Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof op 17 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.J.M. Kobossen, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de nabestaanden naar voren hebben gebracht.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor dood door schuld en overtreding van bepaalde voorschriften gesteld krachtens de Warenwet – voorschriften van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (hierna: WAS), dat op de Warenwet is gebaseerd – tot twee geldboetes van € 21.750,-. Het onder verdachte inbeslaggenomen speeltoestel is verbeurdverklaard, ten aanzien van een inbeslaggenomen zwemvest is de onttrekking aan het verkeer gelast en ten aanzien van een inbeslaggenomen map met administratie is de teruggave aan verdachte gelast.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op en komt tot een gedeeltelijk andere beslissing over de inbeslaggenomen voorwerpen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op 6 oktober 2022 is de tenlastelegging gewijzigd. In de toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging is bij feit 2 ‘mei’ doorgestreept. Het hof vat dat deel van de wijziging zo op dat aan verdachte als pleegperiode de periode van januari 2021 tot en met 26 juni 2021 is ten laste gelegd.
Aan verdachte is ten laste gelegd – na wijziging van de tenlastelegging op 6 oktober 2022 –dat:
1.hij op of omstreeks 16 juni 2021 te [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] , grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door,
als eigenaar/exploitant van een speeltoestel (te weten een drijvend vrijetijdspark, Aquapark) kinderen/minderjarigen, waaronder [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2012, althans een of meer derde(n) van dat speeltoestel gebruik heeft laten maken, zulks terwijl hij, verdachte,
A. niet, althans onvoldoende zorg heeft gedragen voor het gebruik van een veilig en/of verantwoord en/of goedgekeurd speeltoestel, aangezien
– in/op/onder dat speeltoestel een of meer openingen en/of ruimtes zat/zaten die risicovol was/waren voor beknelling van het lichaam, althans van een of meer lichaamsdelen en/of verstrikking van badkleding en/of zwemvesten en/of accessoires, en/of
- een of meer gebruikte afdichtmiddelen op dat speeltoestel (te weten klittenbandsluiting(en) op PVC flappen) niet (meer) functioneerden, en/of terwijl (daardoor) de PVC-flap(pen) die diende(n) te voorkomen dat (een) gebruiker(s) tussen beide opblaasbare elementen kon(den) belanden niet/onvoldoende functioneerden, althans niet/onvoldoende deugdelijk waren bevestigd, en/of
- op/in voornoemd speeltoestel ruimte zat (DOC-00017 en DOC-00014, p. 111) tussen de (onvoldoende) aan elkaar bevestigde elementen door te lange verbindingen van geschakelde karabijnhaken, en/of de middelste ringen van beide elementen in het geheel niet aan elkaar waren bevestigd en/of
- aan de onderzijde (onder water) van dat speeltoestel geen flap(pen), althans enig afsluiting(en) van de opening(en)/ruime(s) aanwezig was/waren, en/of
B. niet, althans onvoldoende zorg heeft gedragen dat
- bij het speeltoestel/aquapark voldoende toezichthouders toezicht hielden, en/of
- de/het bij het speeltoestel aanwezige toezichthouders/personeel voldoende was/waren geïnormeerd en/of geïnstrueerd over het gebruik van dat speeltoestel,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] onder elementen van het speeltoestel onder water is geraakt en/of onder water onder die elementen vast kwam te zitten althans niet zelf meer onder dat speeltoestel uit kon komen,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] aan/na verdrinking is overleden;
2.hij in of omstreeks de periode van januari 2021 tot en met 26 juni 2021 te [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] , een speeltoestel heeft gebruikt, terwijl dat drijvend (opblaasbaar) speeltoestel (Aquapark) niet voldeed aan en/of ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met één of meer bij of krachtens het Warenwetbesluit Attractie- en speeltoestellen (WAS) gestelde voorschriften, immers heeft hij, verdachte,
- in strijd met artikel 14 lid 2 van het WAS, als beheerder van voornoemd speeltoestel, niet met een actueel dossier aangetoond, althans kunnen aantonen, dat was voldaan aan de beheersverplichting als bedoeld in art. 15, eerste lid WAS, en/of
- in strijd met artikel 14a van het WAS, als degene die voornoemd speeltoestel voorhanden had, niet over enig (geldig) certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling of een daarmee gelijkgesteld certificaat beschikte, en/of
- in strijd met art. 15 van het WAS, als degene die voornoemd speeltoestel voorhanden had, er niet voor gezorgd dat voornoemd speeltoestel zodanig was geïnstalleerd, gemonteerd en/of zodanig was beproefd, geïnspecteerd en/of onderhouden en/of zodanig van opschriften was voorzien, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestond, immers,
- zat/zaten in (delen van) het drijvend vrijetijdspark een of meer openingen en/of ruimtes waarin beknelling van het lichaam, althans van een of meer lichaamsdelen en/of verstrikking van badkleding en/of zwemvesten en/of accessoires mogelijk was, en/of
- functioneerden een of meer gebruikte afdichtmiddelen (te weten klittenbandsluiting(en) op PVC flappen) niet meer, en/of functioneerden (daardoor) de PVC-flap(pen) die dient/dienen te voorkomen dat (een) gebruiker(s) tussen beide opblaasbare elementen kon(den) belanden niet/onvoldoende/naar behoren, althans was/waren die PVC-flap(pen) niet deugdelijk bevestigd, en/of
- zat/zaten op/in voornoemd speeltoestel opening(en)/ruimte(s) tussen de (onvoldoende) aan elkaar bevestigde elementen door te lange verbindingen van geschakelde karabijnhaken, en/of niet aan elkaar bevestigde ringen,
- zat/zaten in voornoemd speeltoestel openingen die zijn ontstaan door scheuren en/of losgekomen klittenbandverbindingen en/of openingen die zijn ontstaan door ontbrekende verbindingen (Launch Orbit), en/of
- was/waren overdrukventiel(en) afgeplakt met duct tape, en/of
- was de gebruikersinformatie op onderdelen/toestellen onvolledig.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling bewijs
Aanleiding verdenking
Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf] in [plaatsnaam] . Hij exploiteerde op de zwemplas op zijn terrein een drijvend (opblaasbaar) speeltoestel, ook wel Aquapark genoemd (hierna: het speeltoestel). [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 2012; hierna: [slachtoffer] ) was op 16 juni 2021 op het speeltoestel met een vriendinnetje aan het spelen. Zij is op enig moment rond 16.00 uur onder water, onder het speeltoestel, aangetroffen door kinderen die ook op het speeltoestel aan het spelen waren. [slachtoffer] is uit het water gehaald, gereanimeerd, geïntubeerd en naar het UMC Utrecht overgebracht. [slachtoffer] is de volgende dag om 22.45 uur ten gevolge van ernstige hersenschade door zuurstoftekort overleden. Verdrinking was de oorzaak van het zuurstoftekort en daarmee de primaire oorzaak van het overlijden.
