Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004920-24
Uitspraakdatum: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 31 oktober 2024 met parketnummer 08-236781-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 31 maart 2026 en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. B.J.W. Tijkotte, hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [benadeelde] door
mr. J.J.J. Broekhuizen is aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte voor poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar met aftrek van voorarrest.
Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 10.674,83, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste wijze en grotendeels op goede gronden beslist. Het hof gaat bij de beoordeling uit van (deels) andere bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen dan de rechtbank. Ook komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank ten aanzien van de vordering benadeelde partij. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 september 2023 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [benadeelde] met een vuurwapen in de borstkas en/of de buik, althans de romp en/of de arm heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 16 september 2023 rond 22:00 uur kreeg de politie een melding dat er een schietincident had plaatsgevonden bij [coffeeshop] in [plaats 1] . Toen politieagenten ter plaatse kwamen, troffen zij [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) gewond aan. [benadeelde] is per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar bleek dat hij meerdere schotverwondingen had opgelopen in zijn buik, borst en arm.
Verbalisanten van de politie hebben de camerabeelden van binnen en buiten de coffeeshop van die avond bekeken. Daarop is te zien dat [benadeelde] aan de bar in de coffeeshop zit en dat hij samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) naar buiten loopt en met haar in een steeg naast de coffeeshop staat. Dan is te zien dat een persoon, later blijkt dit de schutter te zijn, de coffeeshop inloopt, om zich heen kijkt en weer naar buiten gaat. Hij loopt de steeg in en gaat aan de andere kant van de steeg tegenover [benadeelde] staan. Vervolgens is te zien dat een auto de steeg inrijdt, de steeg verlicht en tussen [benadeelde] en de schutter stil staat, waarna de schutter met zijn rechterarm uitgestrekt en met een vuurwapen op [benadeelde] gericht naar en achter [benadeelde] aanrent. [benadeelde] rent de coffeeshop in en de schutter rent weg.
Op 17 september 2023 heeft verdachte zichzelf gemeld bij de politie in [plaats 1] en werd hij aangehouden op verdenking van poging tot moord dan wel doodslag.
In dit arrest buigt het hof zich over de vraag of verdachte de schutter was en, zo ja, of er sprake was van opzet en voorbedachten rade.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich samengevat op het standpunt gesteld dat verdachte de schutter is geweest die op 16 september 2023 in [plaats 1] [benadeelde] heeft beschoten. Verdachte had ook opzet op de dood van [benadeelde] , omdat hij hem terwijl hij achter hem aanrende op korte afstand meerdere keren heeft beschoten. Hierbij heeft verdachte gehandeld op basis van een voorgenomen plan, waarbij verdachte ruim de gelegenheid had om zich te beraden over de gevolgen van dit plan. Er ontbreken aanwijzingen voor het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Er zijn ook geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. De advocaat-generaal acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij de schutter is geweest. De verklaringen van de getuigen zijn onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het signalement van de schutter, zoals dat blijkt uit de camerabeelden, is te algemeen om tot identificatie te kunnen leiden. Ook is er geen forensisch bewijs dat verdachte aan het delict verbindt. Daarnaast biedt het dossier aanwijzingen voor betrokkenheid van anderen dan verdachte bij het schietincident en daarmee voor een alternatief scenario. Er is ruimte voor twijfel en dus moet verdachte worden vrijgesproken.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie, dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat hij moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot moord.
Oordeel van het hof
Bewijsmiddelen
Bij de beoordeling gaat het hof uit van de volgende bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2023, pagina 182, voor zover
inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 16 september 2023, omstreeks 22.10 uur, kwam de melding dat er zojuist een
schietincident had plaatsgevonden bij de [coffeeshop] aan [straatnaam 1]
[nummer 1] te [plaats 1] . Vervolgens bleek dat tijdens dit schietincident [benadeelde] gewond was geraakt door meerdere schoten uit een pistool.
Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Oost Nederland van 17 september 2023,
pagina 158, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17-09-2023 om 12:30 uur is een letselonderzoek uitgevoerd bij [benadeelde] . Datum incident: 16-09-2023 omstreeks 22:00.
