ECLI:NL:GHARL:2026:2078

ECLI:NL:GHARL:2026:2078

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 200.347.384
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2024:4323

Samenvatting

Hoger beroep. Artikelen 2,6 en 7 Wet naburige rechten (Wnr). Artikel 8 VLN-richtlijn. De vraag ligt voor of Ziggo aan Sena moet betalen voor het doorgeven van audiovisuele opnames (synchronisaties) via de kabel. Het hof komt tot het oordeel dat rechthebbenden één keer een vergoeding moeten ontvangen voor hun prestatie in een synchronisatie. Als zijn geen vergoeding (hebben) ontvangen voor de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie, dan moeten zij een vergoeding ontvangen bij het openbaar maken van die synchronisatie. Dat betekent dat Ziggo alleen een dergelijke vergoeding aan Sena moet betalen als Ziggo televisieprogramma’s doorgeeft met audiovisuele opnames waarvoor de rechthebbenden geen vergoeding voor hun prestatie in die opnames (hebben) ontvangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.347.384

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 557234

arrest van 7 april 2026

in de zaak van

STICHTING TER EXPLOITATIE VAN NABURIGE RECHTEN (SENA)

die is gevestigd in Hilversum

hierna: Sena

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer

en

ZIGGO B.V.

die is gevestigd in Utrecht

hierna: Ziggo

advocaat: mr. S.C. van Loon

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Op 8 september 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

Van de zijde van Ziggo is een uitgebreide reactie gekomen op de inhoud van het proces-verbaal. Die reactie is toegevoegd aan het dossier en is waar nodig meegenomen in de beoordeling.

2. De kern van de zaak

Sena behartigt de belangen van uitvoerend kunstenaars (zoals zangers en musici) en producenten van fonogrammen. Dit zijn rechthebbenden van de zogenoemde naburige rechten (hierna: de rechthebbenden). Sena incasseert voor de rechthebbenden vergoedingen van kabelexploitanten, zoals Ziggo, voor de doorgifte of openbaarmaking van (reproducties van) fonogrammen via buitenlandse radio en televisie. Partijen hadden daarvoor een kaderovereenkomst gesloten die liep vanaf 2008. In 2022 heeft Ziggo die overeenkomst opgezegd, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) volgens haar heeft geoordeeld dat als geluid en beeld samen worden gebracht tot één audiovisuele opname (hierna: synchronisatie), zoals een film, reclame of videoclip, er geen sprake is van een fonogram en zij daarom geen vergoeding verschuldigd is aan Sena.

Sena is het niet eens met de opzegging van de overeenkomst door Ziggo en vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat Ziggo inbreuk maakt op de naburige rechten van de door haar vertegenwoordigde rechthebbenden en een gebod tot het staken van deze inbreuken. Daarnaast vordert Sena een gebod tot betaling van een billijke vergoeding vanaf 1 april 2022 tot aan staking van de inbreuken of het overeenkomen van nieuwe afspraken. Ziggo heeft op haar beurt onder meer gevorderd dat de gevolgen van de overeenkomst worden gewijzigd, dan wel dat die overeenkomst gedeeltelijk wordt vernietigd of nietig wordt verklaard, in die zin dat de verschuldigde en betaalde vergoeding alsnog wordt verminderd met die voor doorgiftes van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma's.

De rechtbank heeft de vorderingen van Sena beperkt toegewezen. De gevorderde verklaring voor recht en het gebod tot het staken van de inbreuk zijn toegewezen voor de uitvoerend kunstenaars met veroordeling van Ziggo tot betaling van 50% van het bedrag dat zij op grond van de overeenkomst diende te betalen vanaf opzegging van die overeenkomst. De vorderingen van Ziggo heeft de rechtbank afgewezen. Ziggo is daarbij in de proceskosten veroordeeld. Zowel Sena als Ziggo zijn tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Sena wil dat haar vorderingen alsnog volledig worden toegewezen en Ziggo wil dat de vorderingen van Sena volledig worden afgewezen en dat haar vorderingen worden toegewezen.

Beslissing van het hof

Het hof is van oordeel dat Ziggo voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisiezenders alleen een billijke vergoeding is verschuldigd aan Sena indien de rechthebbenden geen vergoeding hebben ontvangen bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie of afspraken daarover hebben gemaakt. Dat brengt mee dat de inbreukvorderingen van Sena alleen zullen worden toegewezen voor zover de rechthebbenden geen afspraken over een dergelijke vergoeding hebben gemaakt. Ook zal het hof de gevolgen van de kaderovereenkomst 2008 deels wijzigen, omdat de gevolgen van de wederzijdse dwaling over de uitleg van artikel 7 Wet op de naburige rechten (hierna: Wnr) voor 50% voor rekening van Ziggo behoren te blijven en dus voor 50% voor rekening van Sena komen. Het hof licht dit oordeel hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

Feiten

Sena heeft op grond van artikel 15 Wnr de taak om de billijke vergoeding van artikel 7 Wnr voor de uitzending of openbaarmaking van (reproducties) van fonogrammen te innen bij kabelexploitanten, zoals Ziggo. Ziggo is de grootste distributeur van radio- en televisiesignalen via vaste netwerken in Nederland.

