gestoken en daarmee was voorzienbaar dat gevaar voor de woning en anderen door hem werd veroorzaakt. Het hof is echter niet gebleken dat de locatie waar hij de kat in brand stak, namelijk in het huis, voor verdachte bij zijn handelen relevant was. Gelet op zijn intentie had het handelen van verdachte ook buiten de woning kunnen hebben plaatsgevonden. Ook heeft het hof bij de strafoplegging in aanmerking genomen dat verdachte inmiddels bij [instelling] in behandeling is gegaan voor zijn drugsgebruik, omdat hij zich realiseert dat hij niet opnieuw zulk weerzinwekkend gedrag wil vertonen.
Alles afwegende acht het hof, in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft ter zitting verzocht om, indien het hof overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De onzekerheid van een oproepingsdatum voor detentie in de toekomst, maakt dat verdachte dan niet weet waar hij aan toe is. Hij gaat daaronder gebukt en geeft er de voorkeur aan om een eventuele detentie direct te kunnen ondergaan.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, conform bovenstaand verzoek van de verdediging.
Gezien deze standpunten zal het hof in dit geval overgaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2.1 van de Wet dieren.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,
mr. O.O. van der Lee en mr. B.A.A. Postma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 13 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.