[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
momenteel uit anderen hoofde gedetineerd in de PI [locatie] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen. Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 januari 2024.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 juni 2024 (regiezitting), 28 november 2025 en 19 maart 2026, op de zitting bij de rechtbank van 31 januari 2023 en op de zitting bij de politierechter op 12 januari 2024 is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voordracht aan het hof overgelegd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman,
mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht , hebben aangevoerd.
Het hof heeft ook kennisgenomen van wat de [benadeelde partij 1] naar voren heeft gebracht, wat namens de [benadeelde partij 2] naar voren is gebracht door
mr. P. van der Geest, advocate te Utrecht en wat namens het slachtoffer [slachtoffer] naar voren is gebracht door mr. A.Y. Bleeker, advocate te Amersfoort.
De vonnissen
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2023 is de verdachte vrijgesproken van het onder 16-270594-21 primair tenlastegelegde. De verdachte is wegens:
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de rechtbank op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een maatregel inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij 2] voor de duur van 2 jaar opgelegd. De rechtbank heeft de vordering van de [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Bij vonnis van de politierechter Midden-Nederland van 12 januari 2024 is de verdachte vrijgesproken van het onder 16-005343-24 tenlastegelegde. De verdachte is wegens mishandeling (het onder 16-227221-23 subsidiair bewezenverklaarde) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de politierechter op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een dadelijk uitvoerbare maatregel inhoudende een contact- en locatieverbod ten aanzien van [benadeelde partij 1] voor de duur van 2 jaar opgelegd. De politierechter heeft de vordering van de [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van de datum van het vonnis.
Het hof heeft de strafzaken in hoger beroep gevoegd behandeld. Het hof vernietigt reeds daarom de vonnissen en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-270594-21:
primair: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 tot en met 11 september 2021 te [plaats] meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of oren van [slachtoffer] en/of - het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en/of - het afknippen van de paardenstaart van die [slachtoffer] en/of - het tegen de buik schoppen van die [slachtoffer] en/of - het gooien van chloor, althans een (bijtende) vloeistof, over die [slachtoffer] en/of - het wurgen van die [slachtoffer] en/of - het drukken van een brandende sigaret tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of - het met een schaal slaan tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] , [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina en/of anus van die I/ [slachtoffer] ;
subsidiair: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 tot en met 11 september 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door - het slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of oren van [slachtoffer] en/of - het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en/of - het afknippen van de paardenstaart van die [slachtoffer] en/of - het tegen de buik schoppen van die [slachtoffer] en/of - het gooien van chloor, althans een (bijtende) vloeistof, over die [slachtoffer] en/of - het wurgen van die [slachtoffer] en/of - het drukken van een brandende sigaret tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of - het met een schaal slaan tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] ;
Zaak met parketnummer 16-105237-22:
primair hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2022 tot en met 25 april 2022 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [benadeelde partij 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere ma(a)l(en) (met kracht) in/op het gezicht en/of de borstkas en/of de rib(ben), althans het lichaam, van [benadeelde partij 2] heeft geslagen/gestompt en/of de arm(en) en/of de borst(en) en/of de hals/keel heeft vastgepakt/gegrepen en/of heeft dicht geknepen en/of dicht gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2022 tot en met 25 april 2022 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [benadeelde partij 2] , heeft mishandeld door een of meerdere ma(a)l(en) (met kracht) in/op het gezicht en/of de borstkas en/of de rib(ben), althans het lichaam, van [benadeelde partij 2] te slaan/stompen en/of de arm(en) en/of de borst(en) en/of de hals/keel vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of dicht te houden;
Zaak met parketnummer 16-227221-23:
primair: hij op of omstreeks 5 september 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - [benadeelde partij 1] meermaals tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam heeft geslagen/gestompt en/of - [benadeelde partij 1] bij de keel vast heeft gepakt en haar tegen de muur omhoog heeft geduwd en/of - [benadeelde partij 1] een knietje tegen het lichaam heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair: hij op of omstreeks 5 september 2023 te [plaats] [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door: - [benadeelde partij 1] meermaals tegen het gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan/stompen en/of - [benadeelde partij 1] bij de keel vast te pakken en haar tegen de muur omhoog te duwen en/of - [benadeelde partij 1] een knietje tegen het lichaam te geven;
Zaak met parketnummer 16-005343-24:
hij op of omstreeks 1 januari 2024 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 7 september 2023 en/of de verlenging van voornoemde gedragsaanwijzing d.d. 4 december 2023, gegeven door de officier van justitie te Midden-Nederland, immers heeft verdachte opzettelijk contact gehad met [slachtoffer] , middels het zenden een bericht via WhatsApp, althans via social media, wetende dat hem, verdachte, laatstelijk op 6 december 2023 een (verlengde) gedragsaanwijzing als hierboven bedoeld was uitgereikt, onder meer inhoudende dat hij, verdachte, geen contact mag hebben met voornoemde [slachtoffer] .
Gedeeltelijke vrijspraken
Het hof is – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het in de zaak met parketnummer 16-270594-21 primair, het in de zaak met parketnummer 16-227221-23 primair en het in de zaak met parketnummer 16-005343-24 tenlastegelegde. Het hof spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gebezigde bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 september 2021 (pagina’s 13 tot en met 24 van politiedossier 1), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van aangeefster [slachtoffer] :
2. Een schriftelijk bescheid met de titel ‘letselrapportage forensische geneeskunde’ d.d. 15 november 2021, opgesteld door [naam] , forensisch arts bij GGD regio [locatie] (als los document opgenomen in het procesdossier):
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 september 2021 (pagina’s 68 tot en met 69 van politiedossier 1), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2021 (pagina’s 38 tot en met 41 van politiedossier 1), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
5. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 31 januari 2023 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaat Utrecht inhoudende als verklaring van verdachte:
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2022 (pagina’s 6 tot en met 9 van politiedossier 2), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij 2] :
2. Een schriftelijk bescheid met de titel ‘letselrapportage forensische geneeskunde’ d.d. 29 april 2022, opgesteld door [naam] , forensisch arts bij GGD regio [locatie] (als los document opgenomen in het procesdossier):
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2022 (pagina 13 van politiedossier 2), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 april 2022 (pagina’s 38 tot en met 39 van politiedossier 2), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
1. Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 12 januari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2023 (pagina’s 10 tot en met 13 van politiedossier 3a), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 7 augustus 2024 (als los document opgenomen in het procesdossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2023 (pagina’s 102 en 103 van politiedossier 3b), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
6. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 12 september 2023 (pagina’s 107 tot en met 148 van politiedossier 3b), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op overwegend goede gronden heeft beslist. Het hof zal in het navolgende de door de rechtbank en politierechter gebezigde bewijsmiddelen overnemen, met op onderdelen een weglating, aanvulling of verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid worden deze weglatingen, aanvullingen of verbeteringen niet expliciet aangeduid.
Zaak met parketnummer 16-270594-21:
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2021293899 en PL0900-2021292354, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 101. Het geheel aan processen-verbaal wordt hierna aangeduid als politiedossier 1.
V: Waar heb je verwondingen?
A: Nou ik heb vreselijke hoofdpijn. pijn aan de linkeroogkas en aan de rechterkant van mijn nek en aan mijn wang.
V: Waar doe je aangifte van?
A: Ik doe aangifte van mishandeling.
V: En waar bestond de mishandeling uit?
A: Nou hij sloeg mij, ik heb een snee van een porseleinen schaal, hij heeft mij daarbij geslagen. Hij heeft mij op het achterhoofd geraakt.
V: Ik zie veel letsel in het gezicht, is dat allemaal door het slaan gebeurd?
A: Ja.
V: Wanneer is het gebeurd?
A: Vrijdag en zaterdag. Ik bedoel daarmee 10 en 11 september 2021.
V: Waar is het gebeurd?
A: [plaats] , [straat] , dat is de woning van [verdachte] .
V: Tegen wie doe je aangifte?
A: [verdachte] .
V: Vertel eens alles over wat er gebeurd is afgelopen weekend?
