[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1972 in [plaats 1] ,
wonende te [woonplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 25 november 2022 en 4 maart en 1 april 2026 (alleen sluiting onderzoek) en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Kötter en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid in hoger beroep
Verdachte is door rechtbank partieel vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd, namelijk voor zover dat ziet op:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02)
Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die beslissingen tot vrijspraak. Naar het oordeel van het hof betreffen dit beschermde deelvrijspraken. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit tegen de hiervoor bedoelde deelvrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Het vonnis
De rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen:
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
De tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:
feit 1 primair:
verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt
en/of
verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren;
feit 1 subsidiair:
[zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven
en/of
[zorginstelling] van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;
feit 2 primair:
verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen;
feit 2 subsidiair:
[zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;
feit 3 primair:
verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-;
feit 3 subsidiair:
[zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,- en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.
Niet gehoorde getuigen
De volgende in de zaak van verdachte toegewezen getuigen zijn niet gehoord:
Gelet op de door de raadsheer-commissaris opgemaakt processen-verbaal is het onaannemelijk dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting kunnen verschijnen of alsnog door de raadsheer-commissaris kunnen worden gehoord. Het hof wijst de verzoeken daarom af.
Het hof overweegt daarbij dat het niet kunnen horen niet meebrengt dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. In de zaak [budgethouder] zal het hof komen tot een vrijspraak en in de overige zaken berust de bewezenverklaring niet op de verklaringen van deze getuigen. Het hof wijst daarbij met name op de bij [zorginstelling] zelf aangetroffen verdeellijsten en de verklaring daarover van [medeverdachte 1] . Daarnaast is sprake van een vast patroon van het niet verlenen van wel gedeclareerde zorg. Het hof zal dat bij de bewezenverklaring toelichten.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft in dit verband – kort gezegd – betoogd dat op basis van het dossier geen wetenschap omtrent de valsheid in geschrifte kan worden vastgesteld. Daardoor ontbreekt het vereiste oogmerk tot misleiding (feit 1) alsook het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling (feit 2). Een en ander leidt ertoe dat eveneens niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de geldbedragen zoals ten laste gelegd van enig misdrijf afkomstig waren, zodat hij ook voor het derde feit dient te worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt op enkele punten daar wel van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen. Het hof gebruikt daarom hierna enkele overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne.
Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield)
[zorginstelling] (hierna: [zorginstelling] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een Utrechtse zorgorganisatie. Verdachte en zijn broers, medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren (respectievelijk als directeur, zorgcoördinator en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [zorginstelling] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) waarmee zij zorg konden inkopen.
Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw).
Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en medeverdachten ervan dat met deze documenten de indruk werd gewekt dat door [zorginstelling] meer zorg werd geleverd dan daadwerkelijk het geval was, waardoor te hoge bedragen aan PGB zijn uitbetaald. Volgens het Openbaar Ministerie zijn deze PGB-bedragen vervolgens door verdachte in samenwerking met zijn medeverdachten met de budgethouders gedeeld. Het Openbaar Ministerie wijst in dat verband op de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, die hierna ‘verdeellijsten’ worden genoemd.
Kern van het verwijt
Verdachten wordt een rol verweten bij het opstellen en gebruiken van valse geschriften (feit 1), het met die geschriften bewegen van organisaties tot uitbetaling van geldbedragen (feit 2) en het witwassen van verkregen gelden (feit 3). Er is veel onderzoek gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [zorginstelling] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol.
Is de verantwoorde zorg geleverd?
Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [zorginstelling] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is verleend.
Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg heeft kunnen leveren. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is geleverd.
In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.
Het hof zal op grond van na te noemen feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. Het hof zal komen tot een bewezenverklaring van nagenoeg alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen).
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3
Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren.
Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekende budget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor.
Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw).
Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener.
De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren. Daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren:
• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit.
• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie.
[benadeelde] heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [zorginstelling] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden.
[naam 1] , werkzaam bij de gemeente [plaats 1] , heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders. Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 11] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef.
[zorginstelling]
, gevestigd te [plaats 1] , is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014. Als enig bestuurder staat geregistreerd [verdachte] .
Rol [verdachte]
In het personeelshandboek van [zorginstelling] van 1 oktober 2016 staat dat [verdachte] directeur is.
[verdachte] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [zorginstelling] . Hij zit wekelijks de vergadering voor.
Rol [medeverdachte 2]
In het personeelshandboek staat bij [medeverdachte 2] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven:
• Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld.
• Afspraken maken omtrent zorg.
• Stelt de zorgteam samen voor de cliënt.
• Begeleiden van de begeleiders.
[medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft.
Rol [medeverdachte 3]
Bij [medeverdachte 3] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven:
• Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding
• Administratieve werkzaamheden
• Managen van de financiën en lease
• Facturen maken/facturen betalen
[medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [zorginstelling] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [medeverdachte 2] of de afdeling van
[medeverdachte 2] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [medeverdachte 3] door [medeverdachte 2] gemaakt.
Verdeellijsten
In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen:
2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen)
2015: 1 maand (digitaal van december 2015)
2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december)
2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar)
2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart)
Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld. Ook over de maanden september, oktober en november 2013 zijn excellijsten aangetroffen waarin kolommen staan met cliëntnamen, binnenkomend, te betalen, provisie en percentage.
De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [zorginstelling] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [zorginstelling] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten.
Tijdens één van de verhoren is aan [medeverdachte 3] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (het hof begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [medeverdachte 3] bevestigend. [medeverdachte 3] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [medeverdachte 3] zelf gemaakt.
[medeverdachte 3] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [zorginstelling] houdt.
Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk. In dit gesprek zegt [verdachte] het volgende tegen [medeverdachte 2] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.”
De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [zorginstelling] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd. Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld.
Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op€ 4.673.959,-.