Bij aankomst op [ziekenhuis] bleken er meerdere schotwonden aan borstkas, buik en bovenarm rechts. Bij beeldvorming (CT borstkas- buik) aanwijzingen voor drie kogeltrajecten. Aansluitend is [benadeelde] geopereerd en is een kogel uit de buik verwijderd (lag tussen de lever en de rechter nier) waarbij er een scheur in de lever zichtbaar was. Op de verpleegafdeling chirurgie is een kogel verwijderd die in de buikhuid naast de navel zat.
Samenvatting medische informatie: (letsel 1) Schotverwonding rechter borstkas (rugzijde) met een breuk van de 8e rib, een traject door de lever en de kogel liggend achter de lever.
(letsel 2) Schotverwonding rechter zij: kogeltraject zichtbaar richting navel en vlak onder de huid kogel aangetroffen.
(letsel 3) Schotverwonding rechter bovenarm zonder kogel in lichaam, botten intact.
Forensisch medische letselrapportage met benoeming als gerechtelijk deskundige van 16
januari 2024, pagina 170-171, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er is sprake van 5 schotverwondingen, een schampschot en leverletsel. De schotverwonding op de rechterzijde van de rug kan gerelateerd worden aan de kogel bij de lever. De schotverwonding op de rechterflank kan via de CT-scan gerelateerd worden aan de kogel vlak naast de navel rechts. De schotverwonding op de buitenzijde van de rechter bovenarm is een inschot en op de binnenzijde van de rechter bovenarm bevindt zich een uitschot. Dit uitschot bevindt zich ongeveer op hoogte van het letsel dat zich op de rechterzijde van de borst. Het verslag van de CT-scan beschrijft dat er mogelijk twee kogeltrajecten zijn in de rechterarm, één in de bovenarm en één in de onderarm. Er bevinden zich geen kogels in de rechterarm. Van de twee verwondingen aan de bovenarm kan gezegd worden dat het een doorschot betreft. De schotverwonding aan de buigzijde van de rechteronderarm imponeert als een uitschot. (…) De medische ernst varieert tussen licht en matig/ernstig letsel (afhankelijk van de lengte van de kogelbaan in de lever). De genezingsduur van het letsel wordt geschat op 4-5 weken zonder restverschijnselen. Wel zullen er meerdere littekens ontstaan, inclusief het operatielitteken.
Hoe ernstig is een letsel met dit ontstaansmechanisme als het letsel nabijgelegen structuren had geraakt?
De belangrijke naastgelegen structuren zijn de grote buikader in de lever, de rechterlong, rechternier en dikke darm. Beschadiging van de grote buikader in de lever zou de AIS van de buik doen ophogen naar 5 (levensbedreigend). Bij beschadiging van de rechterlong/ rechterzijde borst kan o.a. een (spannings)klaplong en longbloeding ontstaan. Dit zou de AIS van de borst doen ophogen naar een 3 (ernstig) tot 5 (levensbedreigend). Letsel van de rechternier zou de AIS van de buik ophogen wanneer er sprake zou zijn van een grote bloeding (AIS 4). Een perforatie van de dikke darm resulteert in een AIS van 4 (kritiek). Een hogere AIS resulteert in een hogere ISS. Hoe hoger de ISS, hoe groter de kans op overlijden. Op basis van de literatuur wordt de mortaliteit van schotletsel in de buik tussen de 5 - 18,84% geschat en dit is afhankelijk van het aantal schotwonden en locatie van het letsel.
Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2023, pagina's 317, 318, 320 tot en met 326, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 september 2023 ontving ik, verbalisant [verbalisant 1] , de camerabeelden van de camera's welke hangen in en nabij het pand van [coffeeshop] aan [straatnaam 1] [nummer 1] te [plaats 1] .
Op de camerabeelden is te zien dat op 16 september 2023 om 21.57 uur [benadeelde] aan de bar zit. Vervolgens is te zien dat [benadeelde] samen met [naam 1] naar buiten loopt. Te zien is dat [benadeelde] en [naam 1] tegen de gevel van het pand [straatnaam 1] [nummer 2] staan. Op de beelden is te zien dat NN1 voor de ingang van [coffeeshop] blijft staat en heen en weer loopt. Ook is te zien dat NN1 de hele tijd met zijn telefoon bezig is. Om 22.07.36 uur is te zien dat een persoon, later blijkt de verdachte, komt aanlopen en stilstaat naast NN1 en zij vervolgens contact hebben met elkaar.
Enkele seconden hierna is te zien dat de verdachte alleen [coffeeshop] naar binnen gaat.
