ECLI:NL:GHARL:2026:1990

ECLI:NL:GHARL:2026:1990

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 21-002014-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

De militaire kamer van het hof spreekt verdachte vrij ten aanzien van groepsbelediging, omdat het hof van oordeel is dat de verdachte zich bij het versturen van een aantal verweten berichten niet in het openbaar als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht heeft uitgelaten , terwijl van de overige verweten berichten niet gezegd kan worden dat zij – zonder nadere context – beledigend zijn. De militaire kamer van het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van zitting van het hof van 19 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Sterk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De militaire kamer van de rechtbank heeft bij vonnis van 29 april 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2 en de verdachte voor het tenlastegelegde onder feit 3, feit 4 en feit 5 veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een geldboete van € 1.200,-, subsidiair 22 dagen hechtenis. Ook is een beslissing genomen over het beslag.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 3, 4 en5 op goede gronden en juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van die feiten dan ook bevestigen.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 komt het hof op andere gronden dan de rechtbank tot vrijspraak. Het hof zal het vonnis ten aanzien van die feiten dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2021 tot en met 20 april 2022 te [plaats] , althans in Nederland, zich (telkens) in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door de volgende berichten te plaatsen en/of verspreiden in de WhatsAppgroepen [Whatsappgroep 1] en/of [Whatsappgroep 2] :

- de tekst “EIN FÜHRER” (als reactie op een geplaatst filmpje waarin verdachte samen met een ander een Hitlergroet brengt, en door anderen geschreven wordt “Ein Reich” en “Ein Volk”) en/of

- de tekst “We vormen een knokploeg” en “Zoals de bruinhemden dat deden tijdens de kristal nacht” en/of

- de tekst “Tschuss hakenkruz” en/of

- een foto waarop de arm van een persoon die een Duitse vlag op zijn uniform heeft te zien is, met daarbij de tekst: “Deutschland Uber Allen” (als reactie op een geplaatste foto waarin iemand een Hitlergroet brengt, met daarbij de tekst “KREBS JUDE!”) en/of

- een foto waarop een nachtkijker te zien is, gevolgd door de tekst “Nu kan ik joden in de nacht jagen” en/of

- een foto waarop verdachte te zien is, terwijl hij de Hitlergroet brengt en een Nazi hoofddeksel, voorzien van een Totenkopf, draagt;

- een foto waarop een taart met een hakenkruis te zien is, met daarbij de tekst: “Gefeliciteerd met de führer” en/of

- een sticker waarop verdachte te zien is, terwijl hij de Hitlergroet brengt en een Nazi hoofddeksel, voorzien van een Totenkopf, draagt, met daarbij de tekst “U bent genazificeerd” en/of

- meerdere stickers waarop Hitler en/of de Hitlergroet en/of hakenkruizen en/of Jodensterren te zien zijn,

- een video waarin het Duitse volkslied wordt gezongen, terwijl iemand daarbij de Hitlergroet brengt en/of

- een video waarin het (Duitse) marslied “Erika” wordt gezongen, terwijl personen daarbij de Hitlergroet brengen;

en verdachte van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juni 2021 tot en met 24 september 2021 te [plaats] , althans in Nederland, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating openbaar heeft gemaakt die, naar hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend was, door de volgende berichten te plaatsen en/of verspreiden in de WhatsAppgroepen [Whatsappgroep 1] en/of [Whatsappgroep 2] :

- de tekst “EIN FÜHRER” (als reactie op een geplaatst filmpje waarin verdachte samen met een ander een Hitlergroet brengt, en door anderen geschreven wordt “Ein Reich” en “Ein Volk?” en/of

- de tekst “We vormen een knokploeg” en “Zoals de bruinhemden dat deden tijdens de kristal nacht” en/of

- de tekst “Tschuss hakenkruz” en/of

- een foto waarop de arm van een persoon die een Duitse vlag op zijn uniform heeft te zien is, met daarbij de tekst: “Deutschland Uber Allen” (als reactie op een geplaatste foto waarin iemand een Hitlergroet brengt, met daarbij de tekst “KREBS JUDE!”) en/of

- een foto waarop een nachtkijker te zien is, gevolgd door de tekst “Nu kan ik joden in de nacht jagen” en/of

- een foto waarop verdachte te zien is, terwijl hij de Hitlergroet brengt en een Nazi hoofddeksel, voorzien van een Totenkopf, draagt;