[budgethouder 1]
Budgethouder [budgethouder 1] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [zorginstelling] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [budgethouder 1] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [medeverdachte 2] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [budgethouder 1] een PGB ontving. In het begin, maximaal twee weken, is er iemand van [zorginstelling] geweest. Daarna heeft hij nooit meer zorg gehad van iemand van [zorginstelling] . Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [medeverdachte 2] , een enkele keer van [medeverdachte 2] neefje.
Tijdens doorzoekingen bij [zorginstelling] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [budgethouder 1] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [zorginstelling] aan [budgethouder 1] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00.
Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 1] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende:
10-10-2017
[budgethouder 1] : Broer, komt het van de maand morgen?
12-10-2017
[medeverdachte 2] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening.
13-10-2017
[budgethouder 1] : Het staat erop, broer. Bedankt.
Op de bankrekening [rekeningnummer 1] , op naam van [budgethouder 1] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer 2] , op naam van [medeverdachte 2] .
Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 1] en ‘ [naam 2] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende:
[naam 2] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag
[budgethouder 1] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig
[budgethouder 1] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub
[naam 2] : Woon je nu daar?
[budgethouder 1] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen
Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije). [budgethouder 1] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [zorginstelling] zorg is gefactureerd aan [budgethouder 1] .
Voorafgaand aan het huisbezoek van [benadeelde] bij [budgethouder 1] op 9 november 2017 hadden [medeverdachte 2] en [budgethouder 1] het volgende gesprek:
8-11-2017
[budgethouder 1] : Broer, zal ik me scheren?
[medeverdachte 2] : Ja doe maar.
[medeverdachte 2] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg.
[budgethouder 1] : Ok broer.
[budgethouder 11]
[naam 12] , de zoon van budgethouder [budgethouder 11] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn moeder. Dat doet hij al zijn hele leven. Eind 2015 heeft hij de bewindvoering over zijn moeder overgenomen en is hij met [zorginstelling] in aanraking gekomen. [medeverdachte 2] zei op een bepaald moment tegen hem: je kan bij ons in dienst komen voor de zorg van je moeder en dan kan je daarvoor een contract krijgen. Vanaf 1 juli 2017 is hij de zorg gaan verlenen via met een contract, maar feitelijk veranderde er niks.
Ook voor die tijd werden er al bedragen door [zorginstelling] gestort of contant uitbetaald. Dat betrof het delen van zorggelden. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [medeverdachte 2] en één keer door iemand anders.
De moeder [budgethouder 11] ging een tijdje naar groepsbegeleiding van [zorginstelling] . Op met moment van het verhoor (mei 2018) was ze daar al meer dan een jaar niet meer geweest.
Op de bankrekening van [naam 12] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [zorginstelling] en één overboeking vanaf een rekening van [medeverdachte 2] aangetroffen.
[budgethouder 3]
[naam 4] , de vader van budgethouder [budgethouder 3] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn zoon. Dat deed hij niet als werknemer van [zorginstelling] maar als vader. [naam 4] heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [medeverdachte 2] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel. [medeverdachte 2] zei: ‘ [budgethouder 3] woont bij jullie, dus dit is mogelijk’. [naam 4] heeft een keer zijn DigiD-code aan [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] wilde zelf inloggen.
Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 3] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [zorginstelling] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [naam 4] , de vader van [budgethouder 3] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [naam 5] , de echtgenote van [medeverdachte 3] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort.
Uit een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende:
[medeverdachte 3] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [naam 4] sturen
[verdachte] : Stuur ook rekeningnummer mee
[medeverdachte 3] : [naam 4] [rekeningnummer 3]
[verdachte] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen
Op de bankrekening van [verdachte] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [zorginstelling] . , met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [naam 4] .
[budgethouder 4]
[naam 6] , de man van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld. Er kwam niemand van [zorginstelling] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [naam 6] zelf. Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [naam 7] . [medeverdachte 2] gaf door als er geld was overgemaakt.
Door [zorginstelling] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [naam 7] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 4] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017.
[budgethouder 5]
[naam 8] , de broer van budgethouder [budgethouder 5] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [zorginstelling] te delen. De afspraken hierover heeft [naam 8] gemaakt met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] bracht het geld ook bij hem.
Op het bankrekeningnummer op naam van [naam 8] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017.
Personeelskostendruk - geleverde zorg
Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd. Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren.
Op basis van de belastinggegevens van [zorginstelling] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [zorginstelling] als volgt uit:
- 2014: 8,2 %
- 2015: 9,6 %
- 2016: 11,3 %.
Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [zorginstelling] beschikbaar.
Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [zorginstelling] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
- de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst;
- de digitale administratie van [zorginstelling] ;
- de mutaties op de bankrekeningen van [zorginstelling] ;
- de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd;
- AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [verdachte] .
Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [zorginstelling] .
Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn.
Uit deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [zorginstelling] maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben.
Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leveren
dagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 uit op 14.664 dagdelen.
Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit het
onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017, volgt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn.
Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [zorginstelling] maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben.
Geleverde zorg in relatie tot omzet
Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [zorginstelling] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [zorginstelling] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539.228,- ontvangen.
Uit deze getallen volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1 % van de
totale zorg geleverd kan hebben.
Bewijsoverweging oplichting (feit 2)
Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt het hof tot de conclusie dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord.
Het hof baseert zijn oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers:
- de verdeellijsten;
- het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [zorginstelling] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren;
- de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.
De verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdeellijsten moeten worden gezien als een overzicht van de inkomsten en kosten per budgethouder (“kostenplaatje”). Het hof acht die uitleg in het licht van de bewijsmiddelen volstrekt onaannemelijk. Zo volgt uit verschillende bewijsmiddelen dat bedragen die bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Daarnaast heeft ook de verklaring van [medeverdachte 3] , die hij heeft afgelegd bij de Inspectie, deze strekking. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld.
In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen in het geval dat in de verdeellijst een bedrag is opgenomen, is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. Het hof concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld en dat de gedeclareerde zorg niet of niet volledig is verleend Dat niet alle gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend blijkt daarnaast ook uit het volgende.