A: Ik ben donderdag 9 september om 07.00 uur uit [plaats] vertrokken. Hij begroette mij en hij kwam mij ophalen bij de bus. Toen we thuis binnen kwamen, begon de hel. Hij sloeg mij in mijn gezicht. Hij trok mij aan mijn haren naar boven. Ik was boven en hij duwde mij op het bed en hij ging op mijn rug zitten. Hij heeft mijn paardenstaart afgeknipt want ik had lang haar. Hij heeft mij tegen de buik geschopt toen ik op stond en ik moest me van hem uit kleden en gaan douchen. Ieder keer zei hij dat ik met mannen in de bus had geneukt en iedere keer sloeg hij mij en hij zei dat ik dit moest vertellen. Hij sloeg me, hij wurgde mij. Ik zat op de bank, hij sloeg mij in het gezicht. Op een gegeven moment wurgde hij mij zo hard dat het zwart werd voor mijn ogen, dat ik dacht dat ik dood ging. Dit was nog steeds op vrijdag. Hij liet me los, hij wachtte nog eventjes en hij sloeg me twee keer. Ik kon lang niet in slaap vallen, ik had overal pijn. De volgende dag en we zijn omstreeks 14.00 uur opgestaan. Hij sloeg mij in het gezicht, hij sloeg mij met zijn hand, hij sloeg aan de linkerkant en hij is heel sterk. Hij sloeg mij steeds en zei tegen mij dat ik moest zeggen dat wat hij zei waar was. Hij pakte mij beet bij mijn haar, hij trok me aan het haar naar de keuken. Toen trapte hij tegen mijn buik. Hij rookte ook een sigaret en toen begon hij mij te branden met een sigaret. We zijn weer gaan slapen. Ik dacht alleen maar in mijn hoofd, ik moet vluchten. Ik ging slapen en ’s ochtends ging ik naar beneden. We zijn naar de Albert Heijn gegaan. Ik kon niet vluchten. We gingen terug naar huis. Ik had gezien dat hij de voordeur niet op slot had gedaan. Ik heb de voordeur open gedaan en ik ben weggevlucht. Ik ging richting de [straat] en bij het eerste beste huis dat ik licht zag branden, daar ben ik naar toe gegaan. Ik liep naar de achterdeur van dat huis, want ik wist dat [verdachte] mij achterna zou komen, ik zag een jongen met een laptop in de woning zitten en ik heb tegen die jongen gezegd dat hij de politie moest bellen.
V: Hoe zijn de krassen in jouw nek ontstaan?
A: Ik zat op de bank. Hij sloeg mij in het gezicht en hij heeft met zijn vingertoppen en nagels krassen gemaakt in mijn nek.
V: Hoe is de snee op je achterhoofd ontstaan?
A: Hij heeft mij met een porseleinen of glazen schaal geslagen. Hij sloeg me met de onderkant van de schaal.
V: In het ziekenhuis bleek ook dat je twee brandwonden hebt, vertel daar eens over?
A: Hij zat tegenover mij en nadat hij 3 of 4 keer had geïnhaleerd, heeft hij de brandende sigaret op mijn lichaam gedrukt, in de buurt van mijn nek. Dat heeft hij twee keer gedaan, boven de rechterborst.
Naam: [slachtoffer]
Datum letselonderzoek: 15-11-2021
Concluderend betreft het de volgende uitwendige letsels zoals vastgelegd door de Forensisch opsporing op 13-09-2021:
- onderhuidse bloeduitstortingen rondom beide ogen;
- zwelling van de oogleden van beide ogen;
- een barstwondje op de achterzijde van de behaarde hoofdhuid;
- vlekkerige oppervlakkige huidbeschadigingen met omringende roodheid rechts in de hals;
- op het borstbeen twee oppervlakkige huidbeschadigingen;
- een oppervlakkig krasletsel op de linkerschouder;
- onderhuidse bloeduitstortingen van oudere datum op rechter bovenarm en linker schouder.
Ik ben woonachtig op de [straat] te [plaats] . Op 12 september 2021 bevond ik mij in de tuin. Omstreeks 21:45 uur schrok ik van een vrouw die plotseling naast mij stond. Ik zag dat ze in paniek was doordat zij aan het trillen was. Ik zag dat de vrouw verwond was. Ik zag dat zij paarse en opgezwollen ogen had. Ik hoorde de vrouw het volgende tegen mij zeggen: "Call the police, call the police". Ik zag dat de vrouw vervolgens naar mijn koffer greep. In deze koffer zit mijn beeldscherm. De vrouw wilde mijn koffer dichtklappen zodat het licht in de tuin weg was. Ik hoorde de vrouw vervolgens het volgende tegen mij zeggen: "He is going to kill me". Ik ben vervolgens met de vrouw mijn woning ingelopen en heb de politie gebeld. Ik zag dat de vrouw in mijn woning direct naar de gang liep. Ik zag dat de vrouw in een hoekje ging zitten. In dat hoekje ben je niet zichtbaar vanaf de straatzijde.
13 september 2021 ben ik, verbalisant, naar de [straat] te [plaats] gegaan. Samen met collega [naam] heb ik zoekend rondgekeken in de woning. Op de eerste verdieping van de woning bevond zich een slaapkamer. Als je binnen deze slaapkamer in loopt, zag ik meteen links een grijskleurig kastje. Ik zag dat er op de onderste plank van de
kast een pluk haar lag. Ik zag dat dit donkerkleurig haar was. Ik zag dat er op de grond, voor en naast deze kast, ook wat haren lagen. Tevens zag ik nog enkele haren op de overloop van de eerste verdieping van de woning liggen.
Ik heb [slachtoffer] op vrijdag 10 september om 7:00 uur opgehaald bij de Apotheek. Ze is met de bus uit [plaats] naar Nederland gekomen. [slachtoffer] zou twee dagen bij mij blijven om te rusten. Ik vroeg haar op zondag wanneer ze ween naar huis zou gaan. Ik was aan het kopen. Toen ik opkeek was ze ineens weg. Ik neem aan dat de pluk haar dat in mijn woning is aangetroffen van [slachtoffer] was.
Zaak met parketnummer 16-105237-22:
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2022115374, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 164.
Het geheel aan processen-verbaal wordt hierna aangeduid als politiedossier 2.
Ik heb een relatie met [verdachte] . [verdachte] woonde in [plaats] . Toen ik een week bij hem woonde, sloeg hij mij voor het eerst. De eerste keer dat hij mij sloeg was ongeveer rond 20 maart 2022. Het gebeurde vanaf toen zeker twee tot drie keer in de week. Vanaf 20 maart, tot vandaag, 25 april 2022, heeft hij mij twee tot drie keer in de week geslagen. In het begin sloeg hij mij met zijn vlakke hand. Hij begon steeds harder te slaan en later sloeg hij mij met mijn vuist in mijn gezicht en op mijn borstkast. [verdachte] en ik werken vanaf 30 maart 2022 bij [bedrijf 2] in [plaats] . Wij gingen altijd samen naar het werk. Afgelopen woensdag, 20 april 2022, heeft [verdachte] mij zo hard geslagen, dat ik niet naar mijn werk kon de dag erna. Hij sloeg mij zo hard op mijn borstkast, dat ik donderdag niet kon opstaan uit mijn bed. Afgelopen vrijdag, op 22 april 2022, heeft er wederom een mishandeling plaatsgevonden. Tijdens de grote pauze zijn wij naar buiten gegaan. Wij zijn in zijn auto gaan zitten op de parkeerplaats welke bij het bedrijf hoort. Hij heeft mij toen hard geslagen in mijn gezicht. Ik voelde direct heel erg pijn. Ik voelde deze pijn in de linkerkant van mijn gezicht. Halverwege de rit naar huis hield hij zijn stuur met één arm vast. Met zijn andere arm sloeg hij mij. Dit deed hij met zijn rechterhand. Ik voelde direct hevige pijn in de linker kant mijn gezicht en in mijn mond. Ongeveer vijftien minuten nadat wij thuis kwamen sloeg hij mij met zijn vlakke had. Daarna gooide hij mij op bed. Hij deed dit door zijn hand om mijn hals te doen. Ik voelde dat hij dit met zoveel kracht deed, dat ik niet kon ademhalen. Hij begon op mij in te slaan met zijn vuisten. Ik voelde dat hij mij op mijn borst, mijn gezicht en mijn linkerarm raakte. Ik heb zo ontzettend veel pijn gevoeld. Ik weet niet hoe vaak hij geslagen heeft. Hij heeft mij zo vaak geslagen dat ik het niet meer weet. Ik heb op dit moment pijn op mijn borstkast aan de linkerzijde. Als ik beweeg heb ik het gevoel dat er iets in mijn borstkast kapot is. Ik voel dat ik moeite heb met ademhalen. Ik heb zoveel pijn.
