[klager]
domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman:
mr. J. Zandberg, advocaat te Nijmegen,
klager,
tegen
[naam] voormalig waarnemend burgemeester van de [gemeente] , hierna te noemen: beklaagde [naam] ,
en
medewerkers en ambtenaren van de [gemeente] ,
hierna gezamenlijk te noemen: overige beklaagden.
Op 23 augustus 2024 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klager. Op 27 augustus 2025 is een aanvulling op het beklag ontvangen. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen.
Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.
Op 12 september 2025 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klager en zijn advocaat, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.
Op 6 februari 2026 is de zaak opnieuw in raadkamer van dit hof behandeld. Bij deze behandeling waren beklaagde [naam] alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord. Beklaagde heeft voorafgaand aan de behandeling in raadkamer een schriftelijk standpunt, gedateerd 31 december 2025, naar het hof gestuurd.
De advocaat-generaal heeft in overeenstemming met het schriftelijk verslag geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht.
Het beklag
Klager heeft op 9 augustus 2023 aangifte gedaan van valsheid in geschrift, huisvredebreuk en discriminatie, gepleegd door beklaagden op 21 mei 2022 te [plaats]
De officier van justitie heeft klager bij brief van 2 oktober 2023 meegedeeld dat beklaagden niet zullen worden vervolgd, omdat van huisvredebreuk en discriminatie geen sprake is geweest. Ten aanzien van valsheid in geschrift heeft de officier van justitie klager verzocht de aangifte nader te onderbouwen met stukken uit de door hem genoemde bezwaarschrift- en/of klachtenprocedure zodat zij beter kan beoordelen of ten aanzien van de machtiging een strafrechtelijk onderzoek geïndiceerd is. In de huidige stukken vindt de officier van justitie geen aanleiding voor een verdenking van valsheid in geschrift.
De gemachtigde van klager heeft de aangifte bij brief van 4 maart 2024 nader toegelicht.
De officier van justitie heeft (de gemachtigde van) klager bij brief van 10 maart 2024 meegedeeld dat de nadere onderbouwing niets verandert aan het eerdere oordeel omdat er bij het begaan van onzorgvuldigheden ten aanzien van de machtiging tot binnentreden hooguit sprake is geweest van gemakzucht of ondeskundigheid, dat niet langs strafrechtelijke lijnen onderzocht en beoordeeld dient te worden. Het doorlopen van een bestuursrechtelijke bezwaar- (en klacht)procedure, zoals klager heeft gedaan, was het geëigende middel. Het feit dat de grieven van klager in die procedure gegrond zijn verklaard, maakt op zichzelf niet dat dit zou moeten leiden tot een strafrechtelijke veroordeling.
De beoordeling van het beklag
Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is dus ontvankelijk in zijn beklag.
Uit de stukken in het dossier en de behandeling in raadkamer blijkt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende.
Klager woont samen met zijn gezin in een bedrijfspand met woning op een bedrijventerrein in [plaats] . Op 17 mei 2022 is op dat terrein een bestuursrechtelijke controle uitgevoerd in het kader van het thema ondermijning, die was gericht op drugsgerelateerde activiteiten en illegale bewoning. Tijdens deze controle zijn meerdere panden op het bedrijventerrein bezocht, waaronder het pand waarin klager woont.
Aan klager is een machtiging tot binnentreden getoond, gedagtekend op 16 mei 2022 en ondertekend door beklaagde [naam] Op grond van deze machtiging was [naam] , BOA bij de [gemeente] , gemachtigd om binnen te treden.
Volgens klager is niet [naam] , maar zijn twee andere ambtenaren te weten [naam] , BOA, en [naam] , toezichthouder van de [gemeente] , bij hem binnengetreden. Daarnaast was op deze machtiging het doel van het binnentreden niet ingevuld.
Klager is een bezwaarschriftprocedure gestart en stelt dat hij tijdens deze procedure ontdekte dat er een tweede machtiging tot binnentreden was afgegeven, eveneens gedateerd 16 mei 2022, waarin [naam] werd gemachtigd om binnen te treden. Daarnaast was op deze machtiging het doel wél ingevuld, te weten: meer inzicht krijgen op alle activiteiten die plaatsvinden en het naleven van wet- en regelgeving (Awb, Wro, Wm, Wonw en bestemmingsplan). Tevens in hoeverre bewoners van de bedrijfswoning nog verbonden zijn met het betreffende bedrijf.
Deze machtiging is eveneens ondertekend door beklaagde [naam]
Klager heeft (een reproductie van) de handtekening van beklaagde [naam] onder de tweede machtiging aan een handschriftdeskundige voorgelegd, die heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de te onderzoeken handtekening een (authentieke) handtekening betreft die met de hand is gezet, dan wanneer het om een stempelafdruk van een handtekening gaat.
Klager is van mening dat dit bewijst dat valsheid in geschrift is gepleegd en verzoekt de vervolging van beklaagde [naam] , de bij de controle van 17 mei 2022 aanwezige ambtenaren en de ambtenaren die betrokken zijn geweest bij het opstellen van de machtigingen tot binnentreden.
