Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000077-24
Uitspraakdatum: 3 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2023 met parketnummer 18-335317-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1971 in [geboorteplaats 1] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
2. Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 16 februari 2026, 19 februari 2026 en 3 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling voor alle ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman,
mr. E. van Reydt, is aangevoerd.
3. Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg voor alle ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
4. Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 22 juni 2020 tot en met 30 november 2021 te [plaats 1] ) (in een pand/loods aan de [adres 1] ), althans in Duitsland en/of in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (uit JM1190, p. 5882) 1399 hennepplanten, althans (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 28 maart 2020 tot en met 7 februari 2022 te [plaats 2] (in een pand/loods aan de [adres 2] ), althans in Duitsland en/of in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (uit JM584, p. 4121) 1694 hennepplanten, althans 311 hennepplanten, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 28 maart 2020 tot en met 21 mei 2021 te [plaats 3] (in een pand/loods aan de [adres 3] ), althans in Duitsland en/of in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,(uit JM376-01, p. 4346) 1414 hennepplanten, in elk geval(een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 4] (in een pand aan de [adres 4] te [plaats 4] ), [gemeente 1] , (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 259 hennepplanten, althans een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 5] (in een pand aan de [adres 5] te [plaats 5] ), [gemeente 2] , (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 270 hennepplanten (ruimte A) en/of 2604 hennepstekken (ruimte C), althans een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep, (telkens) een hoeveelheid/hoeveelheden van (een) middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Bevoegdheid van het hof
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 geen recht heeft om tot strafvervolging over te gaan, omdat de Nederlandse rechtsmacht ontbreekt. Het openbaar ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman.
Hij heeft dit met het volgende onderbouwd.
Aan verdachte is onder 1, 2 en 3 ten laste gelegd dat hij zich in Duitsland en/of in Nederland schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, hennepteelt. Niet is ten laste gelegd het binnen of buiten het grondgebied brengen van hennep. De rechtbank heeft verdachte vervolgens vrijgesproken van het medeplegen van verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren en ten aanzien van feit 3 het in Nederland plegen van dit feit .
Er is geen sprake van rechtsmacht op basis van het territorialiteitsbeginsel ex artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor de vestiging van rechtsmacht op grond van dit artikel is niet de tenlastelegging, maar de bewezenverklaring bepalend. Uit het dossier blijkt niet van uitvoeringshandelingen in Nederland, maar enkel van uitvoeringshandelingen in Duitsland. Dit betekent dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op basis van artikel 2 Sr.
Daarnaast kan er ook geen rechtsmacht gevestigd worden op grond van het (actief) personaliteitsbeginsel ex artikel 7 lid 3 Sr jo artikel 86b Sr. Blijkens het bij herziening van de regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken (Stb. 2014, 103 i.w.tr. 1 juli 2014) ingevoerde artikel 86b Sr wordt onder het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verstaan het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer. Gelijkstelling met Nederlanders van vreemdelingen die minder dan vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijven, is niet gerechtvaardigd omdat zij een zwakkere verblijfsrechtelijke rechtspositie hebben dan de vreemdeling die al minstens vijf jaar Nederlands ingezetene is. De tijdsduur van vijf jaar is ontleend aan art. 21 Vreemdelingenwet 2000 (Kamerstukken II 2012,2013, 33572,3 p. 6).
Om rechtsmacht te kunnen vestigen op basis van het actief personaliteitsbeginsel ex artikel 7, derde lid Sr, geldt dus de eis dat verdachte op het moment dat is beslist om tot vervolging over te gaan gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer rechtmatig verbleef in Nederland. Dat sprake moet zijn van een onafgebroken rechtmatig verblijf terug te rekenen vanaf de vervolgingsbeslissing, volgt – anders dan de rechtbank oordeelde - expliciet uit de MvT (Kamerstukken II 2012,2013, 33572,3 p. 15):
“Met betrekking tot het voorgestelde artikel 86b Sr zij nog benadrukt dat de daarin opgenomen omschrijving voor de toepasselijkheid van de strafwet buiten Nederland een autonome betekenis wil geven van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Of de vreemdeling op grond van andere regelgeving geacht wordt een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben doet derhalve niet ter zake. En dat in dit kader gesproken wordt van een ingezetene wil evenmin zeggen dat betrokkene voor de toepassing van de strafwet buiten Nederland ook als ingezetene heeft te gelden als hij volgens die regelgeving als ingezetene wordt aangemerkt. Bepalend is of betrokkene op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet.”
Dat het gaat om een onafgebroken periode van vijf jaren terug te rekenen vanaf het moment vanaf de vervolgingsbeslissing, en niet een ‘willekeurige’ onafgebroken periode van 5 jaren zoals de rechtbank oordeelt, is ook logisch omdat anders ad infinitum op grond van het actief personaliteitsbeginsel rechtsmacht zou kunnen worden gevestigd ter zake vreemdelingen die gedurende enig moment van hun leven gedurende 5 jaar of langer onafgebroken in Nederland hebben verbleven. Een dergelijke verstrekkende uitbreiding van de rechtsmacht strookt niet met de in de MvT genoemde strikte voorwaarden waaronder een vreemdeling met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.
Van een (óók) tegen verdachte gerichte vervolging is in ieder geval sprake vanaf 22 oktober 2021. Verdachte heeft voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing niet vijf jaar onafgebroken in Nederland verbleven. Uit zijn SKDB-registratie volgt dat hij op 23 juli 2015 geregistreerd stond op een adres in Nederland maar dat hij per 22 april 2016 als niet-ingezetene is aangemerkt (land onbekend). Vanaf 27 december 2015 tot en met 19 juni 2019 is hij in Duitsland gedetineerd geweest. Daarna is hij naar Nederland verhuisd, en staat hij per 30 januari 2023 ingeschreven op een adres in Nederland.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte ten tijde van de in 2021 genomen vervolgingsbeslissing niet gedurende een periode van (ten minste) vijf jaar onafgebroken rechtmatig verbleef in Nederland. Tijdens het leeuwendeel van deze periode zat hij in een Duitse gevangenis.
De conclusie van de raadsman is dat verdachte Nederlander noch een daarmee gelijk te stellen vreemdeling is en rechtsmacht derhalve (óók) niet op grond van het actief domiciliebeginsel ex art. 7 Sr gevestigd kan worden.
Oordeel van het hof
Territorialiteitsbeginsel
Op grond van het in artikel 2 Sr neergelegde territorialiteitsbeginsel kan door Nederland rechtsmacht worden uitgeoefend ten aanzien van een ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit. Wat de plaats van het delict is, kan worden vastgesteld door te kijken naar de plaats van de delictsgedraging, de plaats van de werking van het instrument en de plaats van het intreden van het gevolg. Er kunnen meerdere plaatsen gelden als plaats van het delict.
De bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad houdt in dat als er naast in Nederland gelegen plaatsen, ook buiten Nederland gelegen plaatsen zijn die kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk is op grond van artikel 2 Sr, ook ten aanzien van de gedragingen die deel uitmaken van dat strafbare feit en die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. Artikel 2 Sr is niet van toepassing op buiten Nederland gepleegde strafbare feiten die geen (deel)handelingen zijn van een in Nederland gepleegd strafbare feit, maar die daarmee slechts verband houden.
Uit het dossier blijkt dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde betrekking heeft op hennepkwekerijen in Duitsland waarbij de organisatie ervan grotendeels plaatsvindt vanuit Nederland. Het openbaar ministerie kon daarom in redelijkheid ook Nederland als pleegplaats opnemen in de tenlastelegging. Met het feit dat Nederland in de tenlastelegging als pleegplaats is opgenomen, is daarmee de Nederlandse rechtsmacht gegeven.