Naam: [benadeelde partij 2]
Datum letselonderzoek: 29-04-2022
schatting duur verdere genezing zichtbare letsels: 4 weken;
schatting duur verdere genezing overige letsels: maanden;
verwachting blijvende schade: ja.
Het aangetroffen letsel is karakteristiek voor een uitwendig inwerkende botsende of samendrukkende kracht zoals bijvoorbeeld slaan, schoppen, duwen, knijpen geraakt worden door een hard of lichaamsdeel dan wel botsen tegen een hard oppervlak of uitsteeksel. Op het aangezicht, de romp tot aan de buik aan de voorzijde van het lichaam, de linker- en rechter arm en in mindere mate op de rug zijn uitgebreide huidverkleuringen c.q. onderhuidse bloeduitstortingen aanwezig. Naast deze uitwendige letsels is tevens sprake van een ribfractuur en een vermoeden van een hersenschudding. Gezien de uitgebreidheid van de bloeduitstortingen kan het letsel zeer goed passen bij de gemelde toedracht.
Op maandag 25 april 2022, omstreeks 18.00 uur, heb ik een aangifte opgenomen. Het slachtoffer betreft [benadeelde partij 2] . Ik zag dat zij erg veel blauwe plekken had. Ik zag dat haar borst, vanaf haar borsten tot haar nek, compleet blauw/geel gekleurd waren. Ik zag dat er een donkerdere plek op haar linkerborst zat.
Op 25 april 2022. Ik zag dat twee Poolse vrouwen met elkaar kletsen. Een van de vrouwen kwam naar mij toe om hulp te vragen. De andere vrouw heet [benadeelde partij 2] (het hof begrijpt: aangeefster). Voor [benadeelde partij 2] werd hulp gevraagd. Zij was helemaal door haar vriend (het hof begrijpt: de verdachte) in elkaar geslagen. Ik hoorde [benadeelde partij 2] zeggen dat ze door haar vriend in elkaar geslagen was en dat hij haar vaker sloeg. Dat haar vriend ook bij dit bedrijf werkte. Dat ze bang is voor hem en dat ze niet meer naar hem toe wilde.
Toen wij nog beneden stonden kwam haar vriend naar haar toe en pakte haar arm beet. Ik hoorde hem in het Engels zeggen, want ze communiceren in het Engels: "sorry schatje. Dit wilde ik echt niet." Boven is hij nog met [benadeelde partij 2] in gesprek gegaan. Ik zag dat ze op de stoel zat en hij ging op zijn knieën bij haar zitten. Ik hoorde hem zeggen: "sorry schatje. Het gaat niet nog een keer gebeuren. Ik heb spijt. Ik wil dit niet. Ik heb zoveel stress met mijn dochter."
[benadeelde partij 2] zei dat ze bang was voor hem. Ik ben met haar mee geweest naar het politiebureau. Daar zag ik de blauwe plekken bij [benadeelde partij 2] .
Zaak met parketnummer 16-227221-23:
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij:
Ik was de gebruiker van de in mijn woning aangetroffen Samsung met het nummer [nummer] .
Op 5 september 2023, omstreeks 23.42 uur. Op genoemde dag, datum en tijd werden wij door het Operationeel Centrum gezonden naar het [straat] te [plaats] .
In [nummer] troffen wij het slachtoffer aan. Zij bleek later te zijn genaamd:Naam: [benadeelde partij 1] ;Voornaam: [benadeelde partij 1] ;
Wij noemen haar hierna [benadeelde partij 1] . Wij zagen dat [benadeelde partij 1] op meerdere plekken letsel had, namelijk:- Een forse bult op haar voorhoofd;- Letsel onder en bij haar ogen;- Een schaafwondje onder haar neus;- Grote rode striemen in haar nek.
Wij vroegen via [getuige 1] aan [benadeelde partij 1] wat er precies was gebeurd. Hierop hoorden wij [getuige 1] zeggen dat [benadeelde partij 1] het volgende tegen haar zei:- Zij was aangevallen door een man die [verdachte] heet;- Het zou al ongeveer twee weken spelen;- Vanavond was [verdachte] bij haar woning verschenen en had hij haar geslagen, getrapt en haar getracht te wurgen.- Ze was tegen haar oor geslagen of geschopt, waardoor haar gehoor wat verminderd was aan de linkerzijde.
Wij zagen dat [benadeelde partij 1] emotioneel was en zij kwam tevens erg angstig op ons over.
De mishandeling op 5 september 2023 heb ik ooit (het hof begrijpt: ook) niet gezien, maar dat heb ik gehoord. U vraagt mij wat ik heb gehoord. Tegen 23:15 uur ‘s nachts ben ik naar buiten gegaan om te roken. In die stilte hoorde ik geluiden van een soort van ruzie op het hofje waar zij (het hof begrijpt: aangeefster) woont. Het gebeurde allemaal buiten. Toen hoorde ik geluiden van klappen. Het waren doffe geluiden alsof er tegen een bokszak werd geslagen. Daarna hoorde ik zacht gekreun, kreungeluiden. Ik hoorde de stemmen van twee mensen. Een stem was van [benadeelde partij 1] (het hof begrijpt hier en hierna telkens: aangeefster) zelf. De andere stem was mij niet bekend. Die stem zei iets in het Nederlands. Het was een mannelijke stem die dat zei. Ik zag [benadeelde partij 1] daar staan. Zij was angstig. Ik zag aan de sporen in haar gezicht dat ze in elkaar was geslagen. De linkerkant van haar gezicht, haar oor en haar wang waren erg rood. Haar gezicht was nog een beetje opgezwollen, het waren volgens mij verse sporen. U vraagt mij of ik de stem van de man van [benadeelde partij 1] heb gehoord tijdens de ruzie. Nee. Ik ken zijn stem niet goed, want we hebben niet vaak contact. Maar ik kan wel zeggen dat het niet zijn stem was. Bovendien spreekt de man van [benadeelde partij 1] geen Nederlands of Engels.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 7 augustus 2024 (als los document opgenomen in het procesdossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van het incident op 5 september 2023. Ik zat televisie te kijken en mijn vrouw was buiten om te roken. Dat was ongeveer rond 23:30 uur. Na ongeveer 5 of 7 minuten kwam mijn vrouw opgewonden binnen en ze zei dat er iets gebeurde bij de buren. Op grond van de geluiden die zij hoorde, dacht ze dat iemand daar in elkaar werd geslagen. We gingen samen naar buiten. Door de geluiden die we hoorden, dachten wij dat iemand daar in elkaar werd geslagen. De geluiden leken op een bokser die tegen een bokszak slaat. De geluiden leken erop dat iemand tegen het lichaam werd geslagen. Ik hoorde ook gekreun van [benadeelde partij 1] . Ik hoorde ook dat er werd gepraat. De mannelijke stem praatte wat zachter dan [benadeelde partij 1] , hij mompelde iets. Ik durf niet te zeggen in welke taal hij sprak, maar het was zeker geen Russisch of Oekraïens. U vraagt mij of ik de stem van de man van [benadeelde partij 1] zou herkennen. Ja, ik denk het wel. U vraagt mij of de mannelijke stem de stem was van de man van [benadeelde partij 1] . Nee, dat was niet zijn stem. Ik stond bij de schutting en hoorde nog wat geluiden dat iemand in elkaar werd geslagen. U vraagt mij of ik iemand anders heb gezien dan [benadeelde partij 1] . Pas nadat de politie aankwam, zag ik [benadeelde partij 1] en haar man. U vraagt mij of ik de man van [benadeelde partij 1] heb zien aangekomen op de plek. Ja, ik zag hem aankomen. Hij werd door een andere medewerker van de McDonald’s naar huis gebracht op een motorfiets of scooter. Het gebeurde in deze volgorde: toen de geluiden stopten, probeerde mijn vrouw [benadeelde partij 1] te bellen. Daarna gingen wij naar haar toe en bleven wij buiten staan. Omdat wij wisten dat haar man onderweg was, stonden wij daar om op hem te wachten. Daarna kwam hij aan en heeft hij gezegd dat we zo snel mogelijk de politie moesten bellen. Het klopt dat de man van [benadeelde partij 1] er nog niet was toen wij bij haar aankwamen.