De Inspectie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [zorginstelling] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [zorginstelling] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [zorginstelling] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [zorginstelling] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [budgethouder 5] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [zorginstelling] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [budgethouder 5] kon worden gedeeld.
Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. Het hof is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door de verdediging is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [zorginstelling] niet klopt.
Het hof komt tot de conclusie dat door [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt het hof af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift (feit 1)
Van alle door [zorginstelling] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrift ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [zorginstelling] werd verleend.
De meeste van deze 31 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat het hof ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. In het geval dat er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal het hof aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt het hof tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd.
Bewijsmiddelen [budgethouder 1]
Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [medeverdachte 3] naar de bankrekening op naam van budgethouder [budgethouder 1] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder.
Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 1] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] – afgezien van maximaal twee weken in het begin – geen zorg aan [budgethouder 1] is verleend en de facturen dus vals zijn.
Bewijsmiddelen [budgethouder 11]
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [naam 12] de persoonlijke verzorging van zijn moeder deed. Vanaf juli 2017 was [naam 12] in dienst bij [zorginstelling] , daarvoor verzorgde hij zijn moeder op persoonlijke titel. Zijn moeder ging niet meer naar de dagbesteding van [zorginstelling] . Omdat [zorginstelling] geen persoonlijke zorg heeft verleend en de moeder van [budgethouder 11] geen gebruik meer maakte van de dagbesteding terwijl wel uren zijn gedeclareerd, zijn de vermelde facturen vals. Mogelijk ontving de moeder van [budgethouder 11] in december 2015 nog wel dagbesteding/begeleiding groep, nu echter sprake is van een factuur waarop ook individuele begeleiding is vermeld kan ook worden vastgesteld dat de factuur 015-06 vals is.
Bewijsmiddelen [budgethouder 3]
Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 3] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] , zorgcoördinator. Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 8 januari 2016 20 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 3466,00.
Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de vader van [budgethouder 3] zorg verleende aan [budgethouder 3] en daartoe niet in dienst van [zorginstelling] was. Op voorstel van [medeverdachte 2] is een constructie bedacht waardoor zorggelden met de vader van [budgethouder 3] konden worden gedeeld. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de vader van [budgethouder 3] mogelijk maakte. Hoewel uit het dossier kan worden afgeleid dat [budgethouder 3] (wel) dagbesteding van [zorginstelling] ontving, kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat ook de voor dagbesteding in december 2015 in rekening gebrachte bedrag met de vader van [budgethouder 3] is gedeeld en ook deze factuur dus deel uitmaakte van de constructie.
Bewijsmiddelen [budgethouder 6]
Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00.
Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00.
Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Nu met [budgethouder 6] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 6] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals.
Bewijsmiddelen [budgethouder 7]
Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00.
Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Nu met [budgethouder 7] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 7] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals.
Bewijsmiddelen [budgethouder 4]
Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”.
Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekening
op naam van verdachte [medeverdachte 1] naar de bankrekening op naam van [naam 7] , de schoonzoon van de budgethouder.
Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”.
Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt het hof echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld. Uit de verdeellijsten blijkt dat [zorginstelling] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [naam 7] , de schoonzoon van de budgethouder.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] facturen zijn gestuurd voor zorg die niet door [zorginstelling] is verleend. De facturen zijn dus vals.
Vrijspraak [budgethouder]
De zorg voor mevrouw [budgethouder] werd geleverd door haar dochter die ook in dienst was van [zorginstelling] . Het hof kan niet vaststellen dat [zorginstelling] minder zorg heeft geleverd dan gefactureerd is. Het hof zal daarom verdachte op dit punt vrijspreken.
Bewijsmiddelen [budgethouder 8]
Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10.
Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Nu met [budgethouder 8] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 8] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals.
Bewijsmiddelen [budgethouder 9] en [budgethouder 10]
[budgethouder 9]
Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.686,06 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.011,64 in de kolom “te betalen”.
Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.158,94 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.895,36 in de kolom “te betalen”.
Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.720,96 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 2.232,58.
In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart, juni en september 2017, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] .
[budgethouder 10]
Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 988,38 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 593,03.
Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.879,86 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.127,92 in de kolom “te betalen”.
Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.325,60 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 868,36 in de kolom “te betalen”.
In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op januari, mei en november 2017, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] .
Bij de raadsheer-commissaris heeft [budgethouder 9] het volgende verklaard met betrekking tot de hulp die zij en haar man [budgethouder 10] ontvingen van hun zoon [naam 9] : “Hij deed het huishouden, schoonmaken, stofzuigen. Hij hielp met koken en de was en tijdens het douchen.
U vraagt mij of ik ook andere kinderen of familieleden heb die hielpen met dat soort dingen.
Ook mijn dochter hielp mij, vooral met het douchen. U vraagt mij of ik hulp kreeg in die
periode van mensen buiten mijn gezin. Nee, zo iemand is niet gekomen. (…)
U vraagt mij of mijn zoon ook mijn man hielp. Ja, hij heeft heel veel geholpen. (…)”
[naam 9] had een arbeidsovereenkomst met [zorginstelling] voor 12 uur in de week.
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [zorginstelling] voor de maanden januari, mei en november 2017 veel meer uren heeft gedeclareerd dan waarvoor [zorginstelling] een arbeidsovereenkomst had met [naam 9] en dat door andere medewerkers van [zorginstelling] geen zorg is verleend.
Nu [zorginstelling] minder persoonlijke zorg heeft verleend dan dat [zorginstelling] heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals.
Bewijsmiddelen [budgethouder 5]
Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.300,00 is en er staat een percentage van 50%. Twee kolommen naast het percentage staat in de kolom “te betalen” een bedrag van € 1.150,00. Het factuurnummer op de verdeellijst correspondeert met het factuurnummer op de factuur; het factuurbedrag op de verdeellijst wijkt echter af van de factuur.
Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 5] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] , zorgcoördinator. Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 1 januari 2017 12 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 2.300,00.
