[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende te [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de [P.I.] .
Hoger beroep
[verdachte] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 16 februari 2026 en 3 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. G.J. Woodrow, hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 22 december 2023 het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 393.171,48 en heeft aan [verdachte] de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 393.171,48.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 735.444.65, maar heeft dit ter zitting van de rechtbank verlaagd naar € 506.313,89. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan [verdachte] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 393.171,48 en dat [verdachte] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in hoger beroep bepleit dat het te ontnemen bedrag fors gematigd dient te worden. Er is bij de kwekerijen veel minder voordeel genoten dan door de rechtbank is vastgesteld.
De rechtbank is bij de berekening van het voordeel ten onrechte uitgegaan van standaardberekeningen. Er werd een speciaal soort hennepplant gekweekt, namelijk het soort ‘ [naam] ’. Dit soort heeft een gemiddelde kweekcyclus van 12 weken. Het knippen en drogen van de planten duurt tenminste 2 weken. Het opruimen duurt 1 week en opnieuw stekken planten duurt ook weer 2 weken. Een totale kweekcyclus is dus zeker 17 weken.
Dit betekent dat bij de kwekerij in [plaats] maximaal 2 oogsten zijn geweest. In [plaats] zouden er driemaal 800 planten geknipt zijn (op basis van de verklaring van [naam] ). In [plaats] zou er hoogstens 1 oogst meegerekend kunnen worden, want 1 oogst is gestolen en de laatste kweek is inbeslaggenomen.
De verdediging is het met de rechtbank eens dat [verdachte] zich met betrekking tot de kwekerijen tussen de organisatorische laag en de uitvoerende laag bevond. Hij hield zich onder meer bezig met de verzorging en het knippen van de hennepplanten. Hij werd als personeel behandeld en ontving geen percentage van de winst. Hij werd per klus betaald, net zoals de knippers. Hoeveel hij in totaal betaald kreeg weet hij niet meer. De schatting is dat dit ligt tussen de € 12.000,00 en € 15.000,00.
De verdediging heeft verzocht om het onder [naam] (de partner van [verdachte] ) in beslag genomen en verbeurd verklaarde geld, te weten € 45.000,00, af te trekken van de betalingsverplichting van [verdachte] . Het door [verdachte] verkregen voordeel uit de hennepkwekerijen zat in die € 45.000,00 die bij [naam] lag. Feitelijk is het wederrechtelijk verkregen voordeel hem al ontnomen. De betalingsverplichting dient daarom om nihil gesteld te worden.
Tot slot verzoekt de raadsman om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en daarom korting te geven op het te betalen bedrag.
Feiten waarop de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd
[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2023 veroordeeld tot straf voor, onder meer:
Uit het dossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [verdachte] uit het bewezenverklaarde handelen (feiten 1, 2 en 3) financieel voordeel heeft genoten.
Bewijsmiddelen
Met betrekking tot het door [verdachte] verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel
gebruikt het hof de volgende bewijsmiddelen:
Berekening
Het hof gaat bij de schatting van de kweekcyclus bij de hennepteelt uit van de standaardberekeningen beschreven in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016, tenzij het hof anders vermeldt.
Op basis van het bewijs in het onderliggende vonnis in de hoofdzaak stelt het hof vast dat [verdachte] zich met betrekking tot de kwekerijen tussen de organisatorische laag en de uitvoerende laag bevond. De verdediging heeft aangegeven het hiermee eens te zijn. Zoals door de verdediging zelf is aangevoerd, gaat het hof er eveneens vanuit dat [verdachte] niet meedeelde in de winst. Het hof gaat er vanuit dat [verdachte] per oogst werd betaald voor zijn werkzaamheden. In de Sky ECC-berichten wordt gesproken over betaling van € 10.000,00 door [naam] en [naam] (organisatoren/leiders kwekerijen) aan [verdachte] . Hoewel dit gesprek ook aanleiding kan zijn te veronderstellen dat hij van ieder van hen dit bedrag zou ontvangen zal het hof, vanwege het feit dat de tekst daarover te weinig concreet is, in het voordeel van [verdachte] uitgaan van het bedrag van € 10.000,00. Gelet hierop schat het hof de verdiensten van [verdachte] op € 10.000,00 per oogst.
