ECLI:NL:GHARL:2026:1981

ECLI:NL:GHARL:2026:1981

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 21-000073-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Onderzoek Mergel. Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf ter zake van het gedurende langere tijd en op grote schaal telen van hennep in Duitsland, georganiseerd vanuit Nederland, en het voorhanden hebben van een kilo cocaïne. Verweer met betrekking tot bevoegdheid van de raadsheren en de Code zaakstoedeling is verworpen. Verweren met betrekking tot de verkrijging van versleutelde informatie van telefoons (EncroChat en SKY ECC) zijn verworpen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000073-24

Uitspraakdatum: 3 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 december 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-057190-22 en 18-283003-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

nu uit andere hoofde gedetineerd in de P.I. in [locatie] .

1. Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

2. Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 16 februari 2026, 17 februari 2026, 19 februari 2026 en 3 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 55 maanden, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,

mr. J.C. Reisinger, hebben aangevoerd.

3. Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg voor alle ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 62 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

4. Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 18-057190-22:

1.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 22 juni 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats] (D) (in een pand/loods aan de [straat] ), althans in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (uit JM1190, p. 5882) 1399 hennepplanten, althans (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 28 maart 2020 tot en met 21 mei 2021 te [plaats] (D) (in een pand/loods aan de [straat] ), althans in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (uit JM376-01, p. 4346) 1414 hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.hij op/in of omstreeks de periode van 20 juni 2022 tot en met 21 juni 2022 te [plaats] (in een loods/pand aan de [straat] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, althans aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 61 kilogram amfetamine, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

zaak met parketnummer 18-283003-22:

hij op of omstreeks 2 april 2019 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1003,63 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bevoegdheid van het hof

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting van het hof op 17 februari 2026 betoogd dat de raadsheren van het hof die over deze zaak oordelen niet bevoegd zijn om dit te doen. Hij heeft dit als volgt onderbouwd:Bevoegdheid hof, idzv artikel 348 Sv

- U heeft verzoek prejudiciële vragen afgewezen om te weten hoe rechterlijke toetsing kan plaatsvinden van de toewijzing van deze strafzaak, conform de daartoe geldende regels

- Ik kan daardoor niet anders dan concluderen: ondanks de wens van de verdediging om die toetsing te laten plaatsvinden, ontbreekt de mogelijkheid daartoe, immers

o de Code zaakstoedeling voorziet niet in een rechtsmiddel

o het Bestuursreglement en zaakstoedelingsregelingen van uw Hof voorziet daar niet in

o terwijl het middel van bezwaar tegen de dagvaarding of wraking niet bedoeld zijn voor de controle van de toewijzing van (straf)zaken

en als het dus onmogelijk is om te bepalen of de rechtsprekende formatie waaraan een bepaalde zaak is toegewezen, een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht vormt (zie r.o. 55 van het Sinalov-arrest (ECLI:EU:C:2025:116))

dan zie ik weinig andere mogelijkheid om te concluderen dat de tweede vraag van artikel 348 Sv niet positief beantwoord kan worden.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat de raadsman op geen enkel moment onderzoek of navraag heeft gedaan hoe deze zaak is toebedeeld aan de raadsheren die deze zaak behandelen. Ook stelt het hof vast dat de raadsman geen concrete klacht heeft geformuleerd over de toebedeling van deze zaak aan deze raadsheren. Nu het verweer ook verder niet concreet is onderbouwd, mist het verweer van de raadsman feitelijke grondslag.

De stelling dat er een gebrek zit in hoe de zaakstoedeling in het algemeen is geregeld of getoetst kan worden, is geen reden om te concluderen dat de raadsheren in deze concrete zaak daarom onbevoegd zijn.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman. Het hof is bevoegd om over deze zaak te oordelen.

6. Formele aspecten van het bewijs (EncroChat-data en Sky ECC-data en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie)

Standpunten van de verdediging

De raadsman heeft in hoger beroep verweer gevoerd met betrekking tot de informatie afkomstig van cryptotelefoons (EncroChat-data en Sky ECC-data).

Primair concludeert de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat het openbaar ministerie bewust de rechter heeft misleid om te voorkomen dat de rechter de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de EncroChat-data en Sky ECC-data zou (kunnen) toetsen (zie 6.1.5).

Subsidiair concludeert de raadsman dat de EncroChat-data en Sky ECC-data van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat deze data niet rechtmatig zijn verkregen en ook niet betrouwbaar zijn. Er is sprake van:

schending van het soevereiniteitsbeginsel, Richtlijn 2014/41 en ander internationaal recht (zie 6.1.1);

schending van artikel 8 EVRM in combinatie met artikel 6 EVRM (zie 6.1.2);

gebrek aan betrouwbaarheid/overtuigingskracht van de data (zie 6.1.3);

een ongelijke positie (verdediging vergeleken met het openbaar ministerie) wat betreft de kennisneming van de data, waardoor er geen sprake is van ‘equality of arms’ en een eerlijk proces in de zin van art 6 EVRM (zie 6.1.4)).

De raadsman heeft ook een aantal voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek geformuleerd.

De raadsman heeft dit onderbouwd met vele stukken onder aanhaling van uiteenlopende Europese jurisprudentie. De onderbouwing is korter weergegeven als volgt.

Schending van het soevereiniteitsbeginsel, Richtlijn 2014/41 en ander internationaal recht

Frankrijk start in april 2020 met het binnendringen van EncroChat-toestellen wereldwijd en het overnemen van de inhoud van die toestellen. Dat betreft ook gebruikers die zich in Nederland bevinden. Voor zover het gaat om EncroChat-toestellen die zich in Nederland bevinden is artikel 126uba van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van toepassing. De regels van dit artikel zijn niet nageleefd. De verdediging verwijst hierbij naar de volgende internationale rechtsregels:

- het soevereiniteitsbeginsel en artikel 1 EVRM,

- artikel 32 Cybercrimeverdrag (Boedapest),

- artikel 4 VN-Verdrag van Palermo,

- artikel 20 lid 1 EU Rechtshulpovereenkomst en

- artikel 31 Richtlijn 2014/41.

Conform artikel 31 van de Richtlijn 2014/41 in samenhang met artikel 126uba Sv had Frankrijk de bevoegde Nederlandse autoriteit moeten notificeren van de interceptie van de EncroChat-data van gebruikers in Nederland. Vastgesteld kan worden dat er deze notificatie er niet is.

Artikel 20 van de EU Rechtshulpovereenkomst bepaalt dat de bevoegde autoriteit van het land waar de gebruiker zich bevindt van het communicatieadres dat afgetapt zou moeten gaan worden, toestemming moet geven voor de interceptie van telecommunicatie. Dat is ook niet gebeurd.

Artikel 32 Cybercrimeverdrag en artikel 4 VN-Verdrag van Palermo zien op het respecteren van de soevereiniteit van een land. Dit is in eerste instantie een individueel belang. Wetten en rechten dienen namelijk de mensen in een maatschappij, waarbij een ‘land’ een instrument is en niet een belang op zichzelf is.

Het voorgaande geldt ook voor de Sky ECC-data.

In aansluiting hierop verzoekt de raadsman om verstrekking van het volgende:

- alle locatiedata van de EncroChat-accounts in het dossier

- alle notificaties van Frankrijk aan andere landen in verband met de interceptie van EncroChat-communicatie

- alle locatiedata van de Sky ECC-accounts in het dossier

- alle notificaties van Frankrijk aan andere landen in verband met de interceptie van Sky ECC-communicatie.

Schending recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM)

Er is sprake geweest van een onbegrensde interceptie zonder dat daarvoor een rechtvaardiging is. Alle data van alle gebruikers zijn onderschept. Conform daarvoor geldende regels en blijkens de Europese jurisprudentie hadden er grenzen gesteld moeten worden.

Een interceptie is op deze wijze in strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM).

Bovendien moet sprake zijn van verdenking van strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk. Van zo’n verdenking – die als absolute ondergrens een 8-jaarsfeit kent, als omschreven in artikel 126uba lid 1 sub d Sv – is geen sprake in de zaak van verdachte waar het gaat om een dubbele verdenking van het in vereniging aanwezig hebben en – kort gezegd – kweken van hennepplanten (voor zover het gaat om de verdenkingen uit EncroChat).

Bij gebrek aan nader (effectief) onderzoek naar de mogelijke schending van artikel 8 EVRM in deze zaak, is er geen sprake van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De EncroChat-data dient daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

Dit gebrek kan alsnog hersteld worden en daarvoor verzoekt de verdediging:

- het horen van de volgende getuigen teneinde hen allen te bevragen over (het onderzoeken van) de (on)mogelijkheden voor het begrenzingen van de inzet van de interceptie van telecommunicatie, met name wat betreft proportionaliteit en subsidiariteit (in tijd, betrokkenen, typen data, etc…):

o Nederlandse rechercheur R225 (JIT)

o Franse politiemedewerker ( [naam] ) (JIT)

o Nederlandse OvJ (LAP0797)

o Franse procureur ( [naam] )

- de verstrekking van de volgende dossiers om te weten wat is verzocht, gemotiveerd en overwogen over (on)mogelijkheden tot begrenzingen zoals hiervoor genoemd of het juist niet willen begrenzen daarvan:

o de Nederlandse onderzoeksdossiers Lemont en Bismarck

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk en Nederland en alle communicatie tussen de Nederlandse (opsporings)autoriteiten ander landen en internationale/ Europese instellingen in het kader van het opsporingsonderzoek naar bedrijf EncroChat en de NN-gebruikers van die dienst

o het dossier van het Operational Task Force 'EMMA'

Het voorgaande geldt nog krachtiger voor de Sky ECC-data. De interceptie heeft (veel) langer geduurd en betrof nog meer personen. Verder gaven ook de Amsterdamse rechters-commissarissen bij hun artikel 126t Sv-machtiging eind 2020 de voorwaarde dat sprake was van een verdenking en vervolging van feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, hetgeen bij uitsluitend softdrugs-feiten géén sprake van is. Overigens is dat ook niet gesteld door de politie of het openbaar ministerie.

Bij gebrek aan nader (effectief) onderzoek naar de mogelijke schending van artikel 8 EVRM in deze zaak, is er geen sprake van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Sky ECC-data dient daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

Dit gebrek kan alsnog hersteld worden en daarvoor verzoekt de verdediging:

- het horen van de volgende getuigen teneinde hen allen te bevragen over (het onderzoeken van) de (on)mogelijkheden voor het begrenzingen van de inzet van de interceptie van telecommunicatie, met name wat betreft proportionaliteit en subsidiariteit (in tijd, betrokkenen, typen data, etc…):

o twee Nederlandse rechercheurs van het Team High Tech Crime (T-1041 en R-824) (JIT)

o een Franse politiemedewerker ( [naam] ) (JIT)

o een Belgische speurder [naam] (JIT)

o een medewerker van [bedrijf] (onder nummer 351348)

o een medewerker van [bedrijf] ( [naam] )

o de Nederlandse officier van justitie ( [naam] )

o de Franse onderzoeksrechter ( [naam] )

o de Belgische federaal magistraat ( [naam] );

- de verstrekking van de volgende dossiers om te weten wat is verzocht, gemotiveerd en overwogen over (on)mogelijkheden tot begrenzingen zoals hiervoor genoemd of het juist niet willen begrenzen daarvan:

o de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Werl’, ‘Yucca’ en ‘Argus’

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk, België en Nederland en alle communicatie tussen de Nederlandse (opsporings)autoriteiten ander landen en internationale/ Europese instellingen in het kader van het opsporingsonderzoek naar bedrijf Sky ECC en de NN-gebruikers van die dienst

o het dossier van het Operational Task Force 'LIMIT'.

Gebrek aan (gebleken) betrouwbaarheid/ overtuiging(skracht) EncroChat-data

Bij digitaal bewijsmateriaal bestaat alle reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid, daarom kennen we in Nederland regels in het 'Besluit onderzoek in geautomatiseerde werken'. Niet gebleken is van naleving van deze regels in de verwerking van de data in en door Nederland. Al helemaal is niet gebleken van naleving van (de materiële kern van) zulke regels in en door Franse opsporingsautoriteiten.

Digitaal bewijsmateriaal moet a priori als onbetrouwbaar worden beschouwd. Dat is ook de reden dat vanuit de Raad van Europa een dikke ‘Electronic Evidence Guide’ is opgesteld, met alle digitaal-forensische eisen die moeten worden nageleefd om betrouwbaar bewijs te krijgen, inclusief het belangrijkste principe:

Er moet een registratie worden bijgehouden en bewaard van alle acties die worden ondernomen bij het omgaan met elektronisch bewijs, zodat deze later kunnen worden gecontroleerd. Een onafhankelijke derde partij moet niet alleen in staat zijn die acties te herhalen, maar ook in staat zijn hetzelfde resultaat te bereiken.

De EHRM-jurisprudentie over digitaal bewijsmateriaal benadrukt dat de verdediging in het kader van een eerlijk proces de mogelijkheid moet hebben om de echtheid en kwaliteit van het digitale bewijs te onderzoeken.

Wat de EncroChat-data betreft is al gebleken dat sprake is van fouten in de vergaring c.q. verwerking, namelijk:

gebleken onvolkomenheden in de juistheid en (vooral) volledigheid na onderzoek door het NFI;

gebreken in de omzetting naar Excel (dubbele weergave van één en hetzelfde bericht);

berichten die niet ontsleuteld zijn zonder dat daarvoor een (technische) verklaring bestaat.

Die bevindingen betreffen evenwel data van andere EncroChat-accounts (niet uit het dossier van de verdachte), waar het mogelijk is gebleken om zulk onderzoek te doen. Zo is in België de standaardwerkwijze dat een volledig ‘stuk van overtuiging’ op de griffie wordt neergelegd, waarin zich alle data bevinden in JSON-vorm én Excel en een vergelijk dús mogelijk is. Nederland doet dat niet, ook niet op verzoek. Zelfs Excel ontbreekt in deze zaak.

Zodoende wordt van het hof gevraagd om verdachte te veroordelen op basis van digitaal bewijsmateriaal waarvan vooraf gezegd moet worden dat grote risico’s op onbetrouwbare data bestaat, terwijl dat risico zich achteraf verwezenlijkt blijkt te hebben. De betrouwbaarheid en accuraatheid van die data zijn dus wezenlijk aangetast en bewijsuitsluiting is nodig op grond van “de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.”

De enige manier om dit te voorkomen is door in het concrete geval na te gaan of de data in deze zaak mogelijk toch wel accuraat, integer en dus bruikbaar zijn, door:

- de verstrekking van

o alle ruwe (meta)data, zoals initieel verkregen via het binnendringen van alle EncroChat-toestellen (op servers in Frankrijk), in elk geval voor zover het gaat om de data van de EncroChat-accounts in het procesdossier;

o alle (leesbare) (meta)data van EncroChat-accounts die in het procesdossier voorkomen (de zogeheten ‘secundaire’ dataset), via daartoe bestemde software (Hansken, ‘index’, of Chat-X) en in JSON;

o alle verslaglegging van de (digitale) chain of evidence van de data van de EncroChat-accounts in het procesdossier (vanaf de eerste verwerking door de Franse autoriteiten na de initiële vergaring, via de Large File Exchange-servers van [bedrijf] en het geautomatiseerd downloaden door de andere JIT-partners, tot en met de definitieve verwerking in het onderhavige (proces)dossier);

o de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Lemont’ en ‘Bismarck’,

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk en Nederland en/of in elk geval alle communicatie tussen Nederlandse (opsporings)autoriteiten en andere landen (met name Frankrijk) en internationale/ Europese instellingen (met name [bedrijf] en [bedrijf] ) in het kader van het opsporingsonderzoek naar het bedrijf EncroChat en de NN-gebruikers van die dienst,

o het dossier van het Operational Task Force ‘EMMA’;

- het als getuigen horen van de volgende personen om hen te bevragen naar problemen die zich hebben voorgedaan bij de inzet van de opsporingsbevoegdheden tot interceptie van de EncroChat-telecommunicatie en de verdere verwerking daarvan, alsook de manieren waarop die zijn opgelost en de gevolgen daarvan voor de juistheid en volledigheid van de data:

o Nederlandse rechercheur (R225) en

o een Franse politiemedewerker ( [naam] ).

