ECLI:NL:GHARL:2026:1750

ECLI:NL:GHARL:2026:1750

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 21-003596-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling voor tweemaal mishandeling van een levensgezel, belaging en medeplegen van twee diefstallen. Oplegging van een gevangenisstraf van 11 maanden waarvan 7 voorwaardelijk met aftrek en met de oplegging van bijzondere voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar. Oplegging van een contact- en locatieverbod, dadelijk uitvoerbaar. Vorderingen benadeelde partij toegewezen.

Uitspraak

RONALD STOFFERS,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 november 2025 en 6 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.H. Bouwman, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 augustus 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarbij zijn de bijzondere voorwaarden opgenomen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Daarnaast heeft de rechtbank een maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van drie jaar. De maatregel betreft een contactverbod met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en een gebiedsverbod, inhoudende dat de verdachte zich niet binnen een straal van 150 meter zal ophouden bij de adressen:

De rechtbank heeft ten aanzien van het contact- en locatieverbod de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de rechtbank beslist dat:

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-136906-24:

1.hij op of omstreeks 1 april 2024 te [gemeente] , althans in Nederland zijn levensgezel, [benadeelde partij 1] , heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of nek te slaan/stompen ;

2.hij op of omstreeks 14 april 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] , zijn levensgezel, [benadeelde partij 1] , heeft mishandeld door [benadeelde partij 1] op/tegen het hoofd te slaan/stompen;

Zaak met parketnummer 16-101574-24 (gevoegd):

1.hij op of omstreeks 5 februari 2024 te [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Bobcat (type TL358 verreiker), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op of omstreeks 5 februari 2024 te [gemeente] , gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een aanhangwagen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 16-090824-24 (gevoegd):

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 december 2023 tot en met 11 februari 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 2] , door

- meermalen, althans eenmaal, (op overlastgevende wijze) langs de woning van die [benadeelde partij 2] te rijden, en/of

- meermalen, althans eenmaal, voor de woning van die [benadeelde partij 2] te staan, en/of

- meermalen, althans eenmaal, te bellen en/of te mailen naar die [benadeelde partij 2] , en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) sms-bericht(en) te versturen naar die [benadeelde partij 2] , met het oogmerk die [benadeelde partij 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Zaak met parketnummer 16-136906-24: (mishandelingen levensgezel [benadeelde partij 1] )

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.

Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit bij de politie verklaard dat zij op 1 april 2024, tweemaal is geslagen door verdachte. Aangeefster verklaart dat zij aan het rijden was toen zij door de verdachte, die tussen de voorstoelen naar voren was gekomen, eerst aan haar staart werd getrokken en vervolgens twee keer een vuistslag van verdachte tegen haar hoofd kreeg. Zij voelde dat zij werd geraakt tegen de rechterkant van haar oor en nek. [benadeelde partij 1] had direct pijn van de klappen en hoorde gesuis in haar rechter oor.

Ten aanzien van feit 2 heeft [benadeelde partij 1] op 15 april 2024 bij de politie verklaard dat zij op 14 april 2024 is mishandeld door verdachte in haar caravan in [plaatsnaam] . Verdachte en aangeefster kregen een woordenwisseling toen verdachte luide muziek wilde aanzetten in de voortent. [benadeelde partij 1] deed toen de deur van de caravan dicht. Daarop trok verdachte de deur open en sloeg [benadeelde partij 1] met zijn rechtervuist tegen haar linkeroog. [benadeelde partij 1] had hierna een snee/kras en een wondje bij haar oog. De verbalisant heeft dit tijdens het opnemen van de aangifte ook waargenomen.

De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij [benadeelde partij 1] op 1 april 2024 en op 14 april 2024 heeft geslagen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de mishandelingen niet bewezen kunnen worden verklaard omdat het aangeefster is geweest die in beide gevallen als eerste zou hebben geslagen. De verdachte zou daarop hebben terug geslagen.

Het hof overweegt als volgt. [benadeelde partij 1] heeft over de incidenten op 1 april 2024 en 14 april 2024 verklaard dat zij in beide gevallen na een woordenwisseling door verdachte tegen haar hoofd is geslagen. Ook heeft zij meermaals verklaard dat het altijd de verdachte was die begon met slaan.

