ECLI:NL:GHARL:2026:1865

ECLI:NL:GHARL:2026:1865

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 27-03-2026
Zaaknummer 21-000271-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof spreekt de verdachte vrij van het valselijk opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen en het vervolgens gebruikmaken daarvan. De verdachte wordt wel veroordeeld voor het feitelijke leidinggeven aan het afgeven door een rechtspersoon van bedrijfsafvalstoffen (uienwater en van het wassen van aardappelen afkomstig proceswater) aan een bedrijf dat niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen. De bedrijfsafvalstoffen zijn niet zonder meer schadelijk voor het milieu, de redelijke termijn van berechting is overschreden en het hof heeft gelet op de gevolgen die de vervolging voor de verdachte en zijn bedrijven heeft gehad. Het hof legt een voorwaardelijke geldboete op van € 1.000,- met een proeftijd van één jaar.

Uitspraak

FREERK [verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissingen betrokken wat besproken is op de zittingen van het hof van 3 februari 2026 en 17 maart 2026 en de zittingen bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte en zijn raadslieden, mr. M.G. Bischop en mr. A.C. Huisman, is aangevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor:

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf van honderdtwintig uren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Voorvraag

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota het standpunt ingenomen dat de dagvaarding voor zover het de feiten 1 en 2 betreft nietig is op het onderdeel ‘een groot aantal’ en voor wat betreft de slechts door middel van paginanummers aangeduide vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (hierna: VDM’s) die onderaan het onder 1 en 2 tenlastegelegde staan genoemd.

Het hof stelt in dit verband voorop dat artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het zou zijn begaan, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte op basis van de tenlastelegging weet waartegen hij zich moet verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis dat de dagvaarding een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd, is zo uit te leggen dat het tenlastegelegde duidelijk en begrijpelijk moet zijn, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk.

Naar het oordeel van het hof kan de tenlastelegging onder 1 en 2 redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan dat verdachte veertien specifieke VDM’s – de zes VDM’s die in de tenlastelegging achter zes gedachtestreepjes met datum, nummer en vindplaats zijn aangeduid en de acht VDM’s waarvan de vindplaats in het politiedossier onderaan de tenlastelegging onder 1 en 2 is vermeld – respectievelijk valselijk heeft opgemaakt, of laten opmaken, en daarvan gebruik heeft gemaakt of heeft laten maken. De tenlastelegging is ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde daarmee voldoende feitelijk en het moet voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn, ook in het licht van de inhoud van de overige processtukken, waartegen verdachte zich moet verdedigen.

Het hof verwerpt het verweer.

Tenlastelegging

De verdenking komt erop neer, kort en zakelijk weergegeven, dat verdachte:

Voluit is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. primairhij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

14, althans een groot aantal, geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, waaronder

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329336, (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329395, (pag 1455 ordner 5 ZD1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 240 ton mest, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer 1125618337, (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 504 ton mest, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer 1125618353, (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329409, (pag 2400, ordner 8 ZD1.4), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329441, (pag 2403, ordner 8 ZD1.4),

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door,

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329336 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329395 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1125618337 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of gelost op de losplaats met postcode [postcode2] ( [naam2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1125618353 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] ( [naam2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329409 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329441 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ),

dit terwijl in alle voornoemde gevallen in het geheel geen mest was afgevoerd,

met het oogmerk om die vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

(overige VDM's zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM's zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412)

1. subsidiair[rechtspersoon/medeverdachte1] en/of [rechtspersoon/medeverdachte2] op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

14, althans een groot aantal, geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, waaronder

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329336 (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329395 (pag 1455 ordner 5 ZD1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 240 ton mest, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer 1125618337, (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 504 ton mest, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer 1125618353, (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329409 (pag 2400, ordner 8 ZD1.4), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329441, (pag 2403, ordner 8 ZD1.4),