[budgethouder 5] , broer van de budgethouder, heeft bij de raadsheer-commissaris het volgende verklaard: “U vraagt mij of ik de persoonlijke verzorging van mijn broer heb waargenomen. Ja, hij kreeg thuis begeleiding, verzorging in zijn kamer, kleding wisselen en zo. Hij kreeg veel begeleiding, omdat hij zich snel isoleert. Ik en mijn moeder gaven hem ook vaak
persoonlijke verzorging, wij controleerden ook de boodschappen. Hij moet sowieso altijd in de gaten worden gehouden.
U vraagt mij of u het goed begrijpt dat het merendeel van de persoonlijke verzorging werd
geleverd door de begeleiders en de stagiaires. Ik en mijn moeder deden dat veel meer.
U houdt mij voor dat er op de declaratie (doc-034-01) staat dat er aan persoonlijke
verzorging 36 uur per maand zou zijn geleverd. U vraagt mij of dat kan kloppen. Verspreid
over een maand kan dat niet kloppen, hij kreeg twee dagen per week ongeveer anderhalf uur
persoonlijke verzorging van [zorginstelling] . Ik gaf zelf ook persoonlijke verzorging, zowel in het
kader van mijn dienstverband als privé. In het kader van mijn dienstverband bij [zorginstelling] zal ik zo’n drie uur per week persoonlijke verzorging hebben gegeven.”
[medeverdachte 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ”Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen.”
Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de factuur vals is. Op grond van de verklaring van de broer van [budgethouder 5] kan worden vastgesteld dat 6 uur per week en dus ongeveer 24 per maand zorg werd verleend en niet, zoals op de factuur is vermeld, 36 uur.
Uit de verklaring van de broer van [budgethouder 5] volgt verder dat een constructie is bedacht: [medeverdachte 2] heeft hem voorgesteld om het PGB-budget van zijn broer te delen. Vanaf januari 2017 kreeg hij daarom maandelijks 40 procent, een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de broer van [budgethouder 5] mogelijk maakte.
Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen witwassen
(PGB-)inkomsten
In het kader van het onderzoek Mansfield zijn van [zorginstelling] de transactieoverzichten
opgevraagd van de zakelijke bankrekeningen. Deze transactieoverzichten zijn over de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 geanalyseerd en op de onderzochte bankrekeningen zijn (PGB-)inkomsten aangetroffen van in totaal € 8.110.121,52. Daarvan zijn verschillende uitgaven, van in totaal € 6.484.600,95, nader onderzocht.
Contante opnames: € 3.915.822,32
In de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] gebruik gemaakt om gelden contant op te nemen. In deze periode is van drie verschillende bankrekeningen een bedrag opgenomen van in totaal € 3.915.822,32.
In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van [zorginstelling] is geen (formele) kasadministratie aangetroffen waarin de contante geldstroom was verwerkt. In de digitale administratie zijn wel bestanden aangetroffen waarop vermoedelijk staat aangegeven hoe contante bedragen zijn besteed of uitbetaald. In deze bestanden zijn, onder andere, cliëntnamen en bedragen te zien. Deze bestanden zijn veiliggesteld vanaf de computer op het bureau waaraan [medeverdachte 3] werkte. Het betaaloverzicht van januari 2017 uit dit bestand is vergeleken met de fysieke verdeellijst van januari 2017. De bedragen ‘betaald’ uit het bestand “jan-dec 2017” komen grotendeels overeen met de bedragen op de fysieke verdeellijst. Er staan 100 cliëntnamen op het betaaloverzicht. Bij 33 cliënten staat geen bedrag ingevuld op de betaallijst maar wel handmatig op de fysieke verdeellijst. De rest van de bedragen komt overeen.
In de back-up van de telefoon van [medeverdachte 3] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder gesprekken met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] . Onder meer vinden tussen hen de volgende gesprekken plaats:
13-4-2015
[medeverdachte 2] : Even wachten met
[medeverdachte 2] : Het betalen van het geld
[medeverdachte 2] : want ik moet nog mensen betalen
26-9-2015
[medeverdachte 2] : Ik moet nog aan 3 klanten geld geven
[medeverdachte 2] : Volgende week zijn de loonbetalingen/uitkeringsbetalingen
[medeverdachte 2] : Mijn broer [verdachte] heeft geen geld
[medeverdachte 2] : Iedereen loopt me maar te bellen omdat ze geld willen
6-4-2016
[medeverdachte 3] : [medeverdachte 2] , zeg tegen de personen die geld krijgen: voortaan krijgen ze het een week later.
Op 4 mei 2017 stuurt verdachte [medeverdachte 1] in een WhatsApp-groepsgesprek als bijlage een document. Dit betreft een brief gericht aan [verdachte] van de ABN AMRO Bank, waarin staat dat de contante opnames vanaf de zakelijke rekening op naam van [zorginstelling] “niet gebruikelijk zijn” en dat de contante opnames alleen zijn toegestaan “als u de bestemming hiervan kunt aantonen en deze betrekking hebben op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming”. Vervolgens schrijft verdachte [verdachte] : “Geen contante opnames meer heren” en schrijft verdachte [medeverdachte 1] : “Hoe gaan we het doen joh”.
Op de vraag wie de contante opnames deed, noemt [medeverdachte 3] in zijn verhoor de namen van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Zelf deed [medeverdachte 3] ook af en toe contante opnames als er geld nodig was en hij op dat moment beschikbaar was. Dat gebeurde zo’n twee tot drie keer per maand. Op de vraag hoe groot deze bedragen waren, antwoordt [medeverdachte 3] “soms vijf, soms tien” (het hof begrijpt: € 5.000,- of € 10.000,-). [medeverdachte 3] dacht dat de contante opnames voor de verdeling van het zorggeld waren.
Overboekingen naar Turkije: € 978.640,-
Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije. Dit bedroeg in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 978.640,-. In de omschrijvingen van de overboekingen van € 10.000,00 of meer zijn veelvuldig de woorden “ [omschrijving 1] ” of “ [omschrijving 2] ” te zien. De woorden “ [omschrijving 1] ” zijn vertaald door een tolk Turks en betekenen: “ Bouw(project) Europa Woningen ”.