Het voorgaande geldt ook voor de Sky ECC-data. Sterker nog, vanwege de aard van de interceptie ten aanzien van Sky ECC is gebleken van een structurele, systematische onvolledigheid. De mate van onvolledigheid valt evenwel niet in concreto, in deze zaak, na te gaan.

De enige manier om dit te voorkomen is door in het concrete geval na te gaan of de data in deze zaak mogelijk toch wel accuraat, integer en dus bruikbaar zijn, door:

- de verstrekking van

o alle ruwe (meta)data, zoals initieel verkregen via de IP-tap en MITM-inzet in Frankrijk, in elk geval voor zover het gaat om de data van de Sky ECC-accounts in het procesdossier;

o alle (leesbare) (meta)data van Sky ECC-accounts die in het procesdossier voorkomen (de zogeheten ‘secundaire’ dataset), via daartoe bestemde software (Hansken, ‘index’, of Chat-X) en in JSON;

o alle verslaglegging van de (digitale) chain of evidence van de data van de Sky ECC-accounts in het procesdossier (vanaf de eerste verwerking door de Franse autoriteiten na de initiële vergaring, via de Large File Exchange-servers van [bedrijf] en het geautomatiseerd downloaden door de andere JIT-partners, tot en met de definitieve verwerking in het onderhavige (proces)dossier);

o de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Werl, Yucca’en ‘Argus’,

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk, België en Nederland en/of in elk geval alle communicatie tussen Nederlandse (opsporings)autoriteiten en andere landen (met name Frankrijk en België) en internationale/ Europese instellingen (met name [bedrijf] en [bedrijf] ) in het kader van het opsporingsonderzoek naar het bedrijf Sky ECC en de NN-gebruikers van die dienst,

o het dossier van het Operational Task Force ‘LIMIT’;

- het als getuigen horen van de volgende personen om hen te bevragen naar problemen die zich hebben voorgedaan bij de inzet van de opsporingsbevoegdheden tot interceptie van de Sky ECC-telecommunicatie en de verdere verwerking daarvan, alsook de manieren waarop die zijn opgelost en de gevolgen daarvan voor de juistheid en volledigheid van de data:

o twee Nederlandse rechercheurs van het Team High Tech Crime (T-1041 en R-824) (JIT)

o een Franse politiemedewerker ( [naam] ) (JIT)

o een Belgische speurder ( [naam] ) (JIT)

o een medewerker van [bedrijf] (onder nummer 351348)

o een medewerker van [bedrijf] ( [naam] ).

Gebrek aan kennisneming data gelijk aan positie openbaar ministerie

In deze zaak is, net als in (vrijwel) alle andere EncroChat-zaken, sprake van een ongelijkheid van wapens. Zoals ook blijkt uit de EHRM-jurisprudentie moet de verdediging toegang krijgen tot de data op een wijze die niet (substantieel) verschilt met de wijze waarop het openbaar ministerie dat kan. Het recht op een eerlijk proces vraagt daarom.

In de onderhavige zaak is er een groot verschil in de toegang tot de data die de verdediging heeft en die het openbaar ministerie heeft. De verdediging zou net als het openbaar ministerie de toegang moeten hebben tot de volledige secundaire dataset (de “Mergel-onderzoeksdataset”). De verdediging moet de juistheid van de selectie en waardering door de politie kunnen controleren en de verdediging moet zelf kunnen nagaan of er ook nog ontlastend bewijsmateriaal beschikbaar is. Deze toegang heeft de verdediging niet. Dit dient tot bewijsuitsluiting te leiden op grond van art 6 EVRM.

Het voorgaande geldt nog sterker voor de Sky ECC-data, omdat de verdediging voor de Sky ECC-data niet om inzage via Hansken kan vragen.

Dit gebrek tot toegang tot de data kan worden hersteld. De verdediging verzoekt daarom om inzage in de secundaire (Mergel-)onderzoeksdataset via daartoe bestemde software (Hansken, dan wel de software van de politie, genaamd Chat-X of via de Belgische ‘index’).

Misleiding door het openbaar ministerie: onjuist/ onvolledig informeren

De verdediging verzoekt het hof om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging vanwege het onjuist en misleidend informeren over de EncroChat-data. Het openbaar ministerie wil zo voorkomen dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatigheid en zelfs de betrouwbaarheid van EncroChat-data zal (kunnen) toetsen. Dat misleiden gebeurt structureel en nu al jarenlang.

De verdediging meent dat het hof onder deze omstandigheden niet aan de conclusie ontkomt dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie, eentje van de buitencategorie voor de niet-ontvankelijkheid. Immers, sprake is van ‘misleiding van de rechter’ die gericht was op ‘een toetsing door de rechter van de methode in de onderhavige strafzaak te frustreren’.

De verdediging kan niet worden tegengeworpen dat de feitelijke grondslag van dit verweer onvoldoende aannemelijk is geworden als het niet mogelijk wordt gemaakt om daar nader onderzoek naar te doen.

De verdediging verzoekt voor zover voor het hof onvoldoende vaststaat dat het openbaar ministerie zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding van honderden rechters in Nederland, zoals hiervoor bedoeld:

- de volgende feitelijk betrokkenen bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam (hierna ook: JIT) als getuigen te horen:

o Nederlandse rechercheur (R225) en

o een Franse politiemedewerker ( [naam] );

- de volgende juridisch betrokkenen bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam als getuigen te horen:

o de Nederlandse officier van justitie (LAP0797) en

o de Franse procureur ( [naam] )

om hen te bevragen over de exacte rol van Nederland bij de interceptie van EncroChat-telecommunicatie (om de omvang van het onjuist informeren van de Nederlandse rechters na te kunnen gaan) en in het bijzonder de Nederlandse officier van justitie over de reden om rechters in Nederland onjuist te informeren en

- de feitelijke verstrekking van:

o de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Lemont’ en ‘Bismarck’,

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk en Nederland en/of in elk geval alle communicatie tussen Nederlandse (opsporings)autoriteiten en andere landen (met name Frankrijk) en internationale/ Europese instellingen (met name [bedrijf] en [bedrijf] ) in het kader van het opsporingsonderzoek naar het bedrijf EncroChat en de NN-gebruikers van die dienst;

o het dossier van het Operational Task Force ‘EMMA’;

om na te gaan wat de exacte rol van Nederland bij de interceptie van EncroChat-telecommunicatie (om de omvang van het onjuist informeren van de Nederlandse rechters na te kunnen gaan).

Het voorgaande geldt ook voor Sky ECC. Daar heeft een rechtbank inmiddels zelfs op enig moment het volgende uitgesproken:

De rol van Nederland bij de hack blijkt achteraf bezien veel groter te zijn geweest dan in de brief van 30 april 2021 door het openbaar ministerie werd gesteld. Het openbaar ministerie heeft in die brief ook ten onrechte gesteld dat sprake zou zijn van een Franse interceptietool. In die zin heeft het openbaar ministerie de rechtbank en de verdediging aanvankelijk onjuist geïnformeerd.

Daar komt vervolgens bij dat het ‘start-proces-verbaal’ uit het Franse Sky ECC-onderzoek beschikbaar is gekomen – het zogeheten ‘D2’ document. Daarin staat: Nederlandse autoriteiten “vroegen de hulp van Frankrijk bij het opzetten van een justitieel interceptiesysteem” met betrekking tot Sky ECC.

Gezien de reactie van het openbaar ministerie op dat document, lijkt het er veel op dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten de Franse informeren over de werking van Sky ECC en de technische mogelijkheden voor nader onderzoek, waarbij wordt genoemd dat Nederland al bezig is met het aanvragen van een EOB. Nederland trekt vervolgens het verzoek om een EOB bij de Nederlandse rechter-commissaris in op 27 mei 2019. Twee weken later, na het ontvangen van inhoudelijke Sky ECC-communicatie uit een Nederlands strafdossier, gaan de Franse autoriteiten op die basis over tot het aanvragen van de interceptie. Dit getuigt van een Nederlands initiatief. Om meer bewijs van misleiding door het openbaar ministerie te presenteren moet de verdediging wel stukken daartoe krijgen of getuigen te kunnen horen.

De verdediging verzoekt, voor zover voor het hof onvoldoende vaststaat dat het openbaar ministerie zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding van honderden rechters in Nederland, zoals hiervoor bedoeld:

- het horen van de volgende getuigen:

o twee Nederlandse rechercheurs van het Team High Tech Crime (T-1041 en R-824) (JIT)

o een Franse politiemedewerker ( [naam] ) (JIT)

o een Belgische speurder ( [naam] ) (JIT)

o een medewerker van [bedrijf] (onder nummer 351348)

o een medewerker van [bedrijf] ( [naam] )

o de Nederlandse officier van justitie ( [naam] )

o de Franse onderzoeksrechter ( [naam] )

o de Belgische federaal magistraat ( [naam] );

- de verstrekking van de volgende dossiers:

o de Nederlandse onderzoeksdossiers ‘Werl’, ‘Yucca’ en ‘Argus’

o het dossier van het gemeenschappelijk onderzoeksteam van Frankrijk, België en Nederland en alle communicatie tussen de Nederlandse (opsporings)autoriteiten ander landen en internationale/ Europese instellingen in het kader van het opsporingsonderzoek naar bedrijf Sky ECC en de NN-gebruikers van die dienst

o het dossier van het Operational Task Force 'LIMIT'.

Oordeel van het hof

Algemene vooropstellingen

De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, prejudiciële vragen beantwoord die verband hielden met – kort gezegd – het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. De Hoge Raad heeft daarover onder meer het volgende overwogen (met weglating van de in die beslissing opgenomen voetnoten):

“6.5.2

Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.

(…)

6.5.4

Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.

6.6

Het vorenstaande heeft betrekking op (de beoordeling van) de rechtmatigheid van het onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd. Waar het gaat om de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten die voor het bewijs worden gebruikt, geldt dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Er kan grond voor bewijsuitsluiting bestaan als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Hierbij maakt het in beginsel geen verschil of die onderzoeksresultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten dan wel in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Dat doet echter niet eraan af dat de rechter in de strafzaak tot uitgangspunt mag nemen dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn. Als er echter – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen voor het tegendeel bestaan, is de rechter gehouden de betrouwbaarheid van die resultaten te onderzoeken.

(ii) Het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (6.7-6.11)

(...)

6.10

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612 overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend, leidend is, en dat – kort gezegd – het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat dat niet anders maakt. Bij het verlenen van dergelijke bijstand is immers geen sprake van het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied of van het in Nederland vergaren van stukken, voorwerpen of gegevens.

6.11

Uit het vorenstaande volgt ook dat het optreden van het gemeenschappelijk onderzoeksteam telkens wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het team actief is, waarbij de leider van het gemeenschappelijk onderzoeksteam optreedt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid krachtens het nationale recht van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is. Verder volgt daaruit dat, voor zover ten behoeve van het gemeenschappelijk onderzoeksteam onderzoekshandelingen in een andere lidstaat plaatsvinden, deze handelingen op verzoek kunnen worden verricht met inachtneming van het recht van die andere lidstaat. Dit stelsel komt er dus op neer dat onderzoekshandelingen telkens worden verricht onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaat waar de onderzoekshandelingen plaatsvinden. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de resultaten die zijn verkregen met het onderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt eveneens het stelsel zoals hiervoor onder 6.5 en 6.6 is besproken. De regeling van het optreden van gemeenschappelijke onderzoeksteams zoals opgenomen in artikel 13 EU-Rechtshulpovereenkomst geeft geen aanleiding om tot een ander stelsel te komen.

(...)

B. Opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten (6.17-6.19)

6.17

Kenmerkend voor de hiervoor besproken vormen van internationale en Europese samenwerking tussen (lid)staten is dat de onderzoekshandelingen telkens onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten – van de staat die de klassieke rechtshulp verleent, van de lidstaat waar het gemeenschappelijk onderzoeksteam actief is, (…) – worden uitgevoerd. Dit neemt niet weg dat de situatie zich kan voordoen dat buiten Nederland onderzoekshandelingen worden verricht onder verantwoordelijkheid van Nederlandse autoriteiten. Op grond van artikel 539a lid 1 Sv kunnen Nederlandse opsporingsambtenaren de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden ook in het buitenland uitoefenen. Of in een concreet geval van die mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, wordt mede bepaald door het toepasselijke verdragsrecht en Unierecht (vgl. artikel 539a lid 3 Sv).

6.18

In de situatie dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de Nederlandse autoriteiten ligt, vindt artikel 359a Sv toepassing op vormverzuimen die zich eventueel in verband met die uitvoering voordoen met betrekking tot de toepassing van de hun op grond van het Nederlandse recht toekomende bevoegdheden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de Nederlandse autoriteiten (i) als onder gezag van de (Nederlandse) officier van justitie in het buitenland overeenkomstig artikel 539a Sv door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden, of (ii) als een zodanig nauwe samenwerking bestaat tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de (Nederlandse) officier van justitie. De onder (i) bedoelde situatie doet zich niet voor in het geval dat een Nederlandse opsporingsambtenaar slechts betrokken is bij de uitvoering van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland die in overeenstemming met het recht van dat land en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten wordt uitgeoefend. Van de onder (ii) bedoelde situatie is geen sprake op grond van de enkele omstandigheid dat Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig mogen zijn bij de uitvoering van een onderzoekshandeling door een buitenlandse autoriteit, of door Nederlandse opsporingsambtenaren technische assistentie wordt verleend aan een buitenlandse autoriteit.”

6.19

Hierbij is nog van belang dat een eventuele inbreuk op de soevereiniteit van de staat binnen de grenzen waarvan is opgetreden, geen belang van de verdachte betreft maar alleen van de staat op het grondgebied waarvan is opgetreden. De vraag of door de Nederlandse opsporingsambtenaren bij het verrichten van opsporingshandelingen in het buitenland het toepasselijke verdragsrecht en Unierecht is nageleefd, is in het kader van de strafzaak tegen de verdachte in zoverre niet relevant.

C. Machtiging van de rechter-commissaris vereist? (6.20-6.24)

6.20

(..) De Hoge Raad merkt het volgende op over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen het openbaar ministerie gehouden is een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen.

6.21.1

Als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, hoeft alleen dan te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Nederlandse strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. Dat wil zeggen: op verzoek van Nederland – al dan niet in verband met het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam – dan wel op grond van een door Nederland uitgevaardigd EOB. Als dan voor de betreffende bevoegdheid naar Nederlands strafprocesrecht geldt dat een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, moet deze machtiging worden verkregen voordat aan de buitenlandse autoriteit wordt verzocht tot de toepassing van een opsporingsbevoegdheid over te gaan, dan wel met het oog op de uitvoering van een onderzoeksmaatregel een EOB wordt uitgevaardigd.

6.21.2

Het staat de rechter-commissaris vrij, wanneer hij in het hier besproken verband een machtiging verleent voor de uitoefening van een bevoegdheid, om aan het gebruik van die machtiging voorwaarden te verbinden. In relatie tot zowel de klassieke rechtshulp als de uitvaardiging van een EOB geldt echter wel dat de uitvoering van het rechtshulpverzoek of de tenuitvoerlegging van het EOB plaatsvindt overeenkomstig het recht van het land of de lidstaat waaraan het verzoek is gericht dan wel waaraan het EOB is uitgevaardigd, en dat de autoriteiten van dat land of die lidstaat niet rechtstreeks zijn gebonden aan die door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden. Dat neemt niet weg dat bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek of de tenuitvoerlegging van het EOB de aangegeven vormvoorschriften en procedure zoveel mogelijk in acht zullen worden genomen.