Het hof is van oordeel dat zij – anders dan de verdediging stelt – consistent heeft verklaard over de incidenten. Het feit dat [benadeelde partij 1] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat het kan zijn dat zij in de strijd die ontstond, ook de verdachte heeft geraakt, maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders. Bovendien doet het eventuele handelen van [benadeelde partij 1] op geen enkele manier af aan het strafbare handelen van verdachte zelf. Verdachte heeft bekend [benadeelde partij 1] te hebben geslagen. Zelfs in het geval [benadeelde partij 1] de verdachte zou hebben (terug) geslagen, blijven de door verdachte gepleegde mishandelingen dan ook wettig en overtuigend te bewijzen.

Het hof stelt op basis van de aangiftes, inclusief de foto’s van het letsel van de mishandeling van 14 april 2024 en de verklaring van de verdachte zelf, vast dat verdachte [benadeelde partij 1] , zijn levensgezel, op 1 april 2024 en op 14 april 2024 heeft mishandeld door haar tegen het gezicht te stompen. Het hof volgt de aangiftes voor de bewezenverklaring van de feiten.

Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-101574-24 (gevoegd): (medeplegen diefstal Bobcat verreiker en medeplegen diefstal aanhangwagen)

Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 april 2024, genummerd PL0900- 2024070363, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, genummerd pagina 1 tot en met 201. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

Op grond van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen.

Zaak met parketnummer 16-090824-24 (gevoegd): (belaging [benadeelde partij 2] )

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde belaging van aangeefster [benadeelde partij 2] wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde belaging. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastegelegde periode van te korte duur is geweest om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van belaging. Daarnaast voert de raadsman aan dat verdachte met [benadeelde partij 2] in contact wilde komen omdat hij hun gezamenlijke kinderen wilde zien, niet om aangeefster lastig te vallen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van belaging ex artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht sprake dient te zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, welke inbreuk opzettelijk en wederrechtelijk moet zijn. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander moet ook stelselmatig plaatsvinden. Ten slotte moet de verdachte het oogmerk hebben gehad die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat dus niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die de wet aan belaging stelt.

[benadeelde partij 2] heeft op 20 februari 2024 aangifte gedaan tegen de verdachte vanwege belaging. Volgens [benadeelde partij 2] is verdachte begonnen met dit gedrag nadat zij in september 2023 hun relatie had beëindigd. In de aangifte geeft aangeefster een overzicht van gebeurtenissen sinds die datum waaruit onder meer het volgende naar voren komt:

Op 27 december 2023 08:57:19 uur staat verdachte zonder enige aanleiding in mijn tuin een sigaret te roken.

Op 30 december 2023 heeft het eerste STOP-gesprek plaatsgevonden met verdachte waarin werd aangegeven dat verdachte moest stoppen met het veroorzaken van overlast voor de woning van [benadeelde partij 2] . De overlast bestond uit het veelvuldig met de motor, met veel lawaai, langs de woning van [benadeelde partij 2] rijden.

Op 30 december 2023 15:21 uur loopt verdachte zonder enige aanleiding, met een donkere jas en capuchon op zijn hoofd, langs mijn woning.

Op 31 december 2023 11:44 uur staat verdachte, met dezelfde donkere jas, in mijn voortuin, terwijl hij een bromfiets voor de woning heeft geparkeerd, voor de voordeur van mijn woning. Verdachte kijkt recht omhoog, kennelijk met opzet, naar de camera die ik ter beveiliging heb aangebracht. Verdachte steekt vervolgens zijn middelvinger op in de richting van de camera.

Op 31 december 2023 11:44 uur zit verdachte op zijn bromfiets voor mijn woning en ik zie dat hij met zijn telefoon foto's maakt van mijn woning of voordeur.

Op 01 januari 2024 13:28 uur rijdt verdachte op zijn bromfiets voor mijn woning, over het voetpad, langs.

Op 01 januari 2024 11:43 uur loopt verdachte met een van mijn kinderen voor mijn woning, over het voetpad.

Op 08 januari 2024 15:25 uur staat verdachte wederom in de voortuin van mijn woning, voor mijn voordeur en kijkt hij omhoog in de camera. Op 08 januari 2024 15:27 uur wordt verdachte in mijn voortuin door de politie [gemeente] aangesproken over zijn gedrag.

Op 20 januari 2024 heeft de politie mij geïnformeerd over het feit dat er met verdachte nogmaals een STOP gesprek is gevoerd. Na 20 januari 2024 is verdachte niet gestopt met het versturen van emailberichten en het door middel van een privénummer veelvuldig bellen naar mijn mobiele nummer.

Op 5 februari 2024 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan. In deze uitspraak is onder andere een contactverbod geformuleerd.