Partijen hebben in 2008 een kaderovereenkomst gesloten op basis waarvan Ziggo op jaarbasis tussen 3,5 en 4 miljoen euro betaalde aan Sena voor de doorgifte van ‘niet voornamelijk op Nederland gerichte’ radio- en televisieprogramma’s (hierna: buitenlandse radio- en televisieprogramma’s).

Het HvJ heeft op 18 november 2020 een arrest gewezen in een zaak waarin de Spaanse hoogste rechterlijke instantie prejudiciële vragen heeft gesteld in een geschil tussen een Spaanse onderneming ‘Atresmedia’ die eigenaar is van diverse televisiezenders en twee Spaanse organisaties die de intellectuele-eigendomsrechten van producenten van fonogrammen en van uitvoerend kunstenaars beheren (hierna: het Atresmedia-arrest). Die zaak ging over synchronisaties die getoond werden op de televisiezenders van Atresmedia. De vraag die voorlag was of Atresmedia de billijke vergoeding die geregeld is in artikel 8 lid 2 van de richtlijnen betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten (hierna: VLN-richtlijn) moest betalen voor het uitzenden van synchronisaties. Het HvJ heeft in dit arrest beslist:

“ Artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100/EEG (…) en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG (…), moeten aldus worden uitgelegd dat de gebruiker de in deze bepalingen bedoelde enkele billijke vergoeding niet dient te betalen wanneer hij een audiovisuele opname die de vastlegging van een audiovisueel werk bevat waarin een fonogram of een reproductie daarvan is opgenomen, meedeelt aan het publiek.”

Ziggo heeft -onder verwijzing naar dit arrest- de overeenkomst met Sena per 1 april 2022 opgezegd. Ziggo betaalt Sena sindsdien geen billijke vergoedingen meer voor de doorgifte van buitenlandse televisieprogramma’s. Voor buitenlandse radiozenders hebben partijen andere afspraken gemaakt.

Richtlijn conforme uitleg artikel 7 Wnr

De eerste vraag die in deze zaak voorligt is of Sena de billijke vergoeding voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s -die zij jaren voor de rechthebbenden inde bij Ziggo- nog steeds kan innen. Sena stelt primair dat Ziggo die billijke vergoeding op grond van artikel 7 Wnr verschuldigd is. Volgens Sena staat het Atresmedia-arrest niet aan de inning in de weg, omdat de VLN-richtlijn ruimte biedt aan lidstaten om verdergaande bescherming te bieden aan de rechthebbenden dan de VLN-richtlijn regelt. De Nederlandse wetgever heeft volgens Sena de bedoeling gehad om synchronisaties ook onder de reikwijdte van artikel 7 Wnr te laten vallen. Daarbij wijst Sena onder meer op de wetsgeschiedenis en de definitie van het begrip ‘reproduceren’ in artikel 1 Wnr. Volgens Ziggo biedt de Europese regelgeving en jurisprudentie geen ruimte om synchronisaties onder de reikwijdte van artikel 7 Wnr te laten vallen. Dat zou een uitleg zijn die tegen de richtlijn ingaat, wat volgens Ziggo niet is toegestaan.

Bij de beantwoording van de hiervoor genoemde vraag gaat het om de uitleg van de Wnr en meer in het bijzonder artikel 7 Wnr. Zoals ook de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis heeft overwogen, acht het hof het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ niet nodig voor de beoordeling van het geschil. De uitleg van artikel 7 Wnr is niet aan het HvJ.

Artikel 7 lid 1 Wnr luidt:

Een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram of een reproduktie daarvan kan zonder toestemming van de producent van het fonogram en de uitvoerende kunstenaar of hun rechtverkrijgenden worden uitgezonden, openbaar maken[lees: gemaakt] door middel van doorgeven via de kabel of langs andere weg, dan wel op een andere wijze openbaar gemaakt, mits daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. (…)

Zoals volgt uit de aanhef bij de Wnr van 18 maart 1993 is deze onder meer tot stand gekomen in het kader van de toetreding van Nederland tot het in het in 1961 te Rome gesloten Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna: Verdrag van Rome). In de Memorie van Toelichting bij deze wet staat dat het Verdrag van Rome een minimum niveau van bescherming introduceert en dat in dit wetsvoorstel een hoger niveau van bescherming wordt toegekend aan de rechthebbenden. Daarbij geeft de wetgever als voorbeelden de bescherming voor kabeldoorgifte, een verbodsrecht voor fonogrammenproducenten en een langere beschermingstermijn. Over de billijke vergoeding van artikel 7 Wnr (in het wetsvoorstel art. 6) staat:

Ten behoeve van uitvoerend kunstenaars en fonogrammenproducenten is in het wetsvoorstel een bijzondere regeling opgenomen voor het zgn. secundaire gebruik (…). Dit secundaire gebruik, dat neerkomt op het uitzenden of anderszins openbaar maken van een fonogram (…) is zonder toestemming van de uitvoerend kunstenaar of fonogrammenproducent toegestaan, indien een billijke vergoeding wordt betaald. Het verbodsrecht is hier in beginsel vervangen door een vergoedingsaanspraak. Wordt deze vergoeding echter niet betaald, dan kan de rechthebbende verbodsmaatregelen treffen.

(…)

Artikel 6 [artikel 7 Wnr, hof] bevat een bijzondere regeling voor de immateriële openbaarmaking van voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen. Onder immateriële openbaarmaking wordt verstaan het gebruik van fonogrammen voor een omroepuitzending (…). De in artikel 6 [artikel 7 Wnr, hof] voorziene regeling houdt in dat voor de uitzending, al dan niet via kabel (…) geen toestemming vereist is indien daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald door de gebruiker (bijvoorbeeld een omroeporganisatie).

De eerste VLN-richtlijn is van 19 november 1992 en daarin luidde artikel 8 lid 2:

De Lid-Staten stellen een recht in om ervoor te zorgen dat een enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd door de gebruiker, wanneer een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproduktie daarvan wordt gebruikt voor uitzending via de ether of voor enigerlei mededeling aan het publiek, en dat deze vergoeding wordt verdeeld tussen de betrokken uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen. (…)

In het kader van de uitvoering van deze VLN-richtlijn heeft de Nederlandse wetgever onder meer de Wnr gewijzigd. In de Memorie van Toelichting bij deze wijzigingswet staat over artikel 8 lid 2 eerste VLN-richtlijn:

De materie, die in artikel 8, tweede lid, van de richtlijn wordt geregeld, is terug te vinden in artikel 7 van de Wet op de naburige rechten.

In de huidige VLN-richtlijn van december 2006 is artikel 8 lid 2 ongewijzigd gebleven en die richtlijn heeft dus niet geleid tot een wijziging van artikel 7 Wnr. Op grond van het Unierecht dient het hof artikel 7 Wnr richtlijn conform uit te leggen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ gelden daarbij onder meer de onderstaande vereisten.

Wanneer aan een nationale rechter wordt gevraagd het nationale recht uit te leggen, moet hij dit zo veel mogelijk doen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen van eerdere of latere datum dan die richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (…) en dit niettegenstaande uit de voorstukken van de nationale regel gegevens voor een andersluidende uitlegging kunnen voortvloeien.

Het beginsel van richtlijnconforme uitlegging vereist niettemin dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke doet om, het gehele nationale recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (…).

Sena wijst er terecht op dat de VLN-richtlijn ruimte laat voor een verder reikende bescherming voor de rechthebbenden dan op grond van de bepalingen van deze richtlijn vereist is. Uit de wetsgeschiedenis volgt weliswaar dat de wetgever een hoger niveau van bescherming wilde bieden dan het Verdrag van Rome (zie hiervoor in 3.7), maar niet dat de wetgever de rechthebbenden onder artikel 7 Wnr een ruimere bescherming wilde bieden dan de VLN-richtlijn biedt. De wetgever heeft bij de wijziging van de Wnr in verband met de implementatie van de VLN-richtlijn namelijk toegelicht dat de materie van artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn is te vinden in artikel 7 Wnr (zie hiervoor in 3.8).

De bewoordingen van beide bepalingen stemmen voor de relevante onderdelen overeen. De woorden ‘billijke vergoeding’ zijn identiek in beide bepalingen en het zinsdeel ‘een voor handelsdoeleinden uitgegeven fonogram of een reproduktie daarvan’ uit artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn stemt overeen met ‘een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram of een reproduktie daarvan’ uit artikel 7 Wnr. Een richtlijn conforme uitleg kan er niet toe leiden dat de bewoordingen in een Nederlandse bepaling anders worden uitgelegd dan de uitleg die het HvJ geeft aan diezelfde of sterk overeenstemmende bewoordingen in de richtlijn. Zoals het HvJ ook in het Atresmedia arrest overweegt, moet volgens vaste rechtspraak de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd. In dat kader oordeelt het HvJ ook dat het niet aan de lidstaten is om dergelijke begrippen te definiëren. Die begrippen moeten in de gehele Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd. Als een lidstaat een ruimere bescherming zou mogen bieden door een uniform begrip ruimer uit te leggen, ontstaan verschillen tussen wetgeving, wat leidt tot rechtsonzekerheid.

