Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 12 oktober 2021 met parketnummer 08-963583-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1994 in [geboorteplaats] ,
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 14 oktober 2022, 27 maart 2025 en 17 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft bij tussenarrest van 28 oktober 2022 opdracht gegeven tot het horen van getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 6 maart 2026 staat vermeld dat getuige [medeverdachte 1] blijkens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) is overleden en dat [medeverdachte 2] vlak voor de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zou eindigen, is gevlucht. Hierdoor staat getuige [medeverdachte 2] sinds
12 oktober 2021 bij justitie als ontvlucht geregistreerd.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman,
mr. L.A.R. Newoor is aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 oktober 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor het samen met anderen opzettelijk invoeren, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne tot een gevangenisstraf van zesjaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over inbeslaggenomen voorwerpen.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere strafoplegging komt en tot een andere beslissing over het beslag, en zal daarom opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 en/of 27 november 2019, althans in of omstreeks de
periode van 26 december 2018 tot en met 27 november 2019 te [plaats 1] , en/althans
(elders) in Nederland en/of in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld
in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) en/of
- opzettelijk heeft verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd
en/of
- opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 2019 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met anderen opzettelijk in Nederland een kilogram cocaïne heeft ingevoerd, afgeleverd en aanwezig heeft gehad.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit wegens de doorbroken “chain of custody” voor wat betreft de in Nederland door het NFI onderzochte 61 monsters van de in België inbeslaggenomen partij (vermoedelijke) verdovende middelen met een totaalgewicht van ruim 1.994 kilogram, waarvan één kilogram is teruggeplaatst in de container die later inbeslaggenomen is in [plaats 1] in Nederland. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat de in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen vermelde netto-hoeveelheden niet overeenkomen met de hoeveelheden die zijn ontvangen van de Belgische autoriteiten, hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting en bij gebrek aan bewijs tot vrijspraak van verdachte.
De raadsman heeft daarnaast integrale vrijspraak bepleit aangezien het dossier onvoldoende bewijs bevat waaruit kan worden afgeleid dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de partij drugs in de container, zodat opzet niet bewezen kan worden. Subsidiair is aangevoerd dat het aandeel van verdachte bij de (verlengde) invoer niet zodanig is dat hij kan worden aangemerkt als medepleger.
Oordeel van het hof
Op 26 november 2019 in de haven van [plaats 2] een fysieke controle door de Belgische douane plaatsvond van een container met [nummer] , afkomstig van [bedrijf 1] te [plaats 3] in Colombia, welke container blijkens de “bill of lading” bestemd was voor [bedrijf 2] ., [adres 1] . Als zaakvoerder van [bedrijf 2] . staat ingeschreven: [medeverdachte 1] , geboren op
[geboortedag 2] 1955. Het onderzoek van de lading in voornoemde container, die bestond uit pallets met zakken kunstmest, leidde tot de vondst van 174 zakken kunstmest die per zak tevens 10 pakken met als inhoud wit poeder bleken te bevatten. De in totaal 1.740 pakken met wit poeder hadden een totaalgewicht van 1.994,900 kilogram. De eerste test van het witte poeder leverde een positief resultaat op voor cocaïne.