Ik bevond mij aan de [straat] te [plaats] . Op bovengenoemde dag ben ik aan de deur geweest bij [nummer] , bij [naam] . Ik hoorde [naam] zeggen dat zij op 5 september (het hof begrijpt: 2023) om 23.28 uur gebeld werd door [getuige 1] . Nadat zij niet had opgenomen kreeg zij van [getuige 1] een bericht gestuurd op haar telefoon dat het dringend was en dat zij op moest nemen. Ik hoorde [naam] zeggen dat zij om 23.30 uur [getuige 1] terugbelde en dat zij toen hoorde dat [benadeelde partij 1] mogelijk aangevallen was. Ik hoorde [naam] zeggen dat zij vervolgens contact heeft gelegd met de manager van de man van [benadeelde partij 1] , zodat de man van [benadeelde partij 1] naar huis kon komen van zijn werk.
Door [benadeelde partij 1] werd als haar telefoonnummer het volgende nummer opgegeven: [nummer] . Ik zag in de chats dat dit nummer stond opgeslagen in de telefoon met de naam [benadeelde partij 1] . De volledige berichtenwisseling zijn digitaal gearchiveerd.
Het gesprek begint met de bestelling van een taart. Daarna lijkt het er snel op dat
beide contacten een relatie met elkaar hebben. Een samenvatting van dit gesprek is
als bijlage 1 bij de proces-verbaal gevoegd. Waarbij alle berichten zijn opgenomen
die op 5 september 2023 zijn gedeeld. Dit betreft de datum van de mishandelingen.
From: [e-mail adres] [naam] (owner)
Toen ik vandaag bij jou was ik zei ik kom om 23.00 zorg dat je klaar bent je gaat met me mee voor 1uurtje en nu zeg je nee
5-9-2023 22:17:45 (UTC+2)
From: [e-mail adres] [naam] (owner)
Niet zeuren
5-9-2023 22:19:16 (UTC+2)
From: [e-mail adres] [naam] (owner)
Ik moet effe met jou zijn
5-9-2023 22:19:25 (UTC+2)
Bewijsoverwegingen
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op overwegend goede gronden heeft beslist. Het hof zal in het navolgende de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging in hoger beroep weergeven en vervolgens de bewijsoverwegingen van de rechtbank en politierechter overnemen, met op onderdelen een weglating, aanvulling of verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid worden deze weglatingen, aanvullingen of verbeteringen niet expliciet aangeduid.
Zaak met parketnummer 16-270594-21:
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij acht de verklaring die aangeefster op 14 september 2021 heeft afgelegd betrouwbaar, ondanks dat aangeefster hierna wisselend heeft verklaard. Daarin betrekt de advocaat-generaal de verklaring die aangeefster bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. De advocaat-generaal sluit zich aan bij de bewijsmiddelen en -overwegingen van de rechtbank en heeft in aanvulling daarop nog gewezen op de bevindingen van [verbalisanten] en de getuigenverklaring van [getuige 2] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij in de kern aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken, omdat de inhoud van haar verklaring in al haar contacten met de politie, officier van justitie, rechter-commissaris en raadsheer-commissaris onderling verschilt. Naast de belastende verklaring van aangeefster staat geen enkel ander direct belastend bewijsmiddel, maar er zijn wel belangrijke ontlastende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 1] . Uit de verklaring van [getuige 1] volgt volgens de raadsman niet meer ondersteuning voor de belastende verklaring van aangeefster dan voor de ontlastende en de letselverklaring werpt geen ander licht op het dossier. De verdachte heeft constant hetzelfde verhaal verteld. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat aangeefster ten tijde van de tenlastegelegd periode niet kan worden aangemerkt als ‘levensgezel’.
Oordeel van het hof
Voor het bewijs gaat het hof uit van de verklaring van aangeefster zoals zij die op 14 september 2021 bij de politie heeft afgelegd. Het hof acht die eerste verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hoewel aangeefster op een later moment, op 16 september 2021, haar aangifte heeft ingetrokken, heeft zij op dat moment niet verklaard dat de inhoud van haar eerder afgelegde verklaring niet juist was. Als reden voor de intrekking gaf zij aan dat zij niet wilde dat de dochter van verdachte hem zou moeten opzoeken in de gevangenis. Pas voor het eerst op 26 september 2021 volgt een Whatsapp-bericht van aangeefster aan de politie dat zij niet door verdachte, maar door haar ex-vriend in [plaats] , zou zijn mishandeld. Uit dat bericht volgt dat ze op dat moment weer samen is met verdachte en ook geeft zij aan dat ze bij aankomst in Nederland niet tegen verdachte heeft verteld dat zij door die ex-vriend zou zijn mishandeld. Dit komt niet overeen met de verklaring van verdachte dat hij dit al op 11 september 2021 zou hebben gehoord van aangeefster. Bovendien heeft de verdachte op 13 september 2021 ten overstaan van [verbalisant] verklaard dat aangeefster met een bus vol [plaats] naar Nederland was gekomen, dat er in de bus overmatig was gedronken door medereizigers en zij op enig moment is mishandeld. Het voorgaande doet op zichzelf al sterk twijfelen aan de lezing dat het letsel zou zijn veroorzaakt door een ander dan verdachte. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 1] brengen het hof niet tot een ander oordeel, waarbij het ten aanzien van [getuige 1] in het bijzonder nog overweegt dat hij zelf heeft verklaard dat ‘een of andere mevrouw’ tegen hem zei dat er een zitting was, dat hij een mailtje moest schrijven en dat zij toen heeft gevraagd of hij voor haar kon getuigen dat hij gezien heeft dat zij toen letsel had aan haar ogen, dat ze geslagen is geweest. Het lijkt er op dat de getuige is gestuurd, in ieder geval kan het hof niet goed vaststellen dat de verklaring eigen waarnemingen betreft. Daarnaast blijkt uit de verklaring van de getuige dat hij de betreffende dame met een personenauto zou hebben vervoerd voor het bedrijf “ [taxi] ”. Het is onwaarschijnlijk dat hetgeen deze getuige heeft verklaard betrekking heeft op de reis van aangeefster naar Nederland in september 2021, nu zij heeft aangegeven te zijn gereisd met een bus van het bedrijf [bedrijf 1] .
Het hof ziet bovendien het nodige bewijs dat steun biedt aan de eerste verklaring van aangeefster. Zo heeft de buurman van verdachte bij de politie verklaard dat aangeefster naar zijn huis rende. Hij zag dat zij in paniek was, omdat zij trilde. De vrouw riep ‘call the police, he is going to kill me’ en klapte de koffer met het beeldscherm dicht, zodat het licht in de tuin weg was. In de woning is de vrouw direct naar de gang gelopen en in een hoekje gaan zitten, waar je niet zichtbaar bent vanaf de straatzijde. Dit vormt naar het oordeel van het hof een belangrijke indicatie dat de aanvaller op dat moment in de buurt was en past derhalve beter bij het belastende scenario dan het ontlastende scenario (inhoudende dat aangeefster al in [plaats] zou zijn mishandeld door haar ex-partner die in [plaats] woont). Ook heeft de politie in de woning van verdachte op de slaapkamer een pluk haar aangetroffen.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.
Ten overvloede wijst het hof erop dat in de zaak met parketnummer 16-270594-21 het begrip ‘levensgezel’ niet is opgenomen, zodat dit onderdeel van het verweer geen bespreking behoeft.
Zaak met parketnummer 16-105237-22:
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. De verklaring van aangeefster vindt steun in de letselrapportage, waarnemingen van [verbalisant] en [verbalisant] en uitgekeken camerabeelden. Verder wordt de verklaring ingebed in een specifieke context. Ten aanzien van het verweer van de verdachte, inhoudende dat aangeefster en [slachtoffer] met elkaar hebben gevochten, heeft de advocaat-generaal gewezen op de verklaring die [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Volgens de advocaat-generaal levert het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op en heeft de verdachte deze kans – gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen – bewust aanvaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij in de kern aangevoerd dat het dossier geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, voor zover dit ziet op de periode tot 20 april 2022. De verklaring van [getuige 1] en het letsel bieden volgens de raadsman niet meer steun aan de verklaring van aangeefster dan aan de verklaring van de verdachte. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat – mocht het hof vaststellen dat de verdachte wel geweld heeft gepleegd tegen aangeefster – het dossier onvoldoende informatie bevat over de intensiteit waarmee het letsel is toegebracht, zodat geen sprake is van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, laat staan dat de verdachte deze bewust heeft aanvaard. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat aangeefster niet kan worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte aangeefster vanaf 20 maart 2022 regelmatig en meermalen tegen haar gezicht, borstkas en ribben heeft geslagen en gestompt. In zoverre vindt het verweer van de verdediging zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof overweegt in aanvulling daarop dat de verklaring van [getuige 1] beter past bij de verklaring van aangeefster dan bij de verklaring van de verdachte. Die laatste verklaring komt er in de kern op neer dat het letsel is ontstaan bij een vechtpartij tussen aangeefster en [slachtoffer] . Het hof ziet niet in waarom de verdachte in dat geval direct nadat aangeefster tegenover collega’s vertelde dat zij door de verdachte werd mishandeld, de leiding werd ingeschakeld en de politie werd gebeld, achter aangeefster is aangelopen, op zijn knieën bij haar is gaan zitten en heeft gezegd ‘sorry schatje, het gaat niet nog een keer gebeuren, ik heb spijt’.