Het Atresmedia-arrest

In het Atresmedia-arrest overweegt het HvJ allereerst dat vaststaat dat de vragen geen betrekking hebben op de reproductie van fonogrammen op het ogenblik dat zij in audiovisuele opnamen (synchronisaties) worden verwerkt, maar dat de rechthebbenden daarmee hebben ingestemd en in ruil daarvoor een vergoeding hebben ontvangen. Bovendien is in die procedure ook niet aangevoerd dat de fonogrammen los van het audiovisueel werk waarin ze zijn opgenomen, worden gebruikt. Dan is de vraag of de rechthebbenden de enkele billijke vergoeding van artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn moeten ontvangen als die synchronisaties vervolgens aan het publiek worden meegedeeld (bijvoorbeeld via een televisie-uitzending). Het hof overweegt dat in die omstandigheden moet worden nagegaan of een synchronisatie moet worden aangemerkt als een “fonogram” of een “reproductie daarvan” zoals verwoord in artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn. Dat brengt het HvJ in die omstandigheden tot het oordeel dat een synchronisatie niet kan worden aangemerkt als een „fonogram” of „reproductie daarvan” in de zin van artikel 8, lid 2 VLN-richtlijn. Daarbij overweegt het HvJ expliciet dat dit oordeel niet in strijd is met de doelstellingen van de VLN-richtlijn om onder meer een passend inkomen te waarborgen voor uitvoerend kunstenaars en een juist evenwicht te bereiken tussen de belangen van de uitvoerend kunstenaars en die van derden om hun prestatie onder redelijke omstandigheden te kunnen uitzenden of meedelen aan het publiek. In de omstandigheden van die procedure moeten deze doelstellingen naar het oordeel van het HvJ worden bereikt door passende contractuele regelingen bij de opneming van de prestatie in een audiovisueel werk, “zodat de vergoeding voor de naburige rechten op de fonogrammen naar aanleiding van een dergelijke opneming geschiedt aan de hand van dergelijke contractuele regelingen.”

Het eindoordeel luidt vervolgens:

Artikel 8, lid 2, van richtlijn 92/100/EEG (…) en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG (…) moeten aldus worden uitgelegd dat de gebruiker de in deze bepalingen bedoelde enkele billijke vergoeding niet dient te betalen wanneer hij een audiovisuele opname die de vastlegging van een audiovisueel werk bevat waarin een fonogram of een reproductie daarvan is opgenomen, meedeelt aan het publiek.

Gevolg voor de uitleg van artikel 7 Wnr

Zoals hiervoor overwogen, leidt een richtlijn conforme uitleg ertoe dat artikel 7 Wnr op gelijke wijze moet worden uitgelegd als de uitleg die het HvJ geeft aan artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn. De uitleg van het HvJ in het Atresmedia-arrest brengt mee dat -voor zover de rechthebbenden hebben ingestemd met de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie en daarvoor een vergoeding (hebben) ontvangen- Ziggo geen billijke vergoeding is verschuldigd voor de doorgifte van die synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s.

De voorwaarde die het HvJ verbindt aan deze uitleg betekent dat Ziggo die vergoeding alleen niet dient te betalen als de rechthebbenden al een vergoeding (hebben) ontvangen door afspraken die gemaakt zijn bij de vastlegging van de synchronisatie. Dit is ook af te leiden uit de tekst van artikel 8 lid 2 VLN-richtlijn waar staat "een enkele billijke vergoeding". Die tekst wordt letterlijk uitgelegd door het HvJ. Niet alleen in het hiervoor besproken Atresmedia-arrest, maar ook in het Blue Air Aviation-arrest, waarin het HvJ expliciet oordeelt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat één enkele billijke vergoeding wordt uitgekeerd aan de rechthebbenden. Dit brengt mee dat zowel de stelling van Sena -dat ook de rechthebbenden die al een vergoeding (hebben) ontvangen bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie recht hebben op een vergoeding op grond van artikel 7 Wnr- als de stelling van Ziggo -dat ook als de rechthebbenden op dat moment geen vergoeding (hebben) ontvangen, geen recht hebben op een billijke vergoeding- niet opgaat.

Het HvJ maakt in het Atresmedia-arrest duidelijk dat de vergoeding die de rechthebbenden moeten krijgen voor hun prestatie moet worden geregeld op het moment dat de rechthebbenden toestemming geven en afspraken maken over de samenvoeging van hun prestatie met beeld tot een audiovisueel werk. Hieruit volgt dat de rechthebbenden één keer een vergoeding moeten ontvangen. Dus als het ontvangen van een vergoeding niet is geregeld bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie, dan zal de rechthebbende alsnog een billijke vergoeding moeten ontvangen bij de mededeling aan het publiek van die synchronisatie, bijvoorbeeld bij de openbaarmaking daarvan via televisiezenders. Deze uitleg sluit ook aan bij de doelstellingen van de VLN-richtlijn en de Wnr om een evenwicht te creëren tussen enerzijds de belangen van de rechthebbenden om een passende vergoeding te krijgen voor hun prestatie en anderzijds de belangen van de gebruikers om die prestatie te kunnen openbaren.

