ECLI:NL:GHARL:2026:1697

ECLI:NL:GHARL:2026:1697

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 21-001281-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Onderzoek Counter 03. Veroordeling voor het medeplegen van het namaken van bankbiljetten, meermalen gepleegd, het medeplegen van het in omloop brengen van valse bankbiljetten, meermalen gepleegd, het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het maken van valse bankbiljetten, meermalen gepleegd en verduistering. Anders dan de rechtbank ook veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 540 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast is beslist op het beslag.

Uitspraak

[verdachte] ,

Hoger beroep

Onderzoek van de zaak

Het vonnis

Tenlastelegging

Waarover gaat het in deze zaak?

Verweren

Bewijsmiddelen

Bewijsoverwegingen

Bewezenverklaring

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Strafbaarheid van verdachte

Oplegging van straf en/of maatregel

Beslag

Afdeling strafrecht

Parketnummer:21-001281-23

Uitspraakdatum:19 maart 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2023 met parketnummer 16-206407-21 in de strafzaak tegen

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 5 maart 2026 en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. L.M.E. Kleczewski, hebben aangevoerd.

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2023:

Het hof komt in dit arrest tot een andere bewijsbeslissing dan de rechtbank Midden-Nederland ten aanzien van feit 4 en tot andere kwalificaties van bewezenverklaarde strafbare feiten. Ook komt het hof tot een andere strafoplegging.

Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging nader omschreven. Aan verdachte is na deze nadere omschrijving ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 20 Euro en/of 50 Euro heeft nagemaakt en/of heeft vervalst, (telkens) met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven;

2.

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een (grote) hoeveelheid bankbiljetten van 20 Euro en/of 50 Euro, die verdachte en/of zijn mededaders zelf hebben nagemaakt en/of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn mededaders, toen hij/zij die bankbiljetten ontving(en), bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, (telkens) zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd, ingevoerd, doorgevoerd en/of heeft uitgevoerd;

3.

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (onder meer) een (grote) hoeveelheid (ivoorwit A4) (print)papier en/of (inkt)cartridges en/of snijplanken en/of (een) ( Canon ) printer(s) en/of hologrammen en/of linialen en/of verlengsnoeren en/of messen (telkens) heeft vervaardigd, ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat deze bestemd was/waren tot het namaken of vervalsen van bankbiljetten;

4.

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit het vervaardigen en/of in omloop brengen van valse bankbiljetten;

5.

hij op of omstreeks 22 november 2021 te [plaats] ,

- een betaalkaart op naam van [naam] en/of

- een paspoort op naam van [naam] ,

althans (een) goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/die goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

hij op of omstreeks 22 november 2021 te [plaats] , opzettelijk

- een betaalkaart op naam van [naam] en/of

- een paspoort op naam van [naam] ,

geheel of ten dele toebehorende aan genoemde eigenaren, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

In deze zaak gaat het met name om de verdenking dat verdachte zich samen met anderen op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan het in georganiseerd verband vervaardigen en in omloop brengen van valse bankbiljetten van 20 euro en 50 euro. Het opsporingsonderzoek is begonnen toen op 9 februari 2021 door de koeriersdienst DHL Express bij de controle van een pakketje 274 valse biljetten van 50 euro werden aangetroffen. Deze biljetten zijn in beslag genomen en onderzocht door het Nationaal Analyse Centrum van De Nederlandsche Bank. Op grond van de valsheidskenmerken zijn de biljetten gecategoriseerd in zogenaamde indicatieven. De politie heeft naar aanleiding van het aantreffen van de valse biljetten door DHL Express een onderzoek ingesteld onder de naam 03Counter. Tijdens het onderzoek zijn valse biljetten van 20 euro en biljetten van 50 euro aangetroffen met vergelijkbare indicatieven. Op 16 mei 2022 waren er in totaal meer dan 20.000 biljetten van die indicatieven aangetroffen in verschillende Europese landen.

De economische schade wordt berekend op in totaal € 641.790,00.

Tijdens dit onderzoek is ook de verdenking ontstaan van heling dan wel verduistering door verdachte van een paspoort en een betaalkaart.