Eenmaal binnen kijkt de verdachte om zich heen en vertrekt vervolgens weer.
Op de beelden is te zien dat de verdachte het volgende signalement heeft:
Om 22.08.00 uur komt de verdachte naar buiten, kijkt kort naar rechts en loopt direct naar NN1 welke nog steeds voor de ingang van [coffeeshop] staat. Zij hebben enkele seconden contact met elkaar en ondertussen is te zien dat NN1 zijn telefoon in zijn hand heeft en beide personen naar de telefoon kijken. Kort hierna is te zien dat de verdachte in een langzame pas richting de zijstraat tussen [straatnaam 1] [nummer 1] en [straatnaam 1]
[nummer 2] in loopt.
Om 22.08.14 uur is te zien dat de verdachte de steeg in komt lopen en recht tegenover [benadeelde] gaat staan, in het donker. Vanaf de parkeerplaats komt een wit voertuig aanrijden, welke met zijn verlichting de steeg verlicht. Te zien is dat [benadeelde] in de richting van de verdachte kijkt en dat het onbekende witte voertuig de steeg verlicht. Te zien is dat [benadeelde] en de verdachte naar elkaar toe lopen. Om 22.08.26 uur is te zien dat de verdachte zijn rechterarm uitstrekt en richt naar [benadeelde] en al rennend richting [benadeelde] schiet.
Om 22.08.38 uur is te zien dat de verdachte met zijn rechterarm uitgestrekt al richtend achter [benadeelde] rent en is te zien dat [benadeelde] [coffeeshop] naar binnen rent en de verdachte wegrent richting de zijde van [straatnaam 2] .
Het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2023, pagina 196, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 16 september 2023, omstreeks 23.00 uur, kwam ik, verbalisant [verbalisant 1] , ter plaatse. Ik hoorde dat de volgende personen werkzaam waren bij [coffeeshop] , [naam 2] , (…) en [naam 1] .
Ik hoorde [naam 1] zeggen dat zij in haar vrije tijd was en naast [benadeelde] aan de bar zat. Ik hoorde haar zeggen: Rond 22.00 uur ben ik met [naam 3] naar buiten gelopen en wij stonden ter hoogte van de ramen van [straatnaam 1] [nummer 2] te roken en koffie te drinken. Ik zag ineens een man in het donker tegenover ons staan en ons aankijken. Ik zag dat deze man helemaal in het donker gekleed was en een capuchon of iets op zijn hoofd had. Hierna zag ik dat deze man naar ons toe liep. Ik zag toen dat het [verdachte] was en ik zag dat hij begon te schieten.
Het proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde] van 26 september 2023, pagina's 142 en 144 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Dus wat is de reden van de schietpartij...
A: Ik denk dat ik met een paar jongens mee ben gegaan naar [plaats 2] en aan de deur heb gestaan bij de dader. (…) Iemand vroeg of ik mee wilde rijden om een schuld te incasseren voor een leuk bedrag. En een week later sta ik oog in oog met de persoon bij wie wij aan de deur stonden. V: Wist je naar wie jij toeging in [plaats 2] ?
A: Ja. [verdachte] .
V: En wat is daar gebeurd?
A: Nou, ik keek om de hoek. En eigenlijk, hij zat achter het raam. Hij zag mij. Toen hoorde
ik deur open gaan. En toen zijn wij eigenlijk min of meer weg gelopen. In de auto gestapt en weggereden. En toen zei een van die jongens: “Hij had een pistool, hij had een pistool.”
Het proces-verbaal van bevindingen van 26 september 2023, pagina's 139 en 140, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 26 september 2023 hoorden wij, verbalisanten, het slachtoffer [benadeelde] op het
hoofdbureau van politie te [plaats 1] . [benadeelde] verklaarde dat [verdachte] hem heeft neergeschoten. Vlak voor hij schoot heeft [verdachte] tegen hem gezegd: “Jij stond voor mijn deur”. Of woorden van gelijke strekking.Door het onderzoeksteam werden de camerabeelden vanuit de woning van verdachte [verdachte] met zicht op de toegangsdeur en een gedeelte van de steeg, al eerder in beslag genomen. De verklaring van [benadeelde] kon worden bevestigd naar aanleiding van deze camerabeelden. [benadeelde] is op 6 september 2023 zichtbaar op de camerabeelden samen met twee andere personen. Tevens is op 7 september 2023 op de beelden zichtbaar dat [benadeelde] richting de woning loopt. Dat hij de woning inkijkt en terugloopt richting de parkeerplaats. Kort daarop is de verdachte [verdachte] zichtbaar. Wij zien dat verdachte [verdachte] naar buiten loopt en daarbij een vuurwapen in zijn rechterhand vast heeft en deze richt en gericht houdt in de richting waar [benadeelde] is heengelopen.