Beklaagde [naam] heeft in raadkamer verklaard dat hij zelf op maandag 16 mei 2022 alle machtigingen tot binnentreden heeft getekend voor de actie die de volgende dag zou plaatsvinden. Volgens beklaagde is dit een natte handtekening geweest. Pas later die week hoorde hij van twee ambtenaren van de gemeente, [naam] (fonetisch), hoofd van de afdeling handhaving, en [naam] (fonetisch), ambtenaar openbare orde en veiligheid, dat de machtiging tot binnentreden van de woning van klager niet correct was en dat daarom een nieuwe machtiging was opgemaakt. Voor het ondertekenen van die tweede machtiging is de digitale handtekening óf de stempelhandtekening van beklaagde [naam] gebruikt zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. [naam] vermoedt dat de tweede machtiging op 17 mei 2022 is opgemaakt, toen tijdens de actie bleek dat de eerste machtiging niet correct was ingevuld. Hij beschouwt de tweede machtiging als een reparatiemachtiging en betreurt het dat die ook op 16 mei 2022 is gedateerd, want dat is onjuist
Oordeel van het hof
Ten aanzien van discriminatie en huisvredebreuk
Het hof is van oordeel dat het klaagschrift geen enkel aanknopingspunt biedt voor een redelijk vermoeden dat beklaagde [naam] dan wel de overige beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare discriminatie, zodat het beklag op dit onderdeel als ongegrond zal worden afgewezen.
Het hof is daarnaast van oordeel dat strafrechtelijk vervolging ten aanzien van wederrechtelijk binnentreden niet opportuun is. Het binnentreden geschiedde immers door BOA’s die op basis van een schriftelijke machtiging zijn binnen getreden. De onvolkomenheden in die (eerste) machtiging doen aan de rechtmatige intentie op het moment van het binnentreden niet af. Klager heeft een bestuursrechtelijke procedure doorlopen waarin zijn klachten op dit punt reeds zijn getoetst. Het hof is van oordeel dat – voor zover al sprake zou zijn van het begaan van deze feiten – toepassing van het strafrecht geen toegevoegde waarde meer heeft, nu hierover al bestuursrechtelijk is geprocedeerd.
Ten aanzien van valsheid in geschrift
Gelet op de verklaring die beklaagde [naam] in raadkamer heeft afgelegd, gaat het hof ervan uit dat de handtekening op de tweede machtiging is geplaatst ná 16 mei 2022 en dus geantedateerd is. Dat is een omstandigheid die een verdenking van een strafbaar feit oplevert.
Anders dan het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat dit gegeven niet kan worden afgedaan als (slechts) een administratieve onzorgvuldigheid. Met het binnentreden in de woning wordt in ernstige mate inbreuk gemaakt op het huisrecht en de persoonlijke levenssfeer van klager en zijn gezinsleden. Van door ambtenaren opgemaakte processen-verbaal betreffende door hen verrichte ambtshandelingen en de in verband daarmee opgemaakte bescheiden, zoals de onderhavige machtigingen, mag worden verwacht dat die naar waarheid zijn opgemaakt en met alle waarborgen zijn omkleed. Bij de beoordeling daarvan door anderen, waaronder rechtelijke instanties, moet men erop kunnen vertrouwen dat de daartoe opgemaakte documenten aan alle daaraan gestelde wettelijke vereisten voldoen.
Ten aanzien van de overige beklaagden ziet het hof op dit moment geen aanleiding om het beklag gegrond te verklaren omdat er, mede gelet op het door klager overgelegde rapport van de handschriftdeskundige, geen aanwijzingen bestaan dat de handtekening op de machtiging door één van de overige beklaagden geplaatst is.
Voor zover de klacht gericht is tegen beklaagde [naam] is het hof van oordeel dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld ter zake van valsheid in geschrifte. Het hof kent hierbij waarde toe aan de bevindingen van de door klager geraadpleegde handschriftdeskundige.
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van dit feit nader onderzoek dient plaats te vinden, bestaande uit:
het horen van [naam] (fonetisch), hoofd van de afdeling handhaving bij de [gemeente] , en [naam] (fonetisch), ambtenaar openbare orde en veiligheid bij de [gemeente] , als getuige,
alsmede forensisch onderzoek naar (de handtekening onder) de tweede machtiging,
en zal daarom de vervolging van beklaagde [naam] bevelen.
Uit het voorgaande volgt dat het beklag deels gegrond is. Er wordt beslist als volgt.
Beslissing
Het hof:
Wijst het beklag af ten aanzien van de overige beklaagden.
Wijst af het beklag ten aanzien van beklaagde [naam] voor zover deze betrekking heeft op huisvredebreuk en discriminatie.
Beveelt dat door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen beklaagde [naam] zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf omschreven in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelast dat door de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering zal worden gedaan om een nader onderzoek te doen verrichten, dat mede zal bestaan uit het horen als getuige van:
- [naam] (fonetisch)hoofd van de afdeling handhaving van [gemeente] , en
- [naam] (fonetisch)ambtenaar openbare orde en veiligheid van de [gemeente] .
Gelast dat forensisch onderzoek zal worden gedaan naar (de handtekening onder) de tweede machtiging.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter, mr. O.G. Schuur en mr. S. Taalman, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, op 27 maart 2026 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.