[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van 22 november 2022, 4 maart en 1 april 2026 (alleen sluiting) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. A.V. Broekmeulen, hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 30 juni 2021 aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 494.723,66 opgelegd, ter ontneming van het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
De ontnemingsvordering
In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 1.476.413,00. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 189.571,00.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 1.185.461,93 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen als gevolg van de feiten waarvoor hij is veroordeeld of van andere strafbare feiten. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat het voordeel dat aan betrokkene kan worden toegerekend dient te worden geschat op nihil, dan wel dat van een aanzienlijk lager percentage dient te worden uitgegaan.
De beoordeling van de vordering
Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2026 (parketnummer 21-006434-19) veroordeeld voor onder meer “oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl betrokkene feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”. Op grond van deze veroordeling kan aan betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van deze feiten en andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt het hof - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
[zorginstelling] (hierna: [zorginstelling] ) was in de periode van belang (van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017) een [plaats] zorgorganisatie. Betrokkene en zijn twee broers, waren werkzaam voor deze organisatie. In de strafzaak tegen betrokkene heeft het hof bewezenverklaard dat betrokkene leiding heeft gegeven aan het opmaken van valse facturen, waardoor diverse instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd aan [zorginstelling] , terwijl daar niet de zorg tegenover stond die werd gefactureerd. Op die manier zijn de diverse instanties opgelicht. Die oplichting was niet beperkt tot de 27 maanden waarvan in het arrest in de hoofdzaak is vastgesteld dat verdelingslijsten zijn aangetroffen.
De berekening van het hieruit door veroordeelden wederrechtelijk verkregen voordeel is gemaakt op basis van een transactieberekening. De omvang van het voordeel betreft het resultaat van de wederrechtelijke opbrengsten minus de kosten.
Bruto opbrengst
De wederrechtelijke opbrengst bestaat uit gefactureerde zorg, waarvan het aannemelijk is dat deze niet geleverd is. Onderzocht is welke zorg door [zorginstelling] over de periode 2014 tot en met 2017 gefactureerd is en waarop betalingen hebben plaatsgevonden. Hierbij zijn de betreffende ontvangsten op de bankrekeningen van [zorginstelling] in de periode van 2014 tot en met 2017 als uitgangspunt genomen. Vervolgens is de omzet met betrekking tot (maximaal) geleverde individuele zorg en de maximaal geleverde dagbesteding/begeleiding groep berekend en van de bankontvangsten afgetrokken. Het resterende bedrag betreft de verkregen omzet die behaald is met niet geleverde zorg. De omzet die [zorginstelling] heeft behaald met niet geleverde zorg komt hiermee uit op:
Ontvangsten op de bank 2014 tot en met 2017 € 7.539.228
Geleverde individuele zorg € 1.520.955
Geleverde dagbesteding € 597.885 -/-
Totale omzet niet geleverde zorg € 5.420.388
Kosten
Een deel van de ontvangen PGB-gelden is gedeeld met de budgethouders. Dit zijn kosten die betaald moesten worden om de fraudeconstructie in stand te houden. Derhalve staan deze bedragen in directe relatie met het strafbare feit en wordt het betaalde bedrag aan de budgethouders als kostenpost meegenomen in de berekening.
Op basis van de gegevens op de verdeellijsten werd 52,31% van de omzet uitbetaald aan de budgethouders. Het is op basis van het dossier aannemelijk dat er, buiten de 27 maanden die stonden vermeld in verdeellijsten, ook in de overige maanden PGB-gelden werden gedeeld met budgethouders. Ervan uitgaande dat 52,31% van het factuurbedrag aan de budgethouders werd uitbetaald, komt het totaal uitbetaalde bedrag over de hele periode uit op 52,31% x € 7.539.228 (ontvangsten bank 2014 tot en met 2017) = € 3.943.975.
Het hof stelt het bedrag aan kosten op basis van het voorgaande vast op € 3.943.975.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel behaald met de PGB-fraude wordt geschat vast op € 5.420.388 - € 3.943.975 = € 1.476.413.
Toerekening van het voordeel
Betrokkene heeft de strafbare feiten in vereniging zijn broers [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) gepleegd en betrokkene heeft samen met zijn broers van de opbrengsten van die strafbare feiten geprofiteerd.
Voor de verdeling van de gelden over de drie broers geldt het volgende. [medeverdachte 2] was de enige bestuurder van het bedrijf en vanuit [zorginstelling] zijn rechtstreeks gelden naar Turkije overgeboekt. [medeverdachte 2] was degene die bestuurder en enig aandeelhouder was van de rechtspersoon die projecten in Turkije ontwikkelde. De geldstromen naar Turkije worden aan [medeverdachte 2] toegerekend. Het gaat om een bedrag van € 814.000,- De rechtbank is er op grond van berichten tussen de drie broers vanuit gegaan dat de investeringen in Turkije aan alle drie de broers toegerekend moeten worden. In de groepsapp tussen onder meer de drie broers komt naar voren dat [medeverdachte 2] bijna tot overeenstemming is gekomen voor een locatie met 32 appartementen en de grond gekocht heeft. [medeverdachte 2] verklaart zich in de groepsapp bereid om de opbrengst van een stuk grond te delen als hij dat kan verkopen. (“als ik het verkoop, dan hebben jullie eigen geld. Ik geef het aan jullie.”) Het hof leidt uit deze berichtgeving af dat [medeverdachte 2] daarover de zeggenschap heeft en [medeverdachte 2] bepaalt of en in hoeverre hij de opbrengst van zijn investeringen in Turkije met zijn broers deelt. Het hof wil wel aannemen dat het de bedoeling was dat ook zijn broers zouden meeprofiteren van de projecten in Turkije, maar van concrete afspraken of concreet profijt voor de andere broers is niet gebleken en het hof kan niet anders concluderen dan dat [medeverdachte 2] als enige de beschikkingsmacht had over de vermogensbestanddelen in Turkije.