Op 07 februari, 08 februari, 09 februari, 10 februari, 11 februari en 12 februari heeft hij mij stelselmatig lastiggevallen door het versturen van e-mails, het bellen met een privé nummer, het versturen van een sms.

In een proces-verbaal van bevindingen met de daarbij horende bijlagen van 20 februari 2024 wordt het volgende beschreven. Uit onderzoek is gebleken dat er in de periode van 07 februari 2024 te 00:50 uur en 12 februari 2024 22:18 uur door middel van email en telefoon door verdachte contact is opgenomen met [benadeelde partij 2] . Op 07 februari 2024 00:50 uur werd er door het emailadres [emailadres] een emailbericht verzonden naar aangeefster. Medewerkers van Save (Samen Veilig) VOTS team worden in de adressering door verdachte meegenomen in het bericht.

Uit het procesverbaal volgt verder dat door verdachte veelvuldig met een privé nummer werd gebeld naar het nummer van [benadeelde partij 2] . Ook blijkt uit het proces-verbaal dat er een sms bericht is verstuurd vanaf het telefoonnummer van de vader van de verdachte naar [benadeelde partij 2] .

In een proces-verbaal van bevindingen van 8 maart 2024 verklaart een buurtgenoot van [benadeelde partij 2] dat zij regelmatig overlast ervaren van de ex-vriend van [benadeelde partij 2] . Zij verklaart dat de overlast bestaat uit het in de late avonduren gas geven met een motor. Daarnaast verklaarde zij dat de ex-partner van [benadeelde partij 2] meerdere keren schreeuwend aan de deur van [benadeelde partij 2] heeft gestaan.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bovenstaande feiten en omstandigheden dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode, veelvuldig en op verschillende wijzen, ook gedurende de nacht, [benadeelde partij 2] heeft lastig gevallen. Door de verschillende STOP-gesprekken die met verdachte zijn gevoerd had het voor verdachte duidelijk moeten zijn dat zijn gedrag ongewenst was. Bovendien is hem in de tenlastegelegde periode een contactverbod met [benadeelde partij 2] opgelegd. Niettemin is verdachte doorgegaan met zijn overlastgevende gedrag voor het huis van aangeefster en het versturen van berichten. Zelfs als [benadeelde partij 2] met de kinderen haar eigen huis is ontvlucht en verblijft op een locatie van de crisisopvang, weet verdachte de locatie te achterhalen en gaat daar op zoek naar [benadeelde partij 2] . Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] .

Het hof verwerpt het verweer van de verdachte dat de feiten van een te korte duur zijn geweest om te kunnen spreken van belaging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het feit dat de duur van de belaging relatief gezien beperkt is gebleven, te danken is aan het ingrijpen van hulpverleningsinstanties en niet aan verdachte zelf. Bovendien is de inbreuk en de intensiteit van de gedragingen zo groot, dat dit de naar verhouding beperkte duur van de handelingen compenseert.

Het door de verdachte opgeworpen verweer dat hij enkel zijn kinderen wilde zien volgt het hof ook niet. Uit het overgrote deel van zijn gedragingen blijkt op geen enkele manier dat hij contact met [benadeelde partij 2] zocht in verband met de kinderen. Integendeel, het handelen van verdachte laat overlast gevend, controlerend en intimiderend gedrag zien.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de ingrijpende invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, sprake is geweest van een stelselmatige opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-090824-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Zaak met parketnummer 16-136906-24:

1.hij op 1 april 2024 te [gemeente] zijn levensgezel, [benadeelde partij 1] , heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] meermalentegen het hoofd en nek te stompen ;

2.hij op 14 april 2024 te [plaatsnaam] zijn levensgezel, [benadeelde partij 1] , heeft mishandeld door [benadeelde partij 1] op/tegen het hoofd te stompen;

Zaak met parketnummer 16-101574-24 (gevoegd):

1.hij op 5 februari 2024 te [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen een Bobcat (type TL358 verreiker) die geheel aan [naam bedrijf] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op 5 februari 2024 in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen een aanhangwagen die geheel aan [benadeelde partij 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak met parketnummer 16-090824-24 (gevoegd):

1.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 13 december 2023 tot en met 11 februari 2024 te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 2] , door

- meermalen (op overlastgevende wijze) langs de woning van die [benadeelde partij 2] te rijden, en

- meermalen voor de woning van die [benadeelde partij 2] te staan, en

- meermalen te bellen en te mailen naar die [benadeelde partij 2] , en

- meermalen sms-berichten te versturen naar die [benadeelde partij 2] ,

met het oogmerk die [benadeelde partij 2] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 16-090824-24 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