Actief personaliteitsbeginsel
Het hof is van oordeel dat ook op basis van artikel 7 lid 3 Sr jo artikel 86b Sr Nederland rechtsmacht heeft ter zake het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. In artikel 7 lid 3 Sr jo artikel 86b Sr worden verdachten die inmiddels geworteld zijn in Nederland gelijk gesteld aan verdachten met een Nederlandse nationaliteit. Het gaat om de binding die een verdachte heeft met de Nederlandse samenleving. Artikel 86b Sr bepaalt dat onder het hebben van een vaste woon-of verblijfplaats in Nederland zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 Sr het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer wordt verstaan. Uit een door de minister en de staatssecretaris in 2013 gegeven toelichting op artikel 86b Sr blijkt dat niet elke afwezigheid uit Nederland met zich meebrengt dat het verblijf niet meer onafgebroken is.
Verdachte heeft zelf op 6 oktober 2022 bij de reclassering gezegd dat hij sinds 1993 in Nederland verblijft en dat hij de afgelopen jaren altijd in de stad [plaats 6] of omgeving woonde. Hij heeft niet steeds ingeschreven gestaan op een adres, omdat hij in verschillende woningen verbleef die hij opknapte of bij zijn zus in de [provincie] woonde. Ook heeft hij bij de reclassering aangegeven dat hij na zijn detentie terug wilde keren naar [plaats 6] .
Gebleken is verder dat zijn verblijf in Nederland onderbroken is geweest door een detentie in Duitsland vanaf 27 december 2015 tot en met 19 juni 2019. Het verblijf in Duitsland was dus niet omdat verdachte niet meer in Nederland zijn leven had of niet langer is Nederland wilde verblijven, maar omdat hij in Duitsland zijn straf uit moest zitten.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte sinds 1993 geworteld is in Nederland en voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing, gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer in Nederland heeft gewoond. Zijn (onvrijwillige) afwezigheid uit Nederland omdat hij in Duitsland in de gevangenis zat, brengt naar het oordeel van het hof niet met zich mee dat zijn rechtmatige verblijf in Nederland daardoor niet meer onafgebroken is.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat Nederland rechtsmacht heeft ter zake het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde op basis van zowel artikel 2 Sr als artikel 7 lid 3 Sr jo artikel 86b Sr.
Het verweer van de verdediging wordt aldus verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
6. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is ter zitting van het hof bepleit dat de pleegperiode van feit 1 beperkt dient te worden tot de periode 1 november 2021 tot 21 november 2021 en van feit 2 tot de periode 1 november 2021 tot en met 7 februari 2022.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman algehele vrijspraak bepleit. Anders dan de rechtbank meent de verdediging dat de enkele kortstondige aanwezigheid in de kwekerij
met de intentie de daar aanwezige hennepplanten te knippen géén wezenlijke bijdrage aan het voorhanden hebben van de hennepplanten impliceert.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5 sluit de raadsman zich aan bij het vonnis van de rechtbank.
Bewijsoverwegingen en oordeel van het hof
Inleiding
Naar aanleiding van anonieme meldingen en TCI-informatie in 2021 over handel in wiet en hennepstekken en het op grote schaal exploiteren van hennepkwekerijen vanuit [winkel 1] in [plaats 7] en het door de politie al eerder (in 2020) aantreffen van hennep in die [winkel 1] , wordt besloten het onderzoek Mergel op te starten. Op basis van het onderzoek wordt zicht gekregen op een aantal locaties in Duitsland ( [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] ) waar vermoedelijk hennepkwekerijen aanwezig zijn.
Het omvangrijke dossier van het onderzoek Mergel betreft onder meer de observaties van de politie, tapgesprekken tussen de verdachten, bakengegevens, zendmastgegevens en onderzoek aan de telefoons van de verdachten. Deze bewijsmiddelen hebben voornamelijk betrekking op de personen die een uitvoerende rol hebben gehad bij het exploiteren van de hennepkwekerijen. Dit zijn ook de personen die met enige regelmaat in de kwekerijen zijn geweest om werkzaamheden te verrichten en om spullen te brengen en/of op te halen.
Het dossier omvat, zoals eerder besproken, ook het onderzoek aan het berichtenverkeer via de beveiligde communicatiediensten EncroChat en Sky ECC. Dit heeft voornamelijk betrekking op de personen die een organisatorische rol hebben gehad bij het exploiteren van de hennepkwekerijen. In deze berichten wordt overleg gevoerd, problemen worden besproken en beslissingen worden gemaakt.
Identificatie van de EncroChat- en Sky ECC-accounts
Het hof zal eerst ingaan op de identificatie van de belangrijkste EncroChat- en Sky
ECC-accounts die in het onderzoek Mergel naar voren zijn gekomen.
6.2.2.1 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]
EncroChat-account [accountnaam]
Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende de identificatie van de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam] blijkt, onder meer, het volgende:
[accountnaam] is door de EncroChat-gebruikers [gebruiker] en [gebruiker] opgeslagen onder de namen ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. [medeverdachte 1] is geboren in [geboorteplaats 2] en eigenaar van een [winkel 1] in [plaats 7] . Uit de chats met [gebruiker] en [gebruiker] blijkt dat [accountnaam] een band heeft met [plaats 7] . Hij spreekt regelmatig af in [plaats 7] of geeft aan dat hij daar is. De EncroChat-gebruiker [gebruiker] heeft [accountnaam] opgeslagen onder de naam ‘ [naam] ’. Met [gebruiker] chat [accountnaam] in het Albanees. [gebruiker] en [gebruiker] noemen [accountnaam] ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] ’. Tot slot valt de woning van [medeverdachte 1] binnen het bereik van de zendmasten die door het toestel met IMEl-nummer [nummer 1] gebruikt worden. Het toestel met dat IMEI-nummer kan gekoppeld worden aan [accountnaam] .
Naar het oordeel van het hof lijken de namen ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’ allemaal op ‘ [naam] ’, de voornaam van [medeverdachte 1] . Omdat [medeverdachte 1] van Albanese afkomst is, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat hij de Albanese taal beheerst. Ook het beheersen van de Albanese taal is een aanwijzing dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het account [accountnaam] . [accountnaam] krijgt van andere gebruikers namen die ook wijzen op een Albanese afkomst.
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [accountnaam] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] .
Sky ECC-account [accountnaam]
Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende een lijst met Sky ECC-accounts aangetroffen op een telefoon blijkt, onder meer, het volgende:
In een Apple iPhone 6, die in gebruik was bij verdachte [medeverdachte 2] , is een foto met een lijst
Sky ECC-accounts aangetroffen. In deze lijst staat achter het account [accountnaam] de naam
‘ [naam] ’.
Uit het proces-verbaal 'identificatie Sky-accounts [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam] ' blijkt onder meer het volgende:
De gebruiker van het Sky ECC-account [accountnaam] laat op 15 januari 2021 weten dat hij
thuis is omdat [naam] jarig is. [medeverdachte 1] heeft een dochter genaamd [naam] . Zij is geboren op [geboortedag 2]
2016.
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het Sky ECC-account [accountnaam] .
Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om stemvergelijkend onderzoek te laten plaatsvinden behoeft geen verdere bespreking nu het hof de stemherkenning door de verbalisant niet voor het bewijs gebruikt.
6.2.2.2 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 3]
EncroChat-account [gebruiker]
Uit het proces-verbaal 'identificatie [gebruiker] ' blijkt, onder meer, het volgende:
[accountnaam] heeft [gebruiker] opgeslagen onder de naam ‘ [naam] ’. Daarnaast geeft [accountnaam] in een gesprek met het EncroChat-account [accountnaam] aan dat [gebruiker] het EncroChat-account is van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] is werknemer geweest van de [winkel 1] van [medeverdachte 1] ( [accountnaam] ) en komt daar nog steeds. [gebruiker] heeft het in verscheidene chats over ‘ [naam] ’. De partner van [medeverdachte 3] heet [naam] .