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door,

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329336 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329395 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1125618337 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of gelost op de losplaats met postcode [postcode2] ( [naam2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1125618353 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] ( [naam2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329409 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer 1116329441 in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] ( [naam1] ),

dit terwijl in alle voornoemde gevallen in het geheel geen mest was afgevoerd,

met het oogmerk om die vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

(overige VDM's zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM's zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412)

2. primairHij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 9 september 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van 14, althans een groot aantal, valselijk opgemaakte geschrift(en) en/of vervalste geschrift(en),

dat (die) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als was/waren deze echt en onvervalst, door, waaronder,

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329336 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1)

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden aan en/of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1557 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329395 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (pag 1455 ordner 5 ZD1.1),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1551 ordner 5 ZD 1.1.), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer 1125618337, (ongeveer 240 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] en/of dat de afnemer van die mest [naam2] was, (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2)

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1705 ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer 1125618353, (ongeveer 504 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] , en/of dat de afnemer van die mest [naam2] was, (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2130 ordner 7 ZD 1.3, pag 2130), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329409 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (Pag 2400, ordner 8 ZD1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2501 ordner 8 ZD 1.4), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329441, (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (Pag 2403, ordner 8 ZD1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2497 ordner 8 ZD 1.4);

(overige VDM's zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM's zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412)

2. subsidiair[rechtspersoon/medeverdachte1] en/of [rechtspersoon/medeverdachte2] op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 09 september 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van 14, althans een groot aantal, valselijk opgemaakt geschrift(en) en/of vervalst(e) geschrift(en),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als was/waren deze echt en onvervalst, door, waaronder,

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329336 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1557 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer 1116329395 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (pag 1455 ordner 5 ZD1.1),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1551 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer 1125618337, (ongeveer 240 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] en/of dat de afnemer van die mest [naam2] was, (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1705 ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer 1125618353, (ongeveer 504 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode2] , en/of dat de afnemer van die mest [naam2] was, (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2130 ordner 7 ZD 1.3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329409 (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (Pag 2400, ordner 8 ZD1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/ te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2501 ordner 8 ZD 1.4, pag 2501), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer 1116329441, (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [postcode] en/of dat de afnemer van die mest [naam1] was, (Pag 2403, ordner 8 ZD1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) (pag 2497 ordner 8 ZD 1.4,),

zulks terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

(Overige 5 VDM's zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470 en overige 3 VDM's zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412)

3. primairhij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2016 tot en met 12 mei 2017 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk,

zich door afgifte aan een ander, te weten [medeverdachte3] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater heeft ontdaan;

3. subsidiair[rechtspersoon/medeverdachte1] en/of [naam5] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2016 tot en met 12 mei 2017 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk,

zich door afgifte aan een ander, te weten [medeverdachte3] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater heeft ontdaan,

zulks terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feiten 1 en 2 (boer-boertransporten)

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Gelet op de manier waarop de ondernemingen van het [naam6] waren ingericht en de wijze waarop binnen deze bedrijven werd gewerkt, is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere betrokken (rechts)personen.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Enig bewijs van het opzet bij verdachte ontbreekt. Daarnaast is er geen sprake van medeplegen, omdat de materiële en intellectuele bijdrage van verdachte nihil is geweest. Verdachte kan evenmin worden aangemerkt als feitelijke leidinggever.

Overwegingen van het hof

Het hof heeft niet uit het onderzoek op de zitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair of 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet moet een vracht dierlijke meststoffen tijdens het vervoer vergezeld gaan van een op de vracht betrekking hebbend vervoersbewijs (VDM). De gegevens van het transport en de mest worden geregistreerd om zo te controleren waar de mest vandaan komt en waar de mest naartoe gaat. Elk VDM heeft een uniek nummer. VDM’s worden ingediend bij de minister (de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO). De RVO beheert en registreert de mestproductie van agrariërs en waar de mest wordt opgeslagen en/of uitgereden.

Ook een transport van dierlijke meststoffen naar een boer op een afstand van ten hoogste vijftien kilometer – boerboertransporten – moet vergezeld gaan van een VDM en ook dat VDM moet bij de RVO worden ingediend.

