ECLI:NL:GHARL:2026:2143

ECLI:NL:GHARL:2026:2143

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer 21-004975-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewezenverklaring van afpersing en mishandeling op 22 januari 2024. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, waaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een taakstraf opgelegd van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. De vordering benadeelde partij is deels toewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.E.W. Jansen, en de gemachtigde van de benadeelde partij, de heer [naam] van Slachtofferhulp, hebben aangevoerd.

Gedeeltelijk niet-ontvankelijk

De verdachte is door rechtbank Gelderland vrijgesproken van wat aan hem onder 3 (bedreiging) is ten laste gelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. De verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte - kort gezegd - veroordeeld voor afpersing (feit 1) en mishandeling (feit 2 subsidiair) tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot het betalen van € 1.135,00 ten behoeve van de benadeelde partij. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de bedreiging (feit 3)

Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (800 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] toebehoorde, door, volgend op het (ernstig) bedreigen met de dood en/of (zwaar) mishandelen van die [benadeelde] , te zeggen "geef mij 800 euro", in elk geval woorden van gelijke aard of strekking, en/of die [benadeelde] (daardoor) gedwongen werd om het geldbedrag over te maken op de bankrekening van verdachte; 2. primairhij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen met een schop op/tegen de benen en/of hand, in elk geval tegen het lichaam, van die [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. subsidiairhij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door meerdere malen met een schop op/tegen diens benen en/of hand, in elk geval diens lichaam, te slaan en/of (een deel van) diens haren af te knippen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 subsidiair.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat geen sprake is geweest van afpersing, en dat aangever het geldbedrag uit eigen beweging heeft overgemaakt waarbij de verdachte als tegenprestatie de familie van aangever niet in kennis zou stellen van de hem door verdachte verweten verkrachting.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat hetgeen door de verdachte en de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het gerechtshof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door het bankafschrift en de verklaring van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte aangever voorafgaand aan het overmaken van het bedrag van € 800,- met een schep heeft mishandeld. De andersluidende lezing van de verdachte over het overmaken van het geld – dat aangever dit zonder dwang en uit eigen beweging heeft verricht – acht het hof mede ook gelet op de heftigheid van het gepleegde geweld dat daaraan kort heeft voorafgegaan onaannemelijk. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht het gerechtshof het causaal verband tussen de geweldshandelingen voorafgaande aan het overmaken van het geldbedrag aanwezig. De verdachte heeft de schep - waarmee hij deze geweldshandelingen uitvoerde - tijdens de bankoverschrijving nog bij zich en weerhoudt aangever ervan deze schep af te pakken. Van dergelijke omstandigheden - in hun onderling verband en samenhang bezien - gaat een zodanige dreiging uit dat bij aangever de vrees voor verder geweld gerechtvaardigd was waardoor hij is gedwongen om het geldbedrag af te geven. Daarmee kan niet gesproken worden van een vrijwillige afgifte. Het enkele feit dat de verdachte van de tenlastegelegde woordelijke bedreiging van aangever met de dood is vrijgesproken, maakt dit niet anders. Het hof komt tot het oordeel dat het opzet van verdachte is gericht op het door met geweld en/of bedreiging met geweld aangever dwingen tot afgifte van het geld en dat bij verdachte sprake moet zijn geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Zelfs al zou verdachte kunnen menen recht te hebben op de betaling van het afgeperste bedrag dan nog bestaat dit oogmerk nu verdachte moet hebben beseft dat hij door zijn handelwijze de grenzen van het maatschappelijk betamelijke verre overschreed.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof de gevoerde bewijsverweren en acht het gerechtshof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing, zoals hieronder nader aangeduid.

Het hof komt, net als de rechtbank, voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde tot een vrijspraak van het primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (800 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] toebehoorde, door, volgend op het (ernstig) bedreigen met de dood en/of (zwaar) mishandelen van die [benadeelde] , te zeggen "geef mij 800 euro", in elk geval woorden van gelijke aard of strekking, en/of die [benadeelde] (daardoor) gedwongen werd om het geldbedrag over te maken op de bankrekening van verdachte; 2.subsidiairhij op of omstreeks 22 januari 2024 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door meerdere malen met een schop op/tegen diens benen en/of hand, in elk geval diens lichaam, te slaan en/of (een deel van) diens haren af te knippen;

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

afpersing.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Voor het geval het hof tot een bewezenverklaring mocht komen heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er van aangever een dreiging uitging, omdat hij de verdachte enkele maanden voorafgaande aan de mishandeling (meermalen) zou hebben verkracht. In de bewuste nacht zou aangever zich wederom in de slaapkamer van de verdachte voor – naar de interpretatie van de verdachte – (onvrijwillige) seks hebben gemeld, waardoor de verdachte zich genoodzaakt heeft gevoeld de schep uit de schuur te pakken en aangever daarmee te slaan. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat er daarom sprake was van psychische overmacht en/of overmacht in de zin van dwang.