In de procedure in hoger beroep zijn ook de zaken van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan de orde. Ook in die zaken wijst het hof vandaag arrest.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde en de strafmaat. Het openbaar ministerie kan zich voor wat betreft de andere tenlastegelegde feiten vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft primair verzocht het vonnis te bevestigen.

Ten aanzien van feit 4 heeft zij bepleit dat onvoldoende blijkt van de benodigde mate van structuur van de organisatie om deelname aan een criminele organisatie te kunnen bewijzen.

Het hof kan zich vinden in de wijze waarop de bewijsmiddelen voor de feiten 1, 2, 3 en 5

door de rechtbank zijn uitgewerkt en gebruikt dezelfde bewijsmiddelen, aangevuld met de verklaring van verdachte op de zitting in hoger beroep.

Alle bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt in de procedure in hoger beroep zijn ten behoeve van de omvang ervan en de leesbaarheid van dit arrest als bijlage aan dit arrest gehecht.

Feiten 1, 2 en 3

Het hof kan zich vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank (hieronder cursief opgenomen) en neemt die over:

Bekennende verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan de verdenkingen zoals tenlastegelegd onder feit 1, 2. en 3. Deze bekennende verklaring kan als uitgangspunt worden genomen en vindt verder steun in de overige bewijsmiddelen.

Deze bewijsmiddelen leiden tot de volgende vaststellingen.

Aankopen bij [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf]

Verdachte en/of zijn medeverdachten hebben in de periode van 1 januari 2020 tot en met 18 november 2021 bij [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] printpapier van het merk [bedrijf] kleur ivoorwit en inktcartridges van het merk Canon , type CL513 kleur aangekocht. De aankopen zijn telkens betaald via een bankrekening op naam van medeverdachte [medeverdachte 5] , een PayPal-account op naam van [naam] , in combinatie met het e-mailadres [e-mail adres] , of met een Belgische bankrekening op naam van [naam] . De gegevens die bij het bestellen werden opgegeven, betreffen het telefoonnummer [telefoonnummer] , de adresgegevens van verdachte [medeverdachte 1] en het e-mailadres [e-mail adres] . Bij één van de bestellingen werd als ontvanger de naam [naam] opgegeven, wat waarschijnlijk een afkorting is van medeverdachte [medeverdachte 4] . Bij een aantal andere bestellingen werd de naam [naam] of [naam] opgegeven. Voor de bestelling bij [bedrijf] is een account gemaakt op naam van [medeverdachte 4] , met daarbij het telefoonnummer [telefoonnummer] . [verdachte] heeft bevestigd dat dit telefoonnummer hem toebehoorde. Er werden met dat account meermalen katoenpapier en inktcartridges besteld.

Productielocaties

[verdachte] huurde achtereenvolgens een schuur bij de woning van [medeverdachte 5] aan de [adres] te [plaats] en een kamer in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres] te [plaats] .

Op 5 oktober 2021 is middels heimelijke inkijk in de schuur van de [adres] te [plaats] een productielocatie voor het produceren van vals geld aangetroffen. Op 22 november 2021 is in de woning aan de [adres] te [plaats] eveneens een productielocatie voor het produceren van vals geld aangetroffen.

Betaalkaart [naam]

Meerdere van de hiervoor genoemde aankopen zijn betaald met de betaalkaart op naam van [naam] , die gekoppeld is aan een Belgisch bankrekeningnummer. [naam] heeft verklaard dat hij een account voor deze bankrekening in opdracht van [medeverdachte 1] heeft aangemaakt. [medeverdachte 1] wordt [medeverdachte 1] genoemd. Het adres van [medeverdachte 1] is ook gekoppeld aan deze bankrekening. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben ook bedragen op deze bankrekening gestort.

PayPal

Uit onderzoek naar het PayPal-account van [naam] blijkt dat het account op 20 juli 2020 is aangemaakt en dat aan het account het e-mailadres [e-mail adres] en het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld.

Verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben bedragen vanaf hun bankrekening overgemaakt naar dit PayPal-account. Op 6 oktober 2020 heeft [naam] een geldbedrag op het account gestort. Later bij de politie heeft [naam] verklaard dat hij valse biljetten had gekocht via het Telegramaccount [naam] . Ten tijde van dat verhoor was hij reeds een half jaar bezig met het kopen van vals geld. In de contactenlijst van de telefoon van [naam] is nummer [telefoonnummer] gekoppeld aan contact [naam] . Op het PayPal-account is ingelogd vanaf het IP-adres dat gekoppeld is aan het adres van [medeverdachte 5] .

Verkoop

Met het Telegram-account [naam] zijn in de periode van 25 augustus 2020 tot en met 27 december 2020 zes berichten/foto’s geplaatst waarin biljetten van 50 euro worden aangeboden waarbij het gebruik van haarlak voor nepgeld wordt beschreven. Het account is gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] . Op de foto’s zijn 50 euro biljetten te zien. Op één van die biljetten is een serienummer te zien dat voorkomt in het indicatief J10.

Het telefoonnummer [telefoonnummer] (dat hoort bij [verdachte] ) is gekoppeld aan het Telegram-account [naam] . Met dit Telegram-account zijn in de periode van 27 oktober 2020 tot en met 7 juli 2021 in meerdere groepen meerdere berichten geplaatst waarin valse biljetten van 20 euro en 50 euro worden aangeboden door [naam]

Het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld aan het Telegram-account [naam] . Met dit account zijn in meerdere groepen meerdere berichten geplaatst waarin valse biljetten van 20 euro en 50 euro worden aangeboden. In deze berichten wordt tevens het telefoonnummer [telefoonnummer] getoond. De eerste datum waarop het account op Telegram te zien is, betreft 12 juli 2021. Dit nummer is ook opgegeven als contactnummer bij DHL voor de verzending van het pakketje dat is onderschept op 9 februari 2021.

Gebruikers telefoonnummers

De telefoonnummers [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ), [telefoonnummer] (hierna ( [telefoonnummer] ) en [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ) zijn gebruikt voor het aankopen van ivoorkleurig papier, grote hoeveelheden cartridges en het aanbieden van vals geld via het chatprogramma Telegram. Uit een analyse van de beschikbare politiegegevens, historische verkeersgegevens en locatiegegevens uit de tap van de hiervoor vermelde telefoonnummers volgt dat de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] zijn te koppelen aan verdachte [verdachte] . De politie concludeert verder dat niet uitgesloten dat het nummer [telefoonnummer] in gebruik (is geweest) bij verdachte [medeverdachte 2] .

Onderscheppen uitgaande postpakketten met vals geld

Op 9 februari 2021 wordt door [bedrijf] een enveloppe aangetroffen met daarin 274 valse biljetten van 50 euro. De ontvanger betreft [naam] met een adres in Berlijn. Voor de verzending is betaald met het bankrekeningnummer op naam van verdachte [medeverdachte 2] . Dit bankrekeningnummer is tevens gebruikt voor het betalen van verzendingen op 3 februari en 5 februari 2021, welke bestellingen eveneens naar het adres in Berlijn zijn verstuurd. Als afzender werd daarbij de naam [naam] vermeld.

OVC-gesprekken

In de auto van [verdachte] is afluisterapparatuur geplaatst en zijn gesprekken in de periode van 20 augustus 2021 tot en met 9 oktober 2021 opgenomen. Op meerdere momenten in deze periode wordt door diverse personen in de auto gesproken over het bestellen van goederen, het produceren van vals geld en de verkoop daarvan.

Baken auto van [verdachte]

Door middel van een baken zijn de reisbewegingen van de auto van [verdachte] geregistreerd. Hieruit blijkt dat het voertuig in de periode van 9 augustus 2021 tot en met 20 november 2021 veelvuldig in de buurt is geweest van de diverse afhaallocaties waar de bij [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] bestelde goederen zijn afgeleverd. Het voertuig stond in de periode van 12 augustus 2021 tot en met 24 oktober 2021 veelvuldig rond de [adres] te [plaats] geparkeerd. Het voertuig reed regelmatig naar vaste locaties in [plaats] , [plaats] en [plaats] , waarbij het voertuig telkens korte tijd stil heeft gestaan en vervolgens weer is teruggekeerd naar [plaats] . Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] dat hij twee vaste afnemers had.

Verplaatsingen van de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt dat deze in de periode van 8 mei 2021 tot en met 26 september 2021 zeer regelmatig masten rond de [adres] te [plaats] hebben aangestraald. Daarnaast blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 2] negentien keer masten heeft aangestraald in de buurt van de [adres] te [plaats] en de telefoon van [medeverdachte 1] twee keer. Uit de historische verkeersgegevens van de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in combinatie met de bakengegevens van de auto van [verdachte] kan worden afgeleid dat iedere keer als [verdachte] naar [plaats] of [plaats] reed, hij in gezelschap was van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] .

Doorzoekingen

De woningen van meerdere verdachten en de auto van [verdachte] zijn door het opsporingsteam van de politie doorzocht. In deze auto is onder meer een boek aangetroffen met daarin geldbiljetten van 20 euro, 50 euro en 100 euro. Een aantal van die biljetten heeft serienummers die overeenkomen met serienummers van de valse biljetten die voorkomen in de indicatieven in het onderhavige onderzoek, te weten J10, J11 en C124. Verder zijn bij [verdachte] snijplanken aangetroffen, brieven van UPS gericht aan [medeverdachte 4] en facturen van [bedrijf] . In de iPhone 8 die bij [verdachte] is aangetroffen was de applicatie “ [naam] ” geïnstalleerd.

In de woning van [medeverdachte 1] heeft de politie een schoenendoos met 223 valse biljetten van 20 euro, 1.194 valse biljetten van 50 euro en drie pakken papier gevonden. Ook is er een plastic zak aangetroffen met eenenveertig valse biljetten van 20 euro, een leeg vel waar hologramstickers op hebben gezeten, vier langwerpige hologrammen van biljetten van 50 euro en een handgeschreven briefje met de tekst [naam]

In de woning van [medeverdachte 2] is een tas aangetroffen met daarin een leeg vel waar hologramstickers op hebben gezeten, een vals biljet van 50 euro, een vals biljet van

50 euro dat aan één zijde geprint is, meerdere losse geprinte serienummers, meerdere kleine fragmenten van een 50 euro biljet met daarop serienummers, twee langwerpige hologrammen van biljetten van 50 euro, een langwerpig hologram van een biljet van 20 euro en lege verpakkingen van linialen.

In de schuur van de woning van [medeverdachte 5] zijn twee vuilniszakken met papierresten, snijplanken, een printer, lege dozen van [bedrijf] en [bedrijf] aangetroffen. In de papiercontainer zat een vuilniszak met papierresten.

In de woning van [medeverdachte 3] trof de politie vijf printers, inktcartridges, hologrammen van biljetten van 20 euro en 50 euro, meerdere linialen, meerdere mesjes, lege stickervellen, papier en drie valse biljetten van 50 euro aan.

In de woning van [medeverdachte 5] heeft de politie een vals biljet van 50 euro en een tas met hologrammen en portretramen van biljetten van 20 euro en 50 euro, papier en een papiersnijder gevonden.

Bevindingen laptop op productielocatie

Op de kamer die [verdachte] huurde in de woning van [medeverdachte 3] is ook een laptop aangetroffen. Op die laptop is onder meer een document genaamd [naam] aangetroffen. De laptop is veelvuldig gebruikt om de website [website] te bezoeken. Ook zijn in de laptop drie etiketten van DHL voor het versturen van pakketten aangetroffen met als afzender [naam] . De naam [verdachte] is gekoppeld aan een aantal Word-documenten die afbeeldingen bevatten van watermerken zoals die worden gebruikt bij biljetten van 20 euro en 50 euro. Ten slotte zijn op deze laptop diverse afbeeldingen aangetroffen van watermerken, hologrammen en diverse eurobiljetten.

Verhoren [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

[verdachte] heeft bij de politie bekend samen met anderen vals geld te hebben geproduceerd in de schuur van [medeverdachte 5] en in de woning van [medeverdachte 3] . Daarnaast heeft hij bekend vals geld te hebben verkocht en goederen te hebben besteld die bestemd zijn voor het namaken van vals geld. [medeverdachte 2] heeft bij de politie bekend samen met [verdachte] vals geld te hebben geproduceerd in de schuur van [medeverdachte 5] en in de woning van [medeverdachte 3] en voor postpakketten te hebben betaald. [medeverdachte 1] heeft bekend vals geld voor anderen te hebben bewaard.

Conclusie

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof, net als de rechtbank, af dat verdachte in ieder geval samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij het vervaardigen van en de handel in grote hoeveelheden valse bankbiljetten van 20 euro en 50 euro.

Feit 4

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:

De inhoud van het dossier wijst er zonder meer op dat verdachte enige tijd samen met anderen (te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] ) strafbare feiten heeft gepleegd. Voor de vaststelling dat zij een criminele organisatie vormden, met het oogmerk om strafbare feiten te plegen, is naar het oordeel van de rechtbank echter ook nodig dat uit het dossier in enige mate blijkt wat de structuur was van de organisatie. Uit de bewijsmiddelen volgt dat meerdere verdachten toegang hadden tot één of meer mailadressen, telefoonnummers, bankrekeningen, telegram-accounts en handleidingen die gebruikt zijn voor kort gezegd het maken en verkopen van vals geld. Maar hoe deze hulpmiddelen zijn verstrekt, verspreid, gedeeld en wie daar zeggenschap over had, blijkt nergens uit. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake was van een onderlinge taak- en/of rolverdeling. Er is voorts slechts in zeer beperkte mate duidelijk geworden in hoeverre sommige verdachten onderling contact hadden over het valse geld en waar die contacten op zagen. Een overlegstructuur kan op basis daarvan niet worden vastgesteld en evenmin dat de verdachten als groep gemeenschappelijke regels hanteerden. Nu ook niet is gebleken van andere aanwijzingen die erop duiden dat verdachte met zijn medeverdachten een samenwerkingsverband vormde zoals bedoeld in artikel 140 Sr, zal verdachte worden vrijgesproken van feit 4.

Het hof ziet dat anders.

Van een 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen.

Van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan alleen dan sprake zijn, als verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of in ieder geval bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.

Voor 'deelneming' in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien volgt dat verdachte en de medeverdachten in de tenlastegelegde periode betrokken zijn geweest bij het vervaardigen en het in omloop brengen van valse bankbiljetten.

Uit die bewijsmiddelen volgt dat sprake was van vaste productielocaties en ook dat binnen de groep van de betrokken verdachten overeenstemming was over de te gebruiken grondstoffen, zoals printers, papiersoort, inktcartridges, hologrammen, snijmaterialen, en de noodzaak om die grondstoffen steeds opnieuw in te kopen, waarvoor zij veelal dezelfde (kring van) leveranciers gebruikten.

Verder volgt daaruit dat is samengewerkt om bestelde grondstoffen op te halen of bezorgd te krijgen, om valse bankbiljetten te printen en om de aldus geproduceerde bankbiljetten ten verkoop aan te bieden en fysiek of per post af te (doen) leveren.

Tegen de achtergrond van het grote aantal bankbiljetten dat in de tenlastegelegde periode in omloop is gebracht, volgt uit de bewijsmiddelen ook dat, zij het wellicht gaandeweg, tussen verdachten onderling een gestructureerde werkwijze is ontstaan waarin elk van de verdachten op verschillende momenten - en soms in wisselende samenstellingen - in de tenlastegelegde periode zijn (eigen) bijdrage leverde. Dit alles steeds met het doel van het maken en verkopen van valse bankbiljetten. Mede gelet op het grote aantal bankbiljetten dat verdachten in omloop hebben gebracht, is het geheel aan door hen in verband daarmee ontplooide activiteiten te zien geweest als een geoliede machine waarmee de gestructureerdheid van het samenwerkingsverband is gegeven.

De ‘duurzaamheid’ van dat samenwerkingsverband volgt uit het gegeven dat de activiteiten verband houdende met de productie van en handel in valse bankbiljetten van de groep van verdachten als geheel gedurende een substantiële periode van 16 maanden, zoals die ten laste is gelegd, in de kern niet zijn veranderd.

Tegen de achtergrond van al het voorgaande oordeelt het hof, anders dan de rechtbank, dat minder ter zake doet dat niet voor elk van verdachten afzonderlijk aanwijsbaar is of en wie er (met wie) afspraken heeft gemaakt of wie (en waarover) er (een bepaalde mate van) zeggenschap had.

Feit 5

Het hof kan zich vinden in de bewijsoverweging van de rechtbank ten aanzien van feit 5 (hieronder cursief opgenomen) en neemt deze over:

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de betaalkaart en het paspoort op enig moment in zijn bezit heeft gekregen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer weet hoe deze goederen in zijn bezit zijn gekomen maar dat hij ze waarschijnlijk ooit gevonden heeft. Verdachte heeft de goederen vervolgens weggestopt in een kast op zijn slaapkamer.

Op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de goederen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van diefstal afkomstig waren. Maar door de betaalkaart en het paspoort weg te stoppen en deze niet naar de politie, de gemeente of naar de bank te brengen, heeft verdachte zich deze goederen wederrechtelijk toegeëigend en zich hierdoor schuldig gemaakt aan verduistering.

Dit maakt dat het hof, evenals de rechtbank, bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, meermalen gepleegd.

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op meerdere momenten in de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bankbiljetten van 20 Euro en 50 Euro heeft nagemaakt, telkens met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven;

2.hij op meerdere momenten in de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een grote hoeveelheid bankbiljetten van 20 Euro en 50 Euro, die verdachte en/of zijn mededaders zelf hebben nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, telkens zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd, doorgevoerd en heeft uitgevoerd;

3.hij op meerdere momenten in de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk onder meer een grote hoeveelheid ivoorwit A4 printpapier en inktcartridges en snijplanken en Canon printers en hologrammen en linialen en verlengsnoeren en messen telkens heeft ontvangen en zich heeft verschaft en voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat deze bestemd waren tot het namaken of vervalsen van bankbiljetten;

4.hij in de periode van 20 juli 2020 tot en met 22 november 2021 te [plaats] en [plaats] , heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit het vervaardigen en in omloop brengen van valse bankbiljetten;

5.

hij op 22 november 2021 te [plaats] , opzettelijk

- een betaalkaart op naam van [naam] en

- een paspoort op naam van [naam] ,

geheel of ten dele toebehorende aan genoemde eigenaren, welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van bankbiljetten namaken, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen, in voorraad hebben, vervoeren, doorvoeren en uitvoeren, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het ontvangen, zich verschaffen en voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het namaken van bankbiljetten, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

verduistering, meermalen gepleegd.

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 16 maanden lang schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het op professionele wijze vervaardigen en in omloop brengen van valse bankbiljetten van € 20,00 en € 50,00.

Deze organisatie had productielocaties opgezet in [plaats] en in [plaats] waar op grote schaal valse bankbiljetten werden vervaardigd. Om de bankbiljetten te kunnen maken werden op grote schaal inktcartridges en printpapier aangekocht bij [bedrijf] , [bedrijf] , [bedrijf] en [bedrijf] . Daarnaast werden onder meer hologramstickers en speciaal papier besteld uit China. Verdachte liet de bestellingen versturen naar ophaalpunten van PostNL en UPS, waar anderen de pakketjes in opdracht van verdachte ophaalde.

De vervaardigde bankbiljetten werden via tussenhandelaren en Telegramgroepen verkocht. Ook hebben verdachte en de medeverdachten op meerdere momenten valse biljetten via [bedrijf] opgestuurd naar een adres in Duitsland.

In totaal is er € 641.790,00 aan valse biljetten aangetroffen.

Daarnaast is tijdens het onderzoek gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering.

Het namaken en in omloop brengen van bankbiljetten is uit maatschappelijk oogpunt volstrekt onaanvaardbaar. Het vertrouwen dat mensen en bedrijven in de landen van de Eurozone hebben en moeten kunnen hebben in de waarde en echtheid van bankbiljetten, is een essentieel uitgangspunt voor het goed functioneren van een robuust handelsverkeer en een gezonde economie. Door het op deze schaal namaken en verspreiden van bankbiljetten wordt dit principe ondermijnd en bestaat het risico van ernstige ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. De ontvangers van de valse bankbiljetten worden bovendien in hun vermogen getroffen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze gevolgen en heeft kennelijk alleen maar oog gehad voor eigen financieel gewin.