- een foto waarop een taart met een hakenkruis te zien is, met daarbij de tekst: “Gefeliciteerd met de führer” en/of

- een sticker waarop verdachte te zien is, terwijl hij de Hitlergroetbrengt en een Nazi hoofddeksel, voorzien van een Totenkopf, draagt, met daarbij de tekst “U bent genazificeerd” en/of

- meerdere stickers waarop Hitler en/of de Hitlergroet en/of hakenkruizen en/of Jodensterren te zien zijn,

- een video waarin het Duitse volkslied wordt gezongen, terwijl iemand daarbij de Hitlergroet brengt en/of

- een video waarin het (Duitse) marslied “Erika” wordt gezongen, terwijl personen daarbij de Hitlergroet brengen;

en verdachte van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken. De berichten die in de WhatsAppgroep [Whatsappgroep 1] zijn geplaatst zijn niet in het openbaar geplaatst. De Whatapp-groep [Whatsappgroep 1] betrof een besloten groep en het was niet voorzienbaar en te verwachten dat de berichten verder zouden worden verspreid.

De berichten die in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2] zijn geplaatst, zijn volgens de raadsman niet als beledigend aan te merken.

Oordeel van het hof

Vaststaat dat verdachte de tenlastegelegde berichten in de WhatsAppgroepen [Whatsappgroep 1] en [Whatsappgroep 2] heeft geplaatst. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of verdachte zich met het plaatsen van die berichten schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 137c (groepsbelediging) dan wel artikel 137e (openbaar maken beledigende uitlatingen) van het Wetboek van Strafrecht.

Juridisch kader

Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) stelt strafbaar het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

Toetsingskader artikel 137c Sr

In de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn toetsingscriteria ontwikkeld met betrekking tot de vraag of er sprake is van belediging van een groep mensen. Of er sprake is van belediging dient te worden beantwoord aan de hand van de volgende toetsingscriteria:

Eerste criterium: is de inhoud van de uitlatingen beledigend?

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld in hoeverre de uitlatingen, op zichzelf beschouwd, beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst, of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele geaardheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. Hierbij wordt gekeken naar de feitelijke bewoordingen, als ook naar de samenhang met de rest van de tekst. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (HR 30 oktober 2001, LJN AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder artikel 137c, eerste lid, Sr als men de mensen behorend tot die groep collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn (HR 10 maart 2009, LJN BF0655).

Tweede criterium: neemt de context het beledigende karakter weg?

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating kan wegnemen, indien de uitlating een bijdrage kan leveren aan of dienstig is aan en publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. De reikwijdte van die context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Derde criterium: zijn de uitlatingen onnodig grievend?

De derde toets betreft de beoordeling of de beledigende uitlating, die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, niettemin toch onnodig grievend is.

Openbaarheid

De Hoge Raad heeft zich in ECLI:NL:HR:2014:952 uitgelaten over de vraag wat er dient te worden verstaan onder het ‘zich in het openbaar uitlaten’ als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht en over de vraag wanneer daarvan sprake is. Volgens dat arrest dient onder het ‘zich in het openbaar uitlaten’ als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’.

Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt het volgens de Hoge Raad aan op de bijzondere omstandigheden van het geval. Tot de – al dan niet in onderling verband en samenhang te beschouwen – omstandigheden kunnen behoren:

Ten aanzien van de berichten in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1]

Het hof is van oordeel dat de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1] een besloten WhatsApp-groep betrof. Het overweegt hiertoe dat berichten die in Whatsapp worden verstuurd, end-to-end zijn versleuteld en dat zonder toevoeging van telefoonnummers door de beheerder(s) van de groep niemand buiten een WhatsApp-groep de berichten kan lezen of beluisteren. Eerder verzonden berichten zijn niet te lezen voor personen die later aan een Whatsapp-groep zijn toegevoegd.