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [gebruiker] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 3] .
Sky ECC-account [accountnaam]
Uit het proces-verbaal 'identificatie Sky-accounts [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam] ' blijkt onder meer het volgende:
[accountnaam] ( [medeverdachte 1] ) duidt de gebruiker van [accountnaam] aan als ‘ [medeverdachte 3] ’. Daarnaast staat op de eerder genoemde lijst met Sky ECC-accounts uit de Apple iPhone 6 van [medeverdachte 2] achter het account [accountnaam] de naam ‘ [naam] ’. De gebruiker van [accountnaam] heeft het in een chat met [accountnaam] over ‘ [naam] ’. Tot slot geeft [accountnaam] aan dat [naam] bijna gaat bevallen en spreekt hij over een operatie van [naam] . [medeverdachte 3] heeft twee dochters genaamd [naam] en [naam] .
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [medeverdachte 3] de gebruiker is van het Sky ECC-account [accountnaam] .
6.2.2.3 Accounts die kunnen worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]
EncroChat-account [gebruiker]
Uit het proces-verbaal 'identificatie [gebruiker] ' blijkt, onder meer, het volgende:
staat sinds 27 januari 2016 ingeschreven op het adres [adres 6] in [plaats 7] . Deze woning valt binnen het bereik van de zendmasten die door het toestel met IMEI-nummer [nummer 2] , dat gekoppeld kan worden aan [gebruiker] , in de nachtelijke uren worden aangestraald.
heeft samen met [naam] een recycling bedrijf, genaamd [bedrijf 1] . Dit bedrijf is gevestigd op de [adres 7] te [plaats 8] . Deze locatie valt onder de dekking van de zendmasten die overdag het meeste worden gebruikt.
[gebruiker] gebruikt het wachtwoord ‘ [wachtwoord] ’. Het geboortejaar van [medeverdachte 2] is [jaar] en hij rijdt in een [autonaam] .
Uit de chats blijkt dat [gebruiker] mr. J.P. Plasman als advocaat heeft. In een strafrechtelijk onderzoek uit 2019 heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat hij een voorkeursadvocaat wil, namelijk mr. J.P. Plasman.
Uit het proces-verbaal 'onderzoek encrochat [gebruiker] met [gebruiker] blijkt, onder meer, het volgende:
In een gesprek met het EncroChat-account [gebruiker] geeft [gebruiker] het adres [adres 8] in [plaats 7] door. Vervolgens geeft hij aan “1 straat verder” en daarna “En erin”. Deze instructies passen bij een routebeschrijving naar [bedrijf 1] , het bedrijf van [medeverdachte 2] en [naam] .
Uit het proces-verbaal 'Afspraak [gebruiker] bij [handelsonderneming] ' blijkt, onder meer, het volgende:
In een gesprek met het EncroChat-account [gebruiker] geeft [gebruiker] aan dat [gebruiker] hier moet komen. Vervolgens stuurt hij een afbeelding met daarop het adres van [bedrijf 1] .
Uit het proces-verbaal 'onderzoek [gebruiker] in relatie tot Facebook en Encro' blijkt, onder meer, het volgende:
[gebruiker] verstuurt een foto van een jong kind dat een trui draagt van ‘the Lion King’. Op een foto op de Facebookpagina van [medeverdachte 2] en zijn partner staat een jong kind met dezelfde trui.
Het hof heeft ter zitting van 16 februari 2026 waargenomen dat het kind op de foto van [gebruiker] een zeer sterke gelijkenis vertoont met het kind op de Facebookpagina van [medeverdachte 2] en zijn partner.
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat het EncroChat-account [gebruiker] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] .
Sky ECC-account [accountnaam]
Uit het proces-verbaal van bevindingen 'identificatie SKY [accountnaam] [medeverdachte 2] ' blijkt, onder meer het volgende:
[accountnaam] geeft bij [accountnaam] ( [medeverdachte 1] ) aan dat hij een nieuw account heeft. Hij schrijft hierbij: ‘maroc [plaats 7] ’. [medeverdachte 2] is van Marokkaanse afkomst en woont in [plaats 7] .
In een gesprek over corona noemt de Sky ECC-gebruiker [gebruiker] (door de politie geïdentificeerd als [naam]) [accountnaam] “ [accountnaam] ”.
Op 3 december 2020 sturen [accountnaam] en [gebruiker] meerdere spraakberichten naar elkaar. Hierbij spreekt [gebruiker] [accountnaam] meerdere malen aan met de naam ‘ [medeverdachte 2] ’. De voornaam van [medeverdachte 2] is [medeverdachte 2] .
Op 5 december 2020 stuurt [accountnaam] een foto van kenmerkende schoenen. Soortgelijke schoenen worden bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen.
Alles in samenhang bezien is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het Sky ECC-account [accountnaam] .
6.2.2.4 Slotopmerking
Met betrekking tot de identificaties van bovenstaande accounts merkt het hof tot slot nog op dat de identificaties elkaar onderling ook versterken. De verdachten kennen elkaar. Daarnaast zijn ze allemaal gezien bij [winkel 1] in [plaats 7] . Verder wordt in de chats gesproken over hennepteelt en ook - zoals hierna zal blijken - specifiek over de drie hennepkwekerijen in Duitsland. [medeverdachte 3] , die een oud-werknemer is van [medeverdachte 1] , heeft ook bekend dat hij bij deze kwekerijen betrokken is geweest.
Hennepkwekerij te [plaats 1] (feit 1)
Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie het bedrijfspand aan de [adres 1] in [plaats 1] binnen. In het pand staan tien pallets met apparatuur voor een overdekte hennepkwekerij (ventilatoren, filters enz.). Eigenaar van het pand is [naam] . Hij verklaart het pand te verhuren aan [naam] en overhandigt een kopie van de huurovereenkomst aan de politie.
Hoewel er geen hennepkwekerij is aangetroffen in [plaats 1] is het hof van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat hier een hennepkwekerij heeft gezeten.
[naam] heeft verklaard dat deze locatie in [plaats 1] ‘ [locatie] ’ werd genoemd. Dit zou volgens haar gaan om een grote kwekerij van meer dan duizend hennepplanten. Ze is in januari/februari 2021 acht dagen op deze locatie geweest om hennep te knippen. Ze knipte daar met onder andere haar buurvrouw [naam] , [naam] en [naam] . Aan [naam] zijn foto’s getoond van [naam] (foto 1), [medeverdachte 3] (foto 2) en [verdachte] (foto 6). [naam] verklaart hierover dat op foto 1 haar buurvrouw [naam] staat, dat op foto 2 [naam] staat en dat de man op foto 6 [naam] is.[naam] bevestigt haar verklaring in het verhoor bij de rechter-commissaris.
Dat de locatie in [plaats 1] de bijnaam ‘ [locatie] ’ of ‘ [locatie] ’ had, blijkt ook uit het onderzoek aan de Samsung Galaxy S9+ die tijdens de doorzoeking in de woning van [naam] in beslag is genomen. Op deze telefoon zijn verschillende notities aangetroffen waarop staat vermeld wat er op bepaalde locaties wel of niet aanwezig is. De locaties die hierbij worden genoemd zijn onder andere ‘ [locatie] ’, ‘ [locatie] ’ en ‘ [locatie] ’.
Dit betreffen bijnamen van hennepkwekerijen in Duitsland. ‘ [locatie] ’ is de bijnaam voor de hennepkwekerij in [plaats 2] en ‘ [locatie] ’ voor de hennepkwekerij in [plaats 3] .
