[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 maart 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 75 uur, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van 1 jaar. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen conform het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte is aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van medeplegen van oplichting veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen voor een bedrag van € 4.972,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2011. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte voor deze schade met medeverdachte [medeverdachte 1] hoofdelijk aansprakelijk is.
De rechtbank heeft de bewijsmiddelen niet opgenomen in het vonnis. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij, in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de [benadeelde] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten ongeveer 19.891,20 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- een aanvraagformulier loonkostensubsidie ingediend en/of laten indienen bij de [benadeelde] voor [naam bedrijf] en/of
- een gefingeerde en/of valse en/of vervalse arbeidsovereenkomst voor bovengenoemd bedrijf aangeleverd en/of laten aanleveren en/of
- ( vervolgens) een verleningsbeschikking en/of een rapportage opgemaakt en/of laten opmaken waarin staat dat de [benadeelde] akkoord is met de inzet van de loonkostensubsidie en/of
- ( vervolgens) een e-mailbericht gestuurd en/of laten sturen naar het [team] met daarin het bedrag dat uitbetaald moet worden aan [naam bedrijf] , waardoor de [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
subsidiair[medeverdachte 1] en/of haar mededader(s), in ieder geval een ander of anderen dan verdachte, in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de [benadeelde] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten ongeveer 19.891,40 euro, in elk geval van enig goed, hebbende die voornoemde [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven –
- een aanvraagformulier loonkostensubsidie ingediend en/of laten indienen bij de [benadeelde] voor [naam bedrijf] en/of
- een gefingeerde en/of valse en/of vervalste arbeidsovereenkomst voor bovengenoemd bedrijf aangeleverd en/of laten aanleveren en/of
- ( vervolgens) een verleningsbeschikking en/of een rapportage opgemaakt en/of laten opmaken waarin staat dat de [benadeelde] akkoord is met de inzet van de loonkostensubsidie en/of
- ( vervolgens) een e-mailbericht gestuurd en/of laten sturen naar het [team] met daarin het bedrag dat uitbetaald moet worden aan [naam bedrijf] , waardoor de [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door opzettelijk de naam van zijn bedrijf aan die [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) ter beschikking te stellen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdachte ontkent betrokkenheid bij de oplichting van de [benadeelde] . Verdachte was van plan met zijn toenmalige vriendin een [bedrijf] op te starten, met de bedrijfsnaam [naam bedrijf] De verdachte heeft niet geweten dat de bedrijfsnaam [naam bedrijf] is gebruikt voor oplichting van [benadeelde] .
Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan. De bewijsmiddelen en de waardering daarvan zijn toen mondeling toegelicht, een en ander als volgt:
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, ook voor het tenlastegelegde medeplegen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Oplichting
Uit het procesdossier blijkt dat de [benadeelde] aangifte heeft gedaan van oplichting waardoor ten onrechte loonkostensubsidie is overgemaakt naar externe partijen. Uit onderzoek is gebleken dat ten onrechte loonkostensubsidie is uitgekeerd aan [naam bedrijf] Uit onderzoek bleek echter dat de werkgever niet bestond. Het aangeleverde arbeidscontract voor de loonkostensubsidie bleek vervalst. De handtekening van de in het contract opgenomen uitkeringsgerechtigde bleek niet overeen te komen met de handtekening in het dossier van de gemeente. Ook uit onderzoek in de systemen bleek dat de betreffende uitkeringsgerechtigde nooit heeft gewerkt bij [naam bedrijf] Aan [naam bedrijf] is een bedrag van € 19.891,20 aan loonkostensubsidie uitbetaald. Uit de bankafschriften in het dossier blijkt dat de loonkostensubsidie is overgemaakt naar de toenmalig partner van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] .