Gevolgen van deze uitleg voor artikelen 2 en 6 Wnr

Deze richtlijn conforme uitleg van artikel 7 Wnr brengt mee dat moet worden nagegaan of de rechthebbenden bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie al een vergoeding hebben ontvangen, dan wel afspraken hebben gemaakt over het ontvangen van een vergoeding. Als de rechthebbenden nog geen afspraken over een vergoeding hebben gemaakt en geen vergoeding hebben ontvangen, dan moeten zij alsnog een billijke vergoeding ontvangen op grond van artikel 7 Wnr. Als die vergoeding vervolgens niet is betaald, kunnen die rechthebbenden een beroep doen op hun verbodsrechten die volgen uit artikelen 2 en 6 Wnr.

Als de rechthebbenden wel een vergoeding hebben ontvangen of daarover afspraken hebben gemaakt, dan hebben zij geen recht meer op een vergoeding uit artikel 7 Wnr en kunnen zij niet terugvallen op hun verbodsrechten uit artikelen 2 en 6 Wnr. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wnr toegelicht dat het verbodsrecht voor de rechthebbenden in artikel 7 Wnr is vervangen door een vergoedingsaanspraak. Daar voegt de wetgever aan toe dat alleen als deze vergoeding niet wordt betaald (of geen overeenstemming over de hoogte van de vergoeding wordt bereikt), de rechthebbende verbodsmaatregelen kan treffen. Dit betekent dat rechthebbenden die voor de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie een vergoeding hebben ontvangen, zich niet kunnen beroepen op de verbodsrechten van artikelen 2 en 6 Wnr.

Het voorgaande betekent dat de overige standpunten van partijen over de uitleg van de artikelen 2, 6 en 7 Wnr, zoals de stellingen over andere arresten van het HvJ en de tekstuele verschillen in artikelen 2 en 6 Wnr, geen verdere bespreking behoeven.

Vorderingen van Sena

Sena vordert onder meer een verklaring voor recht dat Ziggo inbreuk maakt op de naburige rechten van de door haar vertegenwoordigde rechthebbenden en een gebod tot het staken van deze inbreuken. Daarnaast vordert Sena een gebod tot betaling van een billijke vergoeding vanaf 1 april 2022 tot aan staking van de inbreuken of het overeenkomen van nieuwe afspraken. Sena heeft haar vorderingen niet alleen op artikel 7 Wnr gegrond, maar ook op artikelen 2 en 6 Wnr. Volgens Ziggo heeft Sena niet aangetoond dat zij een toereikend mandaat heeft om de verbodsrechten uit artikelen 2 (en 6) Wnr te handhaven. Sena stelt dat het tegenover Ziggo niet relevant is of zij over een toereikend contractueel mandaat beschikt, vanwege de regels van artikel 14a Wnr in samenhang met artikel 26a Aw.

Artikel 14a Wnr bepaalt dat artikel 26a van de Auteurswet ook geldt voor het recht om toestemming te verlenen voor de openbaarmaking via de kabel van prestaties die onder de Wnr vallen. Artikel 26a van de Auteurswet luidt:

Art. 26a lid 1 Aw: Het recht om toestemming te verlenen voor de openbaarmaking door middel van doorgifte van een werk via de kabel (…) kan uitsluitend worden uitgeoefend door een collectieve beheersorganisatie (…)

2. De in het eerste lid bedoelde collectieve beheersorganisaties zijn ook bevoegd de belangen te behartigen van rechthebbenden die daartoe geen opdracht hebben gegeven, indien het betreft de uitoefening van dezelfde rechten als in de statuten vermeld. (…)

Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat Sena ook de verbodsrechten kan uitoefenen tegenover Ziggo en bevoegd is om een daarbij horende vordering in te stellen.

Is sprake van inbreuk door Ziggo?

Om de vorderingen van Sena te kunnen toewijzen zal eerst beoordeeld moeten worden of sprake is van inbreuk op de rechten van de rechthebbenden. Uit de uitleg van artikel 7 Wnr en de consequenties daarvoor op de toepassing van artikelen 2 en 6 Wnr (zie hiervoor in 3.17-3.19) volgt dat sprake is van inbreuk als Ziggo via de buitenlandse televisieprogramma’s synchronisaties meedeelt aan het publiek waarvoor de rechthebbenden bij de verwerking van hun prestatie daarin geen vergoeding hebben ontvangen of daarover geen afspraken hebben gemaakt.