De verdachte heeft zijn ex-partner [benadeelde partij 1] tweemaal mishandeld. Hij heeft daarmee de lichamelijk integriteit van aangeefster geschonden. Slachtoffers van dergelijk huiselijk geweld kunnen als gevolg daarvan nog geruime tijd gevoelens van angst en onveiligheid ervaren.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van een andere ex-partner, [benadeelde partij 2] . Belaging, in het normale spraakgebruik ook wel stalking genoemd, is een zeer hinderlijk en angstaanjagend feit dat bij slachtoffers forse psychische belasting kan opleveren. Het handelen van verdachte heeft veel impact gehad op het leven van zijn ex-partner en hun gezamenlijke kinderen, zoals ook blijkt uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. De aangeefster kampt nog altijd met gevoelens van onveiligheid en angst. Verdachte heeft als reden voor zijn gedrag opgegeven dat hij geen contact meer heeft met zijn kinderen terwijl hij dat wel wenst. Voor zover hiervan al sprake is, vormt dit geen enkele rechtvaardiging voor de wijze waarop verdachte aangeefster heeft behandeld.

Ter zitting heeft verdachte laten zien niet in staat te zijn tot zelfreflectie, hij bagatelliseert zijn handelen jegens zijn ex-partners en zoekt de oorzaak van zijn handelen buiten zichzelf. Het hof vindt dit gedrag van de verdachte zorgwekkend.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van twee diefstallen in vereniging. Door dit handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft verdachte voor de betrokkenen overlast en financiële schade veroorzaakt. Dit enkel voor zijn eigen financiële gewin.

Bij zijn beslissing heeft het hof verder kennisgenomen van de informatie uit de rapportage van de reclassering van 27 oktober 2025. De reclassering ziet vanwege de aanwezige risico’s ten aanzien van zijn gezin/ex-partnerrelatie, psychsociaal functioneren, middelengebruik en het vasthouden van zinvolle dagbesteding, nog voldoende aanknopingspunten om gedurende een reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering. Hierbij wordt oplegging van een ambulante behandelverplichting, met mogelijkheid tot een kortdurende klinische behandeling, als noodzakelijk beschouwd. De reclassering schat het risico op recidive en letselschade in als gemiddeld. Verdachte heeft sinds begin 2025 huisvesting en staat onder bewind, hetgeen een positieve invloed op hem lijkt te hebben. In het afgelopen jaar lijkt hij niet meer beeld te zijn gekomen bij politie en justitie. De reclassering ziet echter nog wel risico's ten aanzien van zijn middelengebruik en psychosociaal functioneren (persoonlijkheidsproblematiek en ADHD gediagnosticeerd in 2021). Verdachte toont zich nog niet intrinsiek gemotiveerd om deze risicofactoren aan te pakken middels behandeling. Daarnaast ontbreekt het hem aan stabiele en zinvolle dagbesteding. Het risico op onttrekking aan de voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld daar verdachte zich redelijk conformeert aan zijn meldplichtafspraken en zich laat begeleiden door begeleiding van wooninstelling Exodus. Ten aanzien van de behandelverplichting laat verdachte een zelfbepalende houding zien, daar hij tot op heden zijn medewerking aan inhoudelijke behandeling heeft geweigerd. Verdachte heeft aangegeven de behandeling aan te gaan indien dit ook in hoger beroep aan hem wordt opgelegd.

Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 4 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof weegt dat in strafverzwarende zin mee.

Alles afwegend, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf te weten een gevangenisstraf van 11 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof legt daarbij net zoals de rechtbank, de bijzondere voorwaarden op zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten:

Het hof beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Hierbij is van belang dat de in de zaken met parketnummers 16-136906-24 en 16-090824-24 bewezenverklaarde misdrijven zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarnaast overweegt het hof dat gelet op de hardnekkigheid van het gedrag van verdachte, de inschattingen van de reclassering en de frequentie van de grensoverschrijdende gedragingen van verdachte, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft ook ter zitting in hoger beroep er geen blijk van gegeven tot inkeer te zijn gekomen.

Het hof acht daarnaast een contact- en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte passend en geboden.

De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode dat de maatregel reeds van kracht is geweest. Deze maatregel houdt in:

 [adres 2] ;

 [adres 6] ;

 [adres 7] ;

 [adres 4] ;

 [adres 5] .

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen, nu er – gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens bovengenoemde personen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.