De eigen waarneming van het hof op de zitting van 31 maart 2026 naar aanleiding van de op deze zitting getoonde, door de politie gemaakte, compilatie van onderzoek Poema, onder andere inhoudende beelden van de camerabeelden vanuit de woning van verdachte van
7 september 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op het moment dat verdachte op 7 september 2023 omstreeks 07:22 uur in een badjas en met gestrekte arm naar voren vanuit zijn woning naar buiten komt, heeft hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen. Als verdachte korte tijd later weer zijn woning binnengaat, heeft hij nog steeds dat voorwerp in zijn handen. Het hof heeft waargenomen dat het voorwerp qua vorm en formaat sterk lijkt op een vuurwapen en dat verdachte daar handelingen mee uitvoert die zeer wel passen bij het gebruik van een vuurwapen. Het voorwerp lijkt niet op een moersleutel. Op het moment dat hij naar buiten komt, richt hij het voorwerp als was het een vuurwapen en houdt hij het vast als een vuurwapen. Op het moment dat hij met versnelde pas weer naar binnenloopt, houdt hij het voorwerp nog steeds vast als was het een vuurwapen en maakt hij met zijn andere hand bewegingen aan de (onder)zijde van het voorwerp alsof hij het vuurwapen wil ontspannen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] van 22 april 2024 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Heeft u gezien wie er op u geschoten heeft?
Ja.
Op dat moment wist u dat ook al?
Ja.
Wie was het?
[verdachte]
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 september 2023, pagina's 333, 334 en 336 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 18 september 2023 heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de verdachte [verdachte] gehoord en hem goed kunnen bekijken.
Ik heb het beeldmateriaal van [coffeeshop] bekeken, op het moment dat de verdachte in beeld is. Tevens heb ik de beelden van de beveiligingscamera's van het politiebureau waarop de verdachte is te zien als hij zich bij het politiebureau meldt, bekeken. Op de beelden zag ik dat de schutter net als verdachte [verdachte] :
Op beelden van [coffeeshop] en van de omgeving van het politiebureau in [plaats 1] is te zien dat beide personen de voet op dezelfde wijze neerzetten tijdens het lopen.
Het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2023, pagina 399, voor zover
inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , bekeek de beelden van 15 september 2023 van de achtertuin van de woning van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] vanuit de steeg naast zijn woning in de richting van de steeg achter de houten schuur liep. Ik zag dat hij op de beelden gekleed was in een zwarte trainingsbroek met op de zijkant van het linker bovenbeen een wit logo dat qua vorm overeen komt met de vorm van het logo dat ik ken als het logo van het merk [merk] . Ik zag dat de mouwen/schouders en bovenzijde rug van de jas grijs van kleur waren en ik zag dat de vlakken op de borst/buik en rug zwart waren. Ik zag dat het logo van hoogstwaarschijnlijk het merk [merk] wit van kleur was en zichtbaar was op de linkerborst van verdachte [verdachte] . Ik zag dat de capuchon zwart was. Ik zag dat hij een zwarte pet met een wit logo en dat hij zwarte of heel donkere sportschoenen droeg.
Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 17 oktober 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De oudste rechter laat de camerabeelden van de woning van verdachte van 15 september 2023, een dag voor het schietincident, afspelen.
De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij of ik de persoon ben die op de camerabeelden rond 9 uur (35.29) te zien is. Ja
dat ben ik. U houdt mij voor dat ik een jas met een grijze bovenkant en zwarte onderkant,
zwarte capuchon, zwarte pet, zwarte broek met een embleempje en zwarte schoenen draag.