Volgens Ziggo bestaat in de ons omringende landen een praktijk waarbij altijd afspraken worden gemaakt over de verwerking van een prestatie van rechthebbenden in een synchronisatie. Zij heeft ter onderbouwing verklaringen overgelegd waarin -kort gezegd- wordt toegelicht dat normaal gesproken in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk afspraken worden gemaakt met rechthebbenden op het moment van verwerking van hun (audio)prestatie in een synchronisatie. Sena voert aan dat het in de Nederlandse praktijk niet gebruikelijk is dat tussen rechthebbenden en producenten van audiovisuele werken afspraken worden gemaakt over het verwerken van hun prestatie in die werken. Zij heeft ter onderbouwing verklaringen overgelegd van vertegenwoordigers van rechthebbenden in Nederland die dat bevestigen. Volgens Sena is er geen reden om aan te nemen dat dit voor rechthebbenden buiten Nederland anders zou zijn.

Vast staat dat Ziggo vanaf 1 april 2022 geen billijke vergoeding meer betaalt voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s. Dat betekent dat als een prestatie van een rechthebbende in een dergelijke synchronisatie is verwerkt en deze rechthebbende geen afspraken heeft gemaakt over een vergoeding daarvoor of geen vergoeding heeft ontvangen, Ziggo inbreuk maakt op de rechten van deze rechthebbende. Ziggo betaalt immers niet de in dat geval alsnog verschuldigde billijke vergoeding uit artikel 7 Wnr, waardoor Sena een beroep toekomt op het in dat artikel neergelegde vergoedingsrecht en -voor het verleden- op de verbodsrechten uit artikel 2 en 6 Wnr.

Het hof onderkent dat dit oordeel leidt tot complicaties in de praktijk, zoals partijen onder meer op de mondelinge behandeling hebben bepleit. Beide partijen hebben toegelicht dat zij niet belast zouden moeten worden met het achterhalen van het al dan niet bestaan van (individuele) afspraken bij de vastlegging van de synchronisatie. Deze complicatie doet echter niet af aan de richtlijn conforme uitleg, zoals het hof die hiervoor in 3.17 tot en met 3.19 heeft gegeven.

De gevolgen voor de vorderingen van Sena

Dit oordeel brengt mee dat de vorderingen van Sena alleen zullen worden toegewezen voor zover Ziggo synchronisaties doorgeeft via de buitenlandse televisieprogramma’s waarbij de rechthebbenden geen vergoeding hebben ontvangen of geen afspraken over een vergoeding hebben gemaakt voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisatie. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat voor partijen geen duidelijkheid bestaat om welke synchronisaties en rechthebbenden het hier gaat. Het hof gaat ervan uit dat partijen in overleg zullen treden over de wijze waarop zij tot nieuwe afspraken kunnen komen die recht doen aan deze veroordelingen. De vordering om in overleg te treden over een nieuwe overeenkomst zal echter worden afgewezen, omdat een grondslag daarvoor ontbreekt. Ook de overige vorderingen zullen worden afgewezen, omdat voor toewijzing daarvan -in het licht van het hiervoor gegeven oordeel- onvoldoende grond bestaat.

De vorderingen van Ziggo

De eerste vordering van Ziggo is een verklaring voor recht dat zij op grond van de Wnr voor de doorgifte van synchronisaties geen billijke vergoeding verschuldigd is. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat -zoals hiervoor is geoordeeld- Ziggo wel een vergoeding verschuldigd is als de rechthebbenden geen vergoeding hebben ontvangen of afspraken hebben gemaakt daarover bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie.

Vervolgens vordert Ziggo primair dat de kaderovereenkomst uit 2008 in zoverre wordt gewijzigd dat de billijke vergoeding die aan Sena is betaald, wordt verminderd met het deel van de billijke vergoeding dat voor de doorgifte van synchronisaties via

televisieprogramma's is betaald. Daarbij vordert zij een verklaring voor recht dat de billijke vergoeding die zij sinds 2008 voor de doorgifte van synchronisaties onder die overeenkomst aan Sena heeft betaald als gevolg van de wijziging van die overeenkomst onverschuldigd is betaald en dat de verjaringstermijn voor de terugbetaling is aangevangen op de datum van het Atresmedia-arrest (18 november 2020). Daarnaast vordert zij een verklaring voor recht dat het percentage van iedere betaling die onder de kaderovereenkomst van 2008 aan Sena is verricht voor de doorgifte van synchronisaties via televisieprogramma’s 96% bedraagt.

Deze vorderingen baseert zij allereerst op dwaling uit artikel 6:228 lid 1 BW in combinatie met de toepassing van artikel 6:230 lid 2 BW. Volgens Ziggo heeft Sena haar bij het sluiten van de kaderovereenkomst verkeerd geïnformeerd en had zij die overeenkomst niet onder dezelfde voorwaarden gesloten als zij juist was geïnformeerd. Het gaat volgens Ziggo niet om een rechtsdwaling, maar om een feitelijke dwaling en als het al om een rechtsdwaling gaat, dan is sprake van een wederzijdse rechtsdwaling waar (vooral) Sena voor moet opdraaien. Sena voert aan dat Ziggo niets heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat haar (rechts)dwaling verschoonbaar zou zijn, dan wel niet voor haar risico moet komen.

