[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ( [land] ),
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 24 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.H. Staring, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] , mr. F.E.J. Janzing, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Verdachte is in eerste aanleg wegens twee brandstichtingen (feiten 1 en 2) en een poging daartoe (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de voorwaardelijke terbeschikkingstelling gelast en daaraan verschillende bijzondere gedragsvoorwaarden verbonden.
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 1] zijn deels toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige zijn zij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij [benadeelde 5] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 3 juni 2021 in [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een supermarkt en/of zich in die supermarkt bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor naast- en/of bovengelegen woning(en) en/of in die naast- en/of bovengelegen woning(en) gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een zich in die supermarkt bevindende persoon en/of bewoners van naast- en/of bovengelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 9 juni 2021 in [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een cafetaria en/of zich in dat cafetaria bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor naast- en/of bovengelegen woning(en) en/of in die naast- en/of bovengelegen woning(en) gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van naast- en/of bovengelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
3.
hij op of omstreeks 11 juni 2021 in [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/bij een pizzeria met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vrijspraak
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft - kort gezegd - naar voren gebracht dat alle tenlastegelegde feiten op basis van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en in lijn met de bewijsoverweging van de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft de branden gesticht. De verhoren van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris en het verhoor van deskundige prof. dr. E. Otten leiden niet tot een andere conclusie
Standpunt verdediging
Verdachte heeft steeds ontkend de branden te hebben gesticht. De raadsman heeft vrijspraak bepleit.
Oordeel van het hof
Anders dan de rechtbank, heeft het hof uit het onderzoek op de zitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Het hof komt, na zorgvuldige weging van het bewijs in het licht van het dossier in zijn geheel, tot een algehele vrijspraak van aan verdachte tenlastegelegde feiten. Het hof zal die weging hierna toelichten, waarbij het (potentieel belastende) bewijsmateriaal per onderdeel zal worden besproken en, voor zover aan de orde, aandacht zal worden besteed aan de door het Openbaar Ministerie gebezigde argumenten en aan de door de verdediging ter zake gevoerde verweren.
Op basis van het dossier staat vast dat er in [plaats] in korte tijd drie branden zijn gesticht. Op 3 en 9 juni 2021 was dit met levensgevaar en gevaar voor goederen en op 11 juni 2021 is geprobeerd brand te stichten met gevaar voor goederen.
De vraag die het hof moet beantwoorden is, of het verdachte is geweest die de branden heeft gesticht.
De camerabeelden van de drie brandstichtingen verschillen in aard en kwaliteit. Zo zijn er kleuren beelden en zwart-wit beelden van dezelfde gebeurtenis. Dit resulteert in een andere beschrijving van de kleuren van kledingstukken. Voor zover er op grond van deze beelden al een betrouwbare omschrijving zou kunnen worden gegeven van het signalement van de persoon die de brand veroorzaakt, kan niet zonder meer worden gezegd dat deze bij alle feiten overeenkomt. Zo wordt de persoon op de beelden van 3 juni 2021 beschreven als een manspersoon met een smal postuur, op de beelden van 9 juni 2021 als een persoon/dader/verdachte en op de beelden van 11 juni 2021 als een man/jongen van normale lengte met een slank postuur en van wie de leeftijd niet te schatten is. Het hof kan als gevolg daarvan aan de hand van deze beelden niet vaststellen dat de branden door één en dezelfde persoon zijn gepleegd.
Daarbij weegt het hof mee dat de modus operandi van de verschillende brandstichtingen niet zodanig overeenkomt dat op basis hiervan gesteld kan worden dat de brandstichtingen door dezelfde persoon moeten zijn gepleegd. Het aansteken of veroorzaken van de brand is steeds anders. Op de beelden van 3 juni 2021 is te zien dat de dader de gevel verschillende malen besprenkelt waarna het beeld oplicht omdat mogelijk de brand start. Op 9 juni 2021 dat de dader een voorwerp tegen de gevel gooit en daarna dit voorwerp vlak tegen de gevel aansteekt waarna er brand ontstaat. En op 11 juni 2021 dat de dader een spoor met vloeistof uitzet vanaf de betreffende pizzeria over het trottoir tot aan een nabijgelegen rotonde en vanaf daar de vloeistof in brand steekt waarbij is te zien dat het vuur stopt voor de verhoogde trottoirband en de pizzeria niet bereikt.
In de door rechtbank gebezigde bewijsconstructie nemen de overeenkomsten tussen de bij verdachte aangetroffen kledingstukken en de kledingstukken van de dader op de beelden een belangrijke plek in. Naar het oordeel van het hof zijn deze overeenkomsten van de jas, tas en hoodie/bodywarmer, mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de camerabeelden, niet voldoende onderscheidend om daar mede het bewijs op te baseren dat verdachte de persoon is die te zien is op de beelden.
Ook ten aanzien van de overeenkomsten tussen de aangetroffen witte verf bij de brandstichtingen op 3 en 9 juni 2021 en de aangetroffen verf bij verdachte, is het hof van oordeel dat deze wellicht een aanwijzing kunnen zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting, maar ook niet meer dan dat. Het hof betrekt hierbij dat de bewijskracht slechts beperkt is. Zoals vermeld in het NFI-rapport is de uitkomst ‘waarschijnlijker’ met een ordegrootte van 10-100 die ver achter blijft bij de ordegrootte van veel, zeer veel en extreem veel waarschijnlijker.