De namen ‘ [locatie] ’ en ‘ [locatie] ’ komen ook terug op een notitieblokje dat op 21 mei 2021 door de Duitse politie wordt gevonden in een Volvo XC60 met Nederlands kenteken. Deze Volvo staat op dat moment bij de hennepkwekerij in [plaats 3] . Het vermoeden is dat er meerdere personen aanwezig waren in deze kwekerij op het moment dat de Duitse politie is binnengetreden, maar dat zij er vervolgens snel vandoor zijn gegaan en daarbij de Volvo hebben achtergelaten. In het notitieblokje staat één notitie met bovenaan ‘ [locatie] ’ en een andere met bovenaan ‘ [locatie] ’. Bij beide notities staan daaronder artikelen die gebruikt worden bij het telen van hennep, waarbij vermeld wordt hoeveel er van elk artikel nodig is.
Ook in de hierna te noemen EncroChat- en Sky ECC-berichten wordt telkens ‘ [locatie] ’ genoemd met betrekking tot een actieve hennepkwekerij in [plaats 1] .
Op 7 april 2020 chat [medeverdachte 3] via EncroChat aan [medeverdachte 1] dat de [locatie] bijna klaar zijn, maar dat er problemen zijn met de stroom, het schakelbord en de afzuigers.
Uit het proces-verbaal van bevindingen 'Sky ECC-berichten [plaats 1] ' blijkt onder meer het volgende:
berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] :
- Op 22 juni 2020 bericht [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] dat het bij de [locatie] niet goed gaat, maar dat het drooghok afgebouwd is. Ze gaan weer bouwen en hij heeft de hoop dat het voor vrijdag kan lukken.
- Op 2 juli 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] of hij de buurvrouw van [naam] mee zal nemen. Hij spreekt [medeverdachte 1] aan als ' [naam] '.
- Op 13 september 2020 geeft [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] aan dat als hij morgen naar [locatie] gaat, hij wat dingen mee moet nemen. [medeverdachte 3] meldt dat alles wel goed is en dat hij nog in [locatie] is.
- Op 14 september 2020 stuurt [medeverdachte 1] een foto naar [medeverdachte 3] waarop ‘Industriering’ en ‘ [plaats 1] ’ staat.
- Op 15 september 2020 antwoordt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] dat de vrachtwagen is vertrokken en dat hij het juiste adres heeft gegeven.
- Op 17 september 2020 stuurt [medeverdachte 3] een aantal afbeeldingen naar [medeverdachte 1] die grote overeenkomsten vertonen met de loods in [plaats 1] zoals deze door de Duitse politie is aangetroffen.
- Op 6 oktober 2020 chat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] dat hij bij [bedrijf 2] is en dat hij gaat bestellen. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij "10 ker wietmerk di vor stekjes maken", "1000 van di swarte zonder gaatjes" en "1 zak perlit" moet bestellen en dat dit naar [locatie] moet. [medeverdachte 3] chat aan [medeverdachte 1] dat er 16 pallets aarde in de vrachtwagen passen en vraagt of er zoveel heen moeten. [medeverdachte 1] antwoordt dat zoveel mee moet als past. [medeverdachte 3] antwoordt dat het 7560 kost. [medeverdachte 1] zegt dat het ok is en vraagt "wanir brengen". [medeverdachte 3] antwoordt dat dat donderdag zal zijn.
- Op 27 oktober 2020 chat [medeverdachte 3] in het Albanees aan [medeverdachte 1] “de eerste is klaar". Daarbij stuurt hij een aantal afbeeldingen door waarop vijf stroken met potten te zien zijn. Deze potten zijn door de politie geteld en het blijkt te gaan om 1399 potten. Weer vertonen de afbeeldingen overeenkomsten met de foto’s die de Duitse politie heeft genomen in de loods aan de [adres 1] te [plaats 1] .
berichten tussen [medeverdachte 1] en [accountnaam]
- [medeverdachte 1] en [accountnaam] chatten in de Albanese taal.
- Op 6 oktober 2020 stuurt [accountnaam] foto’s van hennepplanten in een loods naar [medeverdachte 1] . [accountnaam] chat aan [medeverdachte 1] dat vandaag probeert die van “de moeders” klaar te maken. En dat hij wat moet gaan knippen want ze krijgen al toppen. Hij vraagt of [naam] het kan komen brengen. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij het verder wel regelt met [naam] , dat de grond ook hier komt, want [naam] is nu de grond aan het bestellen. [medeverdachte 1] zegt het [accountnaam] te laten weten over [naam] .[accountnaam] vraagt aan [medeverdachte 1] wat hij met [naam] heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] donderdag komt, want dan zijn de materialen er ook.[accountnaam] vraagt aan [medeverdachte 1] wanneer hij [naam] laat komen om de kasten en de stellingen te maken en om wat planten te komen knippen, want ze zijn gegroeid.[medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] donderdag samen met [naam] komt.
berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
- Op 27 augustus 2020 geeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] aan dat dat hij blut is omdat hij 1800 euro aan benzine, boodschappen en materiaal heeft betaald en 1000 euro aan [naam] .
- Op 29 augustus 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat hij het niet redt om alles te betalen. Hij heeft 40.000 euro betaald aan de pandeigenaar. Vervolgens vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij de pandeigenaar van ' [locatie] ' of ' [locatie] ' heeft betaald. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij die van [locatie] heeft betaald. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij alleen 10.000 euro borg en 6 maanden huur heeft betaald. [medeverdachte 1] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 2] waarom hij nu al [plaats 1] moet betalen, aangezien hij dacht dat dit aan het einde zou gebeuren. Vervolgens geeft [medeverdachte 2] weer aan dat hij het niet redt met betalen. Hij heeft ook personeel dat hij moet betalen en heeft auto’s gekocht. [medeverdachte 1] chat aan [medeverdachte 2] dat zij samen deze dagen even gaan zitten en alles regelen. Verder geeft hij aan dat het geld van [locatie] ook bij [medeverdachte 2] is.[medeverdachte 2] chat aan [medeverdachte 1] dat hij van [locatie] 104.000 euro heeft ontvangen en dat daarvan 30.000 euro aan huur is betaald en dat hij 10.000 euro aan borg heeft betaald. 20.000 euro zou hij aan [medeverdachte 3] hebben gegeven en 30.000 euro aan gipsplaten en 20.000 euro aan autoverhuur.[medeverdachte 1] antwoordt dat alles goed komt en dat ze alles samen gaan bekijken.
- Op 30 augustus 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] dat de 350 stekken er ook zijn. [medeverdachte 1] antwoordt dat deze stekken eerst bij [medeverdachte 2] kunnen blijven en [medeverdachte 3] ook met andere stekken komt. [medeverdachte 1] gaat kijken wat de beste zijn en daarvan gaan ze moederplanten maken.
- Op 3 september 2020 chat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 3] en [naam] samen daar naar toe gaan en bespreken zij of zij met een bus of een bakwagen moeten gaan. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij misschien wel een bus van ' [winkel 2] ' kan regelen.
- Op 26 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] het bericht dat hij [medeverdachte 3] wel kan afzetten. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij bij [locatie] aan het werk moet.