Het meerdere malen met kracht slaan en stompen tegen deze onderdelen van het lichaam kan naar het oordeel van het hof zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. In de borstkas en achter de ribben bevinden zich vitale organen, zoals longen. Het meermalen met kracht slaan of stompen op dit deel van het lichaam kan een fractuur van die ribben met zich brengen of die vitale organen - al dan niet als gevolg van een dergelijke fractuur - beschadigen. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte, moet hij bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans op het oplopen van zwaar lichamelijk letsel en deze kans ook bewust hebben aanvaard. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het geweld gedurende de te laste gelegde periode in intensiteit toenam en de verdachte aangeefster uiteindelijk kennelijk zo hard heeft geslagen en gestompt dat zij onder meer een hersenschudding, een gebroken rib en verschillende bloeduitstortingen heeft opgelopen, waaronder een donkere - bijna zwarte - plek die een groot deel van haar borst beslaat. Door de forensisch arts werd geschat dat de duur van genezing van het letsel maanden zou zijn en dat aangeefster er blijvende schade aan zou overhouden.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat de betrekking die aangeefster en de verdachte hadden, van dusdanige aard en hechtheid was dat aangeefster kan worden aangemerkt als ‘levensgezel’. Het hof spreekt de verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging voor het overige en acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.
Zaak met parketnummer 16-227221-23:
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hoewel aangeefster op bepaalde punten wisselend en leugenachtig heeft verklaard (waarbij de verklaring over het seksuele contact met de verdachte in het oog springt), maakt dat volgens de advocaat-generaal niet dat haar verklaring over de mishandeling daarmee ook als leugenachtig moet worden beschouwd. Aangeefster verklaart onmiddellijk dat zij is mishandeld en essentiële details worden telkens bevestigd in daaropvolgende verklaringen. De verklaring vindt steun in de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 1] en buurtbewoonster [naam] . De verdachte kan op de plaats delict worden geplaatst. Het alternatieve scenario dat de verdachte na zijn dienst direct naar huis is gereden, is volgens de advocaat-generaal niet aannemelijk geworden. Het werken, omkleden en roken (enerzijds) sluit het rijden naar aangeefster (anderzijds) beslist niet uit. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 1] passen eveneens binnen het scenario dat de verdachte tot 23.00 uur heeft gewerkt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. Volgens de raadsman is aangeefster intrinsiek onbetrouwbaar, omdat zij telkens draait met haar verklaring, maar niet voordat zij is geconfronteerd met het bewijs van de onjuistheid. Het letsel en de getuigenverklaringen ondersteunen het plaatsvinden van een mishandeling, maar niet dat de verdachte dit is geweest. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de verdachte op de plaats delict is geweest, in ieder geval niet op de tijdstippen die in de aangifte (22.30 uur) en verklaring van [getuige 1] (23.15 uur) zijn vermeld. De verdachte heeft verklaard dat hij toen nog op werk was en die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Bovendien heeft geen onderzoek plaatsgevonden waarmee de verdachte op het plaats delict wordt geplaatst. In de avond is het voertuig van de verdachte niet gezien bij het park van aangeefster en blijkt niet dat de telefoon van de verdachte in de buurt is aangestraald.
Oordeel van het hof
Het hof is het met de raadsman van verdachte eens dat de aantoonbare leugens van
aangeefster afdoen aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaringen is dan ook terughoudendheid geboden. Het hof acht desalniettemin de verklaring die aangeefster heeft afgelegd tegenover de op 5 september 2023 ter plaatse gekomen politieagenten betrouwbaar, omdat aangeefster over de tenlastegelegde geweldshandelingen voldoende gedetailleerd en consistent heeft verklaard en haar verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof betrekt daarbij ook dat er een duidelijke reden lijkt te zijn – namelijk het geheim willen houden van de affaire met de verdachte – voor de onjuistheden en wisselvalligheden in de latere verklaringen van aangeefster op het punt van het al dan niet onvrijwillig plaatsvinden van seksuele handelingen. Het hof acht aangeefster – anders dan de verdediging – niet intrinsiek onbetrouwbaar.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat agenten kort na de mishandeling letsel in het gezicht van aangeefster en striemen in haar nek hebben waargenomen. Dit letsel past bij het geweld waar aangeefster over verklaard heeft. Daarnaast hebben de twee getuigen, de heer en mevrouw [getuige 1] , een Nederlands
sprekende man en geweldsgeluiden gehoord, waarna [getuige 1] met hulp van een andere bewoonster van het vakantiepark, de man van aangeefster heeft gealarmeerd. Die andere bewoonster, [naam] , heeft deze gang van zaken bevestigd. Uit de berichten in de Samsung leidt het hof verder af dat verdachte en aangeefster tijdens een eerdere ontmoeting op 5 september 2023 hebben gesproken over elkaar zien om 23.00 uur, het tijdstip waarop de mishandeling omstreeks heeft plaatsgevonden. Hoewel aangeefster dat, blijkens de berichten, niet meer lijkt te willen, is verdachte het daar niet mee eens. Verdachte stuurde haar namelijk berichten als: “niet zeuren ik moet ff met jou zijn”.
Het hof acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat hij niet op de plaats delict kan zijn geweest, dan wel daar niet voor 23.15 uur kan zijn geweest niet aannemelijk geworden. Ook indien verdachte tot 23.00 uur heeft gewerkt, betekent dat niet dat hij daarna niet bij de woning van aangeefster kan zijn geweest. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] volgt dat de mishandeling na 23.15 uur heeft plaatsgevonden. Het hof neemt die verklaringen tot uitgangspunt. Nu blijkens Google Maps de afstand tussen het werk van de verdachte en de woning van aangeefster met de auto binnen 11 dan wel 12 minuten kan worden afgelegd, is dat naar het oordeel van het hof niet in strijd met het scenario dat de verdachte tot 23.00 uur heeft gewerkt. Het hof gaat voorbij aan de inhoud van de verklaring die [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, inhoudende dat hij samen met de verdachte na werk een sigaretje heeft gerookt, omdat deze zich niet verhoudt tot wat de verdachte op zitting bij de rechtbank zelf heeft verklaard, inhoudende dat hij onderweg naar zijn auto een sigaretje heeft gerookt. Daar komt nog bij dat de getuige heeft verklaard dat hij op enig moment na 23.00 met verdachte een sigaretje heeft gerookt, maar dat deze getuige uit het contact met verdachte heeft begrepen dat dit was op de avond waarop verdachte van mishandeling beschuldigd werd. Dit laatste komt daarmee niet uit zijn eigen geheugen. Dat maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de verklaring van de getuige betrekking heeft op de avond van de mishandeling. Dat verdachte op beelden van de camera bij zijn huis is te zien, ziet het hof niet als ontlastend bewijs, aangezien dit pas later in de tijd was. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat er geen camerabeelden zijn waarop het voertuig van de verdachte is te zien op het park waar aangeefster verbleef, omdat de politie enkel camerabeelden tot 23.00 uur heeft opgevraagd. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de telefoon van de verdachte niet is aangestraald in de buurt, omdat dat eerder op de dag ook het geval was en de verdachte desalniettemin blijkens camerabeelden van het park daar aanwezig was.