Hennepkwekerij [plaats]
Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie binnen in een loods aan [adres] . De politie treft daar enkel pallets met hennepgerelateerde goederen aan. Echter, uit het onderzoek - en dan met name uit het onderzoek aan het berichtenverkeer via de beveiligde communicatiediensten EncroChat en Sky ECC - is gebleken dat hier een hennepkwekerij heeft gezeten. Op 27 oktober 2020 stuurt [verdachte] via Sky ECC naar [naam] een aantal foto’s met de tekst “de eerste is klaar”. Op de foto’s - die overeenkomsten vertonen met de loods aan de [adres] - zijn rijen met potten te zien. Deze potten zijn door de politie geteld en het blijkt te gaan om 1399 potten.
De bewezenverklaarde kweekperiode is vanaf eind oktober 2020 tot en met 21 november 2021. Dit betreft een periode van 51 weken. Het hof gaat uit van de standaard kweekcyclus van 10 weken, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat in deze kwekerij hennepplanten van het soort [naam] hebben gestaan (met een langere kweektijd). Uitgaande van een kweekcyclus van 10 weken zouden er dus maximaal 5 oogsten geweest kunnen zijn. In het voordeel van [verdachte] gaat het hof uit van 4 oogsten.
Uitgaande van 4 oogsten heeft [verdachte] € 40.000,00 (4 x € 10.000,00) wederrechtelijk voordeel verkregen van de hennepkwekerij in [plaats] .
Hennepkwekerij [plaats]
Op 7 februari 2022 treedt de Duitse politie binnen in een pand aan [adres] . De politie treft hier een hennepkwekerij aan met 1694 planten.
Door de rechtbank is bewezen verklaard dat [verdachte] medepleger is geweest bij de hennepteelt in deze kwekerij. De bewezenverklaarde kweekperiode is vanaf november 2020 tot en met 7 februari 2022. Dit betreft een periode van 66 weken. Het hof gaat uit van de standaard kweekcyclus van 10 weken, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat in deze kwekerij hennepplanten van het soort [naam] hebben gestaan (met een langere kweektijd). Uitgaande van een kweekcyclus van 10 weken gaat het hof uit van 6 oogsten.
Uitgaande van 6 oogsten heeft [verdachte] € 60.000,00 (6 x € 10.000,00) wederrechtelijk voordeel verkregen van de hennepkwekerij in [plaats] .
Hennepkwekerij [plaats]
Op 21 mei 2021 wordt er in een pand aan [adres] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 1414 hennepplanten.
Door de rechtbank is bewezen verklaard dat [verdachte] medepleger is geweest bij de hennepteelt in deze kwekerij. De bewezenverklaarde kweekperiode is april 2020 tot en met 21 mei 2021. Dit betreft een periode van ruim 50 weken. Uit de stukken blijkt dat in deze kwekerij waarschijnlijk hennepplanten van het soort ‘ [naam] ’ stonden. Deze soort heeft een langere kweekcyclus, namelijk circa 13 weken. Het dossier bevat verder sterke aanwijzingen dat er een diefstal van hennep heeft plaatsgevonden in de bewezenverklaarde periode. Dit in aanmerking nemende neemt het hof 3 oogsten mee in de berekening.
Uitgaande van 3 oogsten heeft [verdachte] € 30.000,00 (3 x € 10.000,00) wederrechtelijk voordeel verkregen van de hennepkwekerij in [plaats] .
Totaal
Dit leidt tot vaststelling van het door [verdachte] genoten wederrechtelijk voordeel als volgt:
Verplichting tot betaling aan de Staat
Er is geen aanleiding tot vermindering van de betalingsverplichting.
De verdediging heeft bepleit dat het onder [naam] in beslag genomen en verbeurd verklaarde geld (€ 45.000,00) bij [verdachte] in mindering dient te worden gebracht op de betalingsverplichting. [verdachte] stelt dat dat zijn geld is. Aangezien dat bedrag al bij [naam] in mindering is gebracht in haar ontnemingszaak, wordt dit door het hof niet ook nog bij [verdachte] in mindering gebracht bij zijn ontnemingszaak. Voor zover [verdachte] claimt dat dit geld van hem was, dient hij daarvoor een andere weg te zoeken om dit geld (eventueel) terug te krijgen.
Er is in de appèlfase wel sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof volstaat, gelet op de relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn (circa drie maanden), met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.
Aan [verdachte] dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, daarom de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 130.000,00.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 130.000,00 (honderddertigduizend euro).
Legt de [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 130.000,00 (honderddertigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. M.C. van Linde en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 april 2026.