De vondst van de lading met cocaïne en de plaats van bestemming daarvan zijn door de Belgische opsporingsautoriteiten op 26 november 2019 gemeld aan de Dienst Landelijke Informatie Organisatie, waarop het opsporingsonderzoek 26Gillette is gestart en besloten is tot een gecontroleerde aflevering van de lading. Nadat de volledige partij cocaïne uit de container met [nummer] was gehaald, is een pak van één kilo daarvan teruggeplaatst in de container. De container met [nummer] is op 27 november 2019 in de haven van [plaats 2] afgehaald door chauffeur [medeverdachte 2] , rijdende in een vrachtwagen met [kenteken 1] . Deze vrachtwagen, met daaraan gekoppeld een oplegger, voorzien van [kenteken 2] , passeerde op 27 november 2019 te 17.25 uur de grens met Nederland. Op 27 november 2019 omstreeks 19.33 uur is waargenomen dat de vrachtwagen met [kenteken 1] geparkeerd stond ter hoogte van perceel [adres 2] te [plaats 1] en dat een VW Multivan, met [kenteken 3] , geparkeerd stond op de [straat 1] te [plaats 1] , nabij de kruising met de [straat 2] , en dat bij deze VW Multivan twee personen stonden, alsmede dat achter deze VW Multivan een personenauto, merk Suzuki, [kenteken 4] , geparkeerd stond. Op 27 november omstreeks 19.43 uur is waargenomen dat een persoon, naar later bleek verdachte, uit een roldeur van de loods aan de [adres 2] in de richting van de vrachtwagen met [kenteken 1] liep, waarna de vrachtwagen de loods werd binnengereden, direct gevolgd door voornoemde VW Multivan. Op 27 november 2019 omstreeks 19.59 uur is waargenomen dat voornoemde VW Multivan met twee inzittenden de loods uitreed en dat een persoon, naar later bleek verdachte, uit de richting van de loods kwam lopen en wegreed in de Suzuki Alto met [kenteken 4] . Kort na het vertrek van voornoemde personen is de loods aan de [adres 2] te [plaats 1] binnengetreden door de politie. In de loods stond de vrachtwagen met [kenteken 1] , met daarachter de oplegger voorzien van [kenteken 2] , waarop de container met [nummer] was geplaatst. De deuren van voornoemde container waren geopend. In voornoemde container werd de deklading met zakken kunstmest en een pak met wit poeder, met een gewicht van één kilogram aangetroffen, welk poeder blijkens het forensisch onderzoek van het NFI d.d. 6 december 2019 cocaïne betrof.
In het voorste deel van voornoemde container werden twee jammers en een sweep-apparaat aangetroffen. Op beide jammers zijn humane biologische sporen aangetroffen waarvan het DNAmatcht met dat van verdachte.
De loods aan de [adres 2] te [plaats 1] werd gehuurd door verdachte. Hij heeft deze loods op verzoek van [medeverdachte 1] aan hem als opslagruimte ter beschikking gesteld.
Verdachte heeft [medeverdachte 1] verschillende keren geholpen met in- en uitladen, onder meer in de door verdachte gehuurde loods. [medeverdachte 1] heeft aan de verdachte gevraagd of hij op 27 november 2019 beschikbaar was en of hij nog twee mensen kon vinden om een vracht te lossen.
In het bedrijfspand van [bedrijf 2] . aan de [straat 3] in [plaats 4] is een Acer-laptop aangetroffen, met daarop een gebruikersaccount met de naam “ [naam] ”, de voornaam van verdachte. In de imageback-up van deze laptop werden meerdere documenten aangetroffen die afkomstig waren van het bedrijf [bedrijf 3] . te Colombia en bestemd waren voor [bedrijf 2] . te [plaats 4] .
Wetenschap
Verdachte heeft betwist dat hij wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van cocaïne in de container met [nummer] (hierna: de container). Het hof oordeelt anders en overweegt daartoe het volgende.
Verdachte is degene die de loods heeft gehuurd en ter beschikking heeft gesteld voor het lossen van de container. Verdachte is degene die de loods op 27 november 2019 opent voor de vrachtwagen en de vrachtwagen binnen laat. Verdachte is in de loods aanwezig als de vrachtwagen geopend wordt. Uit de gegevens op de aangetroffen Acer laptop leidt het hof af dat deze laptop door verdachte wordt gebruikt en hij betrokkenheid had bij [bedrijf 2] . en wetenschap had van andere zendingen die net als deze onderschepte zending afkomstig waren vanuit Colombia en via [plaats 2] naar Nederland werden vervoerd.
Uit het aangetroffen DNA op de jammers dat matcht met het DNA van verdachte leidt het hof af dat verdachte DNA betreft en verdachte actief betrokken is geweest bij het openen van de container. De jammers waren niet aanwezig in de container bij de controle in de haven van [plaats 2] , zodat deze dus bij het lossen daarvan in de loods in de container moeten zijn gelegd. De aanwezigheid van de jammers (en het sweep-apparaat) duidt er op dat men welbewust de container heeft gecontroleerd of wilde gaan controleren op de eventuele aanwezigheid van peilbakens en/of zenders. Dergelijke apparatuur heeft geen legitieme functie bij het lossen van een lading kunstmest en duidt op wetenschap van een (deels) illegale lading. Nu tevens bij verdachte bekend was dat de container van Colombia via [plaats 2] naar Nederland vervoerd werd, had hij tevens wetenschap van de illegale invoer.
Het hof acht de verklaring dat het DNA van verdachte op de jammers zijn terechtgekomen doordat hij deze (mogelijk) onbewust heeft aangeraakt dan wel via indirect contact – bijvoorbeeld door het schudden van handen of via kleding – niet aannemelijk geworden. Het hof betrekt daarbij dat verdachtes verklaring niet concreet is en evenmin geverifieerd kan worden. De verdachte is voorts niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen om hierover nadere opheldering te geven.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, maken naar het oordeel van het hof de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij niet bekend was met de aanwezigheid van de cocaïne in de deklading met kunstmest, ongeloofwaardig. Op grond van het voorgenoemde is het hof van oordeel dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer, het afleveren en vervoeren van de door de Belgische autoriteiten in de container teruggeplaatste cocaïne.
Doordat verdachte bij het openen van de container in de loods aanwezig is geweest en hij wist dat zich tussen de lading kunstmest ook cocaïne bevond, is het hof van oordeel dat tevens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de in de container aanwezige hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Hoeveelheid cocaïne
Voor wat betreft de hoeveelheid verdovende middelen overweegt het hof als volgt.
Volgens de nog steeds geldende rechtspraak van de Hoge Raad kunnen handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer strekken tot de invoer of het verdere vervoer en de overdracht van die verdovende middelen. De tenlastelegging is toegespitst op invoer handelingen, zoals deze feitelijk uit het dossier blijken.
Het hof stelt vast dat op 26 november 2019 een hoeveelheid van in totaal 1.994,900 kilogram cocaïne in beslag is genomen door de Belgische autoriteiten en dat aan verdachte toegeschreven handelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van die in de container aangetroffen hoeveelheid cocaïne, aangezien één kilogram cocaïne van die inbeslaggenomen hoeveelheid cocaïne is teruggeplaatst in de container ten behoeve van de gecontroleerde aflevering van die container.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde hoeveelheid van ongeveer 2.019 kilogram cocaïne. De bewezenverklaring ziet dan ook uitsluitend op het verrichten van handelingen gericht op de (verlengde) invoer of het verdere vervoer van het door de Belgische autoriteiten in de container teruggeplaatste pak met daarin één kilogram cocaïne. Hetzelfde geldt voor het ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van deze grote hoeveelheid cocaïne.
Verweer ten aanzien van de “Chain of custody”
Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde met betrekking tot de 2019 kilogram cocaïne, behoeft het daarop betrekking hebbende verweer van de raadsman inzake de “chain of custody” geen verdere bespreking.
Medeplegen
Aan verdachte is tevens medeplegen tenlastegelegd. Het hof stelt voorop dat van medeplegen kan worden gesproken indien uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het begaan van een strafbaar feit.
In aanvulling op het bovenstaande leidt het hof uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.
Verdachte is degene die op 27 november 2019 de loods aan de heer [medeverdachte 1] ter beschikking heeft gesteld, voor medeverdachte [medeverdachte 2] heeft geopend en ook anderen heeft binnengelaten. Er zijn ook anderen ingeschakeld voor het lossen van de container. Verdachte is samen met anderen aanwezig geweest in de loods in [plaats 1] en actief betrokken geweest bij het openen en controleren van de container, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van jammers. De loods in [plaats 1] werd door verdachte gehuurd en door hem op verzoek van [medeverdachte 1] regelmatig ter beschikking gesteld voor de opslag van door [medeverdachte 1] bestelde ladingen, waarover informatie op de laptop van verdachte is aangetroffen. Naar het oordeel van het hof vormen deze gedragingen, in onderling verband en in samenhang bezien, een essentiële bijdrage van verdachte aan de invoer van de cocaïne, alsmede aan het afleveren, het vervoeren en het aanwezig hebben daarvan.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 26 en/of 27 november 2019, althans in of omstreeks de periode van 26 december 2018 tot en met 27 november 2019 te [plaats 1] , en/althans (elders) in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld
in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) en/of
- opzettelijk heeft verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd
en/of
- opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 1 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht om een aanzienlijke matiging van de eventuele straf. De raadsman heeft het hof verzocht om daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat hij sinds het ten laste gelegde feit niet opnieuw met politie of justitie in aanraking is gekomen en de ingrijpende gevolgen die deze procedure reeds jarenlang voor hem heeft gehad.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van, het afleveren, vervoeren en het aanwezig hebben van een kilogram cocaïne. Het hof houdt rekening met de straffen die volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS) gelden voor de invoer, het afleveren, vervoeren en het aanwezig hebben van harddrugs. Op de invoer vanaf één kilogram harddrugs geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht tot twaalf maanden en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot vierentwintig maanden ingeval sprake is van een deelname aan een organisatie. Het hof ziet echter aanleiding om in strafverzwarende zin af te wijken van dit uitgangspunt. Het hof wenst in dit geval niet voorbij te gaan aan de afdoende vaststaande omstandigheid dat deze ene kilogram onderdeel was van een grotere lading, die slechts door ingrijpen van de Belgische opsporingsautoriteiten grotendeels aan het verkeer zijn onttrokken. De container waarin de kilogram cocaïne is aangetroffen, maakte onderdeel uit van een transport met aanzienlijke hoeveelheidcocaïne met een verkoopwaarde van vele tientallen miljoenen euro’s, waarvan het de bedoeling was om die in te voeren in Nederland.