Op 2 april 2015 vindt tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] het volgende gesprek plaats:
[medeverdachte 2] : Hoeveel gaat er deze maand naar Turkije?
[verdachte] : Mijn broer, het is daar belangrijk voor ons allemaal.
[verdachte] : Deze maand 25
[medeverdachte 2] : ok
In het verhoor van [medeverdachte 3] wordt opgemerkt dat er best veel geld naar Turkije is overgeboekt dat van zorggeld afkomstig is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn broer bezig was met projecten in Turkije. Voor de bouw stuurden ze regelmatig geld naar Turkije. Op de vraag over welke projecten [medeverdachte 3] het heeft, antwoordt hij dat er maar één project was in Turkije, het appartementencomplex.
Overboekingen naar [verdachte] : € 894.014,87
In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling]
gebruik gemaakt om gelden over te boeken naar rekeningen op naam van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 10] . Bij [verdachte] betreft het een totaalbedrag van € 894.014,87. Van dit bedrag is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 613.318,74 contant opgenomen. De overboekingen vanaf zakelijke bankrekeningen op naam van [zorginstelling] naar de privérekeningen op naam van [verdachte] betreffen in 2017 € 652.706,22, tegenover € 38.205,56 in 2016.
Overboekingen naar [medeverdachte 2] : € 223.988,98
In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling]
geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 2] . Het gaat om een totaalbedrag van € 223.988,98. Van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] is in totaal een bedrag van € 109.684,47 contant opgenomen.
Overboekingen naar [medeverdachte 1] : € 178.267,53
In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling]
geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 1] . Het gaat om een totaalbedrag van € 178.267,53.
Overboekingen naar [naam 10] : € 72.700,-
[naam 10] , ook een broer van verdachte, ontving op bankrekening [rekeningnummer 4] bedragen van de bankrekeningen van [zorginstelling] . In de periode van 2014 tot en met 2017 betreft dat in totaal € 72.700,00.
[medeverdachte 3] geeft in zijn verhoor aan dat zijn broer [naam 10] in de ziektewet zat en op een gegeven moment niet meer uitbetaald werd. [verdachte] vond dat ze hem, omdat het hun broer is, moesten helpen. Daarom gaven ze hem € 2.500,- per maand. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [naam 10] niet werkte voor [zorginstelling] , maar dat hij dit maandelijkse bedrag kreeg zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie leverde.
Leningen: € 221.167,25
Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn bedragen overgeboekt naar andere
bankrekeningen, met als omschrijving “lening”. In totaal is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 221.167,25 overgeboekt met deze omschrijving.
Door de boekhouder van [zorginstelling] , [naam 11] , is verklaard dat zodra er ‘lening’ bij een bedrag stond bij de overboeking op de bank, dit bedrag als lening werd geboekt. Een aantal bedragen die werden overgeboekt naar derden en waar niks bijstond, werden besproken met [verdachte] en daarna werden ze alsnog als lening geboekt.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat een aantal betalingen aan cliënten via de bankrekeningen ging. Als hij via de bank aan een cliënt moest betalen, dan kreeg hij dit van [medeverdachte 2] te horen. [medeverdachte 2] gaf dan aan dat het een lening aan de cliënt was. [medeverdachte 3] moest het dan als lening boeken.
Van misdrijf afkomstig
Zoals het hof bij de bespreking van de oplichting heeft overwogen, zijn bij [zorginstelling] van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen. Daarop staan 132 budgethouders met wie geld is gedeeld. In die 27 maanden is in totaal een bedrag van € 4.673.959,- gefactureerd terwijl een groot deel van de zorg niet werd geleverd en het zorggeld met de budgethouders is gedeeld. Het bedrag van € 4.673.959,- is voor het overgrote deel door oplichting verkregen, en derhalve van misdrijf afkomstig. Over de onderzoeksperiode van 51 maanden ontbreken van 24 maanden (complete) verdeellijsten. Het hof kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat ook in deze 24 maanden met alle 132 budgethouders – voor zover voor hen over die maanden een zorgvergoeding is uitbetaald – zorggelden zijn gedeeld. Op grond van het dossier neemt het hof aan dat over de gehele ten laste gelegde periode het grootste deel van de gefactureerde zorg (rond de twee/derde) niet is verleend. Dat resulteert in en ten onrechte verkregen bedrag over de gehele periode van ongeveer € 5,4 miljoen.
Vermenging
Het hof stelt vast dat het bedrag van € 4.673.959,- in het vermogen van [zorginstelling] is terecht gekomen en ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre dat invloed heeft gehad op het totale vermogen van [zorginstelling] .
Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. In het geval vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn, vermengd zijn geraakt met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig.
Omdat een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, kan bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen worden gekwalificeerd. De Hoge Raad noemt in zijn arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578), kort gezegd, de volgende omstandigheden: een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, een groot tijdsverloop na het moment van vermenging, een groot aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en een incidenteel karakter van de vermenging.
Het hof is van oordeel dat het door oplichting verkregen geldbedrag met het legale vermogen van [zorginstelling] is vermengd geraakt. De omstandigheden die door de Hoge Raad worden genoemd doen zich niet voor. Integendeel, er is sprake van een aanzienlijk geldbedrag (ruim de helft van de totale inkomsten) dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Bovendien heeft de vermenging gedurende een lange periode van ruim 4 jaar plaatsgevonden. Iedere maand kwamen PGB-gelden binnen die onterecht verkregen waren, welke deel gingen uitmaken van het vermogen van [zorginstelling] . Van een incidenteel karakter is derhalve allerminst sprake.
Nu het hof heeft vastgesteld dat van vermenging sprake is, kan het gehele bedrag aan PGB-inkomsten van ruim € 8,1 miljoen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. De tenlastelegging is overigens beperkt tot € 7.809.269,-.