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van januari 2021 tot en met 26 juni 2021 het speeltoestel heeft gebruikt, terwijl het niet voldeed aan en/of ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met krachtens de Warenwet gestelde voorschriften van het WAS (feit 2).
Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij op 16 juni 2021 grovelijk of aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, door niet of onvoldoende te zorgen voor het gebruik van een veilig, verantwoord en/of goedgekeurd speeltoestel en niet of onvoldoende te zorgen voor voldoende toezichthouders bij de exploitatie van het speeltoestel, waardoor de dood van [slachtoffer] aan zijn schuld is te wijten (feit 1).
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten. Hij heeft aangevoerd dat verdachte het speeltoestel vanaf het voorjaar van 2016 tot en met 15 juni 2021 probleemloos heeft gebruikt. Het speeltoestel werd elke dag voor gebruik intensief gecontroleerd en daarnaast werd er voldoende toezicht gehouden, zodat veilig gebruik van het speeltoestel was gegarandeerd. Er waren geen signalen dat het speeltoestel niet aan de eisen voldeed. Toen verdachte het speeltoestel kocht stond op de veilingsite en op de onderdelen van het speeltoestel ‘CE’ vermeld, op basis waarvan hij ervan mocht uitgaan dat hij een deugdelijk en goedgekeurd speeltoestel had gekocht. Verdachte is niet op de hoogte gebracht van het rapport van TÜV Nederland van 21 september 2015, dat de vorige eigenaar heeft laten opmaken en waaruit blijkt dat er gebreken waren aan het toestel. De rapporten van de politie, de NVWA en TÜV Nederland die na het ongeluk zijn opgemaakt zijn volgens de raadsman niet representatief, omdat het speeltoestel na 16 juni 2021 niet meer elke keer is gecontroleerd en opgepompt. Bovendien houdt het rapport van TÜV Nederland van 27 juni 2021 in dat een kinderhoofd of kinderlichaam een opening tussen de elementen van het speeltoestel niet kan passeren als de elementen van het speeltoestel goed zijn opgepompt.
Oordeel hof
Feit 2 – overtredingen voorschriften WAS
Aquapark speeltoestel (in de zin WAS)
Op 16 juni 2021 is het speeltoestel inbeslaggenomen. Het is een drijvend (opblaasbaar) speeltoestel op het water, dat bestaat uit verschillende opblaasbare elementen die aan elkaar kunnen worden gekoppeld en dan een parcours vormen. Een persoon kan onder andere over deze onderdelen lopen en klimmen, van onderdelen afglijden en door een opblaaskussen, een zogeheten blobkussen, worden gelanceerd.
Het speeltoestel is te rekenen onder de begrippen ‘waren’ en ‘technisch voortbrengsel’ in de zin van artikel 1 lid 1 van de Warenwet en betreft een ‘speeltoestel’ in de zin van artikel 1 WAS.
Op grond van het in de ten laste gelegde pleegperiode van toepassing zijnde artikel 3a (oud) WAS is het verboden om speeltoestellen te gebruiken die niet voldoen aan of ten aanzien waarvan wordt gehandeld in strijd met bij het WAS gestelde voorschriften. Overtreding van het verbod van artikel 3a (oud) WAS levert op een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 4°, van de Wet op de economische delicten is dit een – als een overtreding te kwalificeren – economisch delict.
Periode gebruik speeltoestel
Verdachte heeft het speeltoestel op 11 augustus 2015 tweedehands aangeschaft. Het speeltoestel heeft hij sinds het zomerseizoen van 2016 gebruikt. Meestal haalde verdachte het toestel in mei uit de loods. Elementen werden via lijnen gekoppeld aan betonblokken op de bodem van de zwemplas. Ook in 2021 is het speeltoestel in mei gemonteerd en in het water geplaatst. Verdachte was doorgaans de persoon die het speeltoestel dagelijks tussen 11:00 en 11:30 uur – voordat het Aquapark om 12.00 uur openging – opblies en zo ook op 16 juni 2021. Daggasten van de recreatieplas konden voor € 4,- een kaartje kopen om van het speeltoestel gebruik te maken.
Het hof gaat ervan uit dat verdachte het speeltoestel in 2021 vanaf mei heeft geëxploiteerd. Het speeltoestel was niet voor privégebruik bestemd en verdachte had de feitelijke zeggenschap en beschikkingsmacht over het speeltoestel. Op 16 juni 2021 is het speeltoestel inbeslaggenomen. Daarna is het alleen nog opgeblazen voor onderzoek door de NVWA of TÜV Nederland en is het niet meer door verdachte gebruikt. Dit beperkt de strafbare periode tot de periode van 1 mei 2021 tot en met 16 juni 2021.
Voorschriften WAS
Verdachte is ten laste gelegd dat hij het speeltoestel heeft gebruikt, terwijl het niet voldeed aan en/of ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met de voorschriften uit artikel 14 lid 2 (oud) WAS, artikel 14a (oud) WAS en artikel 15 lid 2 (oud) WAS.
