[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 27 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.G.J. Geerlings, hebben aangevoerd.
Vonnis
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor:
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank meerdere bijzondere voorwaarden verbonden, te weten: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole. Ten slotte heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] .
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van de opgelegde straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij komt het hof tot een andere motivering dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen, en daarom verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 22 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen dezelfde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de grootte van het voorwaardelijke strafdeel heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals deze heden gelden naar aanleiding van de beschikking van het hof van 27 augustus 2025. Ter boetedoening kan de gevangenisstraf worden opgelegd in combinatie met een taakstraf van maximale duur.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Het hof sluit grotendeels aan bij dat wat door de rechtbank is overwogen. De uit het vonnis overgenomen overwegingen zijn cursief weergegeven. Waar hierin ‘de rechtbank’ staat moet worden gelezen ‘het hof’. Het deel of de delen die niet cursief weergegeven zijn, zijn de toevoegingen of aanpassingen van het hof.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan afpersing, diefstal met en onder bedreiging van geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [benadeelde partij] . In de vroege ochtend van 27 mei 2023 is aangever, die zichtbaar onder invloed van alcohol was, door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangesproken in het centrum van [plaats] met de vraag of hij geld voor hen kon pinnen. Nadat aangever aanvankelijk toestemde, is hij weggelopen van de situatie. Hij zag hoe verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de auto van, naar later bleek, medeverdachte [medeverdachte2] stonden te praten. Even later werd hem door deze jongens een lift naar huis aangeboden. Nadat aangever bij de jongens was ingestapt en men een stuk had gereden sloeg de sfeer om. Vervolgens heeft aangever ongeveer anderhalf uur lang bij de jongens in de auto gezeten, waarbij hij niet de mogelijkheid had om zelf uit te stappen. Hij mocht de auto ook niet verlaten en hem werd verteld dat ze net zo lang zouden rondrijden tot hij geld had betaald. Aangever moest zijn mobiele telefoon en pincode afgeven en zijn airpods werden afgepakt. Daarnaast werd aangever gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Er werd gezegd dat verdachte een mes bij zich had en hij werd meerdere malen op/tegen zijn hoofd geslagen, aan zijn haren getrokken en met een armklem vastgehouden bij zijn nek. Ook werden zijn handen enige tijd vastgebonden met een usb-kabel. Verdachte heeft in [plaats 1] een bedrag van € 500,00 gepind met de bankpas van aangever. Daarna kon aangever de deur van de auto openkrijgen en heeft hij, met zijn benen hangend uit de rijdende auto, om hulp geroepen. Aangever is uiteindelijk de auto uitgezet en zijn telefoon is op straat gegooid. Verdachte en zijn medeverdachten hebben geen enkel oog gehad voor de impact die dit alles had op aangever. Zij hebben uitsluitend gedacht aan het geld dat zij aangever afhandig zouden kunnen maken.
Verdachte en zijn medeverdachten hebben een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Delicten als de onderhavige veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Zij zijn bovendien voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat aangever tijdens de vrijheidsberoving erg angstig is geweest. Hij kon de eerste weken daarna slecht slapen en beleefde de situatie telkens opnieuw. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de Pro Justitia-rapportage van 27 augustus 2023 (psychologisch onderzoek door GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] ) volgt dat bij verdachte sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling richting antisociaal, een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid, waarbij vooral zijn verwerkingssnelheid achterblijft bij zijn verbale vaardigheden. Daarnaast is er sprake van een stoornis in cannabisgebruik. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen. Omdat betrokkene zijn aandeel in het tenlastegelegde grotendeels ontkent en een hele andere verklaring hiervoor geeft, wordt niet duidelijk welke factoren van invloed zijn geweest op het tenlastegelegde. Het is mogelijk dat indirect de ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis van invloed is geweest op het tenlastegelegde. Dat hij niet adequaat gehandeld heeft en de situatie niet heeft weten te beëindigen, kan verklaard worden vanuit zijn intelligentieprofiel; verdachte heeft veel tijd nodig om informatie te verwerken en reageert voordat hij beseft wat hij doet of waarin hij terecht is gekomen. Verder is er sprake van dagelijks cannabisgebruik. Het cannabisgebruik, die avond in combinatie met alcohol heeft zeer waarschijnlijk een ontremmende werking gehad op zijn handelen. Verdachte heeft echter de mogelijkheid om te kiezen voor het al of niet gebruik van middelen en is hierdoor verantwoordelijk voor het effect hiervan op zijn handelen. Het is echter ook mogelijk dat betrokkene, hoewel hij dit zelf ontkent, direct betrokken is bij het tenlastegelegde, indien bewezen, en hier willens en wetens vanuit het oogpunt van eigen gewin aan heeft mee gedaan en dit nu ontkent om de gevolgen niet te hoeven dragen. Dit zou passen bij de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte; hij is vooral uit op eigen gewin en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedrag waarbij hij glashard kan liegen en geen empathie heeft met het slachtoffer. Omdat verdachte een hele andere verklaring geeft voor het tenlastegelegde, is het niet mogelijk om te onderzoeken welke van bovenstaande factoren van invloed zijn geweest op zijn gedrag en is het niet mogelijk om onderbouwd een uitspraak te doen over de mate van toerekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt als hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Verdachte heeft wel een positieve gerichtheid op de toekomst, maar zal de motivatie moeten vinden om dit toekomstdoel ook te bereiken. Hij heeft geen probleembesef en probleeminzicht, waardoor hij geen zicht heeft op risicofactoren. Hij staat dan ook niet open voor begeleiding of behandeling.