Witwashandelingen
[zorginstelling] heeft het bedrag van € 7.809.269,- verworven en voorhanden gehad. . Van een gedeelte hiervan kan worden vastgesteld dat het is overdragen en/of omgezet. Zo is er in ieder geval een bedrag van € 978.640,- overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ten aanzien van dat bedrag is voldoende bewijs voorhanden dat daarvan uiteindelijk gebruik is gemaakt voor de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Van het van de rekening van [zorginstelling] naar de rekening van verdachte overgeboekte totaal bedrag van € 894.000,- is ongeveer € 613.000,- contant opgenomen. Ten slotte hebben er ook contante opnames plaatsgevonden van de rekeningen van [zorginstelling] voor een bedrag van € 3.915.822,32. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die contante opnames plaatsvonden om daarmee contante betalingen te kunnen doen. Met name uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en van verschillende budgethouders en uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat deze contante opnames met name werden gebruikt om het gedeelde zorggeld uit te betalen aan de (familieleden van de) budgethouders. Een bedrag van € 72.000,- is overgeboekt naar een broer van verdachte en medeverdachten.
Tot 1 januari 2017 was het enkele verwerven en voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen gelden niet strafbaar. Vanaf die datum zijn dergelijke handelingen strafbaar als eenvoudig witwassen. Bij de straftoemeting speelt dit feit slechts een geringe rol. Daarnaast zijn dossier en tenlastelegging niet toegespitst op de vraag welke bedragen door welke persoon/personen in welke periode zijn overgedragen/omgezet. Van de vanuit [zorginstelling] opgenomen contante gelden kan worden aangenomen dat die voornamelijk zijn aangewend om budgethouders uit te betalen. Daarbij waren alle drie de broers betrokken zodat het hof bewezen acht dat verdachte dit tezamen en in vereniging met zijn mededaders heeft witgewassen. Een deel van de witwashandelingen zijn door verdachte alleen gepleegd. Het hof denkt daarbij aan de gelden die naar Turkije zijn overgeboekt. Die gelden zijn door verdachte geïnvesteerd in voornamelijk onroerend goed. Bij de straftoemeting is voor het hof niet van belang welk deel verdachte tezamen en in vereniging heeft begaan en welk deel hij alleen heeft begaan.
Gewoonte maken van witwassen?
Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die op structurele wijze zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is het hof van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Toerekening aan rechtspersonen en feitelijk leidinggeven
Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.
Het hof is van oordeel dat dat bij [zorginstelling] het geval was, nu de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. [zorginstelling] presenteerde zich immers als verlener van zorg aan PGB-houders. Het opstellen van factureren voor zorg past daarmee binnen de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersoon. Verdachte en zijn medeverdachten hadden belangrijke rollen binnen de rechtspersoon en hebben de constructie opgezet waarbij meer werd gedeclareerd dan daadwerkelijk aan zorg werd verleend. Dit handelen is de rechtspersoon dienstig geweest.
Op grond van artikel 51 lid 2 onder 3° Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, tegen hen die feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging een straf of maatregel worden opgelegd. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.
Het hof stelt allereest vast dat verdachte [zorginstelling] heeft opgericht en als enig bestuurder en aandeelhouder namens de vennootschap handelde. Verdachte zat wekelijks vergaderingen voor en gaf opdracht voor betalingen aan budgethouders.
Het opmaken van valse facturen en het verdelen van daarmee verkregen zorggeld kwam binnen [zorginstelling] structureel voor. Al vanaf de oprichtingsdatum worden valse facturen opgemaakt en uit de verdeellijsten die zijn aangetroffen volgt dat al voor de formele oprichtingsdatum sprake is geweest van verdeling van zorggelden. Dat verdachte van dit verdienmodel niet op de hoogte was, acht het hof volstrekt niet aannemelijk. Verdachte is hiervan op de hoogte geweest. Verdachte had niet alleen een belangrijke formele rol, maar hem kwam ook het grootste deel van de verdiensten toe. Dat verdachte geen weet had van de herkomst van de gelden lijkt dan onwaarschijnlijk. Daarbij betrekt het hof verder dat uit de verklaringen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en van verschillende (familieleden van) PGB-houders volgt dat openlijk over de fraude werd gesproken, in die zin dat mensen actief werden benaderd om voor zorg die zij al verleenden een PGB-constructie op te zetten waardoor gelden konden worden (verkregen en) verdeeld.
Tussen onder meer [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] is op de telefoon van [verdachte] een groepsgesprek aangetroffen. In februari en maart 2015 verschijnen daarop berichten van [medeverdachte 2] met de volgende inhoud: “Wat ik niet begrijp is waarom je het zo ver laat komen. Help deze zorgzaken niet naar de knoppen. We gaan zo echt de ondergrond in. Vind deze maand het geld in Turkije. Het zorggeld moet betaald worden aan wie uitbetaald moeten worden” [verdachte] reageert met “Als het binnenkomt, zal ik dat regelen” [medeverdachte 2] schrijft: “Niemand moet meer geld van de rekening opnemen. Ik ga de mensen betalen” In juli 2016 schrijft [medeverdachte 2] : “Ik heb geld op mijn rekening overgeschreven. Begrijp dat niet verkeerd, want ik zal het naar de klanten overmaken”
Dat verdachte ook van het delen met (familie van) PGB-houders op de hoogte was volgt tot slot uit de omstandigheden dat bedragen van zijn bankrekening naar cliënten zijn overgeschreven. Ook volgt uit berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] dat wanneer verdachte geen geld heeft, betalingen aan PGB-houders spaak lopen en mensen dan bellen omdat ze geld willen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.subsidiair[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
vijfentwintig (25), althans een of meer factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,
immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [zorginstelling] aan voornoemde klant(en):
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven,
en/of
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van vijfentwintig (25)althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van
Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [zorginstelling] aan voornoemde klant(en):
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 en/of 3.680 euro bedraagt,
en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)
- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [budgethouder 1] en/of [budgethouder 11] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 4] en/of [budgethouder] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 5] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),
en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens) heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [zorginstelling] ,
zulks terwijl zij en haar mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Feit 2:
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer) 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,
- 73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of
- 100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 11] en/of
- 88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of
- 128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of
- 86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of
- 25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] en/of
- 55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder] en/of
- 25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of
- 40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of
- 24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of
- 26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] ,
immers heeft zij en/of haar mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [zorginstelling] voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:
- (daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) en/of
- (aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,
waardoor de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) (telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten),
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Feit 3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [plaats 1] , althans Nederland en/of te [plaats 2] , althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), verworven en voorhanden gehad en daarvan (ongeveer) 3.915.822,32 euro en (ongeveer) (in totaal) 978.640 euro en 613.000 euro en/of 72.700 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),
(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,
en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of
hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Kwalificatie-uitsluitingsgrond voor een deel van het witwasbedrag (feit 3)
Van het totaalbedrag van € 7.809.269,- heeft het hof vastgesteld dat verdachte dit bedrag, dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, tezamen en in vereniging met zijn broers heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat in ieder geval ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen verdergaande witwashandelingen zoals het overdragen van dat geld, hebben plaatsgevonden. Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 894.000 betreft het bedrag dat vanaf de rekening van [zorginstelling] naar de rekening van verdachte is overgeboekt. Daarvan is € 613.000,- contant opgenomen. Van dat deel kan worden aangenomen dat dit is overgedragen of omgezet. Vanuit die contante opnames zijn ook budgethouders uitbetaald.