Uit informatie van de RVO blijkt dat de in de tenlastelegging opgenomen VDM’s bij de RVO zijn ingediend door [rechtspersoon/medeverdachte1] Onduidelijk is echter gebleven door welke persoon of personen de VDM’s zijn ingevuld. Gelet op het handschrift is aannemelijk dat de VDM’s door verschillende personen zijn ingevuld. Mede daarom kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat verdachte of een andere medewerker van [rechtspersoon/medeverdachte1] de betrokken VDM’s heeft ingevuld.

Op basis van het onderzoek op de zitting en de processtukken kan ook niet met de voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid worden vastgesteld dat de ten laste gelegde transporten niet hebben plaatsgevonden en, voor zover zij niet hebben plaatsgevonden, welke rol verdachte en [rechtspersoon/medeverdachte1] bij die fictieve transporten hebben gehad. Zo hebben [naam3] en [naam4] , leveranciers van mest, verklaard niet te weten of de transporten wel of niet hebben plaatsgevonden. Wat betreft de in het dossier aanwezige informatie die erop wijst dat bepaalde transporten fictief zijn geweest, geldt dat deze informatie afkomstig is van [naam1] . Maar nu [naam1] zelf betrokken is geweest bij een strafrechtelijk onderzoek naar mestfraude en mogelijk een eigen belang heeft gehad bij een verklaring waarin hij anderen ten onrechte belast, is het hof van oordeel dat diens verklaring onvoldoende is voor het bewijs van betrokkenheid van verdachte en [rechtspersoon/medeverdachte1] bij de ten laste gelegde (fictieve) mesttransporten van boer tot boer binnen een afstand van vijftien kilometer.

De verklaring van [naam9] inhoudende dat verdachte [verdachte] met het idee is gekomen om het “op deze manier te doen” kan niet zonder meer als belastend worden uitgelegd, omdat met deze verklaring ook kan zijn gedoeld op de rol die [verdachte] had bij het bemiddelen tussen en het bij elkaar brengen van boeren (binnen de regio) voor het leveren en afnemen van dierlijke meststoffen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de ten laste gelegde mesttransporten niet hebben plaatsgevonden en dat verdachte en [rechtspersoon/medeverdachte1] daar op de ten laste gelegde manier bij betrokken zijn geweest. Bijgevolg ontbreekt ook wettig en overtuigend bewijs dat de ten laste gelegde VDM’s valselijk zijn opgemaakt en dat van de valselijk opgemaakte VDM’s gebruik is gemaakt.

Het hof acht aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverweging feit 3 (het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen)

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde. Gelet op de manier waarop de ondernemingen van het [naam6] waren ingericht en de wijze waarop binnen deze bedrijven werd gewerkt, is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere betrokken (rechts)personen.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Overwegingen van het hof

Het hof neemt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde een deel van de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze overwegingen tot de zijne.

Ingevolge artikel 1.1. van de Wet milieubeheer – zoals deze bepaling luidde ten tijde van het tenlastegelegde – wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;

huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; en

gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit.

Ingevolge artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

Op grond van het tweede artikellid geldt het verbod niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen of die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen.

Het hof stelt op grond van de inhoud van de processtukken en het onderzoek op de zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 13 juni 2019 heeft in het kantoorpand van [rechtspersoon/medeverdachte1] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder andere de server van de applicatie TransportMaster, waarop meerdere facturen waren vastgelegd, in beslag is genomen.

[naam5] . heeft in 2016 facturen gestuurd naar [medeverdachte3] (hierna: [medeverdachte3] ). De eerste factuur heeft betrekking op proceswater met als oudste levering 13 januari 2016. Daarna heeft [naam5] . nog andere facturen gestuurd naar [medeverdachte3] voor proceswater en uienwater. [naam5] . heeft in 2017 ook facturen gestuurd naar [medeverdachte3] voor de levering van uienwater, met als laatste factuurdatum 12 mei 2017. [naam5] . heeft in 2016 gefactureerd aan [bedrijfsnaam1] voor het transport van proceswater en aan [bedrijfsnaam2] voor het transport van uienwater. [naam5] . heeft in 2017 opnieuw facturen gestuurd naar [bedrijfsnaam2] voor het transport van uienwater.