6.22

Het onder 6.21.1 genoemde vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris geldt niet in het geval dat het betreffende onderzoek plaatsvindt of al heeft plaatsgevonden op initiatief van de buitenlandse autoriteiten, waarna die autoriteiten – al dan niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten of nadat de Nederlandse autoriteiten daartoe een EOB hebben uitgevaardigd – de resultaten van het onderzoek ter beschikking stellen. De wet stelt immers niet als vereiste dat voor alleen maar het gebruik in een strafzaak in Nederland van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.

6.23.1

Van belang is hier nog wel dat in relatie tot de internationale samenwerking in strafzaken bijzondere regelingen zijn getroffen met betrekking tot het aftappen van telecommunicatie. Daarbij zijn in het bijzonder artikel 20 EU-Rechtshulpovereenkomst en artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU van belang. In deze regelingen worden onder meer voorschriften gegeven voor het geval waarin in het ene land wordt overgegaan tot het aftappen van telecommunicatie, terwijl het telecommunicatieadres van de af te tappen of afgetapte persoon in gebruik is op het grondgebied van een ander land. In zo’n geval ontstaan verplichtingen voor het ene land om het andere land bepaalde gegevens te verstrekken, terwijl het andere land het voortzetten van het aftappen kan toestaan dan wel kan doen beëindigen.

6.23.2

In dit kader wordt in artikel 5.1.13 Sv een regeling gegeven voor het geval dat op basis van een verdrag een kennisgeving wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten van een andere staat over het voornemen tot het aftappen of het opnemen van telecommunicatie van een gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt. Deze regeling houdt, kort gezegd, in dat dan door de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris wordt gevorderd tot het verlenen van instemming met het hiervoor genoemde voornemen. Als deze machtiging wordt verleend, wordt de instemming overgebracht aan de bevoegde autoriteiten van die andere staat, onder het stellen van de in artikel 5.1.13 lid 4 Sv genoemde voorwaarden. Als de machtiging niet wordt verleend, deelt de officier van justitie aan die bevoegde autoriteiten mee dat niet wordt ingestemd met het voornemen en eist hij, voor zover nodig, dat het aftappen onmiddellijk wordt gestopt. Artikel 5.4.18 Sv bevat een vergelijkbare regeling voor het geval dat door de autoriteiten van een andere lidstaat door middel van het formulier in bijlage C bij Richtlijn 2014/41/EU een kennisgeving van het opnemen van telecommunicatie wordt gedaan.

6.23.3

Aangenomen moet worden dat deze regelingen alleen van toepassing zijn als het aftappen of opnemen van telecommunicatie door de buitenlandse autoriteiten niet plaatsvindt op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. Immers, als het wel gaat om het aftappen of opnemen van telecommunicatie op initiatief van de Nederlandse autoriteiten, zal daaraan al – in het licht van wat onder 6.21.1 is besproken en gelet op artikel 126m lid 5 en 126t lid 5 Sv – een machtiging van de rechter-commissaris ten grondslag liggen.

6.23.4

Van belang is verder nog dat de onder 6.23.1 en 6.23.2 beschreven regelingen niet zijn geschreven ter bescherming van specifieke belangen van de af te tappen of afgetapte persoon, maar verband houden met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden, ook al hebben de activiteiten hun uitwerking mede in andere landen. Daarnaast is van belang dat deze regelingen zich beperken tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie, zoals dat in Nederland is geregeld in (onder meer) artikel 126m en 126t Sv.

6.24.1

Buiten de onder 6.21 en 6.23 besproken gevallen staat het het openbaar ministerie vrij om (onverplicht) een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. Het stelsel van het Wetboek van Strafvordering verzet zich er niet tegen dat de officier van justitie een machtiging vordert voor het geven van een bevel tot het binnendringen van en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk en/of het opnemen van (tele)communicatie en dat de rechter-commissaris die machtiging verleent, ook al wordt de machtiging niet gevorderd met het oog op het verkrijgen van gegevens door de Nederlandse autoriteiten. Van de ruimte die het wettelijk stelsel hier biedt, kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt als zich technologische ontwikkelingen voordoen die, ook in grensoverschrijdend verband, voor de opsporing relevant zijn, terwijl de bestaande (wettelijke) regelingen – en daarmee de normering van de betreffende vormen van opsporing – nog slechts in beperkte mate op die ontwikkelingen zijn toegesneden.

6.24.2

In de sfeer van grootschalige verzameling van met (crypto)communicatie verband houdende data kan de aanleiding voor het vorderen van zo’n machtiging erin zijn gelegen dat (i) door buitenlandse autoriteiten op eigen initiatief al is of zal worden overgegaan tot het onder hun verantwoordelijkheid toepassen van vergelijkbare bevoegdheden, (ii) terwijl daarmee grote hoeveelheden gegevens zijn of zullen worden verkregen die enerzijds van grote waarde kunnen zijn voor niet alleen het onderzoek waarin de machtiging wordt gevorderd maar ook met het oog op andere (toekomstige) opsporingsonderzoeken en anderzijds gegevens (kunnen) omvatten die betrekking hebben op personen die op het moment van de verkrijging daarvan (nog) niet concreet als verdachte in beeld zijn bij de opsporingsautoriteiten, en (iii) waarbij is overeengekomen dat de aldus verkregen gegevens op die ruime schaal zullen worden gedeeld met de Nederlandse autoriteiten met het oog op de verwerking van die gegevens ten behoeve van het lopende onderzoek en eventuele andere onderzoeken. Een aanleiding kan er ook (mede) in zijn gelegen dat het Nederlandse openbaar ministerie ermee bekend is dat door de buitenlandse autoriteiten op eigen initiatief zal worden overgegaan tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie en dat daarbij de reële mogelijkheid bestaat dat het telecommunicatieadres van de af te tappen of afgetapte persoon in gebruik is in Nederland. Ook dat kan reden zijn – in het licht van de onder 6.23 besproken regelingen – om op voorhand een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen.

6.24.3

Het (onverplicht) vorderen en verlenen van een machtiging kan er onder meer aan bijdragen dat, in de vorm van aan de machtiging te verbinden voorwaarden, door de rechter-commissaris kaders worden vastgesteld voor het gebruik van de gegevens die door de buitenlandse autoriteiten zijn of worden verzameld, vanaf het moment dat de Nederlandse autoriteiten daarover de beschikking krijgen. Aan de machtiging van de rechter-commissaris kunnen voorwaarden worden verbonden die de mogelijkheid van de toetsing van de authenticiteit en de betrouwbaarheid moeten waarborgen, en/of die verband houden met de wijze van selectie van gegevens voordat deze in een specifiek opsporingsonderzoek worden gebruikt, mede met het oog op de bescherming van belangen van derden – waaronder in het bijzonder ook personen tegen wie (nog) niet een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit bestaat – en de aan het verschoningsrecht verbonden belangen.

6.24.4

Opmerking verdient nog het volgende. Uit de rechtspraak van het EHRM die in de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 23/00010 onder 5.7.2-5.7.11 is besproken, volgt niet dat op het openbaar ministerie in onder 6.24.2 bedoelde gevallen zonder meer de verplichting rust om een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. Die rechtspraak ziet immers niet op de interceptie van gegevens in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders van diensten waarmee berichten versleuteld kunnen worden verzonden, en naar de gebruikers van die diensten, in verband met de in relatie tot het aanbieden en het gebruik gerezen verdenkingen. Dat neemt echter niet weg dat het vorderen en verleend zijn van zo’n machtiging wel een waarborg kan vormen voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

D. Gebruik van informatie in andere onderzoeken (6.25)

6.25

Nadat gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen, ter beschikking zijn gesteld aan de Nederlandse autoriteiten, kunnen deze gegevens in ieder geval worden gebruikt voor het onderzoek waarin – met het oog op de verkrijging van die gegevens – het rechtshulpverzoek is gedaan of een EOB is uitgevaardigd, of die ten behoeve van dat onderzoek spontaan zijn overgedragen. Ook kunnen gegevens die zijn verkregen door een (gedetacheerd) lid van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, worden gebruikt voor het doel waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld. De mogelijkheid om die gegevens te bewaren en/of te gebruiken voor andere strafvorderlijke onderzoeken, kan zijn beperkt op grond van wat over dat gebruik is geregeld in de betreffende rechtsinstrumenten, bijvoorbeeld doordat het verdere gebruik is verbonden aan de voorwaarde van het verkrijgen van toestemming, dan wel de Nederlandse wetgeving, waaronder de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daarnaast geldt dat artikel 126dd Sv overeenkomstige toepassing vindt als het gaat om gegevens die zijn verkregen door middel van toepassing van in het buitenland uitgeoefende bevoegdheden die overeenkomen met de bevoegdheden die worden genoemd in die bepaling. Tot slot is het openbaar ministerie, in het geval dat een machtiging door de rechter-commissaris is verleend waaraan voorwaarden met betrekking tot het gebruik van gegevens zijn opgenomen (zie onder 6.24), gebonden aan de betreffende voorwaarden.”

De overwegingen van de Hoge Raad zijn het uitgangspunt voor het hof bij de beoordeling van de verweren van de verdediging met betrekking tot EncroChatdata en Sky-ECC data.

Vaststelling van de feiten ten aanzien van de EncroChat-data en Sky-ECC data

6.2.2.1 EncroChat-data

Op 17 maart 2022 heeft verbalisant NN991043 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin wordt gerelateerd hoe specifieke EncroChat-data in het onderhavige dossier terecht zijn gekomen. Daarin staat onder meer het volgende beschreven.

Onderzoek Lemont

In een strafrechtelijk onderzoek genaamd 26Lemont is op basis van een JIT-overeenkomst met Frankrijk onderzoek gedaan naar de mogelijke strafbare feiten gepleegd door de organisatie van het bedrijf Encrochat, te weten onder andere witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan diverse door anderen gepleegde strafbare feiten, zoals handel in verdovende middelen, geweldsmisdrijven en vermogensmisdrijven.

In het kader van dit JIT-onderzoek is door Frankrijk (data)informatie verstrekt aan het onderzoek genaamd 26Lemont. Deze informatie ziet onder meer op de verkrijging van chatverkeer van gebruikers die gebruik maakten van cryptotoestellen van Encrochat. Deze informatie is verkregen door de inzet van opsporingsbevoegdheden in Frankrijk middels daartoe verkregen Franse (rechterlijke) machtigingen.

Alvorens die informatie nader te analyseren heeft het openbaar ministerie in Nederland zekerheidshalve ook in Nederland een extra rechterlijke toetsing gezocht betreffende de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die gemaakt zou kunnen worden op gebruikers die zich in Nederland bevonden. Op basis van een door de officier van justitie gedane vordering heeft de rechter­commissaris te Rotterdam op 27 maart 2020 een machtiging afgegeven ex artikel 126uba Sv, in combinatie met een bevel tot opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv. Deze machtiging is tussentijds getoetst en verlengd. Op basis van de verkregen machtiging heeft de officier van justitie een bevel afgegeven de verkregen informatie te analyseren binnen de door de rechter­commissaris gestelde voorwaarden.

Eén van de gestelde voorwaarden van de rechter-commissaris is dat de ontsleutelde informatie slechts kan worden gebruikt ter opsporing, indien daartoe een voorafgaande toetsing bij de rechter­commissaris heeft plaatsgevonden. Op voorhand is door de rechter-commissaris toestemming verleend om met gebruik van een lijst met zoekwoorden onderzoek te doen aan de binnen het onderzoek 26Lemont beschikbare gestelde informatie. Dit onderzoek richt zich op ernstige strafbare feiten welke (naar hun aard) worden gepleegd in georganiseerd verband. De informatie die naar aanleiding van deze zoekwoorden naar voren komt, dient voorafgaand aan de verstrekking van die informatie aan een ander opsporingsonderzoek, ter toetsing te worden voorgelegd aan de rechter­commissaris.

Tevens is voorafgaand aan de inzet van het interceptiemiddel een lijst van onderzoeken aan de rechter-commissaris overgelegd. Deze concrete onderzoeken betreffen lopende onderzoeken naar in georganiseerd verband gepleegde (en nog te plegen) strafbare feiten, waarbij reeds voorafgaand aan de inzet van het interceptiemiddel is vastgesteld dat door die georganiseerde verbanden gebruik werd gemaakt van cryptotoestellen van Encrochat. In de beschikking van 27 maart 2020 van de rechter-commissaris is expliciet machtiging verleend om de relevante door Frankrijk verstrekte informatie aan die onderzoeken te mogen (door)verstrekken.

In dit proces-verbaal is de aanleiding gerelateerd die ertoe heeft geleid dat de rechter-commissaris van het onderzoek 26Lemont toestemming heeft gegeven om de verkregen informatie te mogen verstrekken aan het onderhavige opsporingsonderzoek Mergel. Tevens is de informatie die aan de rechter­commissaris is voorgelegd gerelateerd, alsmede de datum waarop de rechter-commissaris toestemming heeft verleend om de concrete verkregen informatie te delen met voornoemd opsporingsonderzoek.

Aanleiding onderzoek chatberichten

Onderzoek Mergel

Op 2 september 2021 werd onder leiding van de officier van justitie opsporingsonderzoek NN1R021094-Mergel gestart. Uit Meld Misdaad Anoniem-meldingen (hierna MMA-meldingen) en via het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) kwam informatie naar voren inhoudende dat de eigenaar van [bedrijf] in [plaats] , [medeverdachte 1] , geboren in Albanië, zich bezighoudt met internationale handel in hennep. De verdenking bestaat dat er door een groep Albanezen die de [bedrijf] in [plaats] runt verschillende hennepkwekerijen worden geëxploiteerd, vermoedelijk in Duitsland. [bedrijf] , waarvan [medeverdachte 1] de eigenaar is, lijkt binnen deze organisatie een centrale faciliterende rol te spelen.

Tegen [medeverdachte 1] bestaat tevens een verdenking van gewoontewitwassen vanwege de informatie over vele contante geldstortingen die hij de afgelopen tien jaar geeft gedaan en de onverklaarbare geldstroom (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht).

Bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op maandag 7 februari 2022 werd een contant geldbedrag van ruim €100.000 aangetroffen en in beslaggenomen. Gelijktijdig werd in Duitsland op 7 februari 2022 een tweetal in werking zijnde hennepkwekerijen in [plaats] en [plaats] ontmanteld.

Eerdere toestemming EncroChat

Op 21 december 2021 is reeds door de rechter-commissaris toestemming gegeven om de verkregen informatie van onderstaande Encrochat-gebruiker te mogen verstrekken aan het onderzoek Mergel. De toestemming voorziet op het zogeheten A-Subject: [e-mail] (hierna: [subject] ).

De politie ziet voldoende aanwijzingen om [medeverdachte 1] als gebruiker van dit account aan te merken. Uit de informatie van [subject] bleek ook dat er werd gecommuniceerd over een ontmantelde hennepkwekerij in [plaats] , welke op 16 april 2020 werd ontmanteld.

Op 31 januari 2022 is door de rechter-commissaris tevens toestemming gegeven om de verkregen informatie van onderstaande Encrochat-gebruiker te mogen verstrekken aan onderzoek Mergel. De toestemming voorziet op het zogeheten A-subject: [e-mail] (hierna: [subject] ). De politie ziet voldoende aanwijzingen om [medeverdachte 2] als gebruiker van dit account aan te merken.

Meerdere verdachten

Uit het tactisch onderzoek ontstond de verdenking dat diverse andere personen betrokken waren bij het opzetten van kwekerijen in Duitsland, waaronder verdachte [verdachte] en [medeverdachte 3] . Meermaals blijkt uit de data van plaatsbepalingsapparatuur, dat [medeverdachte 1] bij het bedrijfspand van verdachte [verdachte] in [plaats] komt. Ook is verdachte [verdachte] meerdere malen gezien bij het bedrijfspand van [medeverdachte 1] in [plaats] . [medeverdachte 3] is ook bij het bedrijfspand van [medeverdachte 1] gezien en is een veelvuldig contact van verdachte [verdachte] .