- Op 25 november 2020 stuurt [medeverdachte 1] een foto van een keukenla waarin een stapel bankbiljetten van 50 euro ligt naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zegt erbij dat daar het geld ligt wat hij heeft achtergelaten. De politie meldt hierover dat dit de keukenla is van de keuken in [plaats 1] .
berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] :
- Op 31 augustus 2020 chat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] dat er 350 stekken in de loods liggen zoals ' [naam] ' dat wilde. [medeverdachte 3] antwoordt "Ja die moeten ook naar hok. Waar die jongens gaan." [medeverdachte 2] chat vervolgens "hij zei van niet".[medeverdachte 3] chat aan [medeverdachte 2] dat ' [naam] ' zei dat deze naar het hok met [locatie] moeten en moederplanten worden. [medeverdachte 2] zegt dat hij zelf heeft gezegd dat "laat in loods".
berichten tussen [medeverdachte 3] en het account [accountnaam] :
- Op 28 augustus 2020 stuurt [accountnaam] aan [medeverdachte 3] het bericht dat hij 350 stekken voor hem heeft en noemt [medeverdachte 3] 'baas'. [medeverdachte 3] antwoordt dat die stekken naar [locatie] moeten.
- Op 15 september 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [accountnaam] of hij het adres door kan geven omdat hij een bestelling heeft gedaan bij de groothandel en die hebben het adres nodig waar het heen moet. Hierop stuurt [accountnaam] een foto door waarop het adres " [adres 1] " te zien is.
- Op 4 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 3] een bericht naar het account [accountnaam] inhoudende dat hij de volgende ochtend vroeg naar [locatie] gaat en vraagt of hij iemand mee moet nemen.
- Op 15 december 2020 chat [accountnaam] aan [medeverdachte 3] dat "Jij, ik, [naam] , [naam] en andre" er vanavond heen gaan.
- Op 18 december 2020 vraagt [accountnaam] aan [medeverdachte 3] wanneer hij weer bij [locatie] is, want hij is benieuwd naar het condensprobleem. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij daar vanavond is en dat hij van [locatie] pur mee neemt.
Op 15 juli 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] wanneer ze bij “ [locatie] " gaan beginnen. [medeverdachte 2] zegt dan "materiaal hier”. Op 23 september 2020 stuurt [medeverdachte 3] een audiobericht naar [medeverdachte 2] . Hierin vraagt hij waar [medeverdachte 2] de nooddouche voor de [locatie] had gehaald.
Uit het proces-verbaal van bevindingen 'onderzoek chats tussen Sky-accounts [accountnaam] en [accountnaam] ’ blijkt onder meer het volgende:
Op 13 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] waar hij is. [medeverdachte 3] antwoordt: “Goede morgen [naam] . Ben bij [locatie] ”. [medeverdachte 1] vraagt hem of hij die stekjes even kan afstellen naar 1 of 2 dagen. [medeverdachte 3] vraag [medeverdachte 1] of hij die 900 moet verplaatsen naar vrijdag. [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja [naam] vrijdag beter”.
Op 18 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] hoe laat hij morgen naar ‘ [locatie] ’ gaat. [medeverdachte 3] zegt dat hij vroeg wil gaan. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan dat onder meer ‘ [naam] ’ ook vroeg daarheen gaat.
Op 19 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] wanneer de stekjes komen. [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen [naam] ziet en dat hij dan meer weet. [medeverdachte 1] vraagt hoe het met de 1000 stekjes gaat en of ze wortels hebben.
Op 20 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] of er nog netten zijn, want die waren niet in de auto aanwezig. [medeverdachte 1] geeft aan dat misschien ‘de jongens’ deze eruit hebben gehaald. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij op de zaak ook netten heeft, maar ook bij [naam] in de loods liggen netten.
Op 30 oktober 2020 vraagt [medeverdachte 3] om toestemming van [medeverdachte 1] om de broer en neef van [medeverdachte 1] mee te nemen naar [plaats 9] . [medeverdachte 1] antwoordt op 31 oktober 2020 dat dat geen probleem is.
Op 2 november 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] of hij de naam van het dorp kan sturen voor ‘ [naam] ’. Hierop stuurt [medeverdachte 3] “ [plaats 1] ”.
Op 1 december 2020 geeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] aan dat hij klaar is. Hij chat dat hij morgen naar ‘ [locatie] ’ moet en daarna naar ‘ [locatie] ’. [naam] gaat met hem mee.
Op 2 december 2020 stuurt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] het volgende bericht: “Hoi 10 netten opgeruimd 22 kilo morgen nog 6 netten te doen.”
Op 4 december 2020 zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] dat ze op 36,5 kilo zitten. Hij vraagt aan [medeverdachte 1] hoeveel hij mee moet nemen. [medeverdachte 1] zegt 25 kilo.
Op 7 december 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 3] . Hij geeft aan dat ‘ [naam] ’ het gereedschap mee moet nemen naar ‘ [locatie] ’. Hierop antwoordt [medeverdachte 3] dat ‘ [naam] ’ hem hier vanochtend naar heeft gevraagd.
Op 10 december 2020 chat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] het volgende: “Dat [naam] bij jou kwam om wiet te halen heeft hij toen 300 extra betaald had je die geld toen geteld”.en “ [naam] heeft [naam] gezegd dat hij het heeft betaald die 300 bij jou toen hij wiet kwam halen”. [medeverdachte 1] antwoordt dat [naam] hem 10300 heeft betaald en 2 kilo heeft meegenomen. Hij moet nog 100 betalen.
Op 13 december 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] of hij morgen bij ‘ [locatie] ’ is. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij vandaag terug is gekomen van ‘ [locatie] ’. [medeverdachte 1] zegt hierop dat [naam] er morgen naar toe wil, maar geen sleutel heeft. [medeverdachte 3] antwoordt dat de sleutel op de zaak in de kast ligt.
Uit de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 3] , [naam] en [verdachte] blijkt dat deze drie verdachten in de maanden oktober 2021 tot en met december 2021 regelmatig zendmasten aanstralen in of nabij [plaats 1] . De zendmasten worden voor langere periodes aangestraald.
Uit de bakengegevens van de Opel Astra met kenteken [kenteken 1] , in gebruik bij [naam] , en de bakengegevens van de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] , onder andere in gebruik bij [medeverdachte 3] , blijkt dat beide voertuigen zowel bij Growshop [winkel 1] in [plaats 7] als in [plaats 1] zijn geweest.
Op de Apple iPhone 7, die tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] is aangetroffen, staan foto’s van een vermoedelijk aangepaste stroomtoevoer en van een loods met afgebroken en opgeslagen houten balken. Op de tijdstippen dat deze foto’s zijn genomen (14 oktober 2021 en 15 december 2021) straalde de telefoon een zendmast aan in de omgeving van [plaats 1] .
Op de Samsung Galaxy AIO, die eveneens in de woning van [verdachte] is aangetroffen, wordt [verdachte] in verschillende berichten ‘ [naam] ’ genoemd. Ook wordt er een foto aangetroffen van een offerte van [adres 9] te [plaats 1] .
Op 21 oktober 2021 is op de camerabeelden van de statische camera die op Growshop [winkel 1] gericht is, te zien dat [medeverdachte 3] aan komt rijden in een Volkswagen Crafter met Duits kenteken [kenteken 3] . Vervolgens is te zien dat [medeverdachte 1] vier jerrycans inlaadt. Door het observatieteam is gezien dat [medeverdachte 3] met de Volkswagen Crafter de grens over rijdt en uiteindelijk stopt bij de loods aan de [straat] . Hier laadt hij meerdere dozen uit.
Op 26 oktober 2021 straalt de telefoon van [naam] een zendmast aan die in de directe omgeving van [plaats 1] staat. Die middag ziet het observatieteam drie voertuigen bij de loods aan de [straat] in [plaats 1] . Twee van deze voertuigen, de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] en de Mazda 3 met kenteken [kenteken 4] , zijn ook gezien bij [winkel 1] , bij de woningen van [naam] en [medeverdachte 3] en/of aan het [adres 10] (de verblijfplaats van [verdachte] ).