Enig (geldig) certificaat van goedkeuring
Artikel 14a (oud) WAS houdt in dat degene die een attractie- of speeltoestel voorhanden heeft, beschikt over een geldig certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling of een daarmee gelijkgesteld certificaat. De aangewezen instelling is een onafhankelijke
keuringsinstantie die beziet of het toestel overeenkomt met het technische
constructiedossier. Als het speeltoestel overeenstemt met de geldende veiligheids- en
gezondheidsvoorschriften, geeft de aangewezen instelling een certificaat van goedkeuring af.
Verdachte heeft op 17 juni 2021 aan de NVWA een CE-certificaat overgelegd, inhoudende dat dit certificaat op 6 januari 2014 is afgegeven aan [naam bedrijf] door [instantie] . Een dergelijk CE-certificaat is geen geldig certificaat van goedkeuring zoals bedoeld in artikel 14a (oud) WAS en het kan daarmee naar het oordeel van het hof ook niet worden gelijkgesteld. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij het speeltoestel zelf nooit heeft laten keuren.
Het hof stelt vast dat verdachte als degene die het speeltoestel voorhanden had in strijd met artikel 14a (oud) WAS niet over enig (geldig) certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling of een daarmee gelijkgesteld certificaat heeft beschikt. Uit de processtukken en het onderzoek op de zitting volgt dat TÜV Nederland onderdelen van het speeltoestel in een rapport van 21 september 2015 had afgekeurd en dat TÜV Nederland dit rapport aan de opdrachtgever van de keuring, de vorige eigenaar van het speeltoestel, had verstrekt. Het rapport van TÜV Nederland van 21 september 2015 is niet aan verdachte verstrekt. Verdachte verkeerde naar eigen zeggen in de veronderstelling dat de CEmarkeringen op het speeltoestel en de veilingsite voldoende waren om aan de regelgeving te voldoen. Die gestelde omstandigheid maakt geen verschil voor het oordeel dat verdachte is gehouden te voldoen aan de in artikel 14a (oud) WAS gestelde verplichting om over een geldig certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling of een daarmee gelijkgesteld certificaat te beschikken. Ook al is voor de ten laste gelegde overtreding van het WAS niet vereist dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld, het hof wijst erop dat op de veilingsite waar verdachte het speeltoestel heeft gekocht stond vermeld dat de aangeboden speeltoestellen – en de montage ervan, de te hanteren huisregels, handleidingen en de procedures – aan een keuring onderhevig zijn, dat deze keuring na installatie op locatie door TÜV Nederland kan worden uitgevoerd en dat alle veiligheids- en toezichtprocedures een integraal onderdeel van een dergelijke keuring vormen.
Beheersdossier
Voor de beheerder van een speeltoestel geldt op grond van artikel 14 lid 2 (oud) WAS dat hij met een actueel dossier moet aantonen dat aan de beheersverplichting bedoeld in artikel 15 lid 1 (oud) WAS is voldaan. Een logboek kan deel uitmaken van zo’n dossier. Het is de verantwoordelijkheid van de beheerder om ervoor te zorgen, en op praktische wijze aantoonbaar te maken, dat het bij hem in beheer zijnde attractie- of speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd, geïnspecteerd en onderhouden, dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.
Op 16 juni 2021 is onder verdachte inbeslaggenomen een map met onder meer dertig A4tjes met het opschrift: ‘Logboek zwemplas [bedrijf] ’. Onder het kopje ‘Controle bij openstelling en afsluiting’ stonden verschillende acties beschreven, waaronder ‘Visuele controle aquapark’ en ‘Visuele controle attracties’. Tweeëntwintig van de logboeken waren gedeeltelijk ingevuld. Zij vermelden een datum, maar geen jaartal. Bij nagenoeg alle controles stond een paraaf onder het kopje ‘Paraaf in orde’. Onder de kopjes ‘Visuele controle aquapark’ en ‘Visuele controle attracties’ stond een enkele keer vermeld ‘nieuwe gele flap’, ‘blop los’ en ‘nieuw kussen geplaatst’. Acht van de logboeken waren niet ingevuld. Verdachte heeft verklaard dat dit het enige is wat hij aan papieren over het speeltoestel heeft.
Over het beheer van het speeltoestel heeft verdachte verklaard dat hij met betrekking tot keuringen, inspecties en onderhoudswerkzaamheden geen dossier heeft bijgehouden. Hij verrichtte elke dag zelf steeds dezelfde werkzaamheden, zoals het opblazen en controleren of het speeltoestel voldoende was opgepompt, of er openingen waren tussen de verbindingselementen en of de klittenbandsluitingen op de pvcflappen naar behoren functioneerden. Als aan het toestel onderhoud moest worden gedaan, zoals het vervangen van pvcflappen, deed verdachte dat zelf. Ook liep verdachte naar eigen zeggen twee tot drie keer per week over het speeltoestel om te testen of het in orde was. Hij heeft onderhoudswerkzaamheden en door hem gedane inspecties niet op enigerlei wijze in een dossier geregistreerd, omdat hij zelf de persoon was die de controles deed en de meerwaarde van een registratie om die reden niet inzag.
Het hof stelt vast dat verdachte op enig moment een logboek heeft bijgehouden, maar dat het bijhouden daarvan gebeurde in het kader van het toezicht vanuit het provinciebestuur op het zwemwater en geen betrekking had op het speeltoestel. Verdachte heeft zelf aan het speeltoestel onderhoud gepleegd, maar daarvan niet of nauwelijks gegevens bijgehouden.
In de administratie van verdachte is niets aangetroffen wat kan worden aangemerkt als een actueel dossier aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat aan de beheersverplichting bedoeld in artikel 15 lid 1 WAS (oud) is voldaan.