De advocaat-generaal heeft tot verwerping van het overmachtsverweer gerekwireerd.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht een van buiten komende kracht, drang of dwang vereist is die maakt dat van de verdachte in redelijkheid niet te vergen viel dat hij het feit naliet. Naar het oordeel van het hof is op grond van de inhoud van het strafdossier noch op grond van het onderzoek ter zitting aannemelijk geworden dat sprake is geweest van de gestelde drang of dwang. Het overmachtsverweer wordt reeds daarom verworpen. Daarbij komt dat evenmin is gebleken van de ogenblikkelijkheid daarvan. De verdachte heeft gelegenheid gehad tot het maken van andere keuzes. Hij is immers in de nacht van 22 januari 2024 naar de schuur gegaan, heeft daar een schop gepakt en is daarmee vervolgens naar de slaapkamer van aangever gegaan, alwaar de mishandeling met de schep heeft plaatsgevonden terwijl aangever toen in zijn bed lag. De verdachte heeft deze confrontatie en het geweld zelf geïnitieerd. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, te weten (omgezet) 4 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht om af te zien van strafoplegging gelet op de bepleitte vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om toepassing van artikel 9a Sr en meer subsidiair verzocht af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de ter zitting toegelichte persoonlijke omstandigheden.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een voorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn huurbaas, door hem in de voor de nachtrust bestemde uren, in zijn eigen woning met een schop meermalen op de benen te slaan, waarbij aangever ook zijn vinger heeft bezeerd. Daarnaast heeft hij bij aangever (een deel van) de haren afgeknipt en hem voor een bedrag van € 800,00 afgeperst. Aldus handelende heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, en hem gevoelens van vernedering, angst en onveiligheid bezorgd. De verdachte heeft zich laten leiden door gevoelens van boosheid en door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hun is aangedaan.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 19 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte first offender is.

Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren komen. Uit het reclasseringsadvies van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen stabiel familiaal, sociaal of financieel vangnet had. Bij de verdachte zijn problemen op diverse leefgebieden geconstateerd. Gedurende langere periode heeft de verdachte wisselende en kortdurende woon- en werkplekken, hetgeen stress veroorzaakt over geldproblemen en dreigende dakloosheid. Daarnaast zijn er voor wat betreft zijn psychosociaal functioneren zorgen. De verdachte vertoont wantrouwend, verward gedrag en heeft zich geïsoleerd van zijn familie en naasten. De verdachte heeft ter zitting van het hof blijk gegeven van de wens tot ambulante (schuld)hulpverlening en verwerking van zijn trauma’s. Hij heeft inmiddels – naar eigen zeggen – passende woonruimte en vreest deze te verliezen bij een op handen zijnde detentie.

Ondanks dat – gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten - in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf zou zijn, kent het hof in haar straftoemeting in dit geval de kwetsbare indruk die de verdachte ter zitting op het hof maakte, veel gewicht toe. Het achterwege laten van oplegging van een straf en/of maatregel ofwel de oplegging van enkel een taakstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit, doet echter geen recht aan de ernst van de feiten en is in strijd met het taakstrafverbod (artikel 22b Sr). De verdachte heeft meer dan gemiddelde hulp nodig voor het organiseren van zijn leven en het naar zijn zeggen verwerken van problemen uit zijn verleden. Het hof acht het, voor het inzicht in de problematiek van de verdachte ten behoeve van een passende behandeling en ter voorkoming van recidive, van belang dat de door de reclassering geadviseerde voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd.

Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, en met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, in dit geval passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.392,07 ingediend. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij deze vordering verminderd met een bedrag van € 385,00 (eigen risico). De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.885,04. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding (met uitzondering van de ingetrokken vordering met betrekking tot het eigen risico). De vordering bestaat nu nog uit de volgende posten:

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen conform het vonnis van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen conform het vonnis van de rechtbank.

Oordeel van het hof

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiele schade heeft geleden door het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte, te weten post a (bedrag bankbetaling), c (lamp), en d (reis-parkeerkosten). De hoogte van de schade bedraagt daarmee € 1157,07.

Van post b (de gemiste huurinkomsten) is onvoldoende gebleken dat die schade door het strafbare handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij heeft het bedrag vanuit zijn civiele positie als verhuurder gevorderd. Er is geen rechtstreeks verband met de bewezenverklaarde feiten. De gevorderde kostenpost betreft aldus geen rechtstreekse schade en het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering van deze kosten.

Daarnaast is gebleken dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Ten gevolge van het bewezen verklaarde feit 2 subsidiair is bij de benadeelde partij lichamelijk letsel ontstaan, zodat er op grond van artikel 6:106 BW een wettelijke grondslag is voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid en zal, rekening houdend met de bedragen aan smartengeld die in vergelijkbare zaken worden toegewezen, de gevorderde immateriële schade, toewijzen tot een bedrag van € 750,00. Voor de rest van de gevorderde immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbaar handelen van verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De benadeelde partij heeft in dat verband geen (medische) informatie overgelegd, terwijl in dit geval naar het oordeel van het hof geen sprake is van een dusdanige aard en ernst van de normschending dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarom kan de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet worden ontvangen.

In totaal wordt een bedrag van € 1.907,07 voor de materiele en immateriële schade toegewezen en de verdachte moet deze schadevergoeding betalen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep van belang, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat;

- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres] ;

- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start reeds na aanmelding. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zijn psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Tevens vindt er diagnostiek onderzoek plaats. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- de verdachte, indien de reclassering het nodig vindt, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering;

- de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- de verdachte ambulante hulpverlening ontvangt ten aanzien van de praktische leefgebieden. Als hulpverlenende instantie kan gedacht worden aan Humantis Homerun of een soort gelijke instantie nader te bepalen door de reclassering.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.907,07 (duizend negenhonderdzeven euro en zeven cent) bestaande uit € 1.157,07 (duizend honderdzevenenvijftig euro en zeven cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.907,07 (duizend negenhonderdzeven euro en zeven cent) bestaande uit € 1.157,07 (duizend honderdzevenenvijftig euro en zeven cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 januari 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. A.J. Smit en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. de Groot - van de Ruitenbeek en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 februari 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 februari 2026.

Tegenwoordig:

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. V.T.R.W. van Thiel, advocaat-generaal,

mr. L. Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Mintjes

Griffier

  • mr. L. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?