Het hof stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Het hof heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat het onder 3 ten laste gelegde geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Voor zover het hof niet bewezen heeft verklaard dat verdachte (al dan niet tezamen en in vereniging) de uit misdrijf verkregen bedragen heeft overgedragen of omgezet heeft het niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat bedrag, nu uit de bewijsmiddelen enkel kan worden afgeleid dat de verdachte dat bedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Dit betekent dat voor dit deel van het geldbedrag het onder 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. voor het overige worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, , begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
en
opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken
en
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte is gedurende een periode van meer dan vier jaar betrokken geweest bij een grootschalige PGB-fraude. [zorginstelling] werd halverwege 2014 opgericht, maar al vóór dat moment was sprake van het structureel delen van PGB-geld met budgethouders. Dat vond sinds de oprichting al op dusdanig grootschalige en structurele wijze plaats dat het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het opzetten van het bedrijf hierop gericht is geweest.
Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op grove wijze misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Deze regelgeving is bewust ruim ingericht, zodat degenen die zorg nodig hebben, laagdrempelig een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen. Bij [zorginstelling] werd echter met een groot aantal budgethouders (of hun familieleden) de afspraak gemaakt dat minder zorg zou worden verleend en een deel van het PGB-geld zou worden gedeeld met de budgethouders (of hun familieleden). Door de Inspectie is berekend dat (maximaal) 28,1 procent van de zorg die werd gefactureerd geleverd kan zijn. Dit betekent dat in totaal door [zorginstelling] een bedrag van 5,4 miljoen euro aan PGB-geld onterecht, dat wil zeggen: zonder dat daar zorg tegenover stond, is ontvangen. Voor het bepalen van de strafmaat zal het hof dit bedrag als het benadelingsbedrag hanteren.
Het hof vindt het zeer kwalijk dat er door verdachte op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor mensen die zorg behoeven. Een groot deel van de opbrengst van [zorginstelling] is besteed aan de bouw van een appartementencomplex in Turkije, waar zowel verdachte als zijn broers bij betrokken waren. Op deze manier is het geld dat door valsheid in geschrift en oplichting is verkregen witgewassen en in het legale financiële verkeer terecht gekomen.
Verdachte en zijn broers hadden ieder een eigen rol in deze PGB-fraude. Hoewel de rollen verschillend waren, acht het hof alle rollen relevant voor het voortduren van de fraude. Verdachte was weliswaar minder feitelijk betrokken bij het opmaken van valse stukken en bij het delen van het zorggeld, maar zijn leidinggevende rol binnen de organisatie en zijn rol in het witwassen van de geldbedragen was essentieel.
Uit het Uittreksel van de Justitiële Documentatie van 2 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, die bij een fraudedelict met een benadelingsbedrag vanaf € 1 miljoen uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, is het hof van oordeel dat een andere straf dan een (lange) onvoorwaardelijke straf geen recht doet aan de ernst van de feiten zoals die zijn gepleegd. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden (vier en een half jaar), met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn voor de afdoening van de strafzaak in hoger beroep is overschreden.
Het vonnis van de rechtbank is gewezen op 28 november 2019, Vervolgens is op 19 december 2019 namens verdachte hoger beroep ingesteld. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren voor iedere feitelijke instantie, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces in hoger beroep met een eindarrest op 19 december 2021 had mogen verwachten. Het hof wijst arrest op 1 april 2026, derhalve ruim 52 maanden na het verstrijken van de redelijke termijn in hoger beroep.
Deze vertragingen zijn gedeeltelijk het gevolg geweest van de complexiteit van de zaak en van verzoeken van de verdediging in hoger beroep, maar grotendeels is het overschrijden van de termijnen niet aan verdachte te wijten. Naar het oordeel van het hof dient de forse overschrijding van de redelijke termijn daarom te leiden tot een strafvermindering met 8 maanden. Het hof zal derhalve een gevangenisstraf van 46 maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beroepsverbod
Gelet op al het voorgaande, in het bijzonder het tijdsverloop – en zonder afbreuk te doen aan de ernst van het feit – ziet het hof niet in dat de oplegging van een beroepsverbod zoals door de advocaat-generaal is geëist, thans nog een rechtens relevant doel zou dienen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Zorgverzekering NV
[benadeelde] Zorgverzekeringen heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:
- [budgethouder 11] : € 4.651,20 (DOC-015-25);
- [budgethouder 6] : € 5.859,60 (DOC-14-10);
- [budgethouder 7] : € 3.798,48 (DOC-013-11);
- [budgethouder 4] : € 4.523,16 (DOC-025-01, DOC-025-03 en DOC-025-04);
- [budgethouder] : € 15.348,96 (DOC-027-01, DOC-027-02 en DOC-027-03);
- [budgethouder 9] : € 8.565,96 (DOC-032-01, DOC-032-02 en DOC-032-03);
- [budgethouder 10] : € 5.193,84 (DOC-033-01, DOC-033-02 en DOC-033-03).