Uit de bakengegevens van de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] blijkt dat dit voertuig op 12 november 2021 naar Duitsland rijdt. Het voertuig stopt vervolgens bij de woning van [naam] , de huurder van de loods aan de [straat] . Hierna rijdt het voertuig door naar de [straat] in [plaats 1] , waar het voertuig ongeveer een half uur blijft staan. Dit is in de directe nabijheid van de loods aan de [straat] .
Het telefoonnummer van [verdachte] beweegt gelijktijdig mee met de Renault Clio. Op de camerabeelden van een tankstation gelegen aan de [nummer 3] wordt [verdachte] ook herkend als de bestuurder van de Renault Clio.
Op 18 november 2021 wordt door het observatieteam gezien dat [naam] , [medeverdachte 3] en een onbekende vrouw in de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] naar [plaats 1] rijden en daar stoppen bij de loods aan de [straat] . De Renault Clio wordt vervolgens achteruit de loods ingereden. Ongeveer tien minuten later vertrekt de Renault Clio weer. Deze rijdt vervolgens naar de hennepkwekerij in [plaats 2] .
[medeverdachte 3] heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij voedingsmiddelen heeft opgehaald en weggebracht naar de loods in [plaats 1] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat er in de loods aan de [straat] een hennepkwekerij van aanzienlijke omvang heeft gezeten. [naam] verklaart hierover, [medeverdachte 3] verklaart over het hiernaar toe brengen van voedingsmiddelen, via EncroChat en Sky ECC worden berichten gedeeld die duiden op een in werking zijnde hennepkwekerij en tot slot blijkt uit de zendmastgegevens, bakengegevens en observaties dat er meerdere verdachten met enige regelmaat bij de loods komen en daar dan ook langere tijd verblijven.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden, maar dat deze beperkt dient te worden tot de periode van eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021. Hoewel er aanwijzingen zijn dat er ook op een eerder moment al activiteiten zijn geweest, kan niet bewezen worden dat er op dat moment al hennep werd geteeld. Op 27 oktober 2020 stuurt [medeverdachte 3] via Sky ECC naar [medeverdachte 1] een aantal foto’s met de tekst “de eerste is klaar". Op de foto’s - die overeenkomsten vertonen met de loods aan de [straat] zijn rijen met potten te zien. De hennepkwekerij is op dat moment kennelijk gereed.
Gelet op onder andere de hiervoor aangehaalde chatgesprekken uit oktober, november en december 2020 acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (‘ [naam] ’) tijdens de gehele bewezenverklaarde periode bij deze kwekerij betrokken is geweest.
Ten aanzien van 'medeplegen' stelt het hof voorop dat vereist is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het voltooien van het delict. Hiervoor moet sprake zijn van een intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict, die van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan het hof rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verdachte moet een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het telen van hennep. Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] meerdere keren in de hennepkwekerij in [plaats 1] is geweest en dat hij daar ook diverse werkzaamheden heeft verricht. De rol van [verdachte] is van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen. Het hof zal derhalve het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen achten
Hennepkwekerij te [plaats 2] (feit 2)
Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie binnen in een pand aan de [adres 2] te [plaats 2] . Het pand betreft een voormalig restaurant met op de begane grond een kegelbaan. Op de voormalige kegelbaan treft de politie een hennepkwekerij aan. In één gedeelte van de kwekerij staan 836 potten, waarvan er 311 beplant zijn met stekken. In het andere gedeelte staan 858 potten die enkel gevuld zijn met plantenaarde en granulaat. Verder vindt de politie onder meer droognetten, plantenresten (vermoedelijk hennep) en plantenmest van het merk ‘Dutch Pro’.
[naam] heeft verklaard dat zij in november of december 2020 voor het eerst is meegegaan om wiet te knippen. Zij heeft wiet geknipt in een pand van [restaurant] in de buurt van [plaats 9] . Deze locatie noemde ze ' [locatie] '. In de rechter ruimte heeft ze 845 planten geteld en in het andere deel stonden er nog meer. Ze is daar drie keer geweest om wiet te knippen.
Later hoorde zij dat het in [plaats 2] was.
Dat de locatie in [plaats 2] de bijnaam ‘ [locatie] ’ had, blijkt ook uit het onderzoek aan de Samsung Galaxy S9+ die tijdens de doorzoeking in de woning van medeverdachte [naam] in beslag is genomen. Op deze telefoon zijn verschillende notities aangetroffen waarop staat vermeld wat er op bepaalde locaties wel of niet aanwezig is. De locaties die hierbij worden genoemd zijn onder andere ‘ [locatie] ’, ‘ [locatie] ’ en ‘ [locatie] ’.
De namen ‘ [locatie] ’ en ‘ [locatie] ’ komen Zoals hiervoor bij de hennepkwekerij in [plaats 1] al genoemd ook terug op een notitieblokje dat op 21 mei 2021 door de Duitse politie wordt gevonden in een Volvo XC60 met Nederlands kenteken. Deze Volvo staat op dat moment bij de hennepkwekerij in [plaats 3] . Het vermoeden is dat er meerdere personen aanwezig waren in deze kwekerij op het moment dat de Duitse politie is binnengetreden, maar dat zij er vervolgens snel vandoor zijn gegaan en daarbij de Volvo hebben achtergelaten. In het notitieblokje staat één notitie met bovenaan ‘ [locatie] ’ en een andere met bovenaan ‘ [locatie] ’. Bij beide notities staan daaronder artikelen die gebruikt worden bij het telen van hennep, waarbij vermeld wordt hoeveel er van elk artikel nodig is.
In uitgeluisterde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 3] en [naam] wordt meerdere malen gesproken over ‘ [locatie] ’. Op 5 januari 2022 blijkt dat [naam] vanuit Nederland onderweg is naar [medeverdachte 3] . [naam] geeft in het gesprek met [medeverdachte 3] aan dat ze al aan de overkant is en dat ze nu naar [locatie] toe rijdt. Om 13:36 uur geeft ze aan dat ze met ongeveer twee minuten bij [medeverdachte 3] is. Uit de zendmast gegevens blijk dat de GSM van [medeverdachte 3] omstreeks 13:45 uur [zendmast] aanstraalt. Dit is een zendmast is in de omgeving van [plaats 2] .
Ook is uit de hierna te noemen EncroChat- en Sky ECC-berichten in combinatie met het overige bewijs op te maken dat ‘ [locatie] ’ betrekking heeft op de hennepkwekerij in [plaats 2] .
Uit het proces-verbaal van bevindingen 'EncroChats hennepkwekerij [plaats 9] ' blijkt onder meer het volgende:
[medeverdachte 1] heeft het account [accountnaam] opgeslagen onder de naam ' [naam] '.
Op 29 maart 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met [accountnaam] . [accountnaam] geeft aan dat iemand hem gevraagd heeft voor 100 stekjes en dat hij navraag zal doen. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij het nu niet kan regelen omdat hij thuis is. [accountnaam] is iets bij elkaar aan het brengen en vraagt aan [medeverdachte 1] aan wie hij het kan geven. [medeverdachte 1] chat dat hij aan [medeverdachte 3] kan geven die naar [plaats 9] komt.
Op 30 maart 2020 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] contact met elkaar. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij aan het knippen is en dat de stekken morgen komen. [medeverdachte 1] geeft aan dat [medeverdachte 3] bij [naam] langs moet gaan om te kijken naar de weed.
Verder wordt er op 30 maart 2020 gechat over voeding. Door [medeverdachte 3] wordt aangegeven dat er een probleem is voor een auto met Nederlands kenteken. [medeverdachte 1] vraagt of hij dan niet een auto van [naam] mee kan nemen. Hij moet zeggen dat hij naar [plaats 9] moet. [medeverdachte 1] laat de ‘ [naam] ' ook naar [plaats 9] komen om geld te brengen.