Dit zijn zeer ernstige feiten, waarin verdachte een significantie rol heeft vervuld. Het gebruik van harddrugs vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Bovendien leiden de handel in en het gebruik van harddrugs tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. Met de handel in drugs worden enorme bedragen verdiend. Geld dat vaak wordt witgewassen en aldus zijn weg naar de bovenwereld vindt, wat ondermijnend werkt. Verdachte heeft zich aan deze voor de samenleving zeer nadelige gevolgen niets gelegen laten liggen en met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden daarvan.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 12 februari 2026 niet eerder is veroordeeld. Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen zoals deze door de raadsman van verdachte ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht. De langdurige duur van deze strafzaak heeft een grote impact op het leven van verdachte. Het was voor hem niet mogelijk om te werken, aangezien hem een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) werd geweigerd. Verdachte is in een depressie geraakt en heeft te kampen met gezondheidsklachten, waarvoor hij geen medische hulp kon inschakelen omdat hij niet in Nederland stond ingeschreven. Daarnaast verkeren de ouders van verdachte in een slechte gezondheidstoestand en wenst verdachte hen te ondersteunen en voor hen te zorgen. Daar staat echter tegenover dat de verdachte zich als sinds 12 oktober 2021 schuil houdt voor justitie, terwijl de rechtbank de bij vonnis de schorsing van zijn voorlopige hechtenis had opgeheven. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hoger beroep is immers ingesteld op 13 oktober 2021 en dit arrest wordt gewezen op 31 maart 2026, waardoor sprake is van een overschrijding van ongeveer 29 maanden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding aanzienlijke matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Het hof acht, alles afwegende in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Het hof is alles afwegende van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is, zodat het hof die straf zal opleggen.
Beslag
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft opgemerkt zich te refereren aan het oordeel van het hof.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven zakken kunstmest, zoals vermeld onder nummer 2 van de beslaglijst van 11 mei 2020, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, aangezien het bewezenverklaarde met behulp van deze zakken kunstmest is begaan.
Het hof gelast teruggave van de op de beslaglijst van 11 mei 2020 onder nummer 1 vermelde vrachtwagen met [kenteken 1] en de onder nummer 24 vermelde Acer laptop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van de vrachtwagen overweegt het hof ten overvloede het volgende. Het hof heeft de bestuurder van de vrachtauto waarmee de container is vervoerd integraal vrijgesproken bij gebrek aan wetenschap over de aanwezigheid van de cocaïne in de container. Uit het dossier volgt evenmin dat enige eventueel andere rechthebbende op de vrachtwagen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de container. Het hof oordeelt om die reden dat de vermelde vrachtwagen toevallig gebruikt is voor het vervoer van de cocaïne.
Daarnaast gelast het hof teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder nummer 19 vermelde Apple iPhone en de overige (onder nummer 4 tot en met 18 en nummer 20 tot en met 23) op voornoemde beslaglijst vermelde voorwerpen, voor zover het beslag niet is geëindigd ingevolgde artikel 134, tweede lid Sv, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
het op de beslaglijst genoemde voorwerp onder:
- nummer 2 (zakken met kunstmest).
Gelast de teruggave aan rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
het op de beslaglijst vermelde voorwerpen onder:
- nummer 1 (vrachtwagen met [kenteken 1] );
- nummer 24 (Acer laptop).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
het op de beslaglijst vermelde voorwerpen onder:
- nummer 19 (Apple iPhone);
- de overige op de beslaglijst vermelde voorwerpen onder nummer 4 tot en met 18 en nummer 20 tot en met 23, voor zover het beslag niet is geëindigd in gevolgde artikel 134, tweede lid Sv.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Zwartjes, mr. K. Gilhuis en mr. E.P.J. Schelkers, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 31 maart 2026.