Ten aanzien van de camerabeelden van de [bedrijf] van 3 en 9 juni 2021 met het zicht op de achterzijde van het woningblok [woningblok] , die ter zitting op verzoek van de verdediging zijn bekeken, merkt het hof ten eerste op dat de beelden betrekking hebben op tijdstippen van respectievelijk ruim een uur en vijfenveertig minuten ná de brandstichtingen. Bovendien kan op basis van de beelden geen signalement worden vastgesteld van de persoon/schim die op deze beelden is te zien. Deze beelden dragen naar het oordeel van het hof daarom niet bij aan het bewijs dat verdachte de dader is van de brandstichtingen gepleegd op 3 en 9 juni 2021.
Ten aanzien van de bruikbaarheid voor het bewijs van de herkenning van verdachte op de camerabeelden door de getuigen [getuigen] overweegt het hof als volgt. Deze getuigen zijn in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord. Uit de verschillende door de getuigen afgelegde verklaringen komt naar voren dat zij de beelden van de brandstichting op 11 juni 2021 samen, en ook meerdere malen afzonderlijk, hebben bekeken en samen besproken. De getuigen hebben met elkaar besproken dat er wat betreft de persoon die de brand probeerde te stichten iets was met zijn wenkbrauwen, dat hij linkshandig was en een opvallend loopje had. Ze hebben samen de beelden van de brandstichting op 11 juni 2021 vergeleken met de beelden van de pizzeria waar verdachte - in de hoedanigheid van klant - op te zien is. Door de beelden met elkaar te bekijken, te bespreken en te vergelijken, kwamen ze gezamenlijk tot de conclusie dat het dezelfde persoon betreft. De getuigen hebben verklaard dat ze actief hebben gezocht naar overeenkomsten en punten waaraan ze de dader zouden kunnen herkennen. De getuige [getuige 2] heeft zelfs verklaard dat ze samen met de politie tot de conclusie kwamen dat het niemand anders geweest kon zijn dan verdachte.
Nog daargelaten de rol van de politie zijn er naar het oordeel van het hof op zijn minst genomen aanwijzingen dat er tussen de verschillende getuigen over en weer beïnvloeding heeft plaatsgevonden. Nu het hof niet zelf de door de getuigen benoemde bijzondere kenmerken van de persoon met voldoende zekerheid op de beelden heeft kunnen vaststellen (specifieke wenkbrauwen, linkshandigheid en apart loopje), zijn de verklaringen van de getuigen [getuigen] niet voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.
Daarbij merkt het hof op dat de bewijswaarde van de conclusie van prof. dr. Otten met betrekking tot de analyse van de looppatronen van de persoon op de beelden van de verschillende brandstichtingen en van verdachte in de pizzeria, met een likelihood ratio van 240, naar zijn eigen zeggen heel zwak bewijs is. Daardoor legt deze analyse naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal legt om verdachte aan de brandstichtingen te koppelen.
Ook het feit dat verdachte op 2 en 11 juni 2021 voor kleine bedragen motorbenzine heeft afgerekend in [plaats] en dat in de bemonsteringen van de stof waarmee de branden op 3 en 11 juni 2021 zijn gestart motorbenzine is aangetroffen, is naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaarwegend om deze omstandigheid mede ten grondslag te leggen aan het bewijs dat verdachte de dader is van deze brandstichting dan wel de poging daartoe.
Gelet op al het bovenstaande heeft het hof uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.250,00 ingediend wegens immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof, waarbij de raadsman heeft opgemerkt dat een bedrag van € 1.000,00 meer passend is.
Het hof oordeelt als volgt.
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade is ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.250,00 ingediend wegens immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof, waarbij de raadsman heeft opgemerkt dat een bedrag van € 1.000,00 meer passend is.
Het hof oordeelt als volgt.
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade is ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600,00 ingediend wegens immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.250,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering deels toe te wijzen (€ 1.250,00), vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof, waarbij de raadsman heeft opgemerkt dat een bedrag van € 1.000,00 meer passend is.
Het hof oordeelt als volgt.
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade is ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 375,00 ingediend wegens materiële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering conform de rechtbank.
De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.
Het hof oordeelt als volgt.
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade is ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 106.035,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
In hoger beroep is de vordering schriftelijk nader onderbouwd met facturen (inkoop) van de minimarkt van de drie maanden voorafgaand aan de brand met daarbij een overzichtsbestand van alle uitgaven. Daarnaast zijn er belastingaangiften van de jaren 2021 tot en met 2024 overgelegd.
De advocaat van de benadeelde partij, mr. F.E.J. Janzing, heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering nader toegelicht. Hij heeft benadrukt dat de brand de benadeelde partijen in velerlei opzichten in een heel vervelende situatie heeft gebracht. Ze waren pas begonnen met de minimarkt en het liep goed. Ze hadden geen inboedelverzekering. Alle schade als gevolg van de brand hebben ze daardoor zelf moeten dragen. De administratie is in de brand verloren gegaan en de boekhouder die ze in de arm hadden genomen functioneerde niet. Het onderbouwen van de vordering is daardoor erg moeilijk. De in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken zijn bedoeld om het hof handvatten te geven om te komen tot een schatting van de schade.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering deels te toe wijzen (tot een bedrag van
€ 26.000,00 aan inventariskosten), vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman benadrukt dat de vordering te ingewikkeld is en een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, zodat de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Het hof oordeelt als volgt.
Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de schade is ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. J. Steenbrink en mr. N.I.S. Boers, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. B.T.H. Toonen-Janssen,
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 april 2026.