Staat speeltoestel
Uit een op 17 juni 2021 uitgevoerd onderzoek van het aanhoudings- en ondersteuningsteam komt naar voren dat de losse elementen van het speeltoestel aan elkaar waren bevestigd door middel van telkens vijf aaneengeschakelde musketonhaken. Deze haken zaten aan weerszijden van de elementen bevestigd aan een oog aan de onderkant van de elementen. De elementen waren op die manier op de hoeken aan elkaar bevestigd. In het midden van elk element was ook een bevestigingsoog aanwezig, maar bij geen van de elementen werden deze bevestigingsogen gebruikt om met aaneengeschakelde musketonhaken of op een andere manier naast de verbindingen op de hoek de elementen te koppelen. Verder is vastgesteld dat de verbindingen tussen de elementen met een zeil van pvc waren afgedekt. Dit zeil was over de volle breedte aan beide zijden met klittenband aan de elementen bevestigd. Bij een verbinding tussen twee elementen – daar waar [slachtoffer] onder water is gevonden – zat het zeil vast aan maar een van de twee elementen. Aan de andere kant was het zeil losgeraakt en hing het in het water tussen de twee elementen in. Toen twee opsporingsambtenaren zich over deze twee elementen verplaatsten, scheen er door een opening tussen de elementen zonlicht in het water. Ook stonden niet alle touwen waarmee de elementen van het speeltoestel aan betonblokken op de bodem van de zwemplas worden bevestigd, op spanning. Twee touwen hingen vanaf een element los in het water en zaten dus niet vast aan het betreffende betonblok op de bodem van de zwemplas.
Ook uit het proces-verbaal van de inspecteurs van de NVWA van 17 juni 2021 volgt
dat het klittenband tussen de twee elementen waar [slachtoffer] is aangetroffen niet goed meer hechtte en dat het zeil van pvc geen goede verbinding tussen de elementen vormde. Een dergelijk zeil moet voorkomen dat gebruikers tussen de elementen terecht kunnen komen. Het pvczeil tussen de bedoelde elementen was aan een kant, dus op een van de elementen, niet goed bevestigd. Het lag met het klittenband tussen de elementen in het water. Aan het klittenband van het pvczeil en het element zaten bruine haren. Toen de inspecteurs van de NVWA de pvcflap hadden bevestigd, zagen zij dat een gebruiker tussen de opblaasbare elementen wegzakt als deze op de pvcflap gaat staan. De inspecteurs van de NVWA hebben geconstateerd dat de klittenbandsluiting niet meer hechtte en dat de pvcflap niet naar behoren functioneerde. Verder hebben de inspecteurs van de NVWA met behulp van beproevingslichamen onderzocht of een kinderhoofd en een kinderromp met lichte druk zoals armkracht de ontstane opening kunnen passeren, wat het geval was. Ook hebben de inspecteurs van de NVWA waargenomen dat een naastgelegen wit opblaasbaar element opvallend veel zachter was dan de omliggende elementen. De draaidop van dat element was niet afgedicht met een pvcflap met klittenband.
Verder volgt uit een op 27 juni 2021 door TÜV Nederland verricht onderzoek dat het speeltoestel niet voldeed aan de operationele normen die het WAS voorschrijft. In het speeltoestel zijn openingen en ruimtes geconstateerd, zowel in delen van het speeltoestel boven het wateroppervlak als in delen onder het wateroppervlak. Deze openingen en ruimtes maken dat het speeltoestel niet voldoet aan de geldende normen en dat het een risico vormt met het oog op het redelijkerwijs te verwachten gebruik door kinderen. Het gaat om openingen en ruimtes die beknelling kunnen veroorzaken. Zo kan een gebruiker met het hoofd of de nek in een spleet tussen de opblaasbare glijbaan en de opblaasbare elementen van de piramide blijven hangen. De openingen en ruimtes zijn gedeeltelijk ontworpen en vervaardigd, maar er zijn ook openingen en ruimtes die door slijtage, scheuren, losgekomen klittenbandverbindingen en ontbrekende verbindingen, zoals bij het element Launch Orbit, het blobkussen, zijn ontstaan. Daarnaast functioneren de afdichtmiddelen niet optimaal. De pvc-flappen waarmee de openingen tussen de elementen door middel van een klittenbandverbinding moeten worden afgeschermd, beperken slechts de toegankelijkheid van gebruikers tot deze openingen vanaf de bovenkant van het speeltoestel. Onder invloed van dynamische belasting op de afdichtingsmiddelen kunnen deze verbindingen loskomen, zowel ten gevolge van het redelijkerwijs te verwachten gebruik zoals rennen, klimmen, springen en lopen over de afdichtmiddelen als door het bewegen van de opblaasbare elementen ten opzichte van elkaar, door bijvoorbeeld schommelingen in het water of onder invloed van de wind. Ook zijn de openingen tussen de elementen te groot (meer dan 25 mm), omdat de verbinding van geschakelde karabijnhaken te lang is. Daarnaast dient de onderkant van het speeltoestel glad te zijn afgewerkt en mag deze niet zijn voorzien van uitsteeksels waaraan delen van badkleding, linten en sieraden kunnen komen vast te zitten. Verder kan de hechtingssterkte van het klittenband na verloop van tijd afnemen door verzadiging met water en/of vuil en veroudering. Een regelmatige controle, door de pvcflappen en de verbindingen te inspecteren en te herpositioneren, is zowel voor als tijdens het gebruik van het speeltoestel noodzakelijk. Op het speeltoestel zijn overdrukventielen afgeplakt met ducttape. Bij een stijgende temperatuur en blootstelling aan zonlicht kan, zonder overdrukventiel, de druk in een opblaasbaar element toenemen. Hierdoor kan een opblaasbaar element scheuren of zelfs exploderen. Dit brengt het risico op letsel met zich mee als er op dat moment gebruikers op het speeltoestel aanwezig zijn. Ten slotte is de gebruikersinformatie op het speeltoestel onvolledig. Zo ontbreekt het opschrift ‘waarschuwing’, bevat het speeltoestel onvolledige symbolen over bijvoorbeeld de maximale gebruikerslast, het maximumaantal gebruikers en de minimale waterdiepte, ontbreekt een vermelding van het bouwjaar en zijn de afmetingen van de symbolen voor aanvullende veiligheidsinformatie en veiligheidstekens te klein. Een gebruiksaanwijzing van de fabrikant voor elk opblaasbaar element ontbreekt eveneens.
Ten slotte heeft de NVWA op 27 juni 2021 aanvullend onderzoek verricht. Tijdens het door haar eerder op 17 juni 2021 verrichte onderzoek was het speeltoestel vermoedelijk minder hard opgeblazen omdat verdachte het die ochtend niet zoals te doen gebruikelijk volledig had opgeblazen omdat het park die dag gesloten bleef. Verdachte heeft voor dat aanvullend onderzoek op 27 juni 2021 het speeltoestel onder toezicht van een inspecteur van de NVWA opgeblazen. Hoewel tijdens dit onderzoek, anders dan bij het onderzoek op 17 juni 2021, is geconstateerd dat een kinderhoofd niet met slechts lichte druk zoals armkracht een opening kan passeren, heeft het onderzoek verder niet tot andere relevante conclusies geleid.
Het hof stelt op basis van de onderzoeken van de politie, de NVWA en TÜV Nederland vast dat:
Daarmee komt het hof tot de conclusie dat het speeltoestel niet zodanig was geïnstalleerd, gemonteerd, en zodanig beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en zodanig van opschriften was voorzien, dat er bij – normaal en redelijkerwijs te verwachten – gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat, als bedoeld in artikel 15 lid 1 (oud) WAS.
Conclusie
Het hof komt tot het oordeel dat verdachte in de periode van 1 mei 2021 tot en met 16 juni 2021 in [plaatsnaam] een speeltoestel heeft gebruikt, terwijl dat speeltoestel niet voldeed aan en ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met bij het WAS gestelde voorschriften en acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 1 – dood door schuld
Juridisch kader
Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijk schuld in de zin van artikel 307 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht – de delictsomschrijving waarop het onder 1 tenlastegelegde is toegesneden – wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7948, rov. 2.3.1). Dergelijke schuld als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rov. 2.6.1).
Bij de beantwoording van de vraag of het aan de schuld van verdachte is te wijten dat [slachtoffer] is verdronken en ten gevolge daarvan is overleden, ziet het hof zich meer concreet voor de volgende vragen gesteld:
Op verdachte rustende zorgplicht
Als eigenaar en exploitant van het speeltoestel moest verdachte zorgen voor een goedgekeurd speeltoestel dat veilig en verantwoord kon worden gebruikt (zie de ten laste gelegde feitelijkheden bij feit 1 onder A) en voor voldoende toezichthouders, die voldoende waren geïnformeerd en geïnstrueerd over het gebruik van het speeltoestel en daarop toezicht hielden (zie de feitelijkheden bij feit 1 onder B).
A. Onveilig en/of niet-verantwoord en/of niet-goedgekeurd speeltoestel
Het hof heeft bij de bespreking van het tenlastegelegde onder 2 al geoordeeld dat verdachte op 16 juni 2021 in [plaatsnaam] een speeltoestel heeft gebruikt in de zin dat hij het heeft geëxploiteerd, terwijl het speeltoestel niet voldeed aan en ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met bij het WAS gestelde voorschriften. De bewijsmiddelen die bij de bespreking van het tenlastegelegde onder 2 zijn uitgewerkt acht het hof ook voor de beoordeling van het tenlastegelegde onder 1 wat betreft de feitelijkheden onder A van belang en deze worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. Op basis van deze bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat verdachte niet heeft gezorgd voor het gebruik van een veilig, verantwoord en goedgekeurd speeltoestel.
B. Onvoldoende toezichthouders
Over het toezicht bij het speeltoestel op 16 juni 2021 is het volgende bekend geworden. Getuige [getuige/toezichthouder 1] heeft verklaard dat zij op 16 juni 2021 toezichthouder was. Zij heeft [slachtoffer] niet op het speeltoestel zien gaan. Er waren nog twee toezichthouders: [getuige/toezichthouder 2] en [getuige/toezichthouder 3] . [getuige/toezichthouder 2] zat achter de kassa en [getuige/toezichthouder 3] controleerde de zwemvesten die de kinderen verplicht waren te dragen. Toen het ongeval gebeurde, stond [getuige/toezichthouder 1] op de steiger bij het begin van het speeltoestel. Zij heeft [slachtoffer] niet gezien toen zij in het water lag. [getuige/toezichthouder 1] heeft verklaard dat zij vanaf haar plek op de steiger geen zicht had op de locatie waar [slachtoffer] is gevonden. Toen het ongeval gebeurde, waren er ongeveer dertig kinderen op het speeltoestel.
Getuige [getuige/toezichthouder 2] heeft verklaard dat hij op 16 juni 2021 omstreeks 16.00 uur achter de kassa zat. Hij doet in beginsel alleen kassawerk als hij achter de kassa zit. Als er tijd over is, helpt hij mee met het houden van toezicht. Volgens [getuige/toezichthouder 2] is er één persoon die op het Aquapark toezicht houdt en zit één persoon bij de kassa als er tussen de tien en veertig zwemvesten in gebruik zijn. Verdachte heeft verklaard dat de toezichthouders aan de hand van de zwemvestjes kunnen zien hoeveel kinderen er op het speeltoestel zijn, aangezien elk kind verplicht is een zwemvest te dragen.
Getuige [getuige/toezichthouder 3] heeft verklaard dat zij die dag omstreeks 16.00 uur aan de kant stond. Zij stond ter hoogte van de reddingsvesten en de ingang van de recreatieplas waar ook de ingang van het Aquapark is. [getuige/toezichthouder 3] heeft verklaard dat zij niet heeft gezien wat er is gebeurd. Volgens [getuige/toezichthouder 3] stond [getuige/toezichthouder 1] ten tijde van het ongeval op de steiger.
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat er op de dag van het ongeval een vrouw op de steiger stond die toezicht hield, maar dat die persoon vanaf die plek niet kon zien wat er op het Aquapark gebeurde.
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat er op het Aquapark één volwassene was die toezicht hield.
Vastgesteld kan worden dat op 16 juni 2021 slechts één toezichthouder toezicht hield op het speeltoestel, terwijl ongeveer dertig kinderen waaronder [slachtoffer] van het speeltoestel gebruikmaakten. [getuige/toezichthouder 1] had geen volledig zicht op het speeltoestel. De andere toezichthouders waren in ieder geval zodanig met andere dingen bezig dat zij niet (voldoende) toezicht konden houden. Vaststaat ook dat geen van de toezichthouders heeft gezien dat [slachtoffer] in het water is terechtgekomen.
Het hof is van oordeel dat verdachte onvoldoende heeft gezorgd voor adequaat toezicht in die zin dat hij heeft nagelaten te zorgen voor voldoende toezichthouders om toezicht te houden op de kinderen op het speeltoestel. Daarbij betrekt het hof dat het speeltoestel zich op het water bevond, onoverzichtelijk was door allerlei verticale elementen en dat het speeltoestel werd gebruikt door spelende kinderen, wat een verhoogde oplettendheid bij de toezichthouder(s) vergt. Naar het oordeel van het hof is het bij een speeltoestel als het Aquapark voor één toezichthouder niet goed mogelijk om dertig spelende kinderen tegelijkertijd in de gaten te houden.
De gebruikers van het speeltoestel waren net zoals [slachtoffer] vaak (jonge) kinderen ten opzichte van wie verdachte een bijzondere zorgplicht had. Verdachte had rekening moeten houden met het specifieke gedrag van de kinderen, die zelf onvoldoende in staat zijn om risico’s in te schatten en doorgaans minder fysieke kracht hebben dan volwassenen. Bovendien is sprake van een speeltoestel waarvan het gebruik extra risico’s opleverde, omdat het op het water lag en dus ook rekening moest worden gehouden met het gevaar van verdrinking.
Schending zorgplicht
Concluderend is het hof van oordeel dat verdachte (op 16 juni 2021) in zijn zorgplicht ten opzichte van de gebruikers van het speeltoestel en dus ook ten opzichte van [slachtoffer] is tekortgeschoten. Verdachte heeft onvoldoende maatregelen genomen om het gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de gebruikers in te perken.
Causaliteit
De vraag rijst of tussen het schenden van de zorgplicht en het overlijden van [slachtoffer] een zodanig causaal verband bestaat, dat haar dood redelijkerwijs aan het handelen en nalaten verdachte kan worden toegerekend.
Vaststaat dat toen [slachtoffer] op 16 juni 2021 rond 16.00 uur onder een van de elementen onder water is aangetroffen haar haren vastzaten aan het klittenband van een pvczeil dat tussen de elementen in het water lag.
Over het aantreffen van [slachtoffer] heeft getuige [getuige 4] verklaard: ‘ [naam] ging naar een plek en daar kwamen mensen bij. [naam] zei: “Ik zie voeten”. Op dat moment keek ik en zag ik ook voeten. Ik weet niet wat ik toen dacht, maar ik dook er gelijk in. Ik was gelijk eronder gegaan om het hoofd van het meisje te pakken. Ze lag op haar buik met haar gezicht in het water. Wat plukken van haar haren zaten vast aan het klittenband. Ik probeerde haar hoofd vast te pakken, maar ik zag dat haar haren vastzaten. Ik heb haar haren gepakt die vastzaten en van het klittenband afgetrokken. Daarna heb ik haar gelijk mee naar boven genomen. Met twee handen heb ik haar hoofd boven water gekregen. Ik voelde gelijk of ze hartslag had. Ik voelde haar hart nog twee keer kloppen, maar op de kant voelde ik geen hartslag meer’.
Getuige [getuige 6] heeft verklaard: ‘Ik sprong als eerste het water in en toen [naam] . Hij ging eronder en zei dat ze ergens klem zat met haar hoofd. Waar precies, dat weet ik niet. [naam] heeft haar hoofd losgekregen. Ik pakte rustig haar benen. We hebben haar met elkaar uit het water getild. Toen hebben we om hulp geroepen’. Getuige [getuige 6] wijst als plek waar zij [slachtoffer] hebben aangetroffen de plek aan waar het blobkussen met een van de andere elementen is bevestigd.
Mede op basis van de bevindingen van de politie, de NVWA en TÜV Nederland gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer] is gevonden onder het element waaraan het blobkussen is bevestigd, vlakbij de verbinding met het ernaast gelegen element en dat de pvcflap van die verbinding slechts aan één kant aan een element was bevestigd en voor de rest met het klittenband in het water hing. De politie, de NVWA en TÜV Nederland hebben het in het water hangen van deze pvcflap met klittenband in hun onderzoeksrapporten beschreven. Op het in het water hangende klittenband en aan het element zaten bruine haren. Op basis van de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 6] stelt het hof vast dat [slachtoffer] onder water met haar haren aan het klittenband van de loshangende pvc-flap is komen vast te zitten.
Het hof gaat ervan uit dat de loshangende pvc-flap met het zich onder water bevindende klittenband een noodzakelijke factor is geweest bij de verdrinking en daarmee de dood van [slachtoffer] . Bij de beantwoording van de vraag of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan een gedraging van verdachte kan worden toegerekend, is daarnaast van belang of dit gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door handelen of nalaten van verdachte is veroorzaakt. Het loshangen van de pvc-flap tussen de elementen met het zich onder water bevindende klittenband waar [slachtoffer] is aangetroffen, is naar het oordeel van het hof het gevolg van een gebrekkige installatie en montage van en onderhoud aan het speeltoestel door verdachte. Van belang hierbij is dat vaststaat dat:
Verdachte was voor het beheer van het speeltoestel verantwoordelijk en dus ook voor de gebreken hieraan.
Aannemelijk is dat [slachtoffer] tussen de twee elementen is doorgezakt en zo in het water is terechtgekomen. Vaststaat dat zij onder water met haar haar aan het klittenband van een pvcflap is komen vast te zitten. Tegelijkertijd bieden de processtukken en het verhandelde op de zitting geen aanknopingspunt dat [slachtoffer] is verdronken door een andere oorzaak die geen verband houdt met het normale, voorzienbare gebruik van het speeltoestel door spelende kinderen. Hoewel niet precies duidelijk is hoe [slachtoffer] in het water onder het speeltoestel is terechtgekomen, is het hof van oordeel dat onder deze omstandigheden de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan het handelen en nalaten van verdachte kan worden toegerekend.