Vast staat dat partijen voorafgaand aan het Atresmedia-arrest ervan uitgingen dat Sena ook gerechtigd was om op grond van artikel 7 Wnr een billijke vergoeding te verlangen van Ziggo voor de doorgifte van alle synchronisaties via de kabel. Uit de stukken die partijen in deze procedure hebben gewisseld, volgt bovendien dat de uitleg van het HvJ in het Atresmedia-arrest voor partijen als een verrassing kwam. Dat brengt mee dat Sena geen mededelingsplicht heeft geschonden bij het aangaan van de kaderovereenkomst en dus geen sprake is van dwaling op grond van artikel 6:228 lid 1 onder a of b BW. Sena kon Ziggo immers niet informeren over iets waar zij geen weet van had en ook geen weet van hoefde te hebben. Het uitgangspunt van partijen bij het aangaan van de kaderovereenkomst dat Ziggo een billijke vergoeding was verschuldigd voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s ongeacht of de rechthebbende al dan niet afspraken had gemaakt over een vergoeding bij de verwerking van zijn prestatie in een synchronisatie, heeft betrekking op de uitleg van artikel 7 Wnr. In die zin kan het beschouwd worden als een wederzijdse rechtsdwaling.

Dat sprake is van een rechtsdwaling maakt in dit geval echter geen relevant verschil voor de beoordeling van het beroep van Ziggo op de wederzijdse dwaling uit artikel 6:228 lid 1 onder c BW. De hiervoor in 3.17-3.19 gegeven richtlijn conforme uitleg van artikel 7 Wnr heeft tot gevolg dat Ziggo alleen een vergoeding voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s is verschuldigd als de rechthebbenden geen afspraken hebben gemaakt over een vergoeding bij de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie. Dit is weliswaar een andere uitleg dan Ziggo op grond van het Atresmedia-arrest geeft aan artikel 7 Wnr, maar ook bij deze uitleg is het aannemelijk dat zij de kaderovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, zoals zij aanvoert. Sena kan daar ook niet vanuit gaan. Dit leidt tot de conclusie dat de kaderovereenkomst vernietigbaar is, tenzij de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval geheel voor rekening van Ziggo moet blijven.

Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 6:228 lid 2 BW. Bij de beoordeling of de wederzijdse dwaling (volledig) voor risico van Ziggo behoort te blijven, neemt het hof de door partijen genoemde omstandigheden in aanmerking, waaronder:

Sena nam het initiatief tot het aangaan van de kaderovereenkomst en heeft actief uitgedragen dat een billijke vergoeding verschuldigd is;

Zowel Sena als Ziggo zijn professionele partijen met (voldoende) verstand van zaken;

Sena heeft de wettelijke taak om de vergoeding van artikel 7 Wnr te innen voor de rechthebbenden en is daarmee de deskundige autoriteit;

In de kaderovereenkomst is een beroep op dwaling niet uitgesloten;

Bij het aangaan van de kaderovereenkomst was de inning van deze vergoeding in de markt algemeen geaccepteerd en ook de toezichthouder zag daar geen bezwaar in;

Voor auteursrechthebbenden betaalde Ziggo ook een dergelijke vergoeding.

De omstandigheid die Sena nog noemt dat het niet per definitie zo is dat het alternatief zou leiden tot een financieel betere positie voor Ziggo speelt voor deze beoordeling geen rol, omdat het lijden van nadeel geen vereiste is voor een beroep op dwaling.

Ziggo voert terecht aan dat de dwaling op zichzelf niet aan haar is te wijten. Partijen zijn weliswaar beiden professionele partijen, maar het staat vast dat de kaderovereenkomst vanuit Sena is vastgesteld. Bovendien is Sena op grond van haar wettelijke taak bij uitstek deskundig als het gaat om de billijke vergoeding van artikel 7 Wnr. Van Ziggo kon geen nader onderzoek worden verlangd. Bovendien is het maar de vraag of inwinnen van advies tot een andere uitkomst had geleid, omdat de overeengekomen vergoeding op dat moment algemeen was geaccepteerd. Dat de overeengekomen vergoeding overeenstemde met die voor auteursrechthebbenden en de toezichthouder geen bezwaar had, onderstreept dat Sena bij het sluiten van de kaderovereenkomst geen mededelingsplicht heeft geschonden. Dat neemt niet weg dat -gelet op deze omstandigheden- Sena onvoldoende heeft onderbouwd dat de wederzijdse dwaling volledig voor rekening van Ziggo moet blijven.