Aan een vierde broer is in totaal € 72.700,- aan levensonderhoud uitgekeerd. Daar stond geen prestatie tegenover. Dit is met medeweten van alle drie de broers gebeurd vanuit [zorginstelling] . De uitkering aan de vierde broer beschouwt het hof als besteding van wederrechtelijk verkregen voordeel door de drie broers. Aan elke broer wordt € 24.000,- toegerekend.
Van een bedrag van € 886.700,- kan aldus worden vastgesteld aan wie het moet worden toegerekend. Minder duidelijk is dat voor het restant van € 589.713. Voor de verdeling van een deel van het totale voordeel wordt in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel aangeknoopt bij de verdeling van de resterende geldstromen vanuit [zorginstelling] over de drie broers. De rechtbank neemt de girale geldstromen tussen [zorginstelling] en de broers als uitgangspunt voor de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit het dossier is niet af te leiden hoe de girale overboekingen tussen de [zorginstelling] en de drie broers moeten worden geduid. Met name is niet duidelijk geworden in hoeverre deze overboekingen een relatie hebben met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond van het dossier staat wel vast dat vanaf de rekeningen van de drie broers overboekingen zijn gedaan naar budgethouders, maar de omvang daarvan is niet bekend. Vanaf de privérekeningen van de broers zijn ook contante opnames gedaan. Er kan vanuit worden gegaan dat een deel van die contante opnames is gebruikt voor de betaling aan budgethouders, maar welk deel van de opnames daarvoor is gebruikt is niet bekend. Wel valt op dat met het grootste deel van de overboekingen naar en de contante opnames van de privérekeningen van de drie broers plaats vinden in 2017. In dat jaar stelde de bank vragen bij het grote aantal contante opnames van de rekening van [zorginstelling] .
Het hof kan geen verband vaststellen tussen de geldstromen van de rekeningen van [zorginstelling] naar de rekeningen van de drie broers en de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De overboekingen naar de privérekeningen bieden dus geen aanknopingspunt voor een verdeling. Die aanknopingspunten vindt het hof wel in de rest van het dossier. Niet alleen uit het door het hof weergegeven gesprek, maar ook uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat [medeverdachte 2] degene was die uiteindelijk de baas was bij [zorginstelling] . [medeverdachte 2] was de bestuurder/eigenaar van de rechtspersoon die onroerend goed in Turkije ontwikkelde. Een bedrag van € 814.000,- is vanuit [zorginstelling] overgeboekt naar Turkije. Uit het dossier en de behandeling ter zitting blijkt dat het [medeverdachte 2] was die zich bezig hield met het vastgoed in Turkije. Ook heeft hij verklaard dat hij degene was die na overleg met zijn boekhouder steeds bepaalde hoeveel geld hij kon besteden. Dat de wel naar een persoon herleidbare geldstromen wijzen op [medeverdachte 2] als degene die uiteindelijk profiteert spreekt boekdelen. [medeverdachte 2] was ook de bestuurder van [zorginstelling] . Het hof gaat er bij gebrek aan voldoende concrete aanwijzingen voor het vanuit dat ook het bedrag van € 589.713 aan veroordeelde [medeverdachte 2] ten goede is gekomen. Door [medeverdachte 2] is verklaard dat ook zijn broer [medeverdachte 1] investeerde in Turkije. Dat is ook verklaard door betrokkene. Een verdere onderbouwing van die stelling is er niet, laat staan dat duidelijk is geworden voor welk bedrag [medeverdachte 1] geïnvesteerd zou hebben.
Het hof komt tot de conclusie dat bij gebrek aan voldoende concrete aanwijzingen voor het tegendeel het resterende voordeel aan [medeverdachte 2] dient te worden toegerekend.
Voor [medeverdachte 2] komt het totaal van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan uit op 814.000,- + 24.000,- + 589.713,- = € 1.427.713
Het hof zal in verband met fouten/onnauwkeurigheden in afronding en kleine rekenfouten dit bedrag afronden op € 1.400.000,-
Aan [betrokkene] wordt € 24.000,- aan wederrechtelijk voordeel toegerekend. Het hof zal in verband met fouten/onnauwkeurigheden in afronding en kleine rekenfouten dit bedrag afronden op € 20.000,-
Betalingsverplichting
Het hof constateert dat de redelijke termijn voor afdoening van de ontnemingszaak in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is die termijn wel fors overschreden met twee jaren en bijna negen maanden. Het hof heeft in de strafzaak aan die overschrijding van de redelijke termijn gevolgen verbonden. Nu de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging in de strafzaak reeds is verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om de betalingsverplichting op die grond naar beneden bij te stellen.
Het hof stelt het bedrag dat door betrokkene dient te worden betaald aan de staat, vast op € 20.000,-. Het hof ziet geen redenen om de betalingsverplichting te matigen.
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 200 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 200 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. T. Bertens en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. M.A.J.H. Muurmans en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 april 2026.