[rechtspersoon/medeverdachte1] heeft in 2016 gefactureerd aan [naam5] . voor het transport van proceswater en uienwater. Blijkens die facturen zijn de ladingen die naar [medeverdachte3] in [plaats2] zijn vervoerd, afkomstig uit [plaatsnaam] , waar [bedrijfsnaam2] is gevestigd, en [plaatsnaam2] , waar [bedrijfsnaam1] is gevestigd.

[rechtspersoon/medeverdachte1] is bij de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) geregistreerd als vervoerder, inzamelaar, handelaar en bemiddelaar van/in afvalstoffen (VIHB-registratie).

Uit de milieuvergunning voor het in werking hebben van de inrichting van [bedrijfsnaam2] in [plaatsnaam] komt naar voren dat het bewuste uienwater uit een verwerkingsproces afkomstig is. De milieuvergunning voor het in werking hebben van de inrichting van [bedrijfsnaam1] in [plaatsnaam2] houdt in dat het proceswater uit een verwerkingsproces afkomstig is.

Bijproducten en meststoffen kwalificeren niet als (bedrijfs)afvalstoffen. Het uienwater van de inrichting van [bedrijfsnaam2] in [plaatsnaam] en het proceswater (spoelwater) van de inrichting van [bedrijfsnaam1] in [plaatsnaam2] kunnen – op grond van artikel 5, tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) in verbinding met artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer en de Regeling criteria bijproducten kaderrichtlijn afvalstoffen – niet als bijproduct worden aangemerkt. Het uienwater en het proceswater (spoelwater) zijn ook niet aangewezen als meststof: zij zijn niet opgenomen in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Dat betekent dat het proceswater en het uienwater bedrijfsafvalstoffen zijn. Om dat water te mogen ontvangen, moet de ontvanger over een VIHBregistratie beschikken. [medeverdachte3] beschikt niet over een VIHBregistratie.

[naam7] , werkzaam bij een van de bedrijven van het [naam6] , heeft verklaard dat hij met een van de vertegenwoordigers van het [naam6] een bestemming voor het proceswater van [bedrijfsnaam1] heeft gezocht en gevonden. Die vertegenwoordiger heeft de gegevens van de afnemer van het proceswater aan hem doorgegeven. [naam7] heeft die informatie vervolgens weer doorgegeven aan de chauffeurs van de transporten.

[medeverdachte3] , directeur van [medeverdachte3] , heeft verklaard dat zijn contact met de bedrijven van [medeverdachte4] altijd verloopt via [verdachte] . In 2016 heeft [verdachte] aan hem gevraagd of hij uienwater wilde afnemen. Het initiatief voor het leveren van uienwater kwam volgens [medeverdachte3] van [verdachte] . Het uienwater was afkomstig van [bedrijfsnaam2] in [plaatsnaam] en werd door vrachtwagens van het transportbedrijf van [medeverdachte4] geleverd. De chauffeurs lieten iedere keer een begeleidingsbrief achter.

[medeverdachte4] heeft verklaard dat zijn bedrijf voor [bedrijfsnaam1] water heeft vervoerd.

[verdachte] heeft verklaard dat hij uienwater aan [medeverdachte3] heeft aangeboden en dat er tientallen vrachten uienwater aan [medeverdachte3] zijn geleverd. Die transporten zijn door [naam5] . georganiseerd. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij als bemiddelaar is opgetreden.