Bij het bepalen van de hoogte van de schade maakt het hof gebruik van zijn schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De benadeelde partij heeft gemotiveerd hoe hij tot een schatting van € 1.000,00 is gekomen. Verdachte heeft daar alleen maar tegenin gebracht dat die schatting onvoldoende is onderbouwd. Wat dan wel de waarde van de aanhanger was, heeft verdachte, ook nadat het hof hem daarnaar vroeg, in het midden gelaten. Voor het hof staat wel vast dat de aanhanger waarde vertegenwoordigde. Nu de benadeelde partij een gemotiveerde schatting van die waarde heeft gegeven en verdachte daar niets tegenin heeft gebracht, volgt het hof de benadeelde partij. Het hof stelt de schade, gelet op het type aanhangwagen zoals blijkt uit de aangifte vast op € 1000,00. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.537,45, betreffende € 1.573,45 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering ter zake van de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 1.573,45. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-090824-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.

Materiële schade

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging geen verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16/090824-24 bewezenverklaarde handelen van verdachte (de belaging) rechtstreeks materiële schade heeft geleden, tot een bedrag van:

Totaal: € 1.573,45

Immateriële schade

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schade aangevoerd dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat het causale verband tussen de belaging en de gevorderde schadevergoeding ontbreekt.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

In de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding en uit de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het gedrag van de verdachte bij [benadeelde partij 2] diepe en onherstelbare gevoelens van onrust, angst, voortdurende alertheid en verdriet heeft veroorzaakt. Door zijn handelen heeft verdachte er voor gezorgd dat [benadeelde partij 2] zich nergens meer echt veilig voelt, ook niet in haar eigen huis. Bovendien heeft zij ernstig te lijden onder de angst en het verdriet van haar kinderen.

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek geeft recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade in geval van aantasting in de persoon “op andere wijze” dan door fysiek letsel. Van de bedoelde aantasting in de persoon “op andere wijze” is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending reeds meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. De aard en de ernst van de normschending (belaging) zijn naar het oordeel van het hof zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor het slachtoffer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder vaststelling van geestelijk letsel door een psycholoog of psychiater of van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Overigens blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat aangeefster ernstige stress klachten heeft, dat zij door de huisarts is doorverwezen naar een psycholoog en dat zij op de wachtlijst staat voor traumabehandeling.

Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade tevens acht geslagen op de Rotterdamse Schaal betreffende belaging (artikel 285b Sr). Naar het oordeel van het hof passen de feiten in onderhavig geval in de categorie b ‘ernstig’ waarvoor een bedrag wordt genoemd van tussen de € 2.000,00 en € 5.000,00. In deze categorie gaat het doorgaans om ernstige belaging, van een minder lange periode, waarbij gebruik is gemaakt van verschillende communicatiemiddelen. Daarvan is in onderhavige geval sprake. Verdachte is ook veelvuldig aan de deur is geweest.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, en gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht het hof in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,00 zoals gevorderd billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals is gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024, zijnde de einddatum van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285b, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-090824-24 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-136906-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-090824-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

de reclassering. De behandeling start zodra de proeftijd ingaat of zodra er een plaats

beschikbaar is voor verdachte. Indien geïndiceerd werkt verdachte mee aan

diagnostiek. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte

houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de

behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van

medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

 zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of

vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het

voorkomen van delictgedrag;

 meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te

beheersen. De reclassering kan urinecontrole en ademonderzoek (blaastest)

gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt

gecontroleerd;

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat deze opgelegde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren beveelt dat verdachte zich niet zal ophouden binnen een straal van 150 (honderdvijftig) meter van de volgende adressen:

en dat verdachte voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-101574-24 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-090824-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.573,45 (vierduizend vijfhonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 1.573,45 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-090824-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.573,45 (vierduizend vijfhonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 1.573,45 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 15 december 2023 over een bedrag van € 89,90 ter zake van beveiligingscamera's - 24 december 2023 over een bedrag van € 203,97 ter zake van beveiligingscamera's - 5 januari 2024 over een bedrag van € 57,00 ter zake van beveiligingscamera's - 7 januari 2024 over een bedrag van € 45,00 ter zake van beveiligingscamera's - 8 januari 2024 over een bedrag van € 401,27 ter zake van verblijfskosten onderduikadres vakantiepark - 15 januari 2024 over een bedrag van € 732,32 ter zake van verblijfskosten locatie Blijf Groep - 19 februari 2024 over een bedrag van € 43,99 ter zake van beveiligingscamera's

en van de immateriële schade op 13 december 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. E.W. van Weringh en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?