Wel volgt uit de omstandigheden in deze zaak dat een deel van de dwaling voor rekening van Ziggo behoort te blijven. Weliswaar was Sena op grond van haar wettelijke taak deskundig, maar ook Ziggo beschikte als kabelexploitant over ruime kennis en ervaring over het aangaan van contracten over de vergoeding voor auteurs- en naburige rechten. Geen van partijen valt te verwijten dat zij bij het aangaan van de kaderovereenkomst zijn uitgegaan van een andere uitleg van artikel 7 Wnr dan die volgt uit het Atresmedia-arrest. Om die reden is het hof van oordeel dat de dwaling voor 50% voor rekening van Ziggo behoort te blijven.

Het beroep van Ziggo op wijziging van de overeenkomst op de andere grondslagen, namelijk onvoorziene omstandigheden of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid leidt niet tot een ander oordeel, omdat Ziggo daarvoor geen andere omstandigheden aanvoert. Er is geen ruimte voor nietigheid op grond van artikel 3:40 lid 2 BW, omdat uit de uitleg van artikel 7 Wnr volgt dat Ziggo wel een vergoeding verschuldigd is als de rechthebbenden nog geen vergoeding hebben ontvangen voor de verwerking van hun prestatie in synchronisaties of hierover afspraken hebben gemaakt.

Gevolgen voor de vorderingen IV tot en met VIII van Ziggo

Dit oordeel brengt mee dat het hof vordering IV van Ziggo zal toewijzen in die zin dat het de gevolgen van de kaderovereenkomst 2008 zal wijzigen in zoverre dat de billijke vergoeding die aan Sena is betaald wordt verminderd met 50% van de betaalde vergoeding voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s in die gevallen dat de rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie een vergoeding (hebben) ontvangen. Het hof komt niet toe aan vordering V, dan wel wijst deze af, zoals hiervoor in 3.35 is overwogen.

Vordering VI zal worden toegewezen voor 50% van de betaalde vergoeding voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s waarbij de rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in een synchronisatie een vergoeding (hebben) ontvangen.

Vordering VII zal worden afgewezen. Het hof sluit zich aan bij oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 5.15 dat het vaststellen van een percentage invloed heeft op de hoogte van de billijke vergoeding wat op grond van artikel 7 lid 3 Wnr is voorbehouden aan rechtbank Den Haag.

Wat het belang is van Ziggo bij vordering VIII heeft zij onvoldoende duidelijk gemaakt. Door de wijziging van de kaderovereenkomst en verklaring voor recht dat Ziggo deels onverschuldigd heeft betaald, ontstaat voor Ziggo pas een vordering uit onverschuldigde betaling vanaf het moment van wijzen van dit arrest. Voor die datum was geen sprake van onverschuldigde betaling, omdat Ziggo heeft betaald op grond van de tussen partijen geldende kaderovereenkomst. Deze verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

De conclusie en proceskosten

Uit het voorgaande volgt dat zowel het hoger beroep van Sena als dat van Ziggo deels slaagt. Ook zullen de vorderingen van beide partijen deels worden toegewezen. Het vonnis van de rechtbank zal volledig worden vernietigd om onduidelijkheden te voorkomen.

Omdat beide partijen deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen, zal iedere partij zijn eigen kosten moeten dragen (compensatie van proceskosten), zowel in de procedure bij de rechtbank als in de procedure in hoger beroep. De vordering van Ziggo tot terugbetaling van de proceskosten die zij heeft betaald in de uitvoering van het vonnis, zal daarom worden toegewezen.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 24 juli 2024;

verklaart voor recht dat Ziggo met ingang van 1 april 2022 inbreuk maakt op de naburige rechten van de door Sena vertegenwoordigde naburig rechthebbenden, voor zover Ziggo synchronisaties doorgeeft via de buitenlandse televisieprogramma’s waarbij deze rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties geen vergoeding (hebben) ontvangen;

wijzigt de gevolgen van de kaderovereenkomst 2008 in zoverre dat de billijke vergoeding die onder de kaderovereenkomst 2008 aan Sena is betaald, wordt verminderd met 50% van het deel van de billijke vergoeding dat voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma's aan Sena is betaald voor rechthebbenden die voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties een vergoeding (hebben) ontvangen;

verklaart voor recht dat 50% van de betaalde vergoeding voor de doorgifte van synchronisaties via buitenlandse televisieprogramma’s waarbij de rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties een vergoeding (hebben) ontvangen door Ziggo onverschuldigd aan Sena is betaald;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de rechtbank en het hof;

veroordeelt Sena tot terugbetaling aan Ziggo van de proceskosten die Ziggo op grond van het vonnis aan Sena heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van terugbetaling;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, M.P.M. Hennekens en G.J. Meijer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?