Op 31 maart 2020 wordt door [medeverdachte 1] een lijst met voedingsmiddelen voor het kweken van hennep gestuurd aan [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] neemt vervolgens contact op met [medeverdachte 2] en vraagt of hij de Volvo kan meenemen omdat hij voeding naar Duitsland moet brengen; dat is voor [naam] . [medeverdachte 3] neemt vervolgens contact op met [medeverdachte 1] en geeft aan dat hij gaat vertrekken. [medeverdachte 3] vraagt aan [medeverdachte 1] of de prijs hetzelfde is omdat de kwaliteit wel laag is. [medeverdachte 1] geeft aan dat de prijs nog wel een puntje naar beneden kan. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij de Encro van [medeverdachte 3] doorgeeft aan de ' [naam] '.[medeverdachte 1] geeft vervolgens aan [accountnaam] de encronaam [gebruiker] door en zegt daarbij dat [medeverdachte 3] vandaag naar [plaats 9] komt. [accountnaam] vraagt aan [medeverdachte 1] hoelang [medeverdachte 3] in [plaats 9] blijft, want hij moet nog geld verzamelen.Later die dag (31 maart 2020) geeft [accountnaam] aan [medeverdachte 1] aan dat hij '10 k' aan [medeverdachte 3] heeft gegeven. [medeverdachte 1] chat vervolgens aan [medeverdachte 3] dat hij naar ‘ [naam] ’ moet gaan om te kijken wat hij heeft gedaan.
Op 21 april 2020 chat [medeverdachte 1] met [accountnaam] over het leveren van 'gras'.
Op 27 mei 2020 wordt er tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gechat wanneer [medeverdachte 3] weggaat en dat het beter is dat hij in de auto met het Duitse kenteken gaat. [medeverdachte 3] moet hierover overleg hebben met [naam] . [medeverdachte 1] chat aan [medeverdachte 3] : "Jij moet van [naam] segen dat je van dar moet je direct naar [locatie] water geven".
Op 29 mei 2020 chatten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] over een knipmachine van België die mogelijk in de loods staat. [medeverdachte 3] moet in verband hiermee mogelijk langs [locatie] .
Uit het proces-verbaal bevindingen ‘onderzoek chats tussen Sky-accounts [accountnaam] dat het hof hiervoor heeft gekoppeld aan [medeverdachte 3] en [accountnaam] (dat het hof hiervoor heeft gekoppeld aan [medeverdachte 1])’ blijkt onder mee het volgende:
Op 22 juli 2020 chat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] dat hij met ‘ [locatie] ’ heeft gesproken en dat ze morgen bij [medeverdachte 1] willen komen om te praten. [medeverdachte 1] geeft aan dat ze wel naar [plaats 6] mogen komen bij de IKEA en Mc Donalds. Dit gaat [medeverdachte 3] doorgeven.
Op 20 augustus 2020 vraagt [medeverdachte 3] om het KvK-nummer aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] geeft aan dat hij dat moet doorgeven aan [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] verstuurd vervolgens om 07.35 uur twee foto’s van zijn Uittreksel van de Kamer van Koophandel. Het nummer [nummer 4] is gekoppeld aan [winkel 1] , [adres 11] in [plaats 7] . Ook is hier op het woonadres van [medeverdachte 1] te zien ( [adres 12] in [plaats 6] ).
Op 25 augustus 2020 geeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] aan dat hij op 26 augustus 2020 naar [bedrijf 2] gaat als gevolg van een onjuiste levering. Deze levering van goederen was bestemd voor ‘ [locatie] ’. Hij gaat het wisselen en komt dan naar [plaats 7] .
Op 4 januari 2021 geeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] de opdracht om eerst [plaats 9] klaar te maken.
[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij twee keer hennep heeft geknipt in [plaats 2] .
Uit de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 3] , [naam] en [verdachte] blijkt dat zij in de maanden oktober 2021 tot en met februari 2022 regelmatig zendmasten aanstralen in of nabij [plaats 2] . De zendmasten worden voor langere periodes aangestraald.
Uit de bakengegevens van de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] , onder andere in gebruik bij [medeverdachte 3] , blijkt dat dit voertuig zowel bij [winkel 1] als bij [plaats 2] is geweest.
Op 18 november 2021 wordt door het observatieteam gezien dat [naam] , [medeverdachte 3] en een onbekende vrouw in de Renault Clio met kenteken [kenteken 2] naar [plaats 1] rijden en daar stoppen bij de loods aan de [straat] . De Renault Clio wordt vervolgens achteruit de loods ingereden. Ongeveer tien minuten later vertrekt de Renault Clio weer. Deze rijdt vervolgens naar de hennepkwekerij in [plaats 2] .
[naam] heeft verklaard dat ze tijdens kerst twee dagen heeft geslapen in [plaats 2] . Dit wordt bevestigd door een tapgesprek tussen [medeverdachte 3] en [naam] van 23 december 2021 waaruit blijkt dat [medeverdachte 3] [naam] de volgende dag mee zal nemen zodat ze het over kan nemen van [naam] . [naam] zegt tegen [medeverdachte 3] dat hij de TomTom op [plaats 10] moet zetten. [plaats 10] ligt vlakbij de veerdienst voor de overtocht richting [plaats 2] .
Uit de verklaring van [naam] blijkt dat de verdachten altijd met een veerpont in de buurt van [plaats 9] richting [plaats 2] gingen.
Op 7 december 2021 worden door de Duitse politie foto’s gemaakt van het pand aan de [adres 2] te [plaats 2] . Hierop is een wit busje te zien (een Fiat Ducato met kenteken [kenteken 5] ). Uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoons van [naam] en [medeverdachte 3] die dag een zendmast aanstralen in [plaats 2] . Tevens werd op 5 december 2021 een gesprek gevoerd tussen [naam] en [medeverdachte 3] . Hierin wordt gesproken over een Duits busje dat zij tot hun beschikking hadden. Uit de observaties blijkt het om hetzelfde busje te gaan.
Op 1 februari 2022 worden [naam] en [verdachte] door de Duitse politie gezien in [plaats 2] . Bij het pand aan de [adres 2] zien zij een witte Volkswagen Passat. Het gaat om de Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 6] . In de ochtend van 1 februari 2022 is gezien dat [verdachte] [naam] bij haar woning op heeft gehaald in deze Volkswagen Passat.Deze auto is ook een aantal keer bij [winkel 1] gezien. De eerste keer is op 18 januari 2022.Op 26 januari 2022 is deze Volkswagen Passat weer bij [winkel 1] gezien. [medeverdachte 1] was op dat moment ook in het bedrijfspand aanwezig. Daarnaast is de auto op 2 februari 2022 nog een keer bij [winkel 1] gezien. [medeverdachte 1] was toen de bestuurder van de auto.
[medeverdachte 1] is op 7 februari 2022 door de politie aangehouden. Bij de insluitingsfouillering bleek dat [medeverdachte 1] onder meer een stapeltje geld van in totaal € 540,00 bij zich had. Het stapeltje was voorzien van een handgeschreven briefje met daarop "23- [naam] ". Uit de inhoud van de al eerder genoemde tapgesprekken op 23 december 2021 tussen [naam] en [medeverdachte 3] blijkt dat [naam] in de periode tot en met 23 december 2021 in de hennepkwekerij in [plaats 2] aan het werk was.Het hof concludeert hieruit dat dit geld voor [naam] bestemd was als betaling voor de werkzaamheden in [plaats 2] op 23 december 2021.