Uit het dossier blijkt dat er op het hoogtepunt in totaal 35 leden tegelijk deel uit maakten van de WhatsApp-groep. De WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1] wisselde weliswaar van samenstelling, maar nieuwe leden werden alleen door de beheerder toegelaten nadat zij werden voorgesteld door een al bestaand lid. De leden en de voorgestelde leden kenden elkaar vanuit het uitgaansleven cq het bezoeken van (illegale) party’s. De WhatsApp-groep had, volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, vooral als functie het delen van informatie over de betreffende (illegale) feesten en het afspreken met elkaar wie naar welk feest ging. Binnen de groep werd op een soortgelijke wijze als verdachte heeft gedaan met elkaar gecommuniceerd en op elkaar gereageerd. Waarbij, naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van de verstuurde berichten en de bewoordingen daarvan, de aan verdachte verweten uitlatingen niet geëigend waren om aan de inhoud daarvan bekendheid te geven buiten de kring van personen tot wie verdachte de betreffende uitlatingen rechtstreeks richtte. Gelet daarbij op het feit dat er binnen de groep afspraken werden gemaakt over onder andere illegale feesten, acht het hof de kans dat dat de inhoud van de verweten uitlatingen ter kennis zou komen van anderen dan degenen tot wie de uitlatingen rechtstreeks gericht waren gering.

Deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, maken dat het hof van oordeel is dat de verdachte door het versturen van de verweten berichten binnen de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1] zich niet in het openbaar heeft uitgelaten als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, nu niet gezegd kan worden dat de uitlatingen ter kennis van een breder publiek zijn gebracht.

Het hof is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van de berichten die in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1] zijn verstuurd, geen sprake is van een strafbare groepsbelediging, zodat verdachte ten aanzien van deze berichten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de berichten in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2]

Het hof overweegt ten aanzien de berichten die in WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2] zijn verstuurd als volgt.

Verdachte heeft in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2] de tekst ‘Tschuss hakenkruz’ en verschillende stickers van onder andere afbeeldingen van Hitler, hakenkruizen en Jodensterren verstuurd. Het hof stelt voorop dat deze berichten uiterst onsmakelijk, choquerend en moreel verwerpelijk zijn. Zij getuigen van een grove achteloosheid ten aanzien van de historische lading van de gebruikte symboliek en kunnen bij velen diepe afkeer, verontwaardiging en verdriet oproepen.

Dat oordeel is evenwel niet beslissend voor de strafrechtelijke beoordeling. Voor een bewezenverklaring van groepsbelediging is vereist dat kan worden vastgesteld dat de uitlatingen bezien in hun concrete context, beledigend zijn voor – in het onderhavige geval - Joden als groep.

Het hof is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Er kan niet zonder meer worden gezegd dat deze berichten, zonder een context waarbij een directe link wordt gelegd naar het nationaal-socialistische gedachtegoed, beledigend zijn voor Joden, zoals ten laste is gelegd onder feit 1. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het dossier niet is gebleken van een context waarin de gebruikte uitingen een directe en concrete link leggen met het nationaal-socialistisch gedachtegoed. Hoewel de gebruikte symbolen en afbeeldingen historisch bezien onmiskenbaar zijn verbonden met dat gedachtegoed, kan zonder nadere duiding of inkadering, niet worden vastgesteld dat verdachte met deze uitingen in de gegeven context heeft beoogd daarbij aan te sluiten.

Het hof is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van de berichten die in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2] zijn verstuurd, geen sprake is van een strafbare groepsbelediging, zodat verdachte ten aanzien van deze berichten eveneens dient te worden vrijgesproken.

Het hof merkt ten overvloede op dat de hiervoor beschreven uitingen, hoewel niet strafbaar, naar hun aard onverenigbaar zijn met de normen die in het maatschappelijk verkeer en in het bijzonder binnen een organisatie als Defensie gelden ten aanzien van respect, integriteit en professioneel optreden. Dergelijke uitingen kunnen afbreuk doen aan het vertrouwen in en het aanzien van Defensie als organisatie en horen daar absoluut niet thuis.

Op dezelfde gronden en om dezelfde redenen als waarop het hof hiervoor is gekomen tot een vrijspraak van groepsbelediging als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht en zoals onder feit 1 tenlastegelegd, acht het hof ook niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht zoals onder feit 2 tenlastegelegd. Ook ten aanzien van feit 2 heeft te gelden dat ten aanzien van de berichten verstuurd in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 1] niet gezegd kan worden dat zij openbaar zijn gemaakt, terwijl van de berichten in de WhatsApp-groep [Whatsappgroep 2] niet gezegd kan worden dat zij – zonder nadere context – beledigend zijn.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 1 en feit 2 en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 en feit 2 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven hoofddeksel SS-Tofenkopf.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. R.H. Koning en commandeur mr. F.E. Venema, militair lid, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 april 2026.

Commandeur mr. F.E. Venema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?