Mate van schuld
Verdachte heeft als exploitant onvoldoende gezorgd voor een veilig en verantwoord gebruik van het speeltoestel en heeft onvoldoende ervoor gezorgd dat er bij het speeltoestel op de spelende kinderen toezicht werd gehouden. Daarmee heeft verdachte naar het oordeel van het hof verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Bij de vaststelling van de mate van schuld houdt het hof rekening ermee dat het speeltoestel doorgaans door kinderen werd gebruikt en dat verdachte als exploitant ten opzichte van hen een bijzondere verantwoordelijkheid had om aan de veiligheidsnormen te voldoen. Nu verdachte anders had kunnen handelen maar dat niet heeft gedaan, moeten de ten laste gelegde gedragingen als aanmerkelijk onvoorzichtig, onzorgvuldig en nalatig worden aangemerkt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat verdachte op 16 juni 2021 in [plaatsnaam] aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld door als eigenaar/exploitant van een drijvend (opblaasbaar) speeltoestel kinderen, waaronder [slachtoffer] , van dat speeltoestel gebruik te laten maken, terwijl hij onvoldoende heeft gezorgd voor het gebruik van een veilig, verantwoord en goedgekeurd speeltoestel en evenmin voor voldoende toezichthouders die in toereikende mate toezicht hielden op de gebruikers. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat [slachtoffer] is overleden.
Verdachte wordt vrijgesproken van het gedachtestreepje dat ‘de/het bij het speeltoestel aanwezige toezichthouders/personeel voldoende was/waren geïnformeerd en/of geïnstrueerd over het gebruik van dat speeltoestel’, omdat niet is vast te stellen dat een tekortschieten in het informeren en instrueren van de toezichthouders over het gebruik van het speeltoestel in verband staat met het ongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 16 juni 2021 in [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] , grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door,
als eigenaar/exploitant van een speeltoestel (te weten een drijvend vrijetijdspark, Aquapark) kinderen/minderjarigen, waaronder [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2012, althans een of meer derde(n) van dat speeltoestel gebruik heeft laten maken, zulks terwijl hij, verdachte,
A. niet, althans onvoldoende zorg heeft gedragen voor het gebruik van een veilig, en verantwoord en/of goedgekeurd speeltoestel, aangezien
- in/op/onder dat speeltoestel een of meer openingen en/of ruimtes zat/zaten die risicovol was/waren voor beknelling van het lichaam, althans van een of meer lichaamsdelen en/of verstrikking van badkleding en/of zwemvesten en/of accessoires, en/of
- een of meer gebruikte afdichtmiddelen op dat speeltoestel (te weten klittenbandsluiting(en) op pvcflappen) niet (meer) functioneerden, en/of terwijl (daardoor) de pvc-flap(pen) die diende(n) te voorkomen dat (een) gebruiker(s) tussen beide opblaasbare elementen kon(den) belanden niet/onvoldoende functioneerden, althans niet/onvoldoende deugdelijk waren bevestigd, en/of
- op/in voornoemd speeltoestel ruimte zat (DOC-00017 en DOC-00014, p. 111), tussen de (onvoldoende) aan elkaar bevestigde elementen door te lange verbindingen van geschakelde karabijnhaken, en doordat/of de middelste ringen van beide elementen in het geheel niet aan elkaar waren bevestigd en/of
- aan de onderzijde (onder water) van dat speeltoestel geen flap(pen), althans enige afsluiting(en) van de opening(en)/ruime(s) aanwezig was/waren, en/of
B. niet, althans onvoldoende zorg heeft gedragen dat
- bij het speeltoestel/aquapark voldoende toezichthouders toezicht hielden, en/of
- de/het bij het speeltoestel aanwezige toezichthouders/personeel voldoende was/waren geïnformeerd en/of geïnstrueerd over het gebruik van dat speeltoestel,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] onder elementen van het speeltoestel onder water is geraakt en/of onder water onder die elementen vast kwam te zitten althans niet zelf meer onder dat speeltoestel uit kon komen,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] aan/na door verdrinking is overleden;
2.hij in of omstreeks de periode van januari 2021 1 mei 2021 tot en met 16 juni 2021 in [plaatsnaam] , in de gemeente [gemeente] , een speeltoestel heeft gebruikt, terwijl dat drijvend (opblaasbaar) speeltoestel (Aquapark) niet voldeed aan en/of ten aanzien waarvan werd gehandeld in strijd met een of meer bij of krachtens het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) gestelde voorschriften, immers heeft hij, verdachte,
- zat/zaten in (delen van) het drijvend vrijetijdspark een of meer openingen en/of ruimtes waarin beknelling van het lichaam, althans van een of meer lichaamsdelen en/of verstrikking van badkleding en/of zwemvesten en/of accessoires mogelijk was, en/of
- functioneerden een of meer gebruikte afdichtmiddelen (te weten klittenbandsluiting(en) op pvcflappen) niet meer, en/of functioneerden (daardoor) de pvc-flap(pen) die dient/dienen te voorkomen dat (een) gebruiker(s) tussen beide opblaasbare elementen kon(den) belanden niet of onvoldoende/naar behoren, althans was/waren die PVC-flap(pen) niet deugdelijk bevestigd, en/of
- zat/zaten op/in voornoemd speeltoestel opening(en)/ruimte(s) tussen de (onvoldoende) aan elkaar bevestigde elementen door te lange verbindingen van geschakelde karabijnhaken, en/of niet aan elkaar bevestigde ringen, en/of
- zat/zaten in voornoemd speeltoestel openingen die zijn ontstaan door scheuren en/of losgekomen klittenbandverbindingen en/of openingen die zijn ontstaan door ontbrekende verbindingen (bij het element Launch Orbit), en/of
- was/waren overdrukventiel(en) afgeplakt met duct-tape, en/of
- was de gebruikersinformatie op onderdelen/toestellen onvolledig.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
dood door schuld.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet.