De door de verdachte gesuggereerde mogelijkheid dat de man van aangeefster de mishandeling heeft gepleegd, is naar het oordeel van het hof ook niet aannemelijk geworden. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de man van aangeefster ten tijde van de mishandeling aan het werk was en hij na thuiskomst juist de persoon is geweest die aan [getuige 1] heeft gevraagd om de politie te bellen. Uit de verklaring van [getuige 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris volgt bovendien dat gezien is dat de partner van aangeefster door een collega is thuisgebracht nadat [getuige 1] de geluiden hoorde die in verband worden gebracht met de mishandeling. Tot slot weegt het hof mee dat er geen enkel aanknopingspunt is dat een onbekend gebleven derde verantwoordelijk is voor de mishandeling en dat aangeefster de verdachte daarvoor verantwoordelijk probeert te houden.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op de hierna te vermelden wijze.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-270594-21 subsidiair, in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 16-270594-21:
subsidiair: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 tot en met 11 september 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door - het slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of oren van [slachtoffer] en /of - het aan de haren trekken van die [slachtoffer] en /of - het afknippen van de paardenstaart van die [slachtoffer] en /of - het tegen de buik schoppen van die [slachtoffer] en /of - het gooien van chloor, althans een (bijtende) vloeistof, over die [slachtoffer] en/of - het wurgen van die [slachtoffer] en/of - het drukken van een brandende sigaret tegen het lichaam van die [slachtoffer] en /of - het met een schaal slaan tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] ;
Zaak met parketnummer 16-105237-22:
primair hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2022 tot en met 25 april 2022 te [plaats] en /of [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [benadeelde partij 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere ma (a) l ( en )( met kracht ) in/op het gezicht en /of de borstkas en /of de rib ( ben ) , althans het lichaam, van [benadeelde partij 2] heeft geslagen/gestompt en /of de arm(en) en/of de borst(en) en/of de hals/keel heeft vastgepakt/gegrepen en /of heeft dicht geknepen en/of dicht gehouden , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Zaak met parketnummer 16-227221-23:
subsidiair: hij op of omstreeks 5 september 2023 te [plaats] [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door: - [benadeelde partij 1] meermaals tegen het gezicht en /of hoofd en /of lichaam te slaan/stompen en /of - [benadeelde partij 1] bij de keel vast te pakken en haar tegen de muur omhoog te duwen en /of - [benadeelde partij 1] een knietje tegen het lichaam te geven.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 16-270594-21 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Op grond van de rapportages die zijn uitgebracht over de persoon van de verdachte vindt de advocaat-generaal het voldoende aannemelijk dat bij de verdachte sprake is van (enige) stoornis. Hoewel deskundigen de vraag naar de doorwerking daarvan op de tenlastegelegde feiten niet konden beantwoorden, kan het volgens de advocaat-generaal niet anders dan dat er in enigerlei mate sprake is geweest van doorwerking en de tenlastegelegde feiten onder invloed daarvan zijn begaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de orde zijnde aanwijzingen, bezien in het licht van de feiten in deze zaak, onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.
Oordeel van het hof
Er zijn verschillende rapporten en adviezen uitgebracht over de verdachte. Het hof bespreekt in het navolgende de meest recente. In deze rapporten en adviezen zijn ook de eerder uitgebrachte rapporten en adviezen meegenomen.
Op 14 april 2025 hebben psychiater [naam] en GZ-psycholoog [naam] , allebei verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een pro Justitia rapportage uitgebracht. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. De psychiater en psycholoog haalden informatie uit de beschikbare stukken, het milieuonderzoek en de groepsobservatie. [naam] beschrijft dat vanuit de beschikbare informatie en (beperkte) huidige observaties kan worden aangesloten bij de rapporteurs die in eerste aanleg over de verdachte rapporteerden. Er komt naar voren dat er aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis met zowel antisociale als narcistische kenmerken (o.a. antisociaal en schijnbaar opportunistisch gedrag, het overgaan van grenzen van anderen, verhoogde krenkbaarheid, geen verantwoordelijkheid nemen voor het eigen gedrag, externaliseren, zeer positief, onrealistisch zelfbeeld, gebrekkig ontwikkelde empathische en affectieve vermogens). Om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een stoornis in de persoonlijkheid is het volgens [naam] van belang om een volledig beeld te krijgen van de ontwikkeling van de verdachte en van gedragspatronen. Tot het moment van het rapport is er volgens [naam] geen goed beeld ontstaan van de ontwikkeling van de verdachte, wat er in hem omgaat en wat hem beweegt. Er wordt wel een patroon gezien van problemen met justitie en in relaties met/het contact met vrouwen, maar het is niet mogelijk geweest om hier in het PBC onderzoek naar te doen. Wanneer de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek en er meer informatie beschikbaar zou zijn, zouden ook de mate van psychopathie en een eventuele relatie tussen seksualiteit en agressie (bijvoorbeeld zoals bij seksueel sadisme) onderzoeksgebieden zijn geweest. Psychiater [naam] geeft aan dat in de context van mogelijke persoonlijkheids-problematiek van de verdachte verder alleen herhaald kan worden wat de pro Justitia-rapporteurs in 2022 al hebben geschreven. Hij vermeld verder dat de verdachte een forse justitiële voorgeschiedenis heeft die wordt gekenmerkt door een reeks ernstige (gewelds) delicten, waaronder (zware) mishandeling, huiselijk geweld, mensenhandel en bezit vuurwapens. De tenlastegelegde feiten (indien bewezen) lijken een voortzetting te zijn van deze voorgeschiedenis. Bij herhaling wordt door reclassering en gedragsdeskundigen geopperd dat er bij betrokkene sprake zou kunnen zijn van zogenaamde cluster B problematiek, een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling of anders geformuleerd persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en narcistische trekken. [naam] geeft aan dat de onderzoekers ook in dit onderzoek niet verder zijn gekomen dan de informatie die al bekend was, omdat de verdachte niet wenste mee te werken aan het onderzoek.
De onderzoekers geven samen aan dat het niet mogelijk was om met de verdachte over de tenlastegelegde feiten te spreken, omdat de verdachte het onderzoek weigerde. Door het gebrek aan eigen onderzoek kunnen de onderzoekers verder geen beschouwing over het
tenlastegelegde. In algemene zin kan gezegd worden dat er sprake lijkt te zijn van
een patroon van problemen in de relaties met vrouwen, waarbij betrokkene er telkens van
wordt verdacht (ernstig) (seksueel) geweld te gebruiken. In het kader van de vraagstelling beschrijven [naam] en [naam] dat, aansluitend maar zeker niet conclusief, bij de in het pro Justitia onderzoek uit 2022 uitgesproken vermoedens voor een persoonlijkheids-problematiek met antisociale en narcistische trekken, enkele observaties zijn gedaan die mogelijk daarbij aansluitend, zoals dat de verdachte zich devaluerend, functioneel en afwijzend kan opstellen als er niet aan zijn verwachtingen wordt voldaan. Kijkend naar de feiten, wanneer de onderzoekers onderzoek hadden kunnen doen, zouden de tenlastegelegde feiten kunnen passen in een breed scala aan delictdynamiek van functioneel instrumenteel gedrag tot seksueel sadisme, waarbij de modus operandi overwegend overkomt als controlerend, mogelijk vanuit jaloersheid, maar ook devaluerend en denigrerend. Er lijkt sprake van een gewelddadig patroon met een seksuele component, waarbij er geen beschermende factoren zijn. Door de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek kunnen de onderzoekers geen uitspraken doen over de mate van doorwerking van eventuele pathologie in het tenlastegelegde en kunnen zij geen advies formuleren ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid, geen inschatting maken van het gedragskundig bepaalde recidiverisico en geen advies geven over hoe een eventueel recidiverisico kan worden verlaagd.
Op 19 november 2025 heeft de reclassering een advies uitgebracht. De reclassering concludeert dat er sprake is van een zorgelijk patroon van vrouwelijke slachtoffers die aangifte doen van partnergeweld, waarbij uit de diverse procesdossiers blijkt dat er ook seksuele dwang zou worden uitgeoefend. De verdachte ontkent problemen die gerelateerd zijn aan de diverse aangiften en legt de schuld buiten zichzelf. Het delictgedrag, indien bewezen, in combinatie met de houding van de verdachte baart de reclassering grote zorgen. De verdachte toont zich tot op heden niet gemotiveerd voor enige vorm van behandeling.
Uit het strafblad van de verdachte van 16 februari 2026 blijkt dat de verdachte in het verleden:
Het hof stelt voorop dat het aan de feitenrechter is om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr en artikel 39 Sr bestond. De rechter heeft bij deze vaststelling een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen (HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295).