Bevindingen chats

Op basis van de verkregen data, is nader onderzoek gedaan naar de context waarin de chatberichten zijn gestuurd, het georganiseerde verband en de daarin opererende personen die gerelateerd kunnen worden aan de geconstateerde strafbare feiten en betrokken personen. Uit dit onderzoek bleek er sprake te zijn van samenwerking tussen de gebruikers van de accounts [e-mail] (hierna: [subject] ) en [e-mail] (hierna: [subject] ) en de gebruikers van de accounts [subject] en [subject] .

[subject] heeft tussen 4 april 2020 en 5 juni 2020 veelvuldig contact met [subject] . Er worden ruim 230 chats uitgewisseld. In deze chats wordt veelvuldig gesproken over het onderhouden van kwekerijen, waarbij [subject] samenwerkt met [subject] .

Tussen 7 april 2020 en 28 april 2020 heeft [subject] enkele malen contact met

[subject] . Er werden 15 chats uitgewisseld. In deze chats wordt gesproken over de aanwezigheid van gruis om vermoedelijk hennepolie en/of hash van te maken. [subject] lijkt hierin samen te werken met [subject] .Ook heeft [subject] contact met [subject] over onder meer 'die stekken'.

Georganiseerd verband

Naar aanleiding van genoemde feiten en omstandigheden bestaat er een redelijk vermoeden dat de gebruikers met gebruikersnamen [subject] en [subject] zich in georganiseerd verband bezighielden c.q nog bezighouden met houden met het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel van lijst II van de Opiumwet (artikel 3 onder a ivm art 11 lid 4 Opiumwet en art 11b Opiumwet), alsmede gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht).

Toestemming RC

Om een goed beeld te krijgen van het samenwerkingsverband en de daarin opererende personen is aan de rechter-commissaris verzocht om te toetsen of aan de voorwaarden van de initiële machtiging is voldaan en ermee in te stemmen dat de verkregen informatie naar de geconstateerde strafbare feiten en de daaraan gerelateerde Encrochatgebruikers/personen te verstrekken aan onderzoek Mergel ten behoeve van het onderzoek naar deze feiten en de betrokken gebruikers/personen. Door de rechter-commissaris is deze toestemming op 14 maart 2022 verleend

om relevante data te mogen verstrekken van de accounts [e-mail] en [e-mail] aan het onderzoek Mergel.

Verstrekking communicatie

Na goedkeuring van de officier van justitie LAP 0797 van het onderzoek 26Lemont is dit proces­verbaal op 17 maart 2022 ter beschikking gesteld aan het onderzoek Mergel.

6.2.2.2 Sky ECC-data

Op 23 augustus 2022 heeft verbalisant NN991043 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin wordt gerelateerd hoe specifieke Sky ECC-data in het onderhavige dossier terecht zijn gekomen. Daarin staat onder meer het volgende beschreven.

Onderzoek Argus

In een strafrechtelijk onderzoek, genaamd WERL, naar de aanbieder van Sky ECC, is informatie beschikbaar uit een JIT-onderzoek met België en Frankrijk, dat zich richtte - en nog steeds richt - op mogelijke strafbare feiten gepleegd door de organisatie van het bedrijf Sky ECC, te weten onder andere witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan diverse door anderen (gebruikers van haar encryptiesoftware) gepleegde strafbare feiten, zoals handel in

verdovende middelen geweldsmisdrijven en vermogensmisdrijven.

In het kader van dit onderzoek is, vanuit WERL, informatie gedeeld met het Titel V onderzoek ARGUS. Het onderzoek Argus richt zich op de criminele samenwerkingsverbanden van de NN-gebruikers van Sky ECC en heeft onder meer tot doel om aan de hand van de inhoudelijke data de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van Sky ECC in beeld te brengen en te analyseren.

In het onderzoek Argus is door de rechter-commissaris, op 15 december 2020, bepaald dat de in dat onderzoek beschikbare ontsleutelde informatie slechts kan worden gebruikt ter opsporing indien daartoe een aanvullende toestemming is verleend. Op voorhand is door de rechter-commissaris toestemming verleend om voor een gelimiteerd aantal categorieën misdrijven en met gebruik van een

lijst met zoekwoorden onderzoek te doen aan de binnen het onderzoek Argus beschikbare ontsleutelde informatie. De chatgesprekken die naar aanleiding van deze zoekslag uit de ontsleutelde informatie naar voren komen mogen, na voornoemde aanvullende toestemming van de rechter-commissaris, ter opsporing nader worden onderzocht.

In dit proces-verbaal is gerelateerd wat de aanleiding vormde voor de door de rechter-commissaris van het onderzoek Argus gegeven aanvullende toestemming om onderzoek te mogen doen naar de communicatie van de in dit proces-verbaal, in de tabel onder punt 5, genoemde SKY-ID's.

Aanleiding onderzoek chats

Op 2 september 2021 werd onder leiding van de officier van justitie opsporingsonderzoek NN1R021094-Mergel gestart. Uit Meld Misdaad Anoniem-meldingen (hierna MMA-meldingen) en informatie van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) kwam naar voren dat de eigenaar van [bedrijf] in [plaats] , [medeverdachte 1] , geboren in Albanië, zich bezighoudt met internationale handel in hennep.

Op basis van bevindingen uit het onderzoek Mergel ontstaat het redelijk vermoeden dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich in georganiseerd verband bezig houden met het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel van lijst II van de Opiumwet (artikel 3 onder a in verband met art 11 lid 4 Opiumwet en art 11b Opiumwet), alsmede gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht).

Bevindingen chats

Genoemde [medeverdachte 3] komt ook voor als verdachte in het onderzoek FREEDO. Op 18 mei 2021 is in het onderzoek FREEDO een telefoon in beslag genomen. Deze mobiele telefoon is aangetroffen in het kantoorgedeelte van de handelsonderneming waarvan [medeverdachte 3] één van de twee bestuurders is. Op de inbeslaggenomen telefoon is een afbeelding aangetroffen met hierop namen van Sky-accounts, waarvan drie accounts betrekking lijken te hebben op verdachten in het onderzoek Mergel. Dit betreffen de accounts [account] , [account] en [account] .

Uit nader onderzoek zijn er aanwijzingen dat deze drie accounts gerelateerd kunnen worden aan achtereenvolgens [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Er blijkt sprake van onderlinge samenwerking tussen deze gebruikers.

Georganiseerd verband

Naar aanleiding van gerelateerde feiten en omstandigheden bestaat er een redelijk vermoeden dat de gebruikers van voornoemde Sky-ID’s zich in georganiseerd verband bezig houden met het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel van lijst II van de Opiumwet (artikel 3 onder a in verband met artikel 11 lid 4 Opiumwet en artikel 11b Opiumwet), alsmede gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht).

Aanvullende toestemming RC

Om een goed beeld te krijgen van het samenwerkingsverband en de daarin opererende personen is aan de rechter-commissaris, aanvullende toestemming verzocht om onderzoek te mogen doen naar de via SkyECC gevoerde communicatie van de SKY-ID's [account] , [account] en [account] . Door de rechter-commissaris is deze aanvullende toestemming op 21 juli 2022 verleend.

Verstrekking communicatie

Na toestemming van de officier van justitie van het onderzoek Argus is dit proces-verbaal op 23 augustus 2022 ter beschikking gesteld aan onderzoek Mergel.

In het proces-verbaal van bevindingen identificatie Sky [account] relateert [verbalisant] dat uit de analyse van de data van de Sky-accounts [account] , [account] en [account] is gebleken dat zij allen contact hadden met Sky account [account] . De informatie over de Sky-data van [account] komt geheel uit de data van de Sky-accounts [account] , [account] en [account] .

6.2.2.3 Mogelijkheid verdediging tot kennisneming van de EncroChat-data en Sky ECC-data

In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 23 november 2022 staat dat het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de verdediging de beschikking zal krijgen over de volledige dataset van het (aan verdachte [verdachte] gerelateerde) EncroChat-account [e-mail] en dat de verdediging inzage zal krijgen in de chatgesprekken van de Sky ECC-accounts die contact hebben gehad met het (aan verdachte [verdachte] gerelateerde) Sky ECC-account [account] .

Ter zitting van het hof op 16 februari 2026 heeft de raadsman aangegeven dat hij bij de vorige advocaten van de verdachte heeft nagevraagd of zij de beschikking hadden gekregen over de datasets zoals toegezegd door het openbaar ministerie. Zij hebben aan hem doorgegeven dat zij deze datasets zouden ontvangen en toen dit lang op zich liet wachten hebben gezegd: "laat maar".

Beoordeling en conclusies

6.2.3.1 Het vertrouwensbeginsel

Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven feiten vast dat de EncroChat-data en de Sky ECC-data zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.

Blijkens bestendige jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2023:913 en ECLI:NL:HR:2024:192) behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop een onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Nederland mag erop vertrouwen dat het onderzoek van de Franse autoriteiten strookt met de rechtsregels die in Frankrijk gelden voor dat onderzoek. De taak van de Nederlandse strafrechter is ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit Franse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Door de verdediging is aangevoerd dat dit vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat het ging om een Nederlands onderzoek, dat is uitgevoerd door Nederlandse autoriteiten.

Uit het hiervoor weergegeven arrest van de Hoge Raad volgt dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering alleen bij de Nederlandse autoriteiten ligt wanneer (i) onder gezag van de (Nederlandse) officier van justitie in het buitenland overeenkomstig artikel 539a Sv door Nederlandse opsporingsambtenaren toepassing wordt gegeven aan de hun bij de Nederlandse wet toegekende opsporingsbevoegdheden, of (ii) als een zodanige nauwe samenwerking bestaat tussen Nederlandse en buitenlandse autoriteiten bij de opsporing dat het gezag daarover feitelijk volledig of in overwegende mate toekomt aan de (Nederlandse) officier van justitie.

Door de verdediging zijn veel stukken overgelegd, maar geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Die stukken bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Dat Nederland een grotere rol heeft gehad blijkt verder ook niet uit het dossier.

6.2.3.2 Artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU en artikel 20 EU-Rechtshulpovereenkomst

Door de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland – de rechter-commissaris – dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack, voor zover daarmee ook EncroChat-telefoons die zich op Nederlands grondgebied bevinden zouden worden geïntercepteerd.

In artikel 30 en 31 Richtlijn 2014/41/EU staan regels geformuleerd voor EOB’s voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie middels een formulier die als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.

Het hof is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014/41/EU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een JIT (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014/41/EU vallen.

Artikel 3 Richtlijn 2014/41/EU bepaalt dat het EOB alle onderzoeksmaatregelen bevat met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam. Dit is slechts anders indien het gemeenschappelijk onderzoeksteam rechtshulp nodig heeft van een andere lidstaat dan de lidstaten die het team hebben ingesteld. Gemeenschappelijke onderzoeksteams zijn expliciet buiten de reikwijdte van de Richtlijn 2014/41/EU gebracht.

Het uitgangspunt dat een EOB alle onderzoeksmaatregelen bevat met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam is in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering vertaald naar artikel 5.4.1 lid 3 Sv. Dat artikel luidt dat een EOB niet kan worden gebruikt voor de instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld artikel 5.2.1 Sv.

Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat Frankrijk de EncroChat-gegevens buiten het JIT om met Nederland zou hebben gedeeld.

Een notificatie van de Franse autoriteiten over de hack aan de Nederlandse rechter-commissaris is dus niet vereist. Daarmee verwerpt het hof dit verweer van de raadsman.

6.2.3.3 Het gebruik van de EncroChat-data en de Sky ECC-data

Het openbaar ministerie heeft met betrekking tot de EncroChat-accounts, waarvan de data later is gebruikt in het onderzoek Mergel, toestemming van de rechter-commissaris gevraagd en gekregen om de betreffende informatie te mogen verstrekken aan het onderzoek Mergel.

Met betrekking tot Sky ECC-accounts, waarvan de data later is gebruikt in het onderzoek Mergel, heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven om onderzoek te mogen doen naar de communicatie van deze accounts.

Deze toestemmingen zijn verkregen, zoals gerelateerd door de politie, op basis van een verdenking van het zich in georganiseerd verband bezig houden met het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en gewoontewitwassen.

Het verweer van de raadsman dat de toen bestaande verdenking niet aan de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarde voldeed om deze data aan het onderzoek Mergel te verstrekken, is naar het oordeel van het hof niet juist. De rechter-commissaris had op 27 maart 2020 als zevende voorwaarde voor het delen van de EncroChat-data gesteld:

"De vergaarde informatie/communicatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk, een en ander voor zover die onderzoeken niet behoren tot die welke op de reeds voor aanvang van de inzet van het middel aan de rechter-commissaris overgelegde lijst zijn vermeld.”

Het hof acht het in georganiseerd verband binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep in combinatie met gewoontewitwassen wel strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken.

Ook ten aanzien van het onderzoek naar de Sky ECC-accounts was de verdenking voldoende ernstig om daarvoor toestemming te krijgen van de rechter-commissaris.

Het verweer van de verdediging betreffende een onvoldoende ernstige verdenking om tot verstrekking/onderzoek van de data van de betreffende EncroChat-accounts en Sky ECC-accounts over te gaan, wordt hiermee door het hof verworpen.

6.2.3.4 Artikelen 6 en 8 EVRM

Gelet op het vertrouwensbeginsel moet het hof er van uitgaan dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden. De taak van het hof in de onderhavige zaak is ertoe beperkt de ‘overall fairness’ van de strafzaak te waarborgen. De wijze waarop van de resultaten van het Franse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, mag geen inbreuk maken op het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, het verhandelde ter terechtzitting en het dossier geen aanwijzingen dat er een inbreuk gemaakt is op het recht op een eerlijk proces.

6.2.3.5 Betrouwbaarheid

Gelet op het vertrouwensbeginsel is het uitgangspunt dat onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn.

Het hof is van oordeel dat er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor de mogelijkheid dat aan de door het openbaar ministerie verstrekte stukken in het onderzoek Mergel zodanige gebreken kleven dat het hof daardoor niet in staat is de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv goed te beantwoorden.

Het door de verdediging aangevoerde geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de algehele betrouwbaarheid van de EncroChat-data en Sky ECC-data in deze zaak. Concrete aanwijzingen dat de in het procesdossier van het onderzoek Mergel opgenomen EncroChat-berichten en Sky ECC-berichten onjuist en onbetrouwbaar zouden zijn en dat de door de politie in deze zaak gebruikte datasets onjuist, onvolledig en onbetrouwbaar zouden zijn, zijn het hof niet gebleken.

Het hof overweegt daarbij dat de EncroChat-berichten en Sky ECC-berichten niet het enige bewijs zijn in de onderhavige zaak, maar dat deze berichten steun vinden in ander bewijsmateriaal. Een belangrijk aspect bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal door de strafrechter is immers ook de mate waarin het bewijsmateriaal verankering vindt in ander, ook objectief, bewijsmateriaal.

6.2.3.6. Equality of arms

Naar het oordeel van het hof kan ook het beginsel van 'equality of arms' niet meebrengen dat voor de verdediging een recht op kennisname van stukken over het Franse opsporingsonderzoek zou bestaan, omdat de Nederlandse strafrechter dan alsnog via de omweg van artikel 6 EVRM de rechtmatigheid van het Franse strafrechtelijke optreden zou (kunnen/moeten) toetsen. Dit is naar het oordeel van het hof in strijd met de bedoeling van het vertrouwensbeginsel. Voor zover de verdediging het ontbreken van de verzochte stukken dus op zichzelf als een schending van artikel 6 EVRM heeft willen aanmerken, stuit dat af op het voorgaande.

Verder merkt het hof op dat in het beginsel van 'equality of arms' geen recht op volledige transparantie besloten ligt. Uit het beginsel van 'equality of arms' vloeit niet voort dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen, dan wel als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. Een opsporingsinstantie heeft een andere positie dan de verdediging. Het criterium is niet dat de verdediging dezelfde mogelijkheden moet hebben als de opsporingsinstantie, maar dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken, te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren. Het gaat om de effectieve controlemogelijkheden.

Het hof is van oordeel dat de aan de verdediging verstrekte stukken voldoende inzicht geven in en transparantie bieden over de wijze van onderzoek aan de EncroChat-data en Sky ECC-data in Nederland en dat de verdediging voldoende de mogelijkheid heeft gehad om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken, te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren.

Daarbij merkt het hof op dat de verdediging in eerste aanleg - blijkens de mededeling van de raadsman daarover - uiteindelijk heeft gezegd geen behoefte meer te hebben aan de door het openbaar ministerie toegezegde verstrekking van bepaalde EncroChat-data en inzage in bepaalde Sky ECC-data. Pas vlak voor de inhoudelijke behandeling in hoger beroep komt de verdediging hierop terug en verzoekt de verstrekking en/of inzage dan opnieuw. Dit terwijl na het instellen van het hoger beroep gevraagd is naar de onderzoekswensen en de verdediging hierover toen niets naar voren heeft gebracht, terwijl daar ruim de tijd en gelegenheid voor is geweest.

6.2.3.7 Misleiding door het openbaar ministerie?

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit vanwege het onjuist en misleidend informeren over de EncroChat-data. Volgens de raadsman wil het openbaar ministerie zo voorkomen dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatigheid en zelfs de betrouwbaarheid van EncroChat-data zal (kunnen) toetsen.

Het hof constateert dat de verdediging de gestelde misleiding door het openbaar ministerie in het voorbereidend onderzoek vooral onderbouwt met algemene bespiegelingen over de ontwikkeling van op Encrochat-data gebaseerde zaken in Nederland en andere Europese landen. De raadsman verwijst naar allerlei andere zaken waarin sprake zou zijn van onjuiste en/of onvolledige informatie. De verdediging heeft weliswaar een groot aantal bijlagen bij de pleitnota gevoegd, maar het hof ziet daarin geen feiten en omstandigheden naar voren komen die wijzen op misleiding en/of een verkeerde voorstelling van zaken door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om effectief commentaar te geven op de Encrochat-data. Aan de verdediging is bovendien inzage aangeboden in de datasets die betrekking hebben op de verdachte. De verdediging heeft de gelegenheid gehad om de data die in de strafvervolging tegen verdachte wordt gebruikt, te toetsen en effectief te becommentariëren. Bij die stand van zaken kan het hof niet tot het oordeel komen dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad, zodanig dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

6.2.3.8 Conclusie

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat zich geen vormverzuim of onrechtmatige handeling heeft voorgedaan die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde. De daarop gebaseerde verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en/of tot bewijsuitsluiting treffen dan ook geen doel en worden verworpen.

Voorwaardelijke) verzoeken/onderzoekswensen

De verdediging heeft op de zitting in hoger beroep (nogmaals) verzocht om het verstrekken van de volledige dataset van het (aan verdachte [verdachte] gerelateerde) EncroChat-account [e-mail] . Tevens is verzocht dat de verdediging inzage zal krijgen in de chatgesprekken van de Sky ECC-accounts die contact hebben gehad met het (aan verdachte [verdachte] gerelateerde) Sky ECC-account [account] .

De mogelijkheid tot het kennisnemen van al deze gegevens is reeds op 23 november 2022 door het openbaar ministerie, conform een beslissing van de rechtbank, gegeven. Naar aanleiding van een gelijkluidend verzoek van de verdediging d.d. 12 december 2025, is hier op 18 december 2025 door het openbaar ministerie ook op gewezen. De verdediging heeft hierop, tot op de dag van de zitting, geen verdere actie ondernomen.

Het hof wijst dit verzoek af nu een concrete aanleiding voor dit verzoek, en daarmee de noodzaak om deze gegevens opnieuw in dit late stadium te verstrekken ontbreekt.

Daarnaast heeft de verdediging bij pleidooi - zoals in dit arrest onder 6.1 tot en met 6.1.5 bij de standpunten van de verdediging is weergegeven - een groot aantal voorwaardelijke verzoeken geformuleerd voor het geval dat het hof niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie of een bewijsuitsluiting komt.

De maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken en het horen van nog niet gehoorde getuigen in dit stadium is of de noodzaak van het verzochte is gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wijst het hof de verzoeken van de verdediging af nu het voegen van de betreffende stukken niet noodzakelijk zijn voor de beantwoording van de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 Sv en het hof zich voldoende voorgelicht acht.

Ook de verzoeken van de verdediging tot het horen van de betreffende getuigen wijst het hof op gelijke gronden af, nu de noodzaak daartoe het hof niet gebleken is.

7. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is ter zitting van het hof de vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 van parketnummer 18-057190-22 heeft de raadsman ten eerste aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de gebruiker is van het EncroChat-account [subject] en/of van het Sky ECC-account [account] .

Verder heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen is dat er sprake is van medeplegen door verdachte.

Met betrekking tot feit 3 van parketnummer 18-057190-22 heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de in een unit in een loods aan de Phileas Foggstraat in [plaats] aangetroffen 61 kilo amfetamine.

Over het bij parketnummer 18-283003-22 tenlastegelegde heeft de verdachte verklaard dat hij geen wetenschap had van het feit dat er cocaïne aanwezig was in de auto die hij bestuurde. De observatie van de politie dat verdachte naar die auto toeliep met de witte plastic tas met rode hengels waar, naar later bleek, cocaïne in zat, is volgens de verdachte niet juist. Hij was die persoon niet, aldus de verdachte.

Bewijsoverwegingen en oordeel van het hof

Inleiding

Naar aanleiding van anonieme meldingen en TCI-informatie in 2021 over handel in wiet en hennepstekken en het op grote schaal exploiteren van hennepkwekerijen vanuit [bedrijf] in [plaats] en het door de politie al eerder (in 2020) aantreffen van hennep in die [bedrijf] , wordt besloten het onderzoek Mergel op te starten. Op basis van het onderzoek wordt zicht gekregen op een aantal locaties in Duitsland ( [plaats] , [plaats] en [plaats] ) waar vermoedelijk hennepkwekerijen aanwezig zijn.

Het omvangrijke dossier van het onderzoek Mergel betreft onder meer de observaties van de politie, tapgesprekken tussen de verdachten, bakengegevens, zendmastgegevens en onderzoek aan de telefoons van de verdachten. Deze bewijsmiddelen hebben voornamelijk betrekking op de personen die een uitvoerende rol hebben gehad bij het exploiteren van de hennepkwekerijen. Dit zijn ook de personen die met enige regelmaat in de kwekerijen zijn geweest om werkzaamheden te verrichten en om spullen te brengen en/of op te halen.

Het dossier omvat, zoals eerder besproken, ook het onderzoek aan het berichtenverkeer via de beveiligde communicatiediensten EncroChat en Sky ECC. Dit heeft voornamelijk betrekking op de personen die een organisatorische rol hebben gehad bij het exploiteren van de hennepkwekerijen. In deze berichten wordt overleg gevoerd, problemen worden besproken en beslissingen worden gemaakt.

Identificatie van de EncroChat- en Sky ECC-accounts

Het hof zal eerst ingaan op de identificatie van de belangrijkste EncroChat- en Sky

ECC-accounts die in het onderzoek Mergel naar voren zijn gekomen.

7.2.2.1 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]

EncroChat-account [subject]

Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de identificatie van de gebruiker van het EncroChat-account [subject] blijkt, onder meer, het volgende:

[subject] is door de EncroChat-gebruikers [subject] en [subject] opgeslagen onder de namen ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. [medeverdachte 1] is geboren in Albanië en eigenaar van een [bedrijf] in [plaats] . Uit de chats met [subject] en [subject] blijkt dat [subject] een band heeft met [plaats] . Hij spreekt regelmatig af in [plaats] of geeft aan dat hij daar is. De EncroChat-gebruiker Ofel heeft [subject] opgeslagen onder de naam ‘ [naam] ’. Met Ofel chat [subject] in het Albanees. [subject] en [subject] noemen [subject] ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] ’. Tot slot valt de woning van [medeverdachte 1] binnen het bereik van de zendmasten die door het toestel met IMEl-nummer [nummer] gebruikt worden. Het toestel met dat IMEI-nummer kan gekoppeld worden aan [subject] .

Naar het oordeel van het hof lijken de namen ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’ allemaal op ‘ [naam] ’, de voornaam van [medeverdachte 1] . Omdat [medeverdachte 1] van Albanese afkomst is, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat hij de Albanese taal beheerst. Ook het beheersen van de Albanese taal is een aanwijzing dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het account [subject] . [subject] krijgt van andere gebruikers namen die ook wijzen op een Albanese afkomst.

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [subject] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] .

Sky ECC-account [account]

Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende een lijst met Sky ECC-accounts aangetroffen op een telefoon blijkt, onder meer, het volgende:

In een Apple iPhone 6, die in gebruik was bij verdachte [verdachte] , is een foto met een lijst

Sky ECC-accounts aangetroffen. In deze lijst staat achter het account [account] de naam

‘ [naam] ’.

Uit het proces-verbaal 'identificatie Sky-accounts [account] , [account] en [account] ' blijkt onder meer het volgende:

De gebruiker van het Sky ECC-account [account] laat op 15 januari 2021 weten dat hij

thuis is omdat [naam] jarig is. [medeverdachte 1] heeft een dochter genaamd [naam] . Zij is geboren op 15

januari 2016.

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het Sky ECC-account [account] .

7.2.2.2 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]

EncroChat-account [subject]

Uit het proces-verbaal 'identificatie [subject] ' blijkt, onder meer, het volgende:

[subject] heeft [subject] opgeslagen onder de naam ‘ [naam] ’. Daarnaast geeft [subject] in een gesprek met het EncroChat-account [account] aan dat [subject] het EncroChat-account is van [naam] . [medeverdachte 2] is werknemer geweest van de [bedrijf] van [medeverdachte 1] ( [subject] ) en komt daar nog steeds. [subject] heeft het in verscheidene chats over ‘ [naam] ’. De partner van [medeverdachte 2] heet [naam] .

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [subject] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] .

Sky ECC-account [account]

Uit het proces-verbaal 'identificatie Sky-accounts [account] , [account] en [account] ' blijkt onder meer het volgende:

[account] ( [medeverdachte 1] ) duidt de gebruiker van [account] aan als ‘ [naam] ’. Daarnaast staat op de eerder genoemde lijst met Sky ECC-accounts uit de Apple iPhone 6 van [verdachte] achter het account [account] de naam ‘ [naam] ’. De gebruiker van [account] heeft het in een chat met [account] over ‘ [naam] ’. Tot slot geeft [account] aan dat [naam] bijna gaat bevallen en spreekt hij over een operatie van [naam] . [medeverdachte 2] heeft twee dochters genaamd [naam] en [naam] .

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het Sky ECC-account [account] .

7.2.2.3 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [verdachte]

EncroChat-account [subject]

Uit het proces-verbaal 'identificatie [subject] ' blijkt, onder meer, het volgende:

staat sinds 27 januari 2016 ingeschreven op het adres [straat] in [plaats] . Deze woning valt binnen het bereik van de zendmasten die door het toestel met IMEI-nummer [nummer] , dat gekoppeld kan worden aan [subject] , in de nachtelijke uren worden aangestraald.

heeft samen met [medeverdachte 3] een recycling bedrijf, genaamd [bedrijf] . Dit bedrijf is gevestigd op de [straat] te [plaats] . Deze locatie valt onder de dekking van de zendmasten die overdag het meeste worden gebruikt.

[subject] gebruikt het wachtwoord ‘ [wachtwoord] ’. Het geboortejaar van [verdachte] is 1989 en hij rijdt in een Volkswagen Caddy.

Uit de chats blijkt dat [subject] mr. J.P. Plasman als advocaat heeft. In een strafrechtelijk onderzoek uit 2019 heeft [verdachte] aangegeven dat hij een voorkeursadvocaat wil, namelijk mr. J.P. Plasman.

Uit het proces-verbaal 'onderzoek encrochat [subject] met [subject] blijkt, onder meer, het volgende:

In een gesprek met het EncroChat-account [subject] geeft [subject] het adres [straat] in [plaats] door. Vervolgens geeft hij aan “1 straat verder” en daarna “En erin”. Deze instructies passen bij een routebeschrijving naar [bedrijf] , het bedrijf van [verdachte] en [medeverdachte 3] .

Uit het proces-verbaal 'Afspraak [subject] bij [bedrijf] ' blijkt, onder meer, het volgende:

In een gesprek met het EncroChat-account [account] geeft [subject] aan dat [account] hier moet komen. Vervolgens stuurt hij een afbeelding met daarop het adres van [bedrijf] .

Uit het proces-verbaal 'onderzoek [subject] in relatie tot Facebook en [bedrijf] ' blijkt, onder meer, het volgende:

[subject] verstuurt een foto van een jong kind dat een trui draagt van ‘the Lion King’. Op een foto op de Facebookpagina van [verdachte] en zijn partner staat een jong kind met dezelfde trui.

Het hof heeft ter zitting van 16 februari 2026 waargenomen dat het kind op de foto van [subject] een zeer sterke gelijkenis vertoont met het kind op de Facebookpagina van [verdachte] en zijn partner.

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [subject] kan worden toegeschreven aan [verdachte] .

Sky ECC-account [account]

Uit het proces-verbaal van bevindingen 'identificatie SKY [account] [verdachte] ' blijkt, onder meer het volgende:

[account] geeft bij [account] ( [medeverdachte 1] ) aan dat hij een nieuw account heeft. Hij schrijft hierbij: ‘ [naam] [plaats] ’. [verdachte] is van Marokkaanse afkomst en woont in [plaats] .

In een gesprek over corona noemt de Sky ECC-gebruiker [account] (door de politie geïdentificeerd als [medeverdachte 3]) [account] “ [verdachte] ”.

Op 3 december 2020 sturen [account] en [account] meerdere spraakberichten naar elkaar. Hierbij spreekt [account] meerdere malen aan met de naam ‘ [verdachte] ’. De voornaam van [verdachte] is [verdachte] .

Op 5 december 2020 stuurt [account] een foto van kenmerkende schoenen. Soortgelijke schoenen worden bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] aangetroffen.

Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [verdachte] de gebruiker is van het Sky ECC-account [account] .

7.2.2.4 Slotopmerking

Met betrekking tot de identificaties van bovenstaande accounts merkt het hof tot slot nog op dat de identificaties elkaar onderling ook versterken. De verdachten kennen elkaar. Daarnaast zijn ze allemaal gezien bij [bedrijf] in [plaats] . Verder wordt in de chats gesproken over hennepteelt en ook - zoals hierna zal blijken - specifiek over de hennepkwekerijen in Duitsland. [medeverdachte 2] , die een oud-werknemer is van [medeverdachte 1] , heeft ook bekend dat hij bij deze kwekerijen betrokken is geweest.

Hennepkwekerij te [plaats] (feit 1)

Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie het bedrijfspand aan de [straat] in [plaats] binnen. In het pand staan tien pallets met apparatuur voor een overdekte hennepkwekerij (ventilatoren, filters enz.). Eigenaar van het pand is [naam] . Hij verklaart het pand te verhuren aan [naam] en overhandigt een kopie van de huurovereenkomst aan de politie.

Hoewel er geen hennepkwekerij is aangetroffen in [plaats] is het hof van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat hier een hennepkwekerij heeft gezeten.

[getuige] heeft verklaard dat deze locatie in [plaats] ‘Tenten’ werd genoemd. Dit zou volgens haar gaan om een grote kwekerij van meer dan duizend hennepplanten. Ze is in januari/februari 2021 acht dagen op deze locatie geweest om hennep te knippen. Ze knipte daar met onder andere haar buurvrouw [naam] , [naam] en [naam] . Aan [getuige] zijn foto’s getoond van [naam] (foto 1), [medeverdachte 2] (foto 2) en [naam] (foto 6). [getuige] verklaart hierover dat op foto 1 haar buurvrouw [naam] staat, dat op foto 2 [naam] staat en dat de man op foto 6 [naam] is.[getuige] bevestigt haar verklaring in het verhoor bij de rechter-commissaris.

Dat de locatie in [plaats] de bijnaam ‘Tent’ of ‘Tenten’ had, blijkt ook uit het onderzoek aan de Samsung Galaxy S9+ die tijdens de doorzoeking in de woning van [naam] in beslag is genomen. Op deze telefoon zijn verschillende notities aangetroffen waarop staat vermeld wat er op bepaalde locaties wel of niet aanwezig is. De locaties die hierbij worden genoemd zijn onder andere ‘Tent’, ‘Ayran’ en ‘HH’.

Dit betreffen bijnamen van hennepkwekerijen in Duitsland. ‘Ayran’ is de bijnaam voor de hennepkwekerij in [plaats] en ‘HH’ voor de hennepkwekerij in [plaats] .

De namen ‘Tent’ en ‘Ayran’ komen ook terug op een notitieblokje dat op 21 mei 2021 door de Duitse politie wordt gevonden in een Volvo XC60 met Nederlands kenteken. Deze Volvo staat op dat moment bij de hennepkwekerij in [plaats] . Het vermoeden is dat er meerdere personen aanwezig waren in deze kwekerij op het moment dat de Duitse politie is binnengetreden, maar dat zij er vervolgens snel vandoor zijn gegaan en daarbij de Volvo hebben achtergelaten. In het notitieblokje staat één notitie met bovenaan ‘Ayran’ en een andere met bovenaan ‘Tent’. Bij beide notities staan daaronder artikelen die gebruikt worden bij het telen van hennep, waarbij vermeld wordt hoeveel er van elk artikel nodig is.

Ook in de hierna te noemen EncroChat- en Sky ECC-berichten wordt telkens de locatie ‘Tenten’ genoemd met betrekking tot een actieve hennepkwekerij in [plaats] .

Op 7 april 2020 chat [medeverdachte 2] via EncroChat aan [medeverdachte 1] dat de tenten bijna klaar zijn, maar dat er problemen zijn met de stroom, het schakelbord en de afzuigers.

Uit het proces-verbaal van bevindingen 'Sky ECC-berichten [plaats] ' blijkt onder meer het volgende:

berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :

- Op 22 juni 2020 bericht [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat het bij de tenten niet goed gaat, maar dat het drooghok afgebouwd is. Ze gaan weer bouwen en hij heeft de hoop dat het voor vrijdag kan lukken.

- Op 2 juli 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] of hij de buurvrouw van [naam] mee zal nemen. Hij spreekt [medeverdachte 1] aan als ' [naam] '.

- Op 13 september 2020 geeft [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] aan dat als hij morgen naar tenten gaat, hij wat dingen mee moet nemen. [medeverdachte 2] meldt dat alles wel goed is en dat hij nog in HH is.

- Op 14 september 2020 stuurt [medeverdachte 1] een foto naar [medeverdachte 2] waarop ‘ [plaats] ’ en ‘ [plaats] ’ staat.

- Op 15 september 2020 antwoordt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat de vrachtwagen is vertrokken en dat hij het juiste adres heeft gegeven.

- Op 17 september 2020 stuurt [medeverdachte 2] een aantal afbeeldingen naar [medeverdachte 1] die grote overeenkomsten vertonen met de loods in [plaats] zoals deze door de Duitse politie is aangetroffen.

- Op 6 oktober 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat hij bij bio ibo is en dat hij gaat bestellen. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij "10 ker wietmerk di vor stekjes maken", "1000 van di swarte zonder gaatjes" en "1 zak perlit" moet bestellen en dat dit naar tenten moet. [medeverdachte 2] chat aan [medeverdachte 1] dat er 16 pallets aarde in de vrachtwagen passen en vraagt of er zoveel heen moeten. [medeverdachte 1] antwoordt dat zoveel mee moet als past. [medeverdachte 2] antwoordt dat het 7560 kost. [medeverdachte 1] zegt dat het ok is en vraagt "wanir brengen". [medeverdachte 2] antwoordt dat dat donderdag zal zijn.

- Op 27 oktober 2020 chat [medeverdachte 2] in het Albanees aan [medeverdachte 1] “de eerste is klaar". Daarbij stuurt hij een aantal afbeeldingen door waarop vijf stroken met potten te zien zijn. Deze potten zijn door de politie geteld en het blijkt te gaan om 1399 potten. Weer vertonen de afbeeldingen overeenkomsten met de foto’s die de Duitse politie heeft genomen in de loods aan de [straat] te [plaats] .

berichten tussen [medeverdachte 1] en [account]

- [medeverdachte 1] en [account] chatten in de Albanese taal.

- Op 6 oktober 2020 stuurt [account] foto’s van hennepplanten in een loods naar [medeverdachte 1] . [account] chat aan [medeverdachte 1] dat vandaag probeert die van “de moeders” klaar te maken. En dat hij wat moet gaan knippen want ze krijgen al toppen. Hij vraagt of [naam] hem kan komen brengen. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het verder wel regelt met [naam] , dat de grond ook hier komt, want [naam] is nu de grond aan het bestellen. [medeverdachte 1] zegt het [account] te laten weten over [naam] .[account] vraagt aan [medeverdachte 1] wat hij met [naam] heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] donderdag komt, want dan zijn de materialen er ook.[account] vraagt aan [medeverdachte 1] wanneer hij [naam] laat komen om de kasten en de stellingen te maken en om wat planten te komen knippen, want ze zijn gegroeid.[medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] donderdag samen met [naam] komt.

berichten tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]

- Op 27 augustus 2020 geeft [verdachte] aan [medeverdachte 1] aan dat dat hij blut is omdat hij 1800 euro aan benzine, boodschappen en materiaal heeft betaald en 1000 euro aan [naam] .

- Op 29 augustus 2020 chat [verdachte] aan [medeverdachte 1] dat hij het niet redt om alles te betalen. Hij heeft 40.000 euro betaald aan de pandeigenaar. Vervolgens vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij de pandeigenaar van 'tenten' of 'hh' heeft betaald. [verdachte] geeft aan dat hij die van tenten heeft betaald. [verdachte] geeft aan dat hij alleen 10.000 euro borg en 6 maanden huur heeft betaald. [medeverdachte 1] vraagt vervolgens aan [verdachte] waarom hij nu al [plaats] moet betalen, aangezien hij dacht dat dit aan het einde zou gebeuren. Vervolgens geeft [verdachte] weer aan dat hij het niet redt met betalen. Hij heeft ook personeel dat hij moet betalen en heeft auto’s gekocht. [medeverdachte 1] chat aan [verdachte] dat zij samen deze dagen even gaan zitten en alles regelen. Verder geeft hij aan dat het geld van hh ook bij [verdachte] is.[verdachte] chat aan [medeverdachte 1] dat hij van hh 104.000 euro heeft ontvangen en dat daarvan 30.000 euro aan huur is betaald en dat hij 10.000 euro aan borg heeft betaald. 20.000 euro zou hij aan [naam] hebben gegeven en 30.000 euro aan gipsplaten en 20.000 euro aan autoverhuur.[medeverdachte 1] antwoordt dat alles goed komt en dat ze alles samen gaan bekijken.

- Op 30 augustus 2020 chat [verdachte] aan [medeverdachte 1] dat de 350 stekken er ook zijn. [medeverdachte 1] antwoordt dat deze stekken eerst bij [verdachte] kunnen blijven en [naam] ook met andere stekken komt. [medeverdachte 1] gaat kijken wat de beste zijn en daarvan gaan ze moederplanten maken.

- Op 3 september 2020 chat [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat [naam] en Kerim samen daar naar toe gaan en bespreken zij of zij met een bus of een bakwagen moeten gaan. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij misschien wel een bus van 'doichland' kan regelen.

- Op 26 oktober 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] het bericht dat hij [medeverdachte 2] wel kan afzetten. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij bij tenten aan het werk moet.

- Op 25 november 2020 stuurt [medeverdachte 1] een foto van een keukenla waarin een stapel bankbiljetten van 50 euro ligt naar [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt erbij dat daar het geld ligt wat hij heeft achtergelaten. De politie meldt hierover dat dit de keukenla is van de keuken in [plaats] .

berichten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] :

- Op 31 augustus 2020 chat [verdachte] aan [medeverdachte 2] dat er 350 stekken in de loods liggen zoals 'Hil' dat wilde. [medeverdachte 2] antwoordt "Ja die moeten ook naar hok. Waar die jongens gaan." [verdachte] chat vervolgens "hij zei van niet".[medeverdachte 2] chat aan [verdachte] dat 'Hill' zei dat deze naar het hok met tenten moeten en moederplanten worden. [verdachte] zegt dat hij zelf heeft gezegd dat "laat in loods".

berichten tussen [medeverdachte 2] en het account [account] :

- Op 28 augustus 2020 stuurt [account] aan [medeverdachte 2] het bericht dat hij 350 stekken voor hem heeft en noemt [medeverdachte 2] 'baas'. [medeverdachte 2] antwoordt dat die stekken naar tenten moeten.

- Op 15 september 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [account] of hij het adres door kan geven omdat hij een bestelling heeft gedaan bij de groothandel en die hebben het adres nodig waar het heen moet. Hierop stuurt [account] een foto door waarop het adres " [straat] [plaats] " te zien is.

- Op 4 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 2] een bericht naar het account [account] inhoudende dat hij de volgende ochtend vroeg naar tenten gaat en vraagt of hij iemand mee moet nemen.

- Op 15 december 2020 chat [account] aan [medeverdachte 2] dat "Jij, ik, [naam] , [naam] en andre" er vanavond heen gaan.

- Op 18 december 2020 vraagt [account] aan [medeverdachte 2] wanneer hij weer bij tenten is, want hij is benieuwd naar het condensprobleem. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij daar vanavond is en dat hij van HH pur mee neemt.

Op 15 juli 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [verdachte] wanneer ze bij “tenden" gaan beginnen. [verdachte] zegt dan "materiaal hier”. Op 23 september 2020 stuurt [medeverdachte 2] een audiobericht naar [verdachte] . Hierin vraagt hij waar [verdachte] de nooddouche voor de Tenten had gehaald.

Uit het proces-verbaal van bevindingen 'onderzoek chats tussen Sky-accounts [account] en [account] ’ blijkt onder meer het volgende:

Op 13 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] waar hij is. [medeverdachte 2] antwoordt: “Goede morgen [naam] . Ben bij tenten”. [medeverdachte 1] vraagt hem of hij die stekjes even kan afstellen naar 1 of 2 dagen. [medeverdachte 2] vraag [medeverdachte 1] of hij die 900 moet verplaatsen naar vrijdag. [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja [naam] vrijdag beter”.

Op 18 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] hoe laat hij morgen naar ‘Tenten’ gaat. [medeverdachte 2] zegt dat hij vroeg wil gaan. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan dat onder meer ‘ [naam] ’ ook vroeg daarheen gaat.

Op 19 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] wanneer de stekjes komen. [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen [naam] ziet en dat hij dan meer weet. [medeverdachte 1] vraagt hoe het met de 1000 stekjes gaat en of ze wortels hebben.

Op 20 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] of er nog netten zijn, want die waren niet in de auto aanwezig. [medeverdachte 1] geeft aan dat misschien ‘de jongens’ deze eruit hebben gehaald. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij op de zaak ook netten heeft, maar ook bij [naam] in de loods liggen netten.

Op 30 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 2] om toestemming van [medeverdachte 1] om de broer en neef van [medeverdachte 1] mee te nemen naar Bremen. [medeverdachte 1] antwoordt op 31 oktober 2020 dat dat geen probleem is.

Op 2 november 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij de naam van het dorp kan sturen voor ‘ [naam] ’. Hierop stuurt [medeverdachte 2] “ [plaats] ”.

Op 1 december 2020 geeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] aan dat hij klaar is. Hij chat dat hij morgen naar ‘Tenten’ moet en daarna naar ‘HH’. [naam] gaat met hem mee.

Op 2 december 2020 stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] het volgende bericht: “Hoi 10 netten opgeruimd 22 kilo morgen nog 6 netten te doen.”

Op 4 december 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] dat ze op 36,5 kilo zitten. Hij vraagt aan [medeverdachte 1] hoeveel hij mee moet nemen. [medeverdachte 1] zegt 25 kilo.

Op 7 december 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 2] . Hij geeft aan dat ‘ [naam] ’ het gereedschap mee moet nemen naar ‘Tenden’. Hierop antwoordt [medeverdachte 2] dat ‘ [naam] ’ hem hier vanochtend naar heeft gevraagd.

Op 10 december 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] het volgende: “Dat [naam] bij jou kwam om wiet te halen heeft hij toen 300 extra betaald had je die geld toen geteld”.en “ [naam] heeft [naam] gezegd dat hij het heeft betaald die 300 bij jou toen hij wiet kwam halen”. [medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] hem 10300 heeft betaald en 2 kilo heeft meegenomen. Hij moet nog 100 betalen.

Op 13 december 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij morgen bij ‘tenden’ is. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij vandaag terug is gekomen van ‘tenten’. [medeverdachte 1] zegt hierop dat [naam] er morgen naar toe wil, maar geen sleutel heeft. [medeverdachte 2] antwoordt dat de sleutel op de zaak in de kast ligt.

Uit de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 2] , [naam] en [naam] blijkt dat deze drie verdachten in de maanden oktober 2021 tot en met december 2021 regelmatig zendmasten aanstralen in of nabij [plaats] . De zendmasten worden voor langere periodes aangestraald.

Uit de bakengegevens van de Opel Astra met kenteken [kenteken] , in gebruik bij [naam] , en de bakengegevens van de Renault Clio met kenteken [kenteken] , onder andere in gebruik bij [medeverdachte 2] , blijkt dat beide voertuigen zowel bij [bedrijf] in [plaats] als in [plaats] zijn geweest.

Op de Apple iPhone 7, die tijdens de doorzoeking in de woning van [naam] is aangetroffen, staan foto’s van een vermoedelijk aangepaste stroomtoevoer en van een loods met afgebroken en opgeslagen houten balken. Op de tijdstippen dat deze foto’s zijn genomen (14 oktober 2021 en 15 december 2021) straalde de telefoon een zendmast aan in de omgeving van [plaats] .

Op de Samsung Galaxy AIO, die eveneens in de woning van [naam] is aangetroffen, wordt [naam] in verschillende berichten ‘ [naam] ’ genoemd. Ook wordt er een foto aangetroffen van een offerte van [naam] , [straat] te [plaats] .

Op 21 oktober 2021 is op de camerabeelden van de statische camera die op [bedrijf] gericht is, te zien dat [medeverdachte 2] aan komt rijden in een Volkswagen Crafter met Duits kenteken [kenteken] . Vervolgens is te zien dat [medeverdachte 1] vier jerrycans inlaadt. Door het observatieteam is gezien dat [medeverdachte 2] met de Volkswagen Crafter de grens over rijdt en uiteindelijk stopt bij de loods aan de [straat] . Hier laadt hij meerdere dozen uit.

Op 26 oktober 2021 straalt de telefoon van [naam] een zendmast aan die in de directe omgeving van [plaats] staat. Die middag ziet het observatieteam drie voertuigen bij de loods aan de [straat] in [plaats] . Twee van deze voertuigen, de Renault Clio met kenteken [kenteken] en de Mazda 3 met kenteken [kenteken] , zijn ook gezien bij [bedrijf] , bij de woningen van [naam] en [medeverdachte 2] en/of aan [straat] (de verblijfplaats van [naam] ).

Uit de bakengegevens van de Renault Clio met kenteken [kenteken] blijkt dat dit voertuig op 12 november 2021 naar Duitsland rijdt. Het voertuig stopt vervolgens bij de woning van [naam] , de huurder van de loods aan de [straat] . Hierna rijdt het voertuig door naar de [straat] in [plaats] , waar het voertuig ongeveer een half uur blijft staan. Dit is in de directe nabijheid van de loods aan de [straat] .

Het telefoonnummer van [naam] beweegt gelijktijdig mee met de Renault Clio. Op de camerabeelden van een tankstation gelegen aan de A7 wordt [naam] ook herkend als de bestuurder van de Renault Clio.

Op 18 november 2021 wordt door het observatieteam gezien dat [naam] , [medeverdachte 2] en een onbekende vrouw in de Renault Clio met kenteken [kenteken] naar [plaats] rijden en daar stoppen bij de loods aan de [straat] . De Renault Clio wordt vervolgens achteruit de loods ingereden. Ongeveer tien minuten later vertrekt de Renault Clio weer. Deze rijdt vervolgens naar de hennepkwekerij in [plaats] .

[medeverdachte 2] heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij voedingsmiddelen heeft opgehaald en weggebracht naar de loods in [plaats] .

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat er in de loods aan de [straat] een hennepkwekerij van aanzienlijke omvang heeft gezeten. [getuige] verklaart hierover, [medeverdachte 2] verklaart over het hiernaar toe brengen van voedingsmiddelen, via EncroChat en Sky ECC worden berichten gedeeld die duiden op een in werking zijnde hennepkwekerij en tot slot blijkt uit de zendmastgegevens, bakengegevens en observaties dat er meerdere verdachten met enige regelmaat bij de loods komen en daar dan ook langere tijd verblijven.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden, maar dat deze beperkt dient te worden tot de periode van eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021. Hoewel er aanwijzingen zijn dat er ook op een eerder moment al activiteiten zijn geweest, kan niet bewezen worden dat er op dat moment al hennep werd geteeld. Op 27 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 2] via Sky ECC naar [medeverdachte 1] een aantal foto’s met de tekst “de eerste is klaar". Op de foto’s - die overeenkomsten vertonen met de loods aan de [straat] zijn rijen met potten te zien. De hennepkwekerij is op dat moment kennelijk gereed.

Ten aanzien van 'medeplegen' stelt het hof voorop dat vereist is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het voltooien van het delict. Hiervoor moet sprake zijn van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict, die van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan het hof rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verdachte moet een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict.

Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen oordeelt het hof dat voldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het telen van hennep. Uit de Sky ECC- berichten blijkt dat [verdachte] de stekken voor de hennepkwekerij heeft geregeld. Verder heeft hij ook andere goederen geregeld, zoals een nooddouche. Daarnaast blijkt dat hij ook (deels) verantwoordelijk is voor het betalen van betrokkenen, zoals de medeverdachten en de eigenaren van de panden waarin gekweekt wordt. De rol van [verdachte] is van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. Daarmee acht het hof het onder 1 tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Hennepkwekerij te [plaats] (feit 2)

Op 21 mei 2021 wordt er door de Duitse politie in een pand aan de [straat] te [plaats] een hennepkwekerij aangetroffen. Het pand betreft een voormalig hotel en restaurant met een bowlingbaan. Op de voormalige bowlingbaan treft de politie een hennepkwekerij aan van in totaal 1414 hennepplanten.

Op het moment van het betreden van de hennepkwekerij werd er hennep geknipt.

In het pand aan de [straat] te [plaats] vindt de politie in een slaapvertrek een portemonnee met het rijbewijs van [naam] en een kentekenbewijs dat eveneens op haar naam staat. Een zwarte Volvo XC60 met kenteken [kenteken] is er achtergelaten.

In de kwekerij werden twee dactyloscopische sporen van [medeverdachte 2] veilig gesteld.

In de achtergelaten Volvo XC60 met kenteken [kenteken] vindt de politie een tankbonnetje van [bedrijf] , [straat] in [plaats] (Duitsland). Uit het Duitse onderzoek bleek bij het terug kijken naar de camerabeelden van de desbetreffende tankbeurt van 17 mei 2021 te 07.38 uur dat de bestuurder een vrouw was. Een begeleidend voertuig, die op de beelden te zien was, was de witte Fiat Ducato met het Duitse kenteken [kenteken] . Deze Fiat Ducato werd bestuurd door een man. Verbalisant [verbalisant] herkende de vrouw als zijnde [naam] en de man als zijnde [medeverdachte 2] .

In de hoofdkweekruimte werd een dactyloscopisch spoor van [naam] veiliggesteld.

[getuige] heeft verklaard dat zij één keer naar de hennepkwekerij in [plaats] is geweest samen met onder andere [naam] , [medeverdachte 2] en [naam] . Ze zijn echter na een uur gevlucht omdat de politie er was.

Balouch, een Duitse verdachte, heeft verklaard dat een paartje, [naam] en [naam] , voor alles heeft gezorgd in de kwekerij aan de [straat] te [plaats] . Dat waren de 'tuiniers' die meestal ook bleven overnachten.

Uit het proces-verbaal van bevindingen 'onderzoek encrochats hennepkwekerij [plaats] ' blijkt onder meer het volgende:

Op 2 april 2020 hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] contact met elkaar. [verdachte] geeft aan dat hij de blauwe auto nodig heeft omdat hij naar [plaats] gaat om daar een kabel te maken.Hierop volgend geeft [verdachte] aan dat hij ruzie heeft gemaakt met de pandeigenaar. De pandeigenaar heeft 90.000 ontvangen maar vindt dit niet genoeg. [medeverdachte 2] vraagt of het om [plaats] gaat. [verdachte] geeft aan om de plek hier. Verder wordt er gechat over de kosten die gemaakt worden en dat [verdachte] [medeverdachte 2] en ' [naam] ' nog moet betalen.

Op 4 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] hoeveel slangen er in [plaats] nodig waren.

Op 4 april 2020 chatten [verdachte] en [medeverdachte 1] dat ze elkaar gaan ontmoeten en dat [verdachte] het geld van [medeverdachte 1] heeft. [verdachte] heeft met moeite stekken voor alle plekken. En geeft aan dat [plaats] woensdag klaar is. Daarbij gaat het ook om stekken. [verdachte] geeft aan dat de storing in het hok is opgelost. Dit had te maken met een kapotte afzuiger.

Op 5 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of [naam] hem kan bellen. [medeverdachte 1] geeft hierop aan dat hij hem ( [naam] ) nu gaat schrijven. Gelijk hierop vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij [naam] kan bellen.Vervolgens heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 2] en geeft [verdachte] aan dat de grens met Duitsland dicht gaat. [verdachte] gaat alle stekken naar het huis in [plaats] sturen. Het huis hebben ze tot de dertigste. In [plaats] kan geslapen worden. Verder geeft [medeverdachte 2] aan dat hij in de loods is en dat hij dekens nodig heeft. Haddji antwoordt dat hij dekens op de sloop heeft.

In het vervolg op 5 april 2020 wordt er tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] gechat dat de grens dicht is. [medeverdachte 1] vraagt of de eigenaar in geval van nood niet iemand kan regelen om water te geven. [verdachte] geeft aan dat de eigenaar gek is en dat hij deze 90.000 heeft gegeven en nog steeds klaagt. [verdachte] gaat morgen naar [plaats] om de kabel te maken. [medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] of hij [naam] gelijk zal meenemen of later zal oppikken. [verdachte] antwoordt dat hij hem gelijk mee moet nemen.

Op 6 april 2020 stuurt [verdachte] een afbeelding van een nieuwsbericht door aan [medeverdachte 1] . Hierin staat aangegeven dat er geen grenscontroles zijn bij de Nederlands - Duitse grens. Deze afbeelding heeft [verdachte] daarvoor ontvangen van [medeverdachte 2] . [verdachte] chat aan [medeverdachte 2] dat het luchtsysteem nog gemaakt moet worden. Dat de kabel klaar is en dat de potten op hun plek staan.

Op 6 april 2020 chat [medeverdachte 1] in het Albanees met het account [account] . Hierin komt naar voren dat [account] een lijst met gewerkte dagen is vergeten mee te nemen. Deze is nodig voor overleg met de Marokkaan.

Op 8 april 2020 hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] het onder andere over stroom en stekken. [verdachte] wil weten hoeveel stekken er over zijn en de stekken moeten in de auto blijven.[verdachte] stuurt twee foto's door aan [medeverdachte 2] . De eerste betreft een foto van een betegelde binnenruimte met een open roldeur met daar achter een blauwe afvalcontainer. Uit de door de Duitse politie aangeleverde informatie blijkt dat deze foto afkomstig is van de locatie [straat] te [plaats] .

Op 15 april 2020 chat [medeverdachte 2] met [naam] en [verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt aan [naam] of hij onderweg is naar ‘ [plaats] ’. Hij zegt tegen [naam] dat hij alle stekken kan meenemen. [medeverdachte 2] chat aan [verdachte] dat de grens open is en dat [plaats] vrij is.

Vervolgens heeft [medeverdachte 2] contact met [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij in ‘hh' aan het werk gaat, geeft aan dat hij daar alles heeft gebracht en dat [medeverdachte 2] de verdiensten met ‘ [naam] ’ moet bespreken. [medeverdachte 2] antwoordt dat hij ' [naam] ’ zo spreekt. Hierop neemt [medeverdachte 2] gelijk contact op met [medeverdachte 1] en geeft aan dat hij net een bericht van ‘ [naam] ’ heeft ontvangen met de vraag of hij ‘ [naam] ’ wil klaarmaken en verzorgen. [medeverdachte 2] wil van [medeverdachte 1] weten wat de bedoeling is en wat hij wil. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij de helft (tien) heeft gekregen van [verdachte] en dat hij de andere tien van [medeverdachte 1] zou krijgen.

Op 16 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [verdachte] , [medeverdachte 1] en het account [account] . Omdat [verdachte] stekken daar heeft vraagt hij aan [medeverdachte 2] of hij al wat weet. [medeverdachte 2] geeft aan nog op antwoord te wachten. Later op de dag hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contact met elkaar. Hierbij geeft [medeverdachte 1] aan dat hij samen met [medeverdachte 2] en [naam] gaat bespreken hoe ze het in [plaats] gaan doen. Vervolgens neemt [account] contact op met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] geeft hierbij aan dat hij morgen komt. [account] had van de ‘Marok’ begrepen dat hij vandaag zou komen. [medeverdachte 2] geeft aan dat ze morgen met twee man komen.

Op 17 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [account] , [verdachte] en [naam] . Hierbij vraagt [medeverdachte 2] aan [account] om het adres in [plaats] door te sturen. [account] stuurt het adres ' [straat] ' door en geeft door waar de sleutel ligt. [medeverdachte 2] geeft vervolgens door aan [verdachte] dat ze in ‘ [naam] ’ zijn en dat [verdachte] goed heeft opgeruimd, omdat wat hij nodig heeft ook weg is. Door [verdachte] wordt aangegeven dat [medeverdachte 2] kan kopen wat hij nodig heeft.

Op 18 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [account] en [verdachte] . [account] geeft aan dat hij bij [medeverdachte 2] komt. [medeverdachte 2] vraagt of hij eten voor hen mee wil nemen. Bij [verdachte] geeft [medeverdachte 2] aan dat één kant klaar is en dat de andere kant nog moet en dat hij volgende week terug komt voor frisse lucht en een paar kleine dingen.Uit de verstrekte informatie van de Duitse politie blijkt dat de ontmantelde hennepkwekerij in [plaats] over twee gedeelten beschikte.

Op 20 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 2] of hij morgen naar [plaats] gaat. Volgens [verdachte] gaat de [naam] ook en hij vraagt of [medeverdachte 2] dan de blauwe auto wil meenemen. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij met witte bus naar [plaats] gaat en daar de blauwe pakt.

Op 21 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [medeverdachte 1] , [account] en [verdachte] . [medeverdachte 2] geeft bij [medeverdachte 1] aan dat hij in [plaats] een paar dingen aan het klaar maken is. [medeverdachte 1] geeft aan dat het belangrijk is dat het goed gedaan wordt, dat het anders gaat stinken en het dan mis gaat. [medeverdachte 2] heeft het over tien filters aan elke kant. Volgens [medeverdachte 1] is dat goed. [account] geeft bij [medeverdachte 2] aan dat hij rond 14.00 à 15.00 uur bij hem is. [medeverdachte 2] bespreekt met [verdachte] dat er op één groep geen stroom is. Ook worden muren en roosters besproken. [verdachte] geeft aan dat [medeverdachte 2] samen met iemand anders naar [plaats] moet komen.

Op 23 april 2020 geeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] door dat morgen om vijf uur de elektricien komt.

Op de 24 april 2020 geeft [medeverdachte 2] bij [account] aan dat hij 's avonds met elektricien komt. Door [account] wordt aangegeven hoe [medeverdachte 2] binnen moet komen. Hiervoor moet hij een kast van de muur schuiven. Daar achter zit dan een verborgen deur.

Op 25 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [account] en [verdachte] . [medeverdachte 2] geeft bij [account] aan dat ze het probleem met de stroom voorlopig hebben opgelost, maar dat ze kijken naar een oplossing voor de langere termijn. Aan [verdachte] geeft [medeverdachte 2] door dat er 16 lampen minder zijn en er aanpassingen aan het bord zijn gemaakt.

Op 26 april 2020 geeft [medeverdachte 2] bij [verdachte] aan dat hij morgen naar ‘ [naam] ' gaat en dat hij [naam] mee vraagt. Ook vraagt hij aan [verdachte] of hij de Volvo mee kan nemen.

Op 27 april 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [account] en [verdachte] . [account] vraagt wanneer [medeverdachte 2] komt. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij morgen komt. Volgens [account] is dat een probleem om dat de huismeester er dan met de loodgieter is. En de planten worden al droog. [medeverdachte 2] spreekt af dat hij morgenavond komt. Dit wordt door [medeverdachte 2] ook met [verdachte] overlegd. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij nog stekken of lampen moet regelen in ‘hh’ of ‘ [naam] ’. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij 16 lampen weghaalt en de dode stekken wisselt en dat hij nu niets nodig heeft. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij morgen naar ‘hh’ gaat met [naam] .

Op 28 april 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of [naam] zijn [bedrijf] aan kan doen. [medeverdachte 2] geeft vervolgens aan [verdachte] aan dat zijn telefoon raar doet.[account] deelt [medeverdachte 2] mee dat hij de sleutel op een andere plek heeft verstopt. [medeverdachte 2] geeft [account] aan dat hij morgen komt.

Op 29 april 2020 geeft [medeverdachte 2] bij [account] aan dat ze er zijn en dat hij de sleutel heeft gevonden.

Op 30 april 2020 blijkt uit de chats tussen [medeverdachte 2] en [account] dat [medeverdachte 2] in [plaats] aan het werk is. Er wordt olie voor het huis geleverd daarom doet [medeverdachte 2] het licht uit en heeft de deur van binnenuit afgesloten. [medeverdachte 2] chat aan [verdachte] aan dat hij veilig is aangekomen dat ze gaan toppen, water geven en dat ze morgen vroeg gelijk door gaan naar een ander hok om water te geven. ’s Avonds geeft [medeverdachte 2] bij [verdachte] aan dat ze terug zijn en vraagt hij of hij de blauwe Volvo mee kan nemen.