In een proces-verbaal van bevindingen over afgeluisterde telefoongesprekken komt naar voren dat [medeverdachte4] en [verdachte] hebben gesproken over het uienwater dat zij een jaar daarvoor naar [medeverdachte3] hebben vervoerd. [verdachte] heeft met [naam8] van [bedrijfsnaam2] [medeverdachte3] bezocht om ervoor te zorgen dat het verhaal gelijkluidend is, nu hij door de politie is uitgenodigd om een verklaring af te leggen. Daarnaast heeft [medeverdachte4] gezegd dat ze moeten verklaren dat het geen afvalstof is, maar gewoon water (van zilveruitjes). Een dag later heeft [medeverdachte4] tegen [verdachte] gezegd dat hij erover heeft nagedacht en dat zij allemaal moeten verklaren dat het water uit het uienpotje van menselijke consumptie is. Zo moeten zij het spelen. Zij moeten niet over afvalwater praten, want “dan willen ze bonnen zien”. [verdachte] heeft daarop geantwoord dat hij de mannen instructies zal geven.

Het hof stelt vast dat het uienwater en proceswater waar het hier om gaat zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen en dat deze afvalstoffen aan [medeverdachte3] zijn geleverd. Daarmee is de onder 3 ten laste gelegde gedraging wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat er sprake is geweest van het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen waardoor het verbod van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden. Dit verbod is onverkort van toepassing omdat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat [medeverdachte3] bevoegd is afvalstoffen in te zamelen of nuttig toe te passen of te verwijderen.

Toerekening aan de rechtspersonen

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt, als de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn als zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

[rechtspersoon/medeverdachte1] heeft het uienwater en het proceswater ingezameld en vervoerd. Gelet op de VIHB-registratie van [rechtspersoon/medeverdachte1] was zij daartoe bevoegd en pasten deze werkzaamheden in haar normale bedrijfsvoering. Daarnaast kon [rechtspersoon/medeverdachte1] erover beschikken of de werkzaamheden al dan niet zouden plaatsvinden. Zij heeft de vrijheid om te bepalen of een lading wordt aangenomen en naar wie die lading wordt vervoerd. Blijkens de verklaringen van [naam7] en [medeverdachte3] heeft [verdachte] het initiatief genomen om het uienwater en het proceswater aan [medeverdachte3] te leveren. [rechtspersoon/medeverdachte1] heeft de bedrijfsafvalstoffen naar [medeverdachte3] vervoerd. Gelet op de feitelijke gang van zaken heeft [rechtspersoon/medeverdachte1] aanvaard dat het proceswater en het uienwater werden geleverd aan een persoon die niet bevoegd is om afvalstoffen te ontvangen. In een periode van ruim een jaar zijn tientallen transporten uienwater en proceswater uitgevoerd naar [medeverdachte3] , die niet over een VIHBregistratie beschikte.

[naam5] . heeft alles rondom de transporten georganiseerd, waaronder het aannemen en doorgeven aan [rechtspersoon/medeverdachte1] van de opdracht om de bedrijfsafvalstoffen af te voeren en vervolgens over te brengen naar [medeverdachte3] in [plaats2] en het versturen van facturen. Deze werkzaamheden passen in de normale taakuitoefening van [naam5] . Daarnaast kon [naam5] . bepalen of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aan haar zijn de gegevens van de afnemer van de afvalstoffen door [rechtspersoon/medeverdachte1] doorgegeven. [naam5] . heeft die informatie op haar beurt weer doorgegeven aan de chauffeurs. Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft [naam5] . aanvaard dat het uienwater en het proceswater werden afgegeven aan een persoon die niet bevoegd is om afvalstoffen in te zamelen. Van belang hierbij is ook dat er over een periode van ruim een jaar tientallen van zulke transporten hebben plaatsgevonden.

De onder 3 ten laste gelegde gedragingen hebben in de sfeer van zowel [rechtspersoon/medeverdachte1] als [naam5] . plaatsgevonden. Zij kunnen daarom in redelijkheid aan deze rechtspersonen, die daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt (zie hierna), worden toegerekend.