Het hof stelt voorop dat in het verleden verschillende rechters zich hebben ingespannen om meer informatie te verkrijgen over de psychische gesteldheid en achtergrond van de verdachte. Dat is ook in deze strafzaak gebeurd en heeft telkens (en ook in deze zaak) niet het beoogde resultaat (meer informatie) opgeleverd door van de weigerachtige opstelling van de verdachte. Het hof moet het doen met de informatie die wel voorhanden is. Op basis van die informatie – zoals hiervoor uitgebreid weergegeven – stelt het hof vast dat er al jaren aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid van een psychische (persoonlijkheids)stoornis bij de verdachte. De bewezenverklaarde feiten in deze strafzaak speelden zich allemaal af in relatie tot (ex-)partners van de verdachte. Het betreffen drie feitencomplexen met verschillende slachtoffers, maar in alle drie de zaken heeft de verdachte er blijk van gegeven zich in een vrij korte relatie zeer jaloers, claimend en dwingend op te stellen richting vrouwen, waarbij hij telkens fors geweld heeft gebruikt wanneer de vrouwen niet handelden zoals hij van hen verlangde, dan wel hij die indruk had. De trigger lijkt daarbij telkens te zijn dat de verdachte het (al dan niet onterechte) vermoeden had dat de vrouwen contact hadden met een andere man. De verdachte heeft ook tegen de slachtoffers geuit dat hij hen als zijn bezit beschouwt en heeft alle slachtoffers bij de keel vastgepakt en/of daarop samendrukkend geweld toegepast, waardoor zij geen adem kregen. De verdachte verhinderde dat de slachtoffers hulp inschakelden en de slachtoffers voelden zich lange tijd niet vrij om hulp te zoeken. Het hof ziet hierin een zeer duidelijk patroon naar voren komen, welk patroon wordt versterkt door de eerdere veroordelingen van de verdachte. Het baart het hof zorgen dat eerder (al dan niet deels voorwaardelijk opgelegde) straffen niet hebben geleid tot gedragsverandering. De verdachte heeft op geen enkele manier laten zien doordrongen te zijn van de ernst van zijn handelen en heeft hiervoor ook geen verantwoordelijkheid genomen. Er blijkt sprake te zijn van een hardnekkig patroon. Het hof ziet daarbij ook expliciet onder ogen dat het handelen van de verdachte kan worden geschaard onder meerdere (eerste) fases van handelen dat zich uiteindelijk zou kunnen ontwikkelen tot femicide en dat dit gedrag onder meerdere zogeheten ‘rode vlaggen’ valt waaraan (een risico op) femicide kan worden herkend.
Het hof concludeert gelet op al het voorgaande dat de verdachte lijdt aan een niet nader gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat deze psychische stoornis op het moment van het begaan van de bewezenverklaarde feiten het handelen van de verdachte op enige manier heeft beïnvloed, zodat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 11 maanden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof aan de verdachte ook de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen. Zij heeft in dat verband gewezen op het juridisch kader, het strafblad van de verdachte en de rapportages over de persoon van de verdachte. Het gevaar voor ernstig geweld in de relationele sfeer is volgens de advocaat-generaal groot en daarom bestaat er een noodzaak voor behandeling. De verdachte staat hiervoor op geen enkele manier open en de reclassering ziet geen begeleidingsmogelijk-heden. Volgens de advocaat-generaal zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden dan oplegging van de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met dwang-verpleging. De advocaat-generaal heeft tot slot gevorderd dat het hof de verdachte driemaal een dadelijk uitvoerbare maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen, inhoudende een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die qua duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft het hof daarnaast verzocht om niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Er is onvoldoende feitelijke grondslag om te stellen dat sprake is van een hoog recidiverisico. De verdachte is bereid om medewerking te verlenen in het kader van een voorwaardelijke straf of anderszins. Volgens de raadsman moet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging als ultimum remedium worden ingezet.
Oordeel van het hof
Gevangenisstraf
Het hof is hiervoor bij de strafbaarheid van de verdachte al ingegaan op de ernst van het bewezenverklaarde, het strafblad van de verdachte en de rapporten en adviezen die over de verdachte zijn uitgebracht. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.
Het geweld dat de verdachte heeft gebruikt tegen de slachtoffers vond telkens plaats in één-op-één-situaties, waarin de verdachte het feitelijk overwicht had over de slachtoffers. Het geweld was fors en heeft tot aanzienlijk letsel geleid. Voor de slachtoffers moet dit ontzettend beangstigend zijn geweest. Slachtoffer [slachtoffer] heeft een schriftelijke slachtofferverklaring laten overhandigen. Daarin schrijft zij dat zij door het bewezenverklaarde handelen meermalen medische hulp heeft gezocht. [slachtoffer] beschouwt het leven op dit moment als een hel en worstelt dagelijks met de gevolgen van het handelen van de verdachte. Slachtoffer [benadeelde partij 2] heeft in haar aangifte beschreven dat zij veel pijn had van het letsel. Zij durft niet meer in Nederland te wonen uit angst voor verdachte. De mishandeling van slachtoffer [benadeelde partij 1] vond plaats voor haar eigen huis en in het bijzijn van haar minderjarige kind.
Het hof stelt op basis van het hiervoor besproken strafblad van de verdachte vast dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde meermalen is veroordeeld wegens soortgelijke feiten en nog in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling liep in de zaak van mevrouw [slachtoffer] met parketnummer 21/001044-23. Het hof weegt dat ten nadele van de verdachte mee in de strafoplegging.
De reclassering heeft beschreven dat de verdachte in het verleden meermalen is begeleid door de reclassering. Uit de beschrijving die de reclassering geeft van het verloop van de contacten is dat de verdachte zich overwegend meewerkend heeft opgesteld, maar zich in relatie tot de delicten – ook na veroordeling – op de vlakte hield. In de meest recente reclasseringscontacten komt het ontbreken van probleembesef en/of introperspectief vermogen telkens terug. De reclassering acht het onhaalbaar om op recidivebeperking in te zetten vanuit een deels voorwaardelijke straf en adviseert oplegging van een onvoorwaardelijke straf.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard, ernst en omvang van de bewezen-verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere straf dan een die langdurige vrijheidsbeneming meebrengt. Gelet op de houding van de verdachte in eerdere reclasseringscontacten ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten voor behandeling binnen een vrijwillig kader. Het hof zal daarom geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen.
In beginsel acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, een passende bestraffing. Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn is geschonden: in de fase van het hoger beroep in de zaak met slachtoffer [benadeelde partij 1] met ongeveer 2,5 maanden en in de fase van het hoger beroep in de zaken met slachtoffers [slachtoffer] en [benadeelde partij 2] met ongeveer 13 maanden. Daarin ziet het hof aanleiding om een strafvermindering toe te passen van 2 maanden, zodat het hof uiteindelijk een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel terbeschikkingstelling
Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging moet worden opgelegd. Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan de verdachte op grond van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht TBS kunnen worden opgelegd. In de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat aan dit vereiste is voldaan. In de tweede plaats dient het betreffende feit een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel te behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 2 Sr) vermeld. Hieraan is bij een poging tot zware mishandeling (van slachtoffer [benadeelde partij 2] ) voldaan. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Daartoe acht het hof redengevend dat – zoals bij de strafbaarheid van de verdachte is beschreven – sprake is van een hardnekkig patroon van fors geweld tegen (ex-)partners/vrouwen, de verdachte tot op heden geen enkel delictsbesef heeft getoond, het waarschijnlijk is dat de verdachte in de toekomst weer (een) relatie(s) zal aangaan met (een) vrouw(en) en het bewezenverklaarde handelen verschillende elementen bevat die worden beschouwd als risicofactoren voor verder escalerend (en potentieel dodelijk) geweld tegen (ex-)partners. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Met de hiervoor beschreven pro Justitia rapportage van het Pieter Baancentrum is aan dit vereiste ook voldaan.
Het hof komt tot het oordeel dat het noodzakelijk is om aan de verdachte TBS op te leggen. Vervolgens rijst de vraag in welke vorm dit dient te worden opgelegd: met bevel tot verpleging van overheidswege of met voorwaarden. Het hof stelt daarbij met de raadsman voorop dat TBS met een bevel tot verpleging van overheidswege gelet op haar ingrijpende karakter wordt opgelegd wanneer de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen niet voldoende kan worden beschermd met een minder ingrijpende maatregel, zoals terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het hof betrekt bij deze beoordeling het advies van de reclassering dat hiervoor is weergegeven. De opstelling van de verdachte – en als gevolg daarvan zeer minieme kans op geslaagde behandeling en recidivebeperking – is bij deze beslissing doorslaggevend. Het hof ziet daarom geen mogelijkheid om de veiligheid van anderen en algemene veiligheid van personen te beschermen door oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het hof zal daarom de maatregel tot terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege opleggen aan de verdachte.