Op 1 mei 2020 heeft [medeverdachte 2] contact met [verdachte] en geeft aan dat hij water moest geven en niet nog een dag kon wachten, omdat hij al twee dagen te laat was. En dat hij om halfzeven de grens al over was. Verder geeft [medeverdachte 2] aan dat ‘Hh’ wel een probleem heeft met de vieze lucht naar buiten.

Op 2 mei 2020 vraagt [account] aan [medeverdachte 2] waar de sleutel voor het toilet is.

Op 6 mei 2020 vraagt [account] aan [medeverdachte 2] wanneer hij weer komt. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij donderdag komt en één nacht daar blijft.[medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] welke auto hij mee kan nemen voor morgen en dat hij deze keer alleen gaat.

Op 7 mei 2020 geeft [verdachte] bij [medeverdachte 2] aan dat hij zelf de Volvo gebruikt en dat die ‘ [naam] ’ deze week de Audi brengt. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij de Volvo heeft gepakt en dat hij morgenavond terug komt. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij in [plaats] is. [medeverdachte 2] heeft het over het andere hok op de terugweg.[verdachte] chat aan [medeverdachte 2] dat hij met de pandeigenaar heeft gesproken en vraagt hoelang die nog moet. Bij [account] geeft [medeverdachte 2] aan dat hij er is. [account] vraagt of hij open kan maken, omdat ze er zijn.In de middag chatten [medeverdachte 2] en [verdachte] over losse kabels met stroom erop. [medeverdachte 2] geeft aan dat het klopt dat hij ze heeft uitgeschakeld voor warmte en dat elke tent met 18 lampen nu met 14 lampen is.

Op 13 mei 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij in de buurt is. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij in ‘HH’ is.

Op 17 mei 2020 vraagt [account] een [medeverdachte 2] om de sleutel van beneden. Even later geef hij aan de sleutel te hebben gevonden.

Op 21 mei 2020 vraagt [account] aan [medeverdachte 2] wanneer hij weer komt. [medeverdachte 2] reageert op 22 mei 2020 dat hij er is. [account] vraagt of hij gelijk open kan doen want een collega en zijn medewerker komen.Aan het eind van de middag geeft [medeverdachte 2] bij [account] aan dat hij weg wou gaan en dat er twee personen zijn gekomen die ook een sleutel van de deur hebben. [account] geeft aan dat dit een vriend is die het boven klaar maakt.

Op 29 mei 2020 geeft [medeverdachte 2] bij [account] aan dat hij er weer is. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij vandaag in de buurt is. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij elke donderdag en vrijdag in ‘HH’ aan het werk is. Dat ze morgen naar 'ree’ gaan. Hij vraagt aan [medeverdachte 1] of hij in [plaats] is. Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 1] .

Op 31 mei 2020 stuurt [verdachte] een afbeelding van een hennepplant naar [medeverdachte 1] .

Op 1 juni 2020 geeft [account] bij [medeverdachte 2] aan dat dat ze problemen hebben met 'spinnen' en stuurt [account] aan [medeverdachte 2] een foto door van hennepplanten. [verdachte] geeft vervolgens bij [medeverdachte 2] aan dat ze veel last hebben.[medeverdachte 2] geeft bij [account] aan dat hij het weet en dat hij vrijdag komt en dat hij dan gelijk iets tegen spint geeft. Bij [verdachte] geeft [medeverdachte 2] aan dat hij eerst het net klaar maakt en dan met gif spuit. Als hij het nu doet dan valt alles om.

De locatie in [plaats] wordt ook regelmatig ‘HH’, ‘ [naam] ’ of‘ [naam] ’ genoemd in de EncroChat-berichten. Dat hiermee de hennepkwekerij in het pand aan de [straat] te [plaats] bedoeld wordt blijkt, naast uit de inhoud van de chatberichten, ook uit een foto die door [verdachte] naar [medeverdachte 2] wordt gestuurd. Deze foto vertoont grote overeenkomsten met het pand aan de [straat] . Daarnaast vraagt [medeverdachte 2] aan de gebruiker van het account [account] om het adres in [plaats] . [account] stuurt dan het adres aan de [straat] door.

Verder stuurt [verdachte] op 6 april 2020 drie foto's naar het EncroChat-account [subject] . Dit betreffen foto's van een kabelaansluiting in een zekeringenkast. Deze foto's vertonen grote gelijkenis met de door de Duitse politie gefotografeerde zekeringenkast in de hennepkwekerij in [plaats] .

In de Sky ECC-berichten is te lezen dat [verdachte] op 15 juli 2020 aan [medeverdachte 2] chat dat hij de stekken heeft besteld voor ‘HH’.

Op 8 maart 2021 stuurt [medeverdachte 1] naar [verdachte] een audiobericht met het volgende: “bro, goedendag hoe is het. Ik wou jou iets vragen als die jongens in HH gaan, die stekjes

moet [naam] er zelf in doen, omdat hij wil zelf beetje goed doet en niet dat iemand anders en die fout gaat bij iemand anders, beter laten hem zelf doen die stekjes erin."

Op 1 december 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat hij morgen 'tenten' moet doen en dat [naam] daarna met hem mee gaat naar HH.

Op 2 december 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : "Hoi 10 netten opgeruimd 22 kilo morgen nog 6 netten te doen".

Op 6 januari 2021 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] : "Ik denk dat HH max nog twee weken en dan kan het af" en ook "Kun je beter met [naam] alvast overleggen waar en hoe jullie het willen knippen". [medeverdachte 1] antwoordt aan [medeverdachte 2] dat hij dat gaat regelen.

Op 12 januari 2021 chat [account] (Duitstalig persoon) aan [medeverdachte 2] dat er is ingebroken in HH. Vervolgens chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat hij net bericht heeft ontvangen dat bij HH de deuren opengebroken zijn en dat hij daar gaat kijken. Daarna geeft [medeverdachte 2] dit bericht ook door aan [verdachte] . [verdachte] denkt dat iemand vanuit de Duitse kant deze inbraak heeft gepleegd, omdat het niet te vinden zou zijn. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] om er zo snel als mogelijk heen te gaan. [verdachte] zegt dat er iemand in HH had moeten slapen. [medeverdachte 2] zegt dat hij zoveel mogelijk samen met [naam] daar slaapt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er in het pand aan de [straat] te [plaats] een hennepkwekerij van aanzienlijke omvang heeft gezeten. Uit de doorzoeking, het sporenonderzoek, de verklaring van [getuige] en de EncroChat- en Sky ECC- berichten blijkt van betrokkenheid van onder meer [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [naam] en [naam] bij deze kwekerij. Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde periode beperkt dient te worden tot de periode van 1 april 2020 tot en met 21 mei 2021. Uit de EncroChat-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] vanaf april 2020 contact hebben over [plaats] .

Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen oordeelt het hof dat voldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het telen van hennep. Uit de EncroChat- en Sky ECC-berichten blijkt dat [verdachte] een zeer grote rol heeft gehad bij de exploitatie van de hennepkwekerij in [plaats] . Hij heeft de stekken geregeld, heeft verschillende soorten werkzaamheden verricht, heeft contact met de eigenaar van het pand en overlegt met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over eventuele problemen. De rol van [verdachte] is van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. Het hof zal derhalve het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen achten.

Amfetamine in [plaats] (feit 3)

Op 21 juni 2022 wordt tijdens een doorzoeking in een loods aan de [straat] te [plaats] ongeveer 61 kilogram amfetamine aangetroffen. In de loods is op dat moment Piening aanwezig. Piening is een werknemer van [verdachte] en [medeverdachte 3] . De loods blijkt gehuurd te zijn door [medeverdachte 3] , de compagnon van [verdachte] . [verdachte] heeft zich ten aanzien van zijn betrokkenheid steeds beroepen op zijn zwijgrecht.

Hoewel er aanwijzingen zijn dat [verdachte] betrokken is bij handel in harddrugs, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend bewijs dat hij als medepleger betrokkenheid heeft gehad bij specifiek deze aangetroffen 61 kilo amfetamine. Het hof spreekt [verdachte] daarom vrij van het onder 3 tenlastegelegde.

Cocaïne in [plaats] (parketnummer 18-283003-22)

Het hof is van oordeel dat het onder parketnummer 18-283003-22 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is op grond van het volgende bewijs:

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek bedrijf ( [straat] [plaats] ) d.d. 2 april 2019, opgenomen op pagina 165 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland onderzoek NOSYA / NNRAA19007 d.d. 3 juli 2019, inhoudend als relaas van verbalisant: Op 2 april 2019 om 10:00 uur kwam ik aan op de locatie [straat] [plaats] , binnen de [gemeente] . Op het perceel zag ik een Volkswagen Touran, voorzien van kenteken [kenteken] . Bij een doorzoeking van dit voertuig werd een pakket aangetroffen in een vak in de bodem van het voertuig, achter de bijrijdersstoel. Ik zag dat in dit vak een rood-witte plastic tas lag. Ik voelde dat in deze plastic tas een rechthoekig blok zat. De tas werd inclusief inhoud veiliggesteld en voorzien van spooridentificatienummer AAMD8609NL.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 10 april 2019, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten: Goednummer: PL0100-2019049919-1123196SIN: AAMD8609NLOmschrijving : een reeds geopende verpakking bestaande uit (van buiten naar binnen gezien) kleurloze tape, kleurloos plastic, zwart rubber met daarop een zwarte sticker met oranje opdruk “RR Rolls Royce”, kleurloze tape, kleurloos plastic, dik kleurloos plastic met daarin een rechthoekig blok geperst wit poeder met daarin een hoogdruk “Rolls” “RR” “Royce”.Netto gewicht: 1003,63 gramSIN Monster: AAMO7873NL Indicatieve testen: positief voor cocaïne Identificerend onderzoek: positief voor cocaïne

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2019.04.08.121 (aanvraag 001), d.d. 8 april 2019 opgemaakt door [deskundige] , op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring: Kenmerk : AAMO7873NLOmschrijving FO: 1003,63 gram poeder (geperst in een blokvorm), wit Conclusie: bevat cocaïne

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2019, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant: Uit het huurcontract van de VW Touran voorzien van kenteken [kenteken] , waarin de cocaïne werd gevonden, blijkt dat deze auto werd gehuurd door [verdachte] wonend aan de [straat] . Hij had deze auto gehuurd voor een periode van 1 maart tot en met 31 maart 2019 en betaalde hiervoor 1500 euro contant. Hij was de enige bestuurder en had zich gelegitimeerd met zijn rijbewijs, nummer 4516075113.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van observatie dinsdag 2 april 2019 d.d. 8 april 2019, opgenomen op pagina 315 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Omstreeks

Verbalisant

Omschrijving bevindingen

08:58

817

Ik zag dat er een Volkswagen Touran, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken] , geparkeerd stond in de [straat] .

09:56

817

Ik zag dat een man die ik aan de hand van een door het onderzoeksteam verstrekte foto herkende als [verdachte] het portiek behorend bij de woning [straat] te [plaats] verliet. Ik zag dat hij vervolgens naar de achterzijde van de flat liep.

09:57

814

Ik zag dat er een Volkswagen Caddy, kleur wit en voorzien van het kenteken [kenteken] , aan de achterzijde van de portiekwoning [straat] , aan kwam rijden. Dit betreft [straat] . Ik zag dat [verdachte] vervolgens contact maakte met de bestuurder van de genoemde Volkswagen Caddy.

09:59

814

Ik zag dat [verdachte] en de bestuurder van de genoemde Volkswagen Caddy kort contact met elkaar hadden waarna men weer uit elkaar ging waarna [verdachte] naar de voorzijde van de portiekwoning aan de [straat] liep. Ik zag dat hij daarbij een witte plastic tas met rode hengsels droeg.

10:00

817

Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in de Volkswagen Touran, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken] , stapte. Ik zag dat hij

vervolgens vertrok. Voordien had hij de genoemde witte plastic tas in de Volkswagen Touran gelegd.

10:28

832, 965

Ik, 832, zag dat de Volkswagen Touran richting het bedrijventerrein reed van [bedrijf] aan de [straat]

te [plaats] .

Ik, 965, zag dat de bedrijfsauto voorzien van het kenteken [kenteken] van het bedrijventerrein af kwam rijden.

Met betrekking tot het eerder weergegeven standpunt van de verdediging overweegt het hof het volgende. Uit het huurcontract blijkt dat [verdachte] in de dagen voorafgaand aan het ontdekken van de zak met cocaïne huurder was van de Volkswagen Touran waarin de drugs zijn aangetroffen. Uit de observaties blijkt ook dat hij op 2 april 2019 nog steeds de gebruiker was van deze auto. Daarnaast blijkt uit deze observaties dat [verdachte] een witte plastic tas met rode hengsels in de auto heeft gelegd. Met deze auto rijdt hij vervolgens naar de [straat] te [plaats] . Kort daarop wordt in de Volkswagen Touran een soortgelijke plastic tas aangetroffen waarin ongeveer één kilogram cocaïne blijkt te zitten. Gelet op het voorgaande heeft het hof de overtuiging dat [verdachte] de tas met cocaïne in de Volkswagen Touran heeft neergelegd en dat hij daarmee de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-057190-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-283003-22 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zaak met parketnummer 18-057190-22:

1.hij in de periode van eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021 te [plaats] (D) (in een pand/loods aan de [straat] ), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 21 mei 2021 te [plaats] (D) (in een pand/loods aan de [straat] ), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

zaak met parketnummer 18-283003-22:hij op 2 april 2019 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1003,63 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 18-057190-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 18-283003-22 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

10. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

11. Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gedurende langere tijd en op grote schaal beziggehouden met het telen van hennep. Vanuit de onderneming [bedrijf] in [plaats] werden omvangrijke hennepkwekerijen in Duitsland opgezet, onderhouden, geëxploiteerd en aangestuurd. Verdachte is bij twee van deze hennepkwekerijen betrokken geweest. Het exploiteren van deze hennepkwekerijen gebeurde in georganiseerd verband en op professionele wijze. De verdachte heeft zich aldus in het illegale hennepcircuit begeven en heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de grootschalige teelt en handel in softdrugs met alle daarbij komende (maatschappelijke) problemen.

Verdachte heeft daarnaast ruim een kilo cocaïne voorhanden gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs, zoals cocaïne, grote schade kan toebrengen aan het sociaal maatschappelijk functioneren van diegenen die daaraan verslaafd zijn en dat deze drugs gevaren voor de volksgezondheid opleveren. Bovendien leiden harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

In het nadeel van de verdachte is dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 januari 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ook een veroordeling voor een opiumwetdelict.

Ter zitting van het hof op 16 februari 2026 is door de verdediging naar voren gebracht dat verdachte zijn leven op orde heeft en dat de kans op recidive klein is volgens de reclassering. De raadsman heeft het hof gevraagd rekening te houden met de straf die verdachte in België is opgelegd en die hij nu in Nederland uitzit. In België is het de regel dat een derde van straf uitgezeten moet worden. In Nederland moet hij nu twee derde van de straf uitzitten.

Het hof houdt geen rekening met de straf die verdachte is opgelegd op grond van een Belgisch vonnis. Strafoplegging door een buitenlandse rechter levert geen veroordeling op in de zin van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Ook de omstandigheid dat de aan de verdachte in het buitenland opgelegde gevangenisstraf grotendeels in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, brengt niet met zich dat artikel 63 van toepassing is wat betreft deze straf.

Wel is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing in verband met een aan verdachte opgelegde geldboete middels strafbeschikking van 6 mei 2024 voor het onverzekerd rijden.

Het hof stelt vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof volstaat, gelet op de relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn (circa drie maanden) die deels is toe te rekenen aan de verdediging vanwege de onderzoekswensen, met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. Nu het hof de verdachte vrijspreekt van feit 3, is de op te leggen straf veel lager dan de door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd. Het hof komt tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

12. Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-057190-22 onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-057190-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-283003-22 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-057190-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-283003-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. M.C. van Linde en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?