Er wordt geadviseerd volwassen strafrecht toe te passen.
Om de ontwikkeling van verdachte in positieve zin te beïnvloeden is vooral begeleiding, toezicht en controle noodzakelijk. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, wordt geadviseerd om verdachte een strak reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij aandacht dient te zijn voor een prosociale vriendenkeuze, een zinvolle dagbesteding, zijn vrijetijdsbesteding en middelengebruik. Voor verdachtes ontwikkeling is het van belang dat hij traumabehandeling krijgt. Hij is hier echter niet voor gemotiveerd en de ervaring leert dat verdachte, ook als het als voorwaarde geformuleerd wordt, hier niet aan mee zal werken. Omdat in onderhavig onderzoek niet duidelijk vastgesteld is dat de ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis van invloed is geweest op het tenlastegelegde, wordt dan ook niet geadviseerd om dit in een voorwaarde op te nemen.
Nu uit de rapportages niet volgt dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten verminderd of geheel ontoerekeningsvatbaar was, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten.
De GZ-psycholoog en de reclassering adviseren het volwassenenstrafrecht toe te passen. Gelet hierop, alsmede op het feit dat er ook overigens onvoldoende aanknopingspunten zijn om het adolescentenstrafrecht toe te passen, zal de rechtbank het volwassenenstrafrecht toepassen.
Het hof verenigt zich met de conclusies van dit rapport.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van 30 december 2025. Daarin wordt aangegeven dat verdachte momenteel onder schorsingstoezicht staat met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een contactverbod met medeverdachten en het slachtoffer, een inspanningsverplichting gericht op het vinden en behouden van werk, middelencontrole, een behandelverplichting en begeleid wonen. Binnen het lopende toezicht laat verdachte een ambivalente houding zien. Enerzijds is sprake van een oprechte intentie om niet opnieuw in aanraking te komen met politie en justitie en om maatschappelijk geaccepteerde doelen na te streven. Anderzijds geeft verdachte duidelijk aan deze doelen bij voorkeur zelfstandig, zonder bemoeienis van instanties, te willen bereiken. Dit resulteert in een grijs gebied in de naleving van de bijzondere voorwaarden: formeel verschijnt betrokkene voldoende bij afspraken, maar inhoudelijk blijft de voortgang beperkt. De opgelegde CoVa+-training is in overleg voortijdig negatief beëindigd, mede omdat verdachte zich overvraagd voelde door het aantal verplichtingen. Ook de delictanalyse is niet afgerond en verdachte geeft maar beperkt openheid in zijn sociale netwerk. De voorwaarde begeleid wonen wordt slechts in zeer beperkte mate ingevuld; verdachte verblijft er nauwelijks en verblijft grotendeels bij zijn partner.
