GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.988
zaaknummer rechtbank Gelderland 11704805
beschikking van 23 maart 2026
in de zaak van
Stichting Quadraam (Quadraam)
die is gevestigd in Duiven
advocaat: mr. T.B. Vandeginste
en
[verweerster] ( [verweerster] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.F. Cunha Melo Rodrigues Nunes-Kocyigit
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Quadraam heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 29 augustus 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
2. De kern van de zaak
Quadraam is een scholengemeenschap, onder meer bestaande uit de middelbare school [school] (de school). [verweerster] was werkzaam als docent op de school. [verweerster] is op staande voet ontslagen, omdat zij niet direct heeft gemeld aan de school dat haar (toen nog) minderjarige dochter (de dochter), die ook leerling was op de school, een relatie had met een collega-docent van de school, net zo min als de relatie die [verweerster] zelf met diezelfde collega-docent had.
[verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en om Quadraam te veroordelen om aan haar een gefixeerde schadevergoeding van € 16.581,37, een transitievergoeding van € 38.166,85 en een billijke vergoeding van € 27.355,97 (alles bruto) te betalen, met een deugdelijke eindafrekening en netto-bruto specificatie, rente en kosten. Quadraam heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter heeft deze verzoeken van [verweerster] voor een belangrijk deel toegewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en dat aan [verweerster] een gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding (allebei als verzocht) moet worden betaald, met veroordeling van Quadraam in de kosten. De billijke vergoeding is (net als de eindafrekening) afgewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van Quadraam is dat de toegewezen verzoeken van [verweerster] alsnog worden afgewezen, met een verklaring voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is (en dat er geen aanspraak op een transitievergoeding bestaat) en veroordeling van [verweerster] om wat aan haar is betaald ter uitvoering van de bestreden beschikking aan Quadraam terug te betalen, met kosten. [verweerster] voert hiertegen verweer.
De bedoeling van het incidenteel hoger beroep van [verweerster] is dat zij alsnog een billijke vergoeding van € 15.000 toegewezen krijgt, met kosten. Quadraam voert hiertegen verweer.
Het hof zal beslissen dat Quadraam alsnog gelijk krijgt. Het hof is van oordeel dat het ontslag op staande voet van [verweerster] terecht is gegeven en zal dat voor recht verklaren. Daarom komt aan [verweerster] geen van de verzochte vergoedingen toe en dient zij de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding aan Quadraam terug te betalen, net als de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Een aparte verklaring voor recht over de transitievergoeding is daarbij niet nodig en zal dus niet worden gegeven. Het hof laat de beschikking van de kantonrechter dus niet in stand. Hieronder wordt uitgelegd hoe het hof tot deze beslissingen is gekomen.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Wat is er gebeurd?
[verweerster] , 48 jaar oud, is sinds 7 februari 2000 in dienst bij Quadraam. [verweerster] was werkzaam in de functie van docent [schoolvak] op de school. Haar loon bedroeg € 4.221,60 bruto per maand. Haar kinderen waren in de periode dat [verweerster] er werkte leerlingen op de school, onder wie de dochter.
[verweerster] had sinds 2017/2018 een relatie met collega-docent, de heer [naam1] . Geen van beiden heeft dit aan de school gemeld. Zij werkten samen in de vakgroep [schoolvak] en organiseerden en begeleidden (samen met andere docenten) de jaarlijkse schoolreis naar [plaats1] .
In haar laatste schooljaar, 2023/2024, kampte de dochter met ernstige psychische problemen, waarvoor zij langdurig onder behandeling stond, diverse therapieën volgde en medicatie gebruikte. In maart 2024 heeft de dochter aan [verweerster] verteld dat zij een (seksuele) relatie had met [naam1] , waarop [verweerster] aan de dochter heeft verteld dat ook zij een (seksuele) relatie met hem had. [verweerster] heeft haar eigen relatie met [naam1] hierop direct verbroken en ook de relatie tussen de dochter en [naam1] werd (voor zover aan [verweerster] bekend) beëindigd. Met de dochter ging het in deze periode slecht. [verweerster] heeft niet aan de school gemeld dat de dochter een relatie had gehad met [naam1] . De dochter is in juni 2024 geslaagd voor haar eindexamen en meerderjarig geworden.
Op maandag 10 maart 2025 zou de jaarlijkse schoolreis naar [plaats1] plaatsvinden, met onder anderen [verweerster] en [naam1] als begeleiders van een groep van 60 leerlingen. In het weekend hiervoor, op zondag 9 maart 2025, kwam [verweerster] erachter dat de relatie tussen de dochter en [naam1] nog/weer gaande was. [verweerster] heeft op zondag 9 maart 2025 contact opgenomen met [naam1] , hem uitgesloten van de schoolreis en hem aangespoord om het gesprek met de schoolleiding aan te gaan om uit te leggen waarom hij door [verweerster] van de schoolreis was uitgesloten. [naam1] heeft daarop gemeld aan school dat hij niet mee zou gaan naar [plaats1] . Laat op die zondagavond heeft [verweerster] bij de conrector de heer [naam2] ( [naam2] ) en bij de rector, de heer [naam3] ( [naam3] ) telefonisch gemeld dat [naam1] niet meeging, zonder uitleg te geven waarom niet. Nadat [naam2] met [verweerster] had afgestemd of [naam1] veilig was en of er nog voldoende begeleiding was voor de schoolreis is de groep de volgende ochtend vroeg met [verweerster] naar [plaats1] vertrokken.
Op die maandagochtend 10 maart 2025 heeft [naam1] tijdens een gesprek met de schoolleiding verteld dat hij een relatie had met de dochter (vanaf december 2023 tot in maart 2024, voortgezet na het voorjaar van 2024) en dat hij eerder een relatie had gehad met [verweerster] . Naar aanleiding hiervan is [naam1] op 11 maart 2025 op staande voet ontslagen.
[naam2] heeft in die week contact gehad met [verweerster] om te informeren hoe de schoolreis verliep, waarbij het ontslag van [naam1] ter sprake is gekomen. Op vrijdagavond 14 maart 2025 is [verweerster] met de groep teruggekeerd van de schoolreis.
Op maandagochtend 17 maart 2025 heeft een gesprek tussen [verweerster] en de schoolleiding plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft zij bevestigd dat zij sinds maart 2024 op de hoogte was van de (seksuele) relatie tussen [naam1] en de dochter, maar dat zij aannam dat die relatie toen meteen was beëindigd. Tevens heeft zij erkend zelf een jarenlange relatie met [naam1] te hebben gehad.
Quadraam heeft [verweerster] naar aanleiding van dit gesprek diezelfde dag op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat, voor zover van belang, het volgende:
“(...) U had de relatie van uw collega met uw toen nog minderjarige dochter -en leerling van de school- direct moeten melden. U heeft deze relatie evenmin gemeld nadat uw dochter van school is afgegaan. Uw handelen en nalaten is volledig in strijd met de toepasselijke omgangs- en integriteitsregels die ook zijn neergelegd in de omgangs- en integriteitscode van Stichting Quadraam, onder meer in strijd met de artikelen 8 en 10 daarvan. Uw collega had een seksuele relatie met uw minderjarige dochter, u was hiervan op de hoogte en daarmee op de hoogte van een strafbaar feit. U weet, althans behoort te weten, dat (minderjarige) leerlingen kwetsbaar zijn en dat het, als docent, een van uw taken is om een veilige (leer)omgeving te creëren. Een intieme relatie van een collega met een leerling is volstrekt onacceptabel. U heeft de onveilige omgeving voor deze -en overige- leerlingen in stand gelaten. U heeft ook nagelaten uw relatie met uw collega docent te melden. (...)
Bovenstaande gedragingen vormen dan ook objectief gezien, zowel ieder afzonderlijk, als
ook in onderling verband bezien een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW die
het ontslag op staande voet rechtvaardigen. Er is bovendien ook in subjectieve zin sprake
van een dringende reden, waarbij wij ook uw persoonlijke omstandigheden, voor zover bij
ons bekend, de duur van het dienstverband en de aard en de ernst van het hierboven
vermelde in ogenschouw hebben genomen. Van Stichting Quadraam kan redelijkerwijs
niet gevergd worden het dienstverband te laten voortduren. (...) ”
[verweerster] heeft berust in het ontslag en is inmiddels als docent werkzaam bij een andere school.
Ontslag op staande voet
Ontslag op staande voet is een ingrijpend middel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. De wet geeft de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld (artikel 7:677 lid 1 BW). De wet bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daar ook voorbeelden van. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever.
Volgens Quadraam was er sprake van een dringende reden, omdat van [verweerster] als docent mag worden verwacht dat zij, zodra zij ermee bekend raakt dat er sprake is/was van een (seksuele) relatie tussen een minderjarige leerling en een collega, dit direct meldt aan de school. Dat geldt ook als de docent de moeder is van de leerling. Het gaat hierbij om het grote belang van het waarborgen van een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, dat de individuele belangen en omstandigheden van [verweerster] en haar gezin overstijgt. Nu zij een jaar heeft gewacht voordat zij in actie kwam, en het vervolgens aan die collega (met wie zij zelf ook een niet-gemelde relatie had gehad) heeft overgelaten om zelf melding te doen van zijn grensoverschrijdende relatie, kon van de school redelijkerwijs niet worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren.
[verweerster] erkent dat er in het algemeen een meldplicht geldt, maar voert aan dat er in dit geval sprake was van zodanig bijzondere situatie dat van haar niet kon worden verwacht dat zij eerder handelde dan zij heeft gedaan. Volgens [verweerster] bevond haar dochter zich in een uiterst kwetsbare en zorgelijke toestand, waarin het risico op suïcide moest worden afgewend.
De kantonrechter heeft [verweerster] hierin gevolgd, omdat [verweerster] zich niet alleen als docent maar ook als moeder in een zodanig bijzondere situatie bevond dat het belang van de meldplicht in dit geval mocht wijken voor het belang van de dochter. Daarbij is meegewogen dat [verweerster] in maart 2025 alsnog ervoor heeft gezorgd dat de kwestie onder de aandacht van de schoolleiding kwam.
Tegen dat oordeel van de kantonrechter komt Quadraam op in hoger beroep.
Deze zaak heeft ontegenzeggelijk diep ingrepen in het leven van [verweerster] en haar gezin en is zeker ook voor Quadraam en degenen die als werknemers, leerlingen en ouders aan de school zijn verbonden zeer ingrijpend geweest. Dat komt door de aard van de zaak zelf maar ook door de uitgebreide media-aandacht die eraan is besteed. Voor een goede en zorgvuldige beoordeling zal het hof allereerst op een rij zetten welke regels er gelden in situaties waarin een docent een relatie heeft met een minderjarige leerling en vervolgens bekijken welke feiten en omstandigheden in dit geval doorslaggevend voor de te nemen beslissing zijn, waarbij de argumenten over en weer aan bod zullen komen.
De meldplicht
Quadraam is een stichting zoals bedoeld in artikel 3.16 Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020). Artikel 3.39 lid 3 WVO 2020 bepaalt het volgende:
Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon
zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid,
stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
De in lid 1 van artikel 3.39 WVO 2020 genoemde misdrijven zijn de misdrijven genoemd in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Het betreft seksuele misdrijven. In artikel 249 lid 1 WvSr zoals dat gold tot 1 juli 2024 is bepaald dat hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
In de wetsgeschiedenis van de met ingang van 1 juli 2024 in werking getreden titel XIV staat over het begrip ‘ontucht’:In de huidige zedentitel is het bestanddeel «ontuchtige handelingen» of «ontucht» een centraal bestanddeel. Hiermee wordt het wederrechtelijke karakter van de seksuele handelingen tot uitdrukking gebracht. Ontuchtig zijn handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal ethische norm. De huidige zedentitel bevat strafbepalingen met en zonder ontuchtbestanddeel. In de gevallen waarin de beschermde personen nagenoeg geheel weerloos zijn, zijn de handelingen «in zichzelf reeds ontuchtig (..) en daarmee misdrijven tegen de zeden» aldus de parlementaire geschiedenis.en ook:In het WODC-onderzoek is geconstateerd dat in de jurisprudentie met betrekking tot «ontucht plegen met» een ruime uitleg wordt gehanteerd, namelijk of en in hoeverre relevante seksuele interactie heeft plaatsgevonden tussen betrokkenen, het zogenoemde «interactiecriterium» uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.
In de Memorie van Toelichting op artikel 3.39 lid 3 WVO 2020 is het volgende opgenomen:
Bij zedenmisdrijven met minderjarige leerlingen kan de situatie ontstaan dat een personeelslid wel van zo'n strafbaar feit op de hoogte is, maar er voor kiest om zich niet met de zaak te bemoeien en er dus ook geen melding van te maken bij het bevoegd gezag. Om dit te voorkomen, is voorgeschreven dat een personeelslid, zodra hij of zij op de hoogte raakt, het bevoegd gezag moet informeren. De mogelijke dilemma's waartegen een personeelslid kan aanlopen in dit soort situaties, worden daarmee in geval van de in dit artikel bedoelde ernstige misdrijven doorbroken.
In de omgangs- en integriteitscode van Quadraam (de Code) staat in artikel 10 lid 2 het volgende vermeld:
Een intieme relatie van een medewerker met een leerling is onacceptabel. (…) Een intieme relatie met een collega wordt gemeld bij de leidinggevende.
In artikel 17 lid 1 is het volgende opgenomen:
Overeenkomstig artikel 3 van de Wet op het voortgezet onderwijs geldt in het geval van een vermeend zedendelict van een medewerker jegens een leerling of leerlingen onderling, voor alle werknemers een meldplicht richting de schoolleiding.
De Code is opgenomen op de website van Quadraam.
Uit deze regelgeving volgt onmiskenbaar dat in maart 2024 voor [verweerster] als werknemer/personeelslid van Quadraam de plicht gold om direct bij het bevoegd gezag (de schoolleiding) melding te doen van de seksuele relatie tussen de dochter, toen nog minderjarig en leerling van de school, en [naam1] , docent van de school.
Bijzondere omstandigheden
Quadraam komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval, vanwege bijzondere omstandigheden, [verweerster] als moeder voorrang heeft mogen geven aan het belang van de dochter boven het voldoen aan de meldplicht. Volgens Quadraam heeft de wetgever juist niet of nauwelijks ruimte gelaten voor uitzonderingen op de meldplicht, gelet op de Memorie van Toelichting op artikel 3.39 lid 3 WVO 2020. Bovendien heeft de kantonrechter stellingen van [verweerster] voor waar gehouden terwijl die waren betwist en onvoldoende onderbouwd. Volgens [verweerster] heeft de kantonrechter op dit punt de juiste afweging gemaakt.
Het hof stelt voorop dat uit de wet- en regelgeving, en meer in het bijzonder de wijzigingen in titel XIV WvSr met ingang van 1 juli 2024, duidelijk blijkt dat veel gewicht en belang is toegekend aan de meldplicht, ter voorkoming van seksuele misdrijven met minderjarige leerlingen, gepleegd door een docent. Voor Quadraam is, met het oog op haar plicht tot het waarborgen van een veilige leeromgeving op de school, (het handhaven van) deze meldplicht dan ook terecht van het grootste belang. Van een te rechtvaardigen uitzondering op die meldplicht zal, gelet op de veiligheid van de minderjarige kinderen die voor hun opleiding aan de school zijn toevertrouwd, slechts in uitzonderlijke (overmacht)situaties sprake kunnen zijn. Voor een dergelijke uitzondering is in elk geval op zichzelf onvoldoende dat de minderjarige leerling om wie het gaat een kind is van de medewerker die op de hoogte is geraakt van de seksuele relatie tussen die leerling en een docent. Ook het hebben van een eigen affectieve relatie met de betreffende docent maakt niet dat aan de meldplicht voorbij kan worden gegaan, in tegendeel. Dit betreft immers omstandigheden die te maken hebben met keuzes van die medewerker (eigen kind naar de school laten gaan waar men werkt, een relatie op het werk aangaan), waarbij in algemene zin de dilemma’s die deze keuzes teweegbrengen niet zwaarder mogen wegen dan de belangen die met de meldplicht worden gediend.
De vraag is of van [verweerster] in de omstandigheden van dit geval had kunnen en mogen worden verlangd dat zij in maart 2024, direct nadat de dochter aan haar had verteld over haar relatie met [naam1] , of in elk geval eerder dan in maart 2025, daarvan melding maakte bij Quadraam. De kantonrechter heeft geoordeeld van niet, vanwege feiten en omstandigheden die [verweerster] als moeder betroffen. In de bestreden beschikking (onder 4.5) staat daarover dat de dochter, die periode psychisch zeer kwetsbaar was, langdurig onder behandeling stond, diverse therapieën had gevolgd en medicatie gebruikte, en rond de onthulling van de relatie met [naam1] tot tweemaal toe een serieuze zelfmoordpoging heeft gedaan. Ook heeft de kantonrechter overwogen dat [verweerster] daarover heeft verklaard dat zij gedurende langere tijd dag en nacht voor haar dochter heeft gezorgd en zij en haar echtgenoot afwisselend bij dochter op de kamer sliepen uit angst dat zij opnieuw een zelfmoordpoging zou doen en dat [verweerster] in die periode niet in staat was om helder te denken. Ook heeft de kantonrechter overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat Quadraam geen kennis heeft gehad van de psychische problemen van de dochter van [verweerster] .
Quadraam erkent dat de dochter in haar laatste schooljaar kampte met (ernstige) psychische problemen, maar betwist bij gebrek aan wetenschap de aard, ernst en duur van de door [verweerster] gestelde noodsituatie (met suïcidegevaar) en de onmogelijkheid voor [verweerster] om (gedurende het hele jaar van maart 2024 tot maart 2025) helder te denken.
Uit een door [verweerster] overgelegde verklaring van de behandelend kinder- en jeugdpsychiater van 8 maart 2024 blijkt onder meer dat er bij de dochter in het voorafgaande jaar sprake is geweest van stemmingswisselingen, automutilatie, een geuite doodswens en weglopen, waarbij veel spanning met de school te maken lijkt te hebben. Op woensdag 20 maart 2024 heeft [verweerster] in de ochtend telefoonoproepen gedaan naar het alarmnummer, de huisartsenpraktijk en naar [naam2] . Op dezelfde dag heeft de echtgenoot van [verweerster] naar medewerkers van Quadraam (de zorgcoördinator, de teamleider en de mentor van de dochter op school) een e-mail verzonden waarin hij schrijft dat [verweerster] in de nacht van 18 op 19 maart 2024 met de dochter naar de huisartsenpost is gereden om twee snijwonden die de dochter zichzelf had toegebracht te laten hechten, en dat op 20 maart 2024 de dochter zichzelf weer had gesneden. Ook schrijft hij dat er nauw contact is met de huisarts, [zorginstelling] en de crisisdienst, maar nog geen verbetering en geen zicht op hoe zich dit gaat ontwikkelen. In e-mailwisselingen met [zorginstelling] in de periode oktober-november 2024 heeft de echtgenoot van [verweerster] te kennen gegeven - kort gezegd - dat er nog nauwelijks sprake is van zorg en hulp voor de dochter en dat de dochter de hele dag thuis is en soms niet uit bed kan komen.
Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit dat in maart 2024 sprake is geweest van een crisissituatie met de dochter. Voorstelbaar is dat [verweerster] in de meest acute fase van die crisis volledig in beslag werd genomen door de zorg voor de dochter en dat het daardoor voor haar tijdelijk niet of nauwelijks mogelijk was om aan de meldplicht te voldoen. Anders dan [verweerster] betoogt is echter niet gebleken dat deze fase van zo’n lange duur was dat [verweerster] eerst in maart 2025 in staat was helder te denken en zich gewaar te worden van haar verantwoordelijkheid jegens de school en de andere leerlingen. Weliswaar blijkt uit de door [verweerster] overgelegde stukken dat de dochter een half jaar na de crisis van maart 2024 nog steeds thuis verbleef, dat het niet goed met haar ging en dat de hulp niet goed op gang kwam, maar van een aanhoudende, acute noodsituatie blijkt uit die gegevens onvoldoende.
Volgens [verweerster] heeft de dochter zelf uitdrukkelijk gevraagd om haar relatie met [naam1] niet te melden en heeft een hulpverlener haar geadviseerd daaraan gehoor te geven. Quadraam betwist dit. Wat daar ook van zij, in algemene zin is een dergelijke wens van het minderjarige (mogelijke) slachtoffer van een seksueel delict en een dergelijk advies (dat in de eerste crisisfase zou zijn gegeven) niet voldoende om de meldplicht terzijde te schuiven. Een en ander kan dan ook niet los worden gezien van de vraag of er (de gehele periode tussen maart 2024 en maart 2025) een zodanige noodsituatie bestond dat het doen van een melding niet van [verweerster] niet kon worden gevergd.
Quadraam wijst erop dat [verweerster] een groot deel van het betreffende jaar volledig in staat is geweest om te werken. [verweerster] had zich op 30 oktober 2023 ziekgemeld. Uit berichten van de bedrijfsarts van 22 december 2023 en 20 februari 2024 blijkt dat [verweerster] haar lesgevende taken weer volledig had hervat en alleen de vergaderingen nog niet bijwoonde. Op 5 april 2024 berichtte de bedrijfsarts dat daarin een verandering was gekomen en dat [verweerster] wegens een “ernstige stressor vanuit privé” tijdelijk thuis werkte met een aanpassing van taken, maar dat de verwachting was dat zij op korte termijn weer haar taken op school zou kunnen oppakken met een opbouwschema. Uit het bericht van 7 juni 2024 van de bedrijfsarts blijkt dat [verweerster] het werk “grotendeels volledig” heeft opgepakt en uit het bericht van 8 november 2024 blijkt dat [verweerster] te kennen geeft weer volledig te werken, dat de medische interventies zijn afgerond zodat er op dat moment op medische gronden geen beperkingen zijn te stellen.
Volgens [verweerster] heeft zij dat hele jaar op de automatische piloot gefunctioneerd, in een overlevingsstand en met vernauwde focus, waarbij voor andere overwegingen dan het belang van haar dochter tijdelijk geen ruimte bestond.
Naar het oordeel van het hof onderschrijft de hiervoor beschreven gang van zaken rondom het terugkeren naar het werk na de ziekmelding, en de tijdelijke terugslag daarin in maart/april 2024, dat er thuis tijdelijk een ernstige crisis heeft bestaan die van grote invloed was op het functioneren van [verweerster] , maar ook dat hierin geleidelijk enige verbetering optrad, zodanig dat [verweerster] weer in staat was om zich te richten op haar (volledige) taken en verantwoordelijkheden als docent.
Dit alles roept de vraag op waarom [verweerster] heeft gewacht tot maart 2025 tot zij wel tot handelen - zij het volgens Quadraam niet op de juiste wijze, namelijk door zelf melding te doen in plaats van [naam1] daartoe te bewegen - overging.
In het verweerschrift in hoger beroep heeft [verweerster] daarover het volgende naar voren gebracht. Het contact van maart 2025, toen [verweerster] erachter kwam dat de relatie tussen de dochter en [naam1] weer gaande was, vormde een keerpunt. Voor het eerst sinds lange tijd werd [verweerster] geconfronteerd met de noodzaak om niet alleen als moeder, maar ook als docent een afweging te maken. Het was het eerste moment sinds lange tijd dat [verweerster] een zekere afstand kon nemen van de constante crisis: ze werd zich bewust van haar dubbele rol, zowel als moeder en als docent binnen Quadraam. Dit dubbele perspectief - moeder én docent - markeerde het moment waarop zij mentale ruimte kreeg om te reflecteren op hoe de situatie binnen haar werkcontext aangepakt moest worden.
Naar het oordeel van het hof kan [verweerster] in deze uitleg niet worden gevolgd om wat hierboven (onder 3.21 tot en met 3.23) is overwogen en vanwege de navolgende overwegingen.
Uit het verslag dat Quadraam heeft opgemaakt van het gesprek met [verweerster] op 17 maart 2025 staat dat zij onder meer heeft verklaard dat een relatie naast een vaste verhouding sociaal niet wordt geaccepteerd en dat ze daarom haar eigen relatie met [naam1] niet heeft gemeld, en dat ze [naam1] vertrouwde “met alles”, ook met haar dochter.
In haar verzoekschrift bij de kantonrechter heeft [verweerster] niet vermeld dat zij zelf ook een relatie met [naam1] had gehad. In dit verzoekschrift voerde [verweerster] onder meer aan als uitleg voor het niet eerder melden van de relatie tussen de dochter en [naam1] dat zij [naam1] persoonlijk goed kende, wat haar in die zin geruststelde en ervoor zorgde dat ze geen aanleiding zag om te denken dat er een risico voor anderen zou kunnen zijn. Had [verweerster] [naam1] persoonlijk niet gekend, dan zou zij mogelijk anders hebben gereageerd en was de situatie eerder op de voorgrond gekomen. Zij had dan niet de risico's voor andere leerlingen kunnen hebben uitsluiten, zo staat er in dit verzoekschrift te lezen.
Het hof ziet in dit alles reden om aan te nemen dat de niet-gemelde, langdurige relatie die [verweerster] zelf met [naam1] heeft gehad (en mogelijk ook de wens om deze niet te laten uitkomen) waarschijnlijk vertroebelend heeft gewerkt in haar afwegingen en oordeelsvorming, ten nadele van de veiligheid van de leerlingen van de school. Al in maart 2024 had voor [verweerster] duidelijk moeten zijn dat er alle reden was om geen vertrouwen meer te stellen in [naam1] , omdat hij door het aangaan van een seksuele relatie met de dochter meerdere grenzen had overschreden: de dochter was minderjarig, ze was zijn leerling, en een kind van [verweerster] . [naam1] wist bovendien, toen hij in december 2023 deze relatie met de toen 17-jarige dochter aanging, dat zij psychisch zeer kwetsbaar was. Daarvan was hij (zo bevestigde [verweerster] bij de mondelinge behandeling) namelijk op de hoogte via [verweerster] , die hij op zijn beurt in het ongewisse liet over de relatie die hij met de dochter was aangegaan. Toch heeft [verweerster] er op vertrouwd dat deze relatie na maart 2024 definitief was beëindigd, zonder dit nog ter sprake te brengen met de dochter of met [naam1] , zo heeft [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Kennelijk in datzelfde vertrouwen heeft [verweerster] weer de volledige samenwerking met [naam1] als collega opgepakt, onder meer bestaande uit de organisatie van de schoolreis in maart 2025, waarbij ze beiden met minderjarige leerlingen voor een schoolweek naar het buitenland zouden reizen. Dit alles is, in het licht van de feiten zoals die in maart 2024 voor [verweerster] duidelijk waren geworden, moeilijk te volgen. In elk geval heeft [verweerster] daarbij niet de afwegingen gemaakt die passen bij haar verantwoordelijkheden als docent op een middelbare school, waarbij de veiligheid van de leerlingen voorop zou moeten staan.
[verweerster] had (eerder en zelf) melding moeten doen
Op grond van al het voorgaande is de conclusie van het hof dat [verweerster] de relatie tussen [naam1] en de dochter (eerder) had kunnen en moeten melden. Zij heeft te lang gewacht voordat zij overging tot handelen, waarbij zij het doen van de melding zelf overigens ten onrechte aan [naam1] zelf heeft overgelaten.
Dringende reden
Nu het hof oordeelt dat [verweerster] niet heeft voldaan aan de meldplicht, door niet bij Quadraam te melden dat een docent een seksuele relatie met een minderjarige leerling had, is de volgende vraag of dit een dringende reden oplevert.
Volgens [verweerster] is de opgevoerde dringende reden oneigenlijk en heeft Quadraam de kwestie van de meldplicht aangewend als instrument om het dienstverband met haar te beëindigen. In de periode 2022-2023 was de arbeidsrelatie al onder druk komen te staan, zoals blijkt uit de gespreksverslagen in het dossier. De gesprekken verliepen moeizaam, mede doordat in algemene bewoordingen werd gesproken over signalen, zonder dat deze werden geconcretiseerd in duidelijke voorbeelden, gedragsverwachtingen of verbeterpunten. Dit gaf [verweerster] het gevoel dat naar redenen werd gezocht om haar functioneren en positie binnen de school ter discussie te stellen. [verweerster] wijst daarnaast op een volgens haar vergelijkbaar eerder geval binnen de school, waarbij een docent een relatie kreeg met een leerling. De partner van die docent deed geen melding van deze relatie en is nog altijd werkzaam als docent binnen de school. Dat maakt duidelijk dat Quadraam eerder geen dringende reden heeft gezien in het niet naleven van de meldplicht door een docent. Quadraam weerspreekt deze lezing en voert aan dat het geval dat door [verweerster] is aangehaald niet vergelijkbaar is met deze situatie, omdat daarin geen meldplicht bestond.
Het hof gaat uit van de door Quadraam opgegeven dringende reden als de werkelijke aanleiding voor het aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet. De aard en ernst van de dringende reden, namelijk het niet naleven van de meldplicht ten aanzien van een (mogelijk) seksueel misdrijf met een minderjarige leerling, staat los van enige eerdere discussie over of feedback op het functioneren van [verweerster] als docent en is van een geheel andere orde. Dat er sprake is van vergelijkbare gevallen waarin verschillend door Quadraam is opgetreden (waaruit zou blijken dat Quadraam niet altijd zo zwaar tilt aan het niet naleven van de meldplicht en dus een stok heeft gezocht om [verweerster] mee te slaan) heeft [verweerster] in het licht van de betwisting door Quadraam onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelt de hiervoor beschreven gedraging van [verweerster] zodanig ernstig, dat deze een dringende reden opleveren die maakt dat van Quadraam in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, waaronder ook de persoonlijke omstandigheden van [verweerster] en haar lange en goede staat van dienst bij Quadraam. Wat nog wordt aangevoerd over de subjectieve dringende reden maakt dat, ook in het licht van het onderstaande, niet anders.
Onverwijlde opzegging
Vast staat dat [naam1] op 10 maart 2025 aan [naam3] en aan [naam4] (de bestuurssecretaris van Quadraam) heeft verteld dat dat hij een relatie had met de dochter, welke relatie is gestart toen zij minderjarig was, vlak voor de kerstvakantie van 2023, dat de relatie in het voorjaar van 2024 verbroken is geweest en daarna weer voortgezet, dat [verweerster] al een jaar op de hoogte was van zijn relatie met haar dochter en dat hij circa zeven jaar een relatie met [verweerster] had gehad. Dit gesprek heeft geleid tot zijn ontslag op staande voet op 11 maart 2025. Op 10 maart 2025 was [verweerster] als begeleider vertrokken met de schoolreis naar [plaats1] , waarvan zij op vrijdagavond 14 maart 2025 terugkeerde. Op maandagochtend 17 maart 2025 hebben Jansen en [naam3] een gesprek gehad met [verweerster] . Na een onderbreking van dat gesprek is aan [verweerster] ontslag op staande voet gegeven, bevestigd in een brief van dezelfde datum.
Volgens [verweerster] is het ontslag op staande voet haar niet onverwijld gegeven in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW. Quadraam is op zondag 9 maart 2025 op de hoogte geraakt van de uitsluiting van [naam1] van de reis, wat voor Quadraam reden had moeten zijn om een en ander te onderzoeken en tot actie over te gaan. Die avond had eventueel ook nog in vervanging van [verweerster] op de schoolreis kunnen worden voorzien. In elk geval beschikte Quadraam op maandagochtend 10 maart 2025 over alle informatie die als dringende reden is opgevoerd. Nader onderzoek was niet nodig. Voor zover dat wel nodig was, had Quadraam [verweerster] kunnen laten terugkeren: de groep was toen nog niet [locatie] overgestoken. Toch heeft Quadraam besloten om [verweerster] de reis naar [plaats1] als docent en begeleider te laten (af)maken en haar pas een week later te ontslaan. Dat verhoudt zich niet met de gestelde dringende reden. In elk geval is niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid van de opzegging. Dat maakt het gegeven ontslag op staande voet onregelmatig.
Volgens Quadraam is het ontslag zonder onnodig tijdsverloop gegeven, gelet op het onderzoek (een gesprek met [verweerster] zelf) dat zij nog nodig achtte om tot een zorgvuldige beslissing te komen. Dat gesprek kon pas plaatsvinden na haar terugkeer uit [plaats1] .
Het hof volgt [verweerster] niet waar zij aanvoert dat Quadraam al tot onderzoek en beslissingen ten aanzien van de opzegging had kunnen overgaan voorafgaand aan het vertrek van [verweerster] naar [plaats1] . [verweerster] heeft de dag ervoor, toen zij erachter kwam dat haar dochter en [naam1] weer een relatie hadden, zelf de keuze gemaakt om geen volledige openheid van zaken aan Quadraam te geven. Zij heeft alleen [naam1] ertoe bewogen om de schoolleiding te informeren dat hij niet mee op reis zou gaan, maar in haar eigen contacten met de schoolleiding (nog zeer laat op die zondagavond) heeft zij niet willen antwoorden wat de reden daarvoor was. Voor Quadraam bestond op 9 maart 2025 dan ook geen enkele reden om te vermoeden waarom [naam1] niet meeging of om te onderzoeken of er sprake was van enige als dringende reden kwalificerende handeling aan de zijde van [verweerster] . Die reden deed zich wel voor na het gesprek met [naam1] op maandagochtend 10 maart 2025. De vraag is of Quadraam vervolgens bij (de stappen naar) de opzegging voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De eis van onverwijldheid die aan de opzegging wegens dringende reden wordt gesteld geeft aan Quadraam wel enig respijt, bijvoorbeeld voor het verrichten van het nodige onderzoek. Het hof is in dit geval van oordeel dat de te betrachten zorgvuldigheid het horen van [verweerster] wel vereiste, omdat Quadraam weinig andere aanknopingspunten had om de juistheid en betekenis van de verklaring van [naam1] over [verweerster] te kunnen beoordelen en de vervolgstap te kunnen bepalen. Uit de gang van zaken blijkt dat Quadraam het gesprek met [verweerster] ook daadwerkelijk heeft afgewacht voordat (aansluitend, na kort beraad) de beslissing over het ontslag van [verweerster] is genomen. In zoverre acht het hof de handelwijze van Quadraam uit het oogpunt van zorgvuldigheid te begrijpen en is er in elk geval na de afronding van dit gesprek met voldoende voortvarendheid gehandeld.
Dan blijft over de vraag of Quadraam, gelet op de voortvarendheid die van haar mocht worden gevergd, het verrichten van het onderzoek (het gesprek met [verweerster] ) had moeten bespoedigen door [verweerster] eerder te laten terugkeren van de schoolreis. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, waarbij het volgende van belang is. De groep van 60 leerlingen met begeleiders was inmiddels al met bussen onderweg naar [plaats1] . Er was al één begeleider minder mee dan voorzien omdat [naam1] was thuisgebleven. Onweersproken is dat [verweerster] de spil van de organisatie van deze jaarlijkse schoolreis was. Quadraam stond dus voor het dilemma om uit te maken wat het meest verantwoord (of het minst onverantwoord) was: de reis afbreken en de bussen naar huis te laten terugrijden of (voor zover al mogelijk) alsnog in vervanging van [verweerster] voorzien, dan wel wachten tot de reis was afgelopen. Te begrijpen is dat de school het ontwrichtende effect voor alle betrokkenen van de eerste mogelijkheden wilde voorkomen. Daarbij komt dat de aard van de als dringende reden kwalificerende nalatigheid waarover Quadraam [verweerster] wilde bevragen, het niet voldoen aan de meldplicht, niet onmiddellijk aanleiding gaf tot vrees voor een onaanvaardbare situatie als zij haar rol als begeleider die week zou vervullen. Daarmee acht het hof in dit geval de keuze om te wachten gerechtvaardigd en het voeren van het gesprek op de eerste werkdag na terugkeer uit [plaats1] voldoende voortvarend.
Tegen die achtergrond is de opzegging wegens dringende reden als onverwijld gegeven te beschouwen.
Ontslag op staande voet is rechtsgeldig
Uit het voorgaande volgt dat beroep van Quadraam slaagt en het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven geen stand houdt. De beslissingen in de bestreden beschikking, die op dat oordeel zijn gebaseerd, zullen worden vernietigd. Het hof zal voor recht verklaren dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zoals door Quadraam verzocht. Het oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven brengt het volgende mee voor de vergoedingen die [verweerster] heeft verzocht en die deels door de kantonrechter aan haar zijn toegewezen en door Quadraam zijn uitbetaald.
Geen gefixeerde schadevergoeding
Bij een rechtsgeldig ontslag op staande voet hoeft de opzegtermijn van artikel 7:672 BW niet in acht hoeft te worden genomen. Voor toewijzing van de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding op de voet van artikel 7:677 lid 2 en 3 BW (een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren) bestaat dan ook in dit geval geen grond. Het beroep tegen de toewijzing slaagt en deze toewijzing houdt dus in hoger beroep geen stand.
Geen transitievergoeding
Ook slaagt het beroep tegen de toekenning van de transitievergoeding. De transitievergoeding is namelijk niet verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7 onder c BW). Daarvan is in dit geval sprake, omdat het niet voldoen aan de meldplicht door het hof - onder verwijzing naar de overwegingen hierboven ten aanzien van de dringende reden - als ernstig verwijtbaar nalaten aan de zijde van [verweerster] wordt beoordeeld. De toewijzing houdt dus geen stand. Gesteld noch gebleken is overigens welk belang Quadraam heeft bij de afzonderlijk verzochte verklaring voor recht ten aanzien van de transitievergoeding. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Geen billijke vergoeding
Ook in hoger beroep zal de vordering van [verweerster] om een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:681 lid 1 onder 1 BW worden afgewezen omdat er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet (en dus geen opzegging in strijd met artikel 7:671 BW). Dat betekent dat het beroep van [verweerster] niet slaagt.
Terugbetaling
Niet is in geschil dat Quadraam op 12 september 2025 ter voldoening aan de bestreden beschikking alle bedragen waartoe zij was veroordeeld heeft betaald aan [verweerster] . Dat betreft allereerst de gefixeerde schadevergoeding van € 16.581,37 bruto (vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling) en de transitievergoeding van € 38.166,85 bruto (vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling). Gelet op voorgaande overwegingen bestond voor de toekenning van deze bedragen geen grond en dienen deze dus aan Quadraam te worden terugbetaald, net als het bedrag aan wettelijke rente over beide vergoedingen dat door Quadraam is voldaan aan [verweerster] . Dit betreft het (onweersproken) bedrag van € 1.526,45.
Dezelfde terugbetaling is, gelet op de overwegingen en beslissingen hierna onder 3.45 en 4.4, aan de orde ten aanzien van de veroordeling van Quadraam in de proceskosten van [verweerster] in de procedure bij de kantonrechter. Dat ziet op een bedrag van € 1.039.
Dat brengt het door [verweerster] terug te betalen bedrag op een totaal van € 57.313,67. Omdat de terugbetalingsverplichting eerst nu wordt uitgesproken zal over de terug te betalen bedragen de verzochte wettelijke rente met ingang van 14 dagen na vandaag.
De conclusie
Het hoger beroep van Quadraam slaagt. De bestreden beschikking zal worden vernietigd en het hof zal de gevraagde verklaring voor recht geven dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Daarnaast zal [verweerster] worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen door Quadraam aan haar is voldaan ter naleving van de bestreden beschikking. Omdat [verweerster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Quadraam bij het hof en bij de kantonrechter.
Het incidenteel hoger beroep van [verweerster] slaagt niet. De vorderingen van [verweerster] zullen worden afgewezen. Omdat [verweerster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Quadraam in dit hoger beroep.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
In het beroep van Quadraam:
vernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2025 en beslist als volgt:
wijst de vorderingen van [verweerster] af;
verklaart voor recht dat het aan [verweerster] op 17 maart 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is;
veroordeelt [verweerster] tot terugbetaling aan Quadraam van € 57.313,67.
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de volgende proceskosten van Quadraam tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 135 aan griffierecht
€ 814 aan salaris van de advocaat van Quadraam
en tot betaling van de volgende proceskosten van Quadraam in hoger beroep:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris advocaat (2 procespunten × appeltarief II à € 1.290);
wijst af wat verder is gevorderd;
In het beroep van [verweerster]:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten van Quadraam in hoger beroep € 645 aan salaris van de advocaat (0,5 procespunt x appeltarief II à € 1.290);
In beide beroepen
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en
bepaalt dat al deze veroordelingen en kosten door [verweerster] aan Quadraam moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, G.A. Diebels en A.C.M. Kuypers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.