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in verhoor verklaard dat haar ex-partner [medeverdachte 3] (in het dossier bekend als medeverdachte [medeverdachte 3] ) met het idee van de oplichting was gekomen. Zij verklaarde dat [medeverdachte 3] mensen zou aanleveren voor wie zij subsidie moest regelen. [medeverdachte 3] was, zo verklaarde [medeverdachte 1] , goed bevriend met verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 3] en verdachte op enig moment ruzie kregen over het uitgekeerde geld.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard over haar betrokkenheid bij de oplichting. Volgens medeverdachte [medeverdachte 2] was verdachte ook betrokken bij de oplichting. Het was verdachte zijn idee om een [bedrijf] te openen onder de naam [naam bedrijf] Verdachte kende via een vriend iemand die bij de [benadeelde] werkte. Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart ook dat verdachte de beschikking had over haar bankpas. Daarnaast verklaart zij dat toen zij in januari 2012 terug kwam van bezoek aan Suriname, verdachte haar pinpas had afgepakt en een aantal grote bedragen had gepind. De loonkostensubsidie was toen net gestort. Hierna heeft medeverdachte [medeverdachte 2] haar pas geblokkeerd en is de relatie beëindigd.
Medeplegen
Naar het oordeel van het hof is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting van de [benadeelde] . Zoals ook door de medeverdachten is beschreven was het een gezamenlijk plan om, door middel van een aanvraagformulier loonkostensubsidie en een valse arbeidsovereenkomst, loonkostensubsidie aan te vragen en te ontvangen, terwijl zij wisten dat zij daar geen recht op hadden. Door het oprichten van het bedrijf [naam bedrijf] en het laten opgeven van dit bedrijf als werkgever voor de aanvraag van loonkostensubsidie, heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de oplichting van de [benadeelde] . Daarnaast heeft verdachte aanzienlijke bedragen van de rekening waar de loonkostensubsidie op werd gestort gepind en voor zichzelf gehouden.
Het hof heeft op basis van de aangifte van de [benadeelde] , de afgelegde verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de bankgegevens en de overige bevindingen van de politie de overtuiging dat verdachte met zijn medeverdachten het plan om de [benadeelde] op te lichten hebben bedacht en uitgevoerd.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij, in de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid endoor listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten ongeveer 19.891,20 euro, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- een aanvraagformulier loonkostensubsidie ingediend en/of laten indienen bij de [benadeelde] voor [naam bedrijf] en
- een gefingeerde en/of valse en/of vervalste arbeidsovereenkomst voor bovengenoemd bedrijf aangeleverd en/of laten aanleveren en
- ( vervolgens) een verleningsbeschikking laten opmaken waarin staat dat de [benadeelde] akkoord is met de inzet van de loonkostensubsidie en
- ( vervolgens) een e-mailbericht gestuurd en/of laten sturen naar het [team] met daarin het bedrag dat uitbetaald moet worden aan [naam bedrijf] , waardoor de [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
medeplegen van oplichting.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Dit, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Deze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:
Verdachte heeft samen met anderen de [benadeelde] opgelicht door loonkostensubsidie
voor zijn bedrijf te laten uitkeren terwijl hij wist dat hij hier geen recht op had. Verdachte heeft daarmee op grove wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld. Het hof neemt dit verdachte kwalijk.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 februari 2026. Uit dat uittreksel volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld. Dit was voor het laatst op 28 oktober 2010. Het hof houdt hier bij de strafoplegging geen rekening mee.
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 50 maanden. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn ruimschoots overschreden. Het hof is van oordeel dat met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf – terwijl het bewezenverklaarde op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt – voldoende rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties.
Alles afwegend, acht het hof een voorwaardelijke taakstraf van 75 uren, te vervangen door 37 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden en zal deze straf aan verdachte opleggen. Verdachte zal de taakstraf niet uit hoeven voeren als hij gedurende de proeftijd van 1 jaar geen strafbaar feit zal plegen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 42.113,60 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 4.972,80. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom in haar geheel toegewezen, met dien verstande dat de verdachte met mededader [medeverdachte 1] hoofdelijk voor de betaling ervan aansprakelijk is.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.972,80 (vierduizend negenhonderdtweeënzeventig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader [medeverdachte 1] hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2011.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. T.H. Bosma en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 maart 2026.