Opzet van de rechtspersonen

[verdachte] heeft als vertegenwoordiger van [rechtspersoon/medeverdachte1] uienwater en proceswater aangeboden aan [medeverdachte3] , waarna hij ervoor heeft gezorgd dat de betrokken bedrijfsafvalstoffen aan [medeverdachte3] zijn afgegeven. Daarnaast heeft hij gegevens van de afnemer van de bedrijfsafvalstoffen doorgegeven aan een medewerker van [naam5] ., die vervolgens ervoor heeft gezorgd dat deze informatie bij de chauffeurs van de transporten is terechtgekomen.

Zoals gezegd, hebben [medeverdachte4] en [verdachte] over de telefoon gesproken over het uienwater dat zij een jaar daarvoor naar [medeverdachte3] hebben vervoerd. Uit hun gesprekken komt naar voren dat [verdachte] met [naam8] van [bedrijfsnaam2] een bezoek heeft gebracht aan [medeverdachte3] om ervoor te zorgen dat zij over de transporten hetzelfde verhaal zouden vertellen, nu [verdachte] was uitgenodigd om bij de politie een verklaring af te leggen. [medeverdachte4] heeft tijdens een van de gesprekken gezegd dat zij moeten verklaren dat het geen afvalstof maar gewoon water (van zilveruitjes) is. Een dag later heeft [medeverdachte4] tegen [verdachte] gezegd dat hij erover heeft nagedacht en dat zij allemaal moeten verklaren dat het gaat om water uit een uienpotje voor menselijke consumptie en dat zij nooit over afvalwater moeten praten, want dan “willen ze bonnen zien”. [verdachte] heeft daarop geantwoord dat hij de mannen instructies zal geven.

Het hof is van oordeel dat [medeverdachte4] en [verdachte] van meet af aan wisten dat het om stoffen ging waarvan onderscheidenlijk [bedrijfsnaam2] en [bedrijfsnaam1] zich wilden ontdoen en dat zij werden afgegeven aan een persoon die niet bevoegd was om afvalstoffen in te zamelen. De wetenschap en gedragingen van de betrokken natuurlijke personen zijn toe te rekenen aan de rechtspersonen, waarvoor zij al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren. Daarmee is ook wettig en overtuigend bewezen dat [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . het onder 3 tenlastegelegde opzettelijk hebben begaan. De strafbare gedragingen hebben in een periode van ruim een jaar bij herhaling plaatsgevonden op basis van het beleid van [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . dat de betreffende stoffen niet als (bedrijfs)afvalstoffen hoefden te worden aangemerkt. Ook daaruit kan naar het oordeel van het hof het opzet van beide rechtspersonen op de gedragingen worden afgeleid.

Medeplegen van de rechtspersonen

[naam5] . heeft de afspraken over het inzamelen van het uienwater en het proceswater en de afgifte daarvan aan [medeverdachte3] gemaakt. [naam5] . heeft ook de facturen gestuurd naar [bedrijfsnaam2] , [bedrijfsnaam1] en [medeverdachte3] . De transporten zijn uitgevoerd door [rechtspersoon/medeverdachte1] , die over een VIHB-registratie beschikte. [rechtspersoon/medeverdachte1] heeft de transporten uienwater en proceswater gefactureerd aan [naam5] .

Naar het oordeel van het hof is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . nauw en bewust hebben samengewerkt en dat dus sprake is van medeplegen.

(Mede)plegen verdachte

De processtukken en het verhandelde op de zitting bieden echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde als pleger of medepleger heeft begaan. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen zelf heeft verricht en de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten is ook niet komen vast te staan. Hierbij is van belang dat de rol van verdachte volgens de processtukken en het verhandelde op de zitting van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger te zien. Het hof spreekt verdachte daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde vrij.

Feitelijke leidinggeven

Bij de beantwoording van de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan een door een rechtspersoon begaan strafbaar feit, dient niet uitsluitend te worden betrokken de juridische maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten.

Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven valt, maar daaronder kan ook vallen het algemene door de verdachte gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief, dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Een meer passieve rol van de verdachte kan onder omstandigheden ook tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. In het bijzonder kan dat het geval zijn bij de verdachte die, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, geen maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten, wat betekent dat de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Een dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – worden bewezen, als wat de feitelijke leidinggever bekend was over het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Ook kan onder omstandigheden aan het opzetvereiste zijn voldaan, indien de verdachte de werkzaamheden van de rechtspersoon zo heeft georganiseerd dat hij rekening ermee heeft gehouden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat dit met het begaan van strafbare feiten gepaard ging.

Hiervoor is al overwogen dat de onder 3 ten laste gelegde gedragingen aan [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . kunnen worden toegerekend. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte steeds in zijn hoedanigheid van werknemer/vertegenwoordiger van [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . is opgetreden als feitelijke leidinggever bij de door die vennootschappen gepleegde verboden gedragingen, waarbij de uitvoering zoals het regelen van afnemers, het organiseren van de transporten en het instrueren van medewerkers door medeverdachte [medeverdachte4] aan verdachte werd overgelaten. Verdachte heeft door onder andere te bemiddelen tussen de betrokken bedrijven feitelijke leidinggegeven aan de strafbare gedraging.

Conclusie

Gelet op wat is vastgesteld ten aanzien van het handelen en nalaten van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [rechtspersoon/medeverdachte1] en [naam5] . begane strafbare feit. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

3. subsidiair[rechtspersoon/medeverdachte1] en/of [naam5] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2016 tot en met 12 mei 2017 in [plaats2] , gemeente [gemeente2] , althans in Nederland, (ieder) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten [medeverdachte3] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater, hebben ontdaan, zulks terwijl verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, tot voren omschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een werkstraf van 108 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of het opleggen van een voorwaardelijke straf. Hierbij is onder andere gewezen op de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn en het blanco strafblad van verdachte.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft feitelijke leidinggegeven aan het afgeven van uienwater en proceswater aan een persoon die niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen. Door de handelswijze van verdachte zijn regels overtreden die ertoe dienen het milieu te beschermen. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van deze regels.

Het hof neemt in strafmatigende zin in aanmerking dat het uienwater en het – van het wassen van aardappelen afkomstige – proceswater weliswaar een aanzienlijke hoeveelheid vormen, maar dat zij niet zonder meer voor het milieu schadelijke stoffen zijn.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2025. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Ter zitting heeft verdachte uiteengezet welke gevolgen de strafzaak voor hemzelf en zijn onderneming (een pluimveebedrijf) heeft gehad. Verdachte heeft enkele dagen in verzekering moeten doorbrengen. Hij heeft via de politie zijn partner proberen te informeren over de verzorging van de kuikens, maar deze communicatie heeft de partner van verdachte niet bereikt. Hierdoor heeft de onderneming van verdachte de nodige financiële schade opgelopen. De vervolging en veroordeling door de rechtbank hebben bovendien gevolgen gehad voor de bankrelaties van verdachte.

Verdachte heeft in verzekering gezeten.

Hoewel de door verdachte aangedragen gevolgen van de strafzaak meewegen bij de strafoplegging, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. De bewezenverklaarde grote hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen en het belang van normhandhaving, staan aan een dergelijke afdoening in de weg.

Verdachte heeft op 24 januari 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 17 maart 2026 arrest wijst. Daarmee is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim twee jaren. Bij de bepaling van de gevolgen van die overschrijding houdt het hof ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn – waarbij geen sprake is van enige bijzondere omstandigheid die deze mate van overschrijding verklaart – aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Alles afwegend, acht het hof een voorwaardelijke geldboete van € 1.000,-, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op het strafblad van verdachte in samenhang met de ouderdom van het feit, wordt hieraan een proeftijd van één jaar verbonden.

Wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,

mr. Th.C.M. Willemse en mr. J. Corthals, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,

en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?