De persoon van verdachte

Uit verdachtes strafblad van 2 februari 2026 volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld.

Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verteld over zijn persoonlijke

omstandigheden. Ook heeft het hof de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten

gelezen.

De straf

De rechtbank heeft verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 189 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 5 te veroordelen tot een gevangenisstraf van 33 maanden.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat, mocht het hof overgaan tot bewezenverklaring van feit 4, verdachte niet moet worden veroordeeld tot een hogere gevangenisstraf dan de rechtbank heeft opgelegd, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

Subsidiair heeft zij bepleit om voor de feiten 1, 2, 3 en 5 de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf op te leggen en feit 4 te bestraffen met een taakstraf.

Anders dan de rechtbank acht het hof feit 4, dus de deelneming aan een criminele organisatie, ook bewezen. Deelneming aan een criminele organisatie, met de aard en omvang van de feiten die in deze zaak zijn bewezenverklaard, is een ernstig strafbaar feit. Deze ernst dient ook in de strafoplegging tot uitdrukking te komen.

Oplegging van de door de rechtbank opgelegde straf, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, doet daarom in beginsel geen recht aan de door het hof bewezenverklaarde feiten.

Daartegenover staat het volgende.

Verdachte heeft over zijn aandeel in de feiten verklaard en maakt op het hof de indruk dat hij het strafbare van zijn handelen goed beseft. Verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde jongvolwassen. Hij draagt nu de zorg voor een gezin, verdient de kost en probeert zijn leven op te bouwen. Oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel hoger is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten, zou ertoe leiden dat al het opgebouwde instort en dat verdachte opnieuw zou moeten beginnen.

De bewezenverklaarde feiten zijn meer dan 4 jaar geleden gepleegd. Daarnaast is in de procedure in hoger beroep sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De zaak is niet binnen de termijn van 24 maanden afgerond met een einduitspraak. Er is sprake van overschrijding van deze termijn met 12 maanden.

Deze omstandigheden bij elkaar maken dat het hof een zwaardere straf oplegt dan de rechtbank deed. Maar het hof ziet geen aanleiding een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel langer duurt dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Om de ernst van de feiten te benadrukken komt het hof tot oplegging van een hogere voorwaardelijke straf dan de rechtbank en in de grotere rol van verdachte ziet het hof daarnaast aanleiding voor oplegging van een taakstraf.

Het hof zal verdachte al met al veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 364 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De bedoeling van het hof is dat verdachte door deze straf niet opnieuw gedetineerd raakt. Hij heeft immers al 176 dagen in detentie doorgebracht.

Daarnaast zal het hof verdachte veroordelen tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. In deze strafoplegging is de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd. Anders had het hof een gevangenisstraf opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel zes maanden hoger zou zijn geweest.

Omdat verdachte 176 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, betekent dit dus dat verdachte niet opnieuw gedetineerd zal raken.

Verbeurdverklaring

Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde is voorbereid en begaan met behulp van de onder verdachte inbeslaggenomen:

Deze voorwerpen behoren verdachte toe. Ze worden daarom verbeurdverklaard.

Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen balletjespistool (goednummer A.03.02.001) is aangetroffen tijdens het onderzoek naar de door verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 begane feiten. Het behoort aan verdachte toe en kan gebruikt worden voor het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot belemmering van de opsporing daarvan. Het hof onttrekt dit voorwerp aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Teruggave aan verdachte

Het hof zal de teruggave gelasten aan verdachte van de onder verdachte inbeslaggenomen

Het belang van strafvordering verzet zich daartegen niet.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft in het vonnis het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Nu de rechtbank hierop al heeft beslist, hoeft het hof hierover niet meer te beslissen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 140, 208, 209, 214 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 (vijfhonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 364 (driehonderdvierenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

iPhone (goednummer A.01.01.001 ):

iPhone zwart (goednummer A.01.01.002 ).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Balletjespistool (goednummer A.03.02.001).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

iPhone 12 (goednummer A.01.10.001);

Laptop Asus Model X550J zwart met adapter (goednummer A.01.07.001).

Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. J. Hielkema en mr. G.A. Versteeg, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?