Het NFI heeft vergelijkend onderzoek gedaan met enerzijds monsters hennep uit de Growshop [winkel 1] en anderzijds monsters hennep uit de hennepkwekerij in [plaats 2] . Het NFI heeft geconcludeerd dat de DNA-profielen van beide monsters volledig overeen komen. Dit betekent dat het materiaal afkomstig kan zijn van dezelfde moederplant.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] een hennepkwekerij van aanzienlijke omvang heeft gezeten. De verklaring van [naam] past bij de aangetroffen situatie, [medeverdachte 3] heeft bekend dat hij hennep heeft geknipt in [plaats 2] en uit de zendmastgegevens, bakengegevens en observaties volgt dat meerdere verdachten met enige regelmaat bij het pand komen en daar dan ook langere tijd verblijven.
Op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen oordeelt het hof dat voldoende is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het telen van hennep in [plaats 2] . Uit de verklaring van [naam] , de zendmastgegevens en de observaties blijkt dat [verdachte] meerdere keren in [plaats 2] is geweest en dat hij in de kwekerij ook hennep heeft geknipt. Het hof zal derhalve het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen achten.
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde periode voor verdachte beperkt dient te worden tot de periode van 1 januari 2022 tot en met 7 februari 2022. Uit de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat zijn gsm de masten nabij [plaats 2] aanstraalt vanaf januari 2022 en er ook overigens geen bewijs is voor eerdere betrokkenheid..
Hennepkwekerij te [plaats 3] (feit 3)
Op 21 mei 2021 wordt er door de Duitse politie in een pand aan de [adres 3] te [plaats 3] een hennepkwekerij aangetroffen. Het pand betreft een voormalig hotel en restaurant met een bowlingbaan. Op de voormalige bowlingbaan treft de politie een hennepkwekerij aan van in totaal 1414 hennepplanten.
Op het moment van het betreden van de hennepkwekerij werd er hennep geknipt.
In het pand aan de [adres 3] te [plaats 3] vindt de politie in een slaapvertrek een portemonnee met het rijbewijs van [naam] en een kentekenbewijs dat eveneens op haar naam staat. Een zwarte Volvo XC60 met kenteken [kenteken 7] is er achtergelaten.
In de kwekerij werden twee dactyloscopische sporen van [medeverdachte 3] veilig gesteld.
In de hoofdkweekruimte werd een dactyloscopisch spoor van [verdachte] veiliggesteld. Dit is aangetroffen op een blikje Coca-Cola.
In de achtergelaten Volvo XC60 met kenteken [kenteken 7] vindt de politie een tankbonnetje van [tankstelle] Uit het Duitse onderzoek bleek bij het terug kijken naar de camerabeelden van de desbetreffende tankbeurt van 17 mei 2021 te 07.38 uur dat de bestuurder een vrouw was. Een begeleidend voertuig, die op de beelden te zien was, was de witte Fiat Ducato met het Duitse kenteken [kenteken 5] . Deze Fiat Ducato werd bestuurd door een man. [verbalisant] herkende de vrouw als zijnde [naam] en de man als zijnde [medeverdachte 3] .
[naam] heeft verklaard dat zij één keer naar de hennepkwekerij in [plaats 3] is geweest samen met onder andere [naam] , [medeverdachte 3] en [verdachte] . Ze zijn echter na een uur gevlucht omdat de politie er was.
[naam] , een Duitse verdachte, heeft verklaard dat een paartje, [naam] en [medeverdachte 3] , voor alles heeft gezorgd in de kwekerij aan de [adres 3] te [plaats 3] . Dat waren de 'tuiniers' die meestal ook bleven overnachten.
[verdachte] heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij één keer in de hennepkwekerij aan de [adres 3] in [plaats 3] is geweest om hennep te knippen en dat hij toen is gevlucht voor de politie.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [verdachte] samen met anderen op 21 mei 2021 in de hennepkwekerij was om hennep te knippen. Toen hij ongeveer een uur daar binnen was arriveerde de politie bij het pand. [verdachte] en de andere knippers zijn toen gevlucht. De politie constateerde dat er op dat moment hennep werd geknipt. [verdachte] is dus betrokken geweest bij het bewerken van de hennep. Samen met de medeverdachten zorgde hij voor het eindproduct. De voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachten is hiermee komen vast te staan. De bijdrage van [verdachte] aan het strafbare feit is van zodanig gewicht dat dit kan worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde bewerken van hennep op 21 mei 2021.
Hennepkwekerij te [plaats 4] (feit 4)
Het hof acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 13 november 2023;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 14 juli 2022, opgenomen op pagina 187 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2022030909 d.d. 24 september 2022, inhoudend het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 29 juli 2022, opgenomen op pagina 47 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2022030909 d.d. 24 september 2022, inhoudend de verklaring van [naam] .
Hennepkwekerij te [plaats 5] (feit 5)
Het hof acht het onder 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 13 november 2023;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen binnentreden [adres 5] [plaats 5] d.d. 13 juli 2022, opgenomen op pagina 146 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2022030909 d.d. 24 september 2022, inhoudend het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 juli 2022, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2022030909 d.d. 24 september 2022, inhoudend de verklaring van [naam] .
7. Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij in de periode van eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021 te [plaats 1] ) (in een pand/loods aan de [adres 1] ) en in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 7 februari 2022 te [plaats 2] (in een pand/loods aan de [adres 2] ) en in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.hij op 21 mei 2021 te [plaats 3] (in een pand/loods aan de [adres 3] ) en in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk 1414 hennepplanten heeft bewerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 4] (in een pand aan de [adres 4] te [plaats 4] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt, zijnde hennep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
5. hij in de periode van 1 april 2022 tot en met 12 juli 2022 te [plaats 5] (in een pand aan de [adres 5] te [plaats 5] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en bereid en bewerkt, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde levert telkens op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
9. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
10. Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gedurende langere tijd en op grote schaal beziggehouden met het telen van hennep. Vanuit de onderneming [winkel 1] in [plaats 7] werden omvangrijke hennepkwekerijen in Duitsland aangestuurd. Verdachte is bij drie hennepkwekerijen in Duitsland, al was het soms voor korte tijd, betrokken geweest. Het exploiteren van deze hennepkwekerijen gebeurde in georganiseerd verband en op professionele wijze. Nadat deze hennepkwekerijen in Duitsland zijn ontdekt door de politie, is verdachte zelf (samen met weer anderen) verder gegaan met hennepteelt en heeft in Nederland twee hennepkwekerijen opgezet en geëxploiteerd. Verdachte heeft zich aldus gedurende langere tijd in het illegale hennepcircuit begeven en heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de grootschalige teelt en handel in softdrugs met alle daarbij komende (maatschappelijke) problemen.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 januari 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook een drugsdelict (in 2007). Er is dus sprake van recidive, maar dit betreft veroordelingen uit 2008 en ouder. Dit weegt slechts licht strafverzwarend mee.
Door de verdediging is ter zitting van het hof naar voren gebracht dat verdachte een ondergeschikte rol had bij de hennepkwekerijen in Duitsland en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof stelt vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof volstaat, gelet op de relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn (circa drie maanden) in het licht van de complexiteit van de zaak,, met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van enige duur passend en geboden is. Het hof komt tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
11. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 124.409,01 (materiële schade) ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof is het eens met de beslissing van de rechtbank en volgt deze.
Hoewel aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde, beschikt het hof over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De benadeelde partij is na het vonnis van de rechtbank al geruime tijd in de gelegenheid geweest (sinds er hoger beroep is ingesteld op 3 januari 2024) om de hoogte van de schade alsnog aan te tonen, maar heeft slechts een aantal foto's van de woning gestuurd waarin de hennepkwekerij was. Op de foto's is te zien dat het een rommel is in die woning. Daarmee is de hoogte van de schade die het gevolg is van de kwekerij nog steeds niet aangetoond. Het hof zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
12. Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. M.C. van Linde en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 april 2026.