Het hof constateert dat de op te leggen maatregel niet op voorhand is gemaximeerd, omdat deze wordt opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Het hof acht het gelet op het karakter en de vormgeving van de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te verstrekkend om daarnaast maatregelen op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat het hof daarvan afziet.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Inleiding
De verdachte is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2017 (parketnummer 21-000552-16) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 6 maanden. De verdachte is in dat kader op enig moment voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft op 15 november 2021 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met het in de strafzaak met in eerste aanleg het parketnummer 16-270594-21 bewezenverklaarde. De periode van de voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft 669 dagen.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, betreffende 669 dagen, geheel zal toewijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de bepleite vrijspraak – het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, dan wel de vordering moet worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat de verdachte zich tijdens de proeftijd – die een aanvang heeft genomen op 1 maart 2020 - van de voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en dus de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is daarom voor toewijzing vatbaar.
Voor de effectiviteit van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is het van groot belang dat aan het overtreden van gestelde voorwaarden strenge gevolgen worden verbonden. Het uitgangspunt betreft dat het aantal dagen voorwaardelijke invrijheidstelling
alsnog geheel wordt ondergaan, tenzij dit disproportioneel zou zijn of sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om van het uitgangspunt af te wijken. Het hof gelast daarom dat de verdachte het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog, voor de duur van 669 dagen, moet worden ondergaan. Het hof wijst de vordering toe.
Verzoek schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer]
Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg niet in het strafproces gevoegd als benadeelde partij. Namens haar heeft mr. A.Y. Bleeker het hof verzocht om de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer op te leggen ter hoogte van
€ 10.000,00. Volgens de advocaat van de benadeelde partij durfde het slachtoffer zich als gevolg van bedreiging, mishandeling en chantage door de verdachte in eerste aanleg niet als benadeelde partij te voegen.
De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer] . Volgens de verdediging heeft de wetgever expliciet overwogen dat het niet de bedoeling is dat een slachtoffer zich in hoger beroep als benadeelde partij voegt, omdat de verdachte hiermee een instantie wordt ontnomen en doet zich in deze zaak geen uitzondering voor.
Het hof overweegt als volgt. Het ambtshalve opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is voorbehouden aan uitzonderlijke situaties. Het hof beschikt over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat het slachtoffer zich niet als benadeelde partij durfde te voegen. Daarbij komt dat – ook indien daarvan met het slachtoffer wel wordt uitgegaan – dit naar het oordeel van het hof geen uitzonderlijke situatie oplevert die maakt dat van de hoofdregel moet worden afgeweken. De door de advocaat aangehaalde rechtspraak betreft situaties die afwijken van de situatie die hier aan de orde is. Het hof zal niet overgaan tot het opleggen van de schadevergoedingsmaateregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] . Desgewenst kan zij een vordering tot schadevergoeding indienen bij de burgerlijk rechter.
Vordering van de [benadeelde partij 2]
Inleiding
De [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.325,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering valt uiteen in een bedrag van € 325,00 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.100,-, bestaande uit een bedrag van € 100,- ter zake van materiële schade en een bedrag van
€ 5.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunten partijen
De advocaat van de benadeelde partij heeft op zitting in hoger beroep een toelichting gegeven op de ingediende vordering en primair verzocht deze toe te wijzen. Subsidiair heeft zij het hof verzocht om op dit punt dezelfde beslissing te nemen als de rechtbank.
De raadsman heeft betoogd dat de gevorderde materiële schade die ziet op de telefoon niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. De immateriële schade dient volgens de raadsman sterk worden gematigd, vanwege een gebrek aan onderbouwing (van met name de gestelde psychische klachten) en de (grote) verschillen tussen deze zaak en de zaken waarnaar in de vordering is verwezen.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt het hof als volgt. Uit artikel 51f lid 1 Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich voor zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Uit artikel 361 lid 2 sub b Sv volgt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering als aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Daarbij gaat het er in de kern om of voldoende verband bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en anderzijds de schade, om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Hiervoor zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1). Naar het oordeel van het hof ontbreekt in deze zaak het hiervoor bedoelde verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (poging tot zware mishandeling) enerzijds en de (gestelde) schade die is ontstaan aan de telefoon van de benadeelde partij anderzijds. Het hof verklaart de benadeelde partij om die reden op dit onderdeel niet-ontvankelijk in de vordering.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. Daarbij is het volgende beoordelingskader van belang. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dat is onder meer het geval bij een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het
bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Tegen deze achtergrond ziet het hof onvoldoende grond om in onderhavige zaak een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aan te nemen. De door de benadeelde partij overgelegde gegevens zijn hiervoor niet voldoende.
Het hof stelt evenwel vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde aanzienlijk lichamelijk letsel heeft opgelopen op meerdere plekken van het lichaam. Deze schade komt voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:106 onder b BW. Het hof heeft bij de begroting van de schade gelet op de omstandigheden van deze zaak en de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. Tegen de achtergrond van het voorgaande begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval op € 5.000,- en wijst de vordering voor dit deel toe. Ten aanzien van het meer gevorderde verklaart het hof de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2022, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[benadeelde partij 2] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,-. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 50 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de [benadeelde partij 1]
Inleiding
De [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.472,30, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering valt uiteen in een bedrag van € 1.972,30 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 650,-, bestaande uit een bedrag van € 150,- ter zake van materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunten partijen
De benadeelde partij heeft op zitting in hoger beroep een toelichting gegeven op de ingediende vordering.
De raadsman heeft verzocht – in geval van bewezenverklaring – de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het verlies van verdienvermogen dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, omdat er geen verlies is geweest. De raadsman heeft in dat verband nog gewezen op de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de immateriële schade op een lager bedrag vast te stellen, omdat de aangehaalde zaken verschillen van deze zaak.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade die ziet op de telefoon overweegt het hof als volgt. De raadsman van de verdachte heeft de aanwezigheid van materiële schade niet betwist en het hof komt vergoeding van deze schade niet onredelijk of ongegrond voor. Het hof schat deze schade op € 150,00 en wijst het meer gevorderde af.
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade die ziet op het verlies aan arbeidsvermogen overweegt het hof als volgt. In deze zaak beschikt het hof over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat het handelen van de verdachte tot een verlies van arbeidsvermogen heeft geleid voor de benadeelde partij. Met de raadsman is het hof van oordeel dat nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof zal daarom de vordering voor dit deel daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze schade desgewenst bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade hanteert het hof hetzelfde beoordelingskader dat hiervoor is weergegeven bij de bespreking van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] . Gelet op dat beoordelingskader ziet het hof onvoldoende grond
om in onderhavige zaak een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aan te nemen. De door de benadeelde partij overgelegde gegevens zijn hiervoor niet voldoende.
Het hof stelt evenwel vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Deze hierdoor geleden immateriële schade komt op grond van artikel 6:106 onder b BW voor vergoeding in aanmerking. Het hof heeft bij de begroting van de schade gelet op de omstandigheden van deze zaak, de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de Rotterdamse schaal. Tegen de achtergrond van het voorgaande begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van het geval op € 500,- en wijst de vordering in zoverre toe. Ten aanzien van het meer gevorderde verklaart het hof de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de overwegend in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 650,-. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot gevangenneming
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op dit onderdeel geen standpunt ingenomen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor opgenomen bewezenverklaring blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van feiten waarvoor voorlopige hechtenis is
toegelaten. Daarnaast is het hof van oordeel dat blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de aanwezigheid van een delictpatroon, de persoon van de verdachte en het risico op herhaling moet er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Het hof zal de gevangenneming van de verdachte bevelen. Dit bevel wordt in een aparte beschikking geminuteerd.
Wetsartikelen
De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-270594-21 primair en in de zaak met parketnummer 16-227221-23 primair en in de zaak met parketnummer 16-005343-24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-270594-21 subsidiair, in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair en in de zaak met parketnummer 16-270594-21 subsidiair en in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte in de zaak met parketnummer 16-105237-22 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met parketnummer 99-000921-43 toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2017 onder parketnummer 21-000552-16 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten: 669 dagen.
Vordering van de [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk en verklaart de vordering van de benadeelde ten aanzien van de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-105237-22 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 april 2022.
Vordering van de [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade die ziet op de telefoon voor het overige af en verklaart vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade die ziet op het verlies van verdienvermogen en de immateriële schade (voor het overige) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-227221-23 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 september 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Zwartjes, mr. G. Dam en mr. J.L.F. Groenhuijsen, in aanwezigheid van de griffier mr. T. G. Remmink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 april 2026.