Daartegenover staat dat verdachte zich houdt aan het contactverbod, meewerkt aan middelencontroles en zich aantoonbaar inspant om werk te vinden. Binnen het toezicht is gedurende een periode sprake geweest van meer stabiliteit, onder meer doordat verdachte toen beschikte over werk en structuur. Op dit moment is hiervan geen sprake en beschikt verdachte niet over werk en inkomen, hetgeen van negatieve invloed is op zijn stabiliteit. Verdachte heeft echter meerdere sollicitaties lopen en werkt actief aan het opnieuw verkrijgen van werk. Behandelaren geven aan dat, ondanks het niet slagen van de delictanalyse, sprake is van zichtbare ontwikkeling. Door wekelijkse praktische ondersteuning is meer stabiliteit ontstaan op verschillende leefgebieden en is een behandelopening gerealiseerd. Verdachte stelt zich opener op dan in eerdere fases binnen de behandeling en is recent gestart met traumatherapie, welke door behandelaren als essentieel wordt beschouwd voor het verminderen van recidiverisico’s. Verdachte erkent desgevraagd eveneens de meerwaarde van deze behandeling.
De reclassering acht het niet zinvol om nieuwe of aanvullende bijzondere voorwaarden te adviseren. Het huidige toezicht en het lopende behandeltraject vormen naar hun inschatting het maximaal haalbare kader om, bij een eventuele veroordeling, toe te werken naar stabilisatie en recidivevermindering. Verdere uitbreiding van voorwaarden achten de reclassering niet effectief, gezien de beperkte draagkracht van verdachte en het risico op formele naleving zonder inhoudelijke opbrengst.
Oplegging van straf
De rechtbank acht een straf zoals de raadsman heeft bepleit niet in verhouding staan tot de hiervoor beschreven ernst van de feiten. In zoverre gaat de rechtbank dan ook voorbij aan het verzoek van de raadsman om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een werkstraf. Naar het oordeel van de rechtbank is alleen een langere, deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof houdt verder rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte geruime tijd geschorst is geweest en hij sinds 27 augustus 2025 onderworpen is aan meerdere bijzondere schorsingsvoorwaarden waar hij zich gedurende zijn schorsing aan heeft gehouden. Ten slotte heeft het hof gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles overziend zal het hof – conform het vonnis van de rechtbank – een gevangenisstraf opleggen voor de duur van tweeëntwintig maanden. Het hof zal een deel van deze straf, te weten twaalf maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren, om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het huidig lopende schorsingstoezicht aanleiding om een groter deel voorwaardelijk op te leggen dan de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan, maar niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals deze in het huidige schorsingstraject lopen. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.089,00 ingediend, bestaande uit € 839,00 aan materiële schade en € 2.250,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit gehele bedrag hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij en tevens heeft de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangegeven te berusten in het oordeel en de overwegingen van de rechtbank.
Oordeel van het hof
Het hof sluit grotendeels aan bij dat wat door de rechtbank is overwogen. De uit het vonnis overgenomen overwegingen zijn cursief weergegeven. Waar hierin ‘de rechtbank’ staat moet worden gelezen ‘het hof’. Het deel of de delen die niet cursief weergegeven zijn, zijn de toevoegingen of aanpassingen van het hof.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De in dit verband gevorderde kosten ad € 839,00 staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met de bewezenverklaarde feiten, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Deze kosten zullen daarom worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 onder b BW recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Door het bewezenverklaarde handelen heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen aan het gezicht, namelijk een lichte zwelling bij de rechterwenkbrauw en een rode verkleuring van de huid. De benadeelde partij heeft aldus schade geleden die binnen de hiervoor genoemde categorie van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek valt. Daarnaast heeft de benadeelde partij psychisch geleden onder wat hij die nacht heeft meegemaakt.
Gegeven deze aanspraak op immateriële schadevergoeding als rechtstreeks gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde, komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld rekening met de aard, duur en ernst van de normschending, de duur daar, de gevolgen die dit heeft gehad voor de benadeelde partij en heeft ook gelet op de categorieën van de Rotterdamse schaal en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het gevorderde bedrag van € 2.250,00 is niet betwist en komt het hof – evenals de rechtbank – ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zijn geheel worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 27 mei 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal verdachte in de kosten van de benadeelde partij worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.
Het hof ziet net als de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen, ook vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2023. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Het hof overweegt tot slot dat verdachte en zijn medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat verdachte:
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van bovenstaande voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.089,00 (drieduizend negenentachtig euro) bestaande uit € 839,00 (achthonderdnegenendertig euro) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.089,00 (drieduizend negenentachtig euro) bestaande uit € 839,00 (achthonderdnegenendertig euro) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 mei 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. O.O. van der Lee, voorzitter,
mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. B.A.A. Postma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffiers,
en op 13 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken