[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats]
op dit moment verblijvende in P.I. [plaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 11 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarnaast vordert de advocaat-generaal toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-236621-22, inhoudende een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Helmich, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking in de zin van artikel 38z Sr opgelegd. Voorts heeft de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-236621-22 toegewezen, inhoudende een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Noord-Nederland op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis, met aanvulling van bewijsmiddelen en overwegingen met betrekking tot het bewijs. Voorts komt het hof tot een andere strafoplegging. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.
Het vonnis zal voor het overige worden bevestigd.
Aanvulling bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt aangevuld.
1. De door verdachte ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Op 12 april 2025 was ik erg boos. Ik was furieus. Dit kwam omdat ik mijn familie erg miste en omdat ik beelden over Gaza op televisie had gezien. Ik heb daarom die dag goederen in mijn woning kapot geslagen en kapot gegooid. Ik heb goederen in mijn slaapkamer kapot geslagen en ik heb het glas in de tussenwand tussen de keuken en de woonkamer kapot gegooid. Ik heb die dag ook geschreeuwd en ik heb met mijn hand tegen een deur geslagen.
Aanvullende overwegingen ten aanzien van het bewijs
Zoals uit het vonnis van de rechtbank volgt, is uit forensisch onderzoek gebleken dat de oorzaak van de brand niet vastgesteld kon worden, maar dat geen technische voorzieningen zijn aangetroffen die het ontstaan van de brand kunnen hebben veroorzaakt. De brand is, volgens de forensisch onderzoeker, zeer waarschijnlijk veroorzaakt door brandstichting.
Ter zitting in hoger beroep van 11 maart 2026 is nadrukkelijk aan verdachte voorgehouden dat hij, vlak voordat de brand werd ontdekt, in zijn woning aanwezig was. Verdachte heeft toen verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat er iets in brand stond of ging toen hij zich in zijn woning bevond dan wel toen hij zijn woning verliet. Uit de getuigenverklaring van [getuige] volgt onder meer dat zij verdachte heeft gezien bij het raam aan de buitenkant van de woning, dat hij met een vloeistof gooide en dat zij vlak erna rook heeft gezien.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de brand heeft veroorzaakt en dat hij dat heeft gedaan door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof. De wijze waarop verdachte precies te werk is gegaan, is niet vast komen te staan. Dit staat echter niet in de weg aan een bewezenverklaring dat hij de brand opzettelijk heeft gesticht.
De ontkennende verklaring van verdachte ter zitting van het hof dat hij geen brand heeft waargenomen, acht het hof ongeloofwaardig, en mede daardoor zijn stelling dat de brand een andere oorzaak heeft dan wel dat iemand anders de brand zou kunnen hebben veroorzaakt. Voorgaande is volstrekt niet aannemelijk geworden en vindt geen steun in het dossier. Integendeel.
Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij op 12 april 2025 heel erg boos en emotioneel was in verband met de gebeurtenissen in Gaza en het feit dat dit hem terugbracht naar heftige gebeurtenissen uit zijn eigen verleden. De boze toestand waarin verdachte zich bevond wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] , die onder meer heeft gezien dat verdachte, vlak voordat de brand werd ontdekt, een ruit van zijn woning intrapte.
Het hof is van oordeel dat uit voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat verdachte opzet had op het veroorzaken van de brand.
Gevaar voor goederen, leven en zwaar lichamelijk letsel
Het hof is van oordeel dat bij de brandstichting op 12 april 2025 evident sprake is geweest van levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gevaar voor goederen. De woning van verdachte bevond zich op de derde etage van een appartementengebouw en was door de uitslaande brand zeer beschadigd. Op het moment van de brand waren meerdere bewoners in het appartementengebouw aanwezig. Uit de verklaring van buurtbewoner [naam] volgt dat haar vriend verschillende buurtbewoners op de brand heeft geattendeerd, waaronder twee bewoners die zich op het moment van de brand in hun woning in het appartementengebouw bevonden.
Vooraf is niet te voorspellen hoe een dergelijke brand zal verlopen. Het is algemeen bekend dat een brand snel grote vormen kan aannemen en een onbeheersbaar karakter kan krijgen. Het is niet aan verdachte te danken dat geen van de aanwezige personen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarnaast heeft het hof, evenals de rechtbank, rekening gehouden met de consultbrief, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut voor
Psychiatrie en Psychologie op 22 april 2025, het rapport opgemaakt door psychiater
V. Rama op 8 oktober 2025, het reclasseringsadvies opgemaakt door Reclassering Nederland op 10 oktober 2025 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 februari 2026.
Straf
Het hof is het eens met onderstaande overwegingen van de rechtbank en neemt die over.
Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in zijn woning. Zijn woning bevindt zich op de derde etage van een appartementencomplex. Door de brandstichting is een uitslaande brand ontstaan waarvan grote materiële schade het gevolg was. Een aantal bewoners kon, in verband met de schade veroorzaakt door de brand, tijdelijk niet in hun woning verblijven en moest elders een verblijfplaats zoeken. Bovendien is een levensgevaarlijke situatie voor de bewoners en aanwezigen in het appartementencomplex veroorzaakt.
Brandstichting is een zeer ernstig strafbaar feit en een brandstichting als de onderhavige veroorzaakt maatschappelijke onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de bewoners van het appartementencomplex in het bijzonder.
Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een aanzienlijke, onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de justitieel documentatie van verdachte blijkt dat hij in 2023 ook is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting en dat hem toen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden is opgelegd. Ten tijde van de brandstichting liep verdachte nog in de proeftijd van deze veroordeling. De voorwaardelijke straf en de bijzondere voorwaarden, onder meer inhoudende een behandeling, hebben hem er niet van kunnen weerhouden opnieuw een dergelijk delict te plegen.
Door de psychiater is geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een posttraumatische stress stoornis (hierna: PTSS), cannabismisbruik en acculturatieproblemen naast blootstelling aan rampen en oorlog. Doordat verdachte het ten laste gelegde ontkent kon door de psychiater geen uitspraak worden gedaan over de doorwerking van deze problematiek bij het delict en de toerekenbaarheid. In haar rapportage is de voorgeschiedenis en het probleemgedrag van verdachte inzichtelijk gemaakt. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat verdachte door jeugdtrauma’s en algemene oorlogservaringen beschadigd is geraakt. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de dag van de brandstichting in een geagiteerde stemming verkeerde door de televisiebeelden van de oorlog in Gaza en dat hij daardoor niet zichzelf was.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof, evenals de rechtbank, dat de problematiek van verdachte op zijn handelen van invloed is geweest, waardoor het ten laste gelegde hem in verminderde mate is toe te rekenen. Het hof zal daarmee in de strafmaat rekening houden.
Gelet op het voorgaande, maar anders dan de rechtbank, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren passend en noodzakelijk. Op deze manier komt de ernst van het door verdachte begane feit tot uitdrukking. Met het relatief grote voorwaardelijke deel hoopt het hof verdachte een stok achter de deur te geven om niet opnieuw een (dergelijk) strafbaar feit te begaan. Het hof zal aan dit voorwaardelijke deel geen bijzondere voorwaarden verbinden, nu uit voornoemde rapportages blijkt dat voor een succesvolle behandeling van PTSS sprake moet zijn van vrijwilligheid en ziektebesef, hetgeen ontbreekt bij verdachte. Omdat hij onvoldoende in staat lijkt te zijn om te begrijpen wat van hem wordt verwacht, wordt ingeschat dat bijzondere voorwaarden niet haalbaar zijn voor verdachte.
Het hof verbindt aan de op te leggen gevangenisstraf een proeftijd van 5 jaren omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel
Het hof is het eens met onderstaande overweging van de rechtbank en neemt deze over.
Doordat verdachte het ten laste gelegde ontkent kon door de psychiater geen uitspraak worden gedaan over het recidiverisico. Zij heeft echter op basis van verdachte zijn voorgeschiedenis geconcludeerd dat het gevaar voor herhaling op brandstichting niet uitgesloten kan worden en dat bovendien brandstichting in het verleden ook gezien zou kunnen worden als een vorm van inadequate coping. Als dit eenmaal een copingsvaardigheid is, dan is er grote kans dat verdachte als de druk weer oploopt, opnieuw brand gaat stichten. Daarnaast heeft de psychiater aangegeven dat het cannabismisbruik een risicofactor kan zijn doordat dit ontremming van zijn gedrag veroorzaakt. Doordat verdachte geen zinvolle dagbesteding en geen sociaal netwerk heeft zijn er geen verdere beschermde factoren aanwezig.
Het hof is van oordeel dat de kans dat verdachte, zonder adequate behandeling, opnieuw opzettelijk brand sticht met gevaar voor goederen en personen, in aanzienlijke mate aanwezig is. Voor de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen acht het hof het noodzakelijk om naast de gevangenisstraf de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (de GVM-maatregel) in de zin van artikel 38z Sr op te leggen. Het hof legt deze maatregel dan ook op. Na afloop van de gevangenisstraf kan eventuele diagnostiek, klinische behandeling en/of hulp en toezicht plaatsvinden ter beperking van het recidiverisico.
Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 18-136621-22
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 20 maart 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.
Het hof stelt vast dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan voor het einde van de proeftijd en dus dat hij de algemene voorwaarde heeft overtreden. Het hof gelast daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 16 (zestien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 maart 2023, parketnummer 18-236621-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. H.J. Deuring en mr. A.J. Rietveld, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 maart 2026.