Strafbaarheid verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging straf
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde tot een taakstraf van tweehonderd uren en voor het onder 2 tenlastegelegde tot een geldboete van € 21.750,- wordt veroordeeld.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de door de rechtbank opgelegde straf te hoog is. Overtredingen van voorschriften gesteld krachtens de Warenwet worden in beginsel bestuursrechtelijk beboet, waarbij de boete maximaal € 1.000,- is. Dat verdachte strafrechtelijk is vervolgd mag niet leiden tot een buitensporig hoge boete en daarom moet de zaak bij een bewezenverklaring van de feiten met een geldboete van € 750,- worden afgedaan en anders moeten de opgelegde boetes substantieel worden gematigd. Ook vanwege de overschrijding van de redelijke termijn moet de op te leggen straf ten opzichte van de eis van het openbaar ministerie en wat de rechtbank heeft opgelegd worden gematigd.
Oordeel hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte is eigenaar van een recreatiepark in [plaatsnaam] , waar hij vanaf mei 2016 een waterspeeltoestel heeft geëxploiteerd. Op 16 juni 2021 was de achtjarige [slachtoffer] op het speeltoestel met een vriendinnetje aan het spelen. Tijdens het spelen is [slachtoffer] onder het speeltoestel terechtgekomen en is zij onder water met haar haren aan het klittenband van een loshangend pvczeil komen vast te zitten. Op enig moment hebben andere kinderen [slachtoffer] onder het speeltoestel gevonden en haar uit het water gehaald. Pogingen [slachtoffer] leven te redden zijn uiteindelijk niet geslaagd. [slachtoffer] is een dag later aan de gevolgen van verdrinking overleden.
In de gegeven situatie heeft verdachte in strijd met voorschriften uit het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen gehandeld. Hij beschikte niet over een geldig certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling, heeft niet met een actueel dossier aangetoond dat werd voldaan aan de beheersverplichting die ten aanzien van het waterspeeltoestel gold en heeft niet ervoor gezorgd dat het speeltoestel zodanig was geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig was beproefd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften was voorzien dat er bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestond. Daarnaast heeft verdachte onvoldoende gezorgd voor toereikend toezicht bij de exploitatie van het speeltoestel. Verdachte was verantwoordelijk voor een veilig en verantwoord gebruik van het speeltoestel en is in zijn zorgplicht ten opzichte van de gebruikers en in het bijzonder ten opzichte van [slachtoffer] tekortgeschoten. De dood van [slachtoffer] is daarom aan zijn schuld te wijten.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 februari 2026 komt naar voren dat verdachte zich niet eerder aan een vergelijkbaar strafbare feit schuldig heeft gemaakt.
Uit de verklaringen die de nabestaanden tijdens de zitting van het hof op 17 maart 2026 hebben afgelegd, blijkt hoe groot de impact van de dood van [slachtoffer] is geweest en nog steeds is op het leven van onder anderen haar vader, moeder, broers en oom en tante. De tijd lijkt voor hen sinds haar dood te hebben stilgestaan en de zitting bij het hof heeft het gezin en de familie teruggebracht naar de dag waarop ze hun geliefde dochter, zus en nichtje hebben verloren. De nabestaanden hebben de gevolgen van het verlies op indrukwekkende wijze onder woorden gebracht. Voor hen is het belangrijk dat wordt erkend dat er dingen fout zijn gegaan en dat verdachte inziet dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en nalatig is geweest.
De bewezenverklaarde feiten zijn een misdrijf (feit 1) en een overtreding (feit 2). Voor de feiten moeten op grond van artikel 62 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht afzonderlijke straffen worden opgelegd.
Hoewel de feiten zich binnen de sfeer van de onderneming van verdachte hebben voorgedaan en de rechtbank daarom van oordeel was dat de oplegging van twee geldboetes het meest passend is, komt het hof tot een andere combinatie van straffen.
Verdachte was verantwoordelijk voor het opzetten en controleren van het speeltoestel, deed het onderhoud aan het speeltoestel als hij dit nodig vond en heeft het toezichtplan gemaakt. Het hof is van oordeel dat de straffen gericht moeten zijn op verdachte als persoon, wat niet voldoende in een geldboete tot uitdrukking komt. Ook acht het hof een geldboete niet passend bij de ernst van het bewezenverklaarde onder 1, het aan zijn schuld te wijten zijn dat [slachtoffer] door de gevolgen van het ongeval is overleden. Het hof is al met al van oordeel dat de oplegging van een taakstraf in combinatie met een geldboete het meest passend is. Verdachte is nog steeds eigenaar van het recreatiepark en is in dat verband ook nog steeds gehouden onder andere de regelgeving op het gebied van de veiligheid van attractie- en speeltoestellen na te leven. Het hof ziet daarin reden om een deels voorwaardelijke geldboete op te leggen.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis voor feit 1 en een geldboete van € 20.000,-, waarvan
€ 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor feit 2, in beginsel passend en geboden is.
Het heeft lang geduurd voordat het hof de zaak inhoudelijk heeft behandeld. Het hoger beroep is op 27 oktober 2022 ingesteld en dit arrest wordt gewezen op 31 maart 2026. Sinds het moment van het instellen van het hoger beroep zijn ongeveer drie jaren en vijf maanden verstreken. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM. Vanwege deze overschrijding brengt het hof twintig uren op de taakstraf in mindering.
Verdachte wordt voor feit 1 daarom veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis (en voor feit 2 tot een geldboete van € 20.000,-, waarvan € 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren).
Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het speeltoestel wordt verbeurdverklaard, dat ten aanzien van het zwemvest de onttrekking aan het verkeer wordt gelast en dat ten aanzien van de map met administratie de teruggave aan verdachte wordt gelast.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het speeltoestel vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan. Het hof zal het speeltoestel daarom verbeurdverklaren.
Het hof zal de teruggave aan verdachte gelasten van de map met administratie en het zwemvest. Deze voorwerpen zijn niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen:
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 125 (honderdvijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 7.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven speeltoestel met goednummer 2539305.
Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven map met administratie met goednummer 2539309 en het zwemvest met goednummer 2539307.
Dit arrest is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, mr. Th.C.M. Willemse en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier mr. B. van Leeuwen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 31 maart 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 31 maart 2026.
Tegenwoordig:
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,
mr. I.M.G. van der Lee, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.