ECLI:NL:GHARL:2026:1932

ECLI:NL:GHARL:2026:1932

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 31-03-2026
Zaaknummer 21-002117-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Geen vrijstelling verleend o.g.v. artikel 11, aanhef en onder g, Leerplichtwet 1969. Het is niet aan de strafrechter om de invulling van deze regel inhoudelijk te beoordelen, maar die behoeft in een geval als onderhavige slechts te onderzoeken of verdachte door de leerplichtambtenaar vrijstelling heeft gekregen.

Uitspraak

[Naam VD] ,

geboren op [Geboortedatum] 1986 in [Geboorteplaats] ,

wonende te [Adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd.

Het vonnis

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 te [Plaats 1] , althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [Kind van VD 1] , geboren op [Geboortedatum] 2016 en/of [Kind van VD 2] , geboren op [Geboortedatum] 2017, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van voornoemde jongeren, had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten [Naam School] , stonden ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezochten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de kinderen van verdachte, [Kind van VD 1] en [Kind van VD 2] , gedurende de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 niet naar school zijn gegaan, terwijl zij daar wel stonden ingeschreven. De verdachte weerspreekt deze gang van zaken niet, maar meent dat sprake was van ‘andere gewichtige omstandigheden’ waardoor de leerplichtambtenaar akkoord had moeten gaan met het door verdachte aangevraagde verlof voor zijn kinderen.

Op basis van artikel 11, aanhef en onder g, Leerplichtwet 1969, kan het hoofd van de betrokken school, dan wel de leerplichtambtenaar, vrijstelling verlenen van schoolbezoek indien er sprake is van andere gewichtige omstandigheden waardoor de jongere verhinderd is de school te bezoeken. Wat verstaan wordt onder ‘andere gewichtige omstandigheden’ staat nader uitgewerkt in een beleidsregel en de toepassing hiervan is voorbehouden aan het hoofd van de school dan wel de leerplichtambtenaar. Tegen deze beslissing staat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Het is niet aan de strafrechter om de invulling van deze regel inhoudelijk te beoordelen, maar die behoeft in een geval als onderhavige slechts te onderzoeken of verdachte door de leerplichtambtenaar vrijstelling heeft gekregen (ECLI:NL:HR:2011:BO5254). Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat door de leerplichtambtenaar geen vrijstelling is verleend.

Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 26 augustus 2024 tot en met 11 oktober 2024 te [Plaats 1] , althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [Kind van VD 1] , geboren op [Geboortedatum] 2016 en/of [Kind van VD 2] , geboren op [Geboortedatum] 2017, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van voornoemde jongeren, had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten [Naam School] , stonden ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezochten.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,00, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis waarvan € 750,00, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kantonrechter is opgelegd.

De raadsvrouw heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en heeft subsidiair verzocht een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval.

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte en zijn financiële draagkracht. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Leerplichtwet 1969 doordat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ervoor te zorgen dat zijn kinderen [Kind van VD 1] en [Kind van VD 2] in de bewezenverklaarde periode geregeld de school bezochten waar zij stonden ingeschreven. Verdachte moest voor zijn werk langere periode naar het buitenland en had de wens om zijn gezin die gehele periode bij zich te hebben. Hij heeft naar eigen zeggen er alles aan gedaan om zijn kinderen tijdens hun afwezigheid op school thuis onderwijs te geven zodat ze bij terugkomst niet achter zouden lopen. Het volgen van onderwijs op school is echter ook van belang voor de sociale ontwikkeling van kinderen, waarbij het samen starten van een nieuw schooljaar een rol speelt. Door zijn kinderen ten behoeve van zijn werk langere tijd van school te houden, heeft verdachte er blijk van gegeven onvoldoende belang toe te kennen aan het nut en de noodzaak van de in de Leerplichtwet 1969 opgenomen rechten en plichten die onderwijs - in de breedste zin van het woord - voor alle kinderen waarborgen.

Het hof heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 februari 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00 passend en geboden.

Verdachte heeft op de terechtzitting van het hof aangegeven dat hij niet meer in dezelfde situatie zal komen, omdat hij gestopt is bij het bedrijf waarvoor hij naar het buitenland moest en hij heeft er blijk van gegeven in het vervolg anders te zullen handelen. Nu de kans op recidive naar het oordeel van het hof aanzienlijk is afgenomen, ziet het hof geen aanleiding nog een voorwaardelijke geldboete op te leggen.

Het hof ziet – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit – geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals door de raadsvrouw is verzocht.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Steenbrink,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. N.I.S. Boers,

in aanwezigheid van de griffier mr. H.A.C. Peters

en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?