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Nu het hof komt tot een vrijspraak ten aanzien van de facturen betreffende [budgethouder] zal de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het hof zal, net als de rechtbank heeft gedaan, aan de hand van de percentages op de verdeellijsten schatten in hoeverre ten minste sprake is van onterecht uitgekeerde PGB-gelden. In de onderstaande tabel zijn per factuur de percentages van de verdeellijsten omgezet naar de percentages die aan de budgethouder werden uitbetaald. Een percentage van 40% op een verdeellijst betekent dat in dat geval 60% van het factuurbedrag is uitbetaald aan de budgethouder. In dat geval gaat het hof er dus vanuit dat ten minste 60% van de zorg in die maand niet is geleverd en het schadebedrag ten minste bestaat uit 60% van het factuurbedrag. Dat bedrag zal door het hof worden toegewezen. Het hof zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan het hof zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Zorgkantoor NV
[benadeelde] Zorgkantoor heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:
- [budgethouder 1] : € 6.320,00 (DOC-012-05 en DOC-012-07);
- [budgethouder 3] : € 3.466,00 (DOC-16-05);
- [budgethouder 5] : € 2.300,00 (DOC-034-01).
Ook hier zal het hof aan de hand van de percentages op de verdeellijsten schatten in hoeverre ten minste sprake is van onterecht uitgekeerde PGB-gelden. In de onderstaande tabel zijn per factuur de percentages van de verdeellijsten omgezet naar de percentages die aan de budgethouder werden uitbetaald. Een percentage van 40% op een verdeellijst betekent dat in dat geval 60% van het factuurbedrag is uitbetaald aan de budgethouder. In dat geval gaat het hof er dus vanuit dat ten minste 60% van de zorg in die maand niet is geleverd en het schadebedrag ten minste bestaat uit 60% van het factuurbedrag. Dat bedrag zal door het hof worden toegewezen. Het hof zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan het hof zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1 en 2, voor zover dit ziet op: de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02)
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:
Wijst af het verzoek tot het horen van de getuigen [budgethouder 10] , [budgethouder] , [budgethouder 7] , [budgethouder 11] en [budgethouder 8] .
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart het onder 3 primair bewezen verklaarde niet strafbaar voor zover dit ziet op het niet overgedragen/omgezette bedrag en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 16.928,33 (zestienduizend negenhonderdachtentwintig euro en drieëndertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.928,33 (zestienduizend negenhonderdachtentwintig euro en drieëndertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 109 (honderdnegen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade vanaf de data die zijn opgenomen in de tabel hierboven in dit arrest tot de dag van de volledige betaling
[benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.736,20 (zesduizend zevenhonderdzesendertig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.736,20 (zesduizend zevenhonderdzesendertig euro en twintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade vanaf de data die zijn opgenomen in de tabel hierboven in dit arrest tot de dag van de volledige betaling
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. T. Bertens en mr. P.L.M. van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. M.A.J.H. Muurmans en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 april 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4
april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
althans alleen,
dertig (30), althans een of meer factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve
van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een)
verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te
weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015- 5) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging
november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m 11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [zorginstelling] aan voornoemde klanten:
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [zorginstelling]
. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
en/of
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van dertig (30), althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging 1009 maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging 1009 juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging 1009 september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [zorginstelling] aan voornoemde klant(en):
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,
en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat hij en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)
- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [budgethouder 1] en/of [budgethouder 11] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 4] en/of [budgethouder] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 5] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),
en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat hij en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)
- heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [zorginstelling] ,
zulks terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst.
Subsidiair
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
dertig (30), althans een of meer factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of
‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,
immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [zorginstelling] aan voornoemde klant(en):
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven,
en/of
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van eenendertig (31), althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van
Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 11] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 4] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of
- de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of
- de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 5] ,
en/of
een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 3] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of
- een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 5] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [zorginstelling] aan voornoemde klant(en):
- zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of
- zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of
- zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),
en/of
op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 en/of 3.680 euro bedraagt,
en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)
- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [budgethouder 1] en/of [budgethouder 11] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 4] en/of [budgethouder] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 5] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),
en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens) heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [zorginstelling] ,
zulks terwijl zij en haar mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Feit 2
Primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer)
- 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,
- 73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of
- 100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 11] en/of
- 88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of
- 128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of
- 86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of
- 25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] en/of
- 55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder] en/of
- 25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of
- 40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of
- 24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of
- 26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] ,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere)
zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [zorginstelling] voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:
- ( daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) en/of
- ( aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,
waardoor de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) (telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten).
Subsidiair
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer)
- 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,
- 73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of
- 100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 11] en/of
- 88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of
- 128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of
- 86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of
- 25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] en/of
- 55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder] en/of
- 25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of
- 40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of
- 24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of
- 26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] ,
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere)
zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [zorginstelling] voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:
- ( daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) en/of
- ( aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,
waardoor de SVB en/of [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) (telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten).
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Feit 3
Primair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [plaats 1] , althans Nederland en/of te [plaats 2] , althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans 6.484.600,95 euro, dan wel 3.915.822,32 euro en/of 978.640 euro en/of 894.014,87 euro en/of 223.988,98 euro en/of 178.267,53 euro en/of 72.700 euro en/of 221.167,25 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),
(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,
en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of
hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Subsidiair
[zorginstelling] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [plaats 1] , althans Nederland en/of te [plaats 2] , althans Turkije,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.806.129 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans 6.484.600,95 euro, dan wel 3.915.822,32 euro en/of 978.640 euro en/of 894.014,87 euro en/of 223.988,98 euro en/of 178.267,53 euro en/of 72.700 euro en/of 221.167,25 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),
(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,
en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,
terwijl zij en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of
zij en/of haar mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,
terwijl zij en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.