De eigen waarneming van het hof op de zitting van 31 maart 2026 naar aanleiding van de op deze zitting getoonde, door de politie gemaakte, compilatie van onderzoek Poema, onder andere inhoudende beelden van de camerabeelden van coffeshop [coffeeshop] van 16 september 2023 (fragment van minuut 4.13 tot en met minuut 4. 39 ) , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het hof ziet een donkergekleurde man, die een jas met een grijze bovenkant en zwarte onderkant, met een wit embleem en een zwarte capuchon draagt. De man draagt een zwarte pet, een zwarte broek met een wit embleem op het bovenbeen links en donkere schoenen.
Het proces-verbaal van bevindingen mbt contact en inbeslagname telefoon van [naam 4] van 19 september 2023, pagina 270, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 16 september 2023 waren zij en [verdachte] omstreeks 21.00 - 22.00 uur thuisgekomen in [plaats 2] . De [naam 4] vertelde dat [verdachte] wel weg is geweest daarna. Ze weet niet hoe hij bij die woning weg is gegaan en ze weet ook niet hoe lang hij weg is geweest.
Nadere bewijsoverwegingen
Is verdachte de schutter geweest?
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de persoon is geweest die op 16 september 2023 op [benadeelde] heeft geschoten. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Verklaringen van getuigen
Het hof stelt vast dat [benadeelde] en [naam 1] hebben verklaard dat zij op 16 september 2023 hebben gezien dat verdachte de schutter was. Het hof acht, anders dan de verdediging, deze verklaringen betrouwbaar en overweegt daartoe als volgt.
[naam 1] heeft op de zitting van de rechtbank op 17 oktober 2024 onder ede verklaard dat zij de schutter niet heeft gezien. Het hof acht de verklaring van [naam 1] tegenover de politie vlak na het incident evenwel betrouwbaar nu deze steun vindt in het volgende.
De politie heeft in het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2023 opgenomen dat [naam 1] op 16 september 2023 vlak na het schietincident in de coffeeshop heeft verklaard dat zij gezien had dat [verdachte] de schutter was.
Bovendien wordt deze eerdere verklaring van [naam 1] ondersteund door de verklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), die op 12 september 2024 als getuige door de rechter-commissaris is gehoord. [getuige 1] , die op 16 september 2023 in [coffeeshop] aan het werk was, heeft daarbij onder andere verklaard dat zijn collega [naam 1] de schutter herkend heeft en zijn naam, [verdachte] , genoemd heeft. [naam 1] heeft de naam van de schutter genoemd, voordat het geroepen werd. Zij is volgens [getuige 1] ook degene die het geroepen heeft. Hij stond bij [naam 1] en ze zei tegen de politie dat ze wist wie het was. Ze liep naar achteren met de politie. Ze hebben haar foto’s laten zien en ze herkende hem op de foto’s, ze had hem recht in de ogen aangekeken. Ze zei eerst de naam en later lieten ze de foto’s zien.
Ook [naam broer] , de broer van [benadeelde] , heeft bij de politie verklaard dat hij van [naam 1] (het hof begrijpt: [naam 1] ) op de avond van het incident heeft gehoord dat zij de schutter kende en dat hij [verdachte] heet.
De verdediging heeft aangevoerd dat uit niets blijkt dat [naam 1] uit angst voor of onder druk van (de familie van) verdachte niet (meer) over verdachte zou willen verklaren. Het hof acht het evenwel, net als de rechtbank, zeer wel mogelijk dat [naam 1] uit angst niet meer belastend over verdachte heeft willen verklaren, omdat uit het dossier volgt dat meerdere personen hebben geweigerd om een verklaring af te leggen. Ook blijkt uit een aanvullend proces-verbaal dat verdachte in de gevangenis een andere getuige in deze zaak heeft bedreigd.
Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaring van [naam 1] tegenover de politie vlak na het incident betrouwbaar.
Ook [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte de schutter was en het hof overweegt over de betrouwbaarheid van zijn verklaring als volgt.
[benadeelde] heeft op 26 september 2023 bij de politie verklaard dat hij denkt dat de reden van de schietpartij is geweest dat hij met een paar jongens naar [plaats 2] is geweest en aan de deur heeft gestaan bij de verdachte. Hem was gevraagd om tegen vergoeding een schuld te incasseren. Hij ging om die reden naar de woning van [verdachte] . Hij is hierover door de rechter-commissaris gehoord op 22 april 2024. Tijdens dit verhoor heeft hij verklaard dat [verdachte] op hem geschoten heeft en dat hij dat op dat moment al wist. Zijn verhaal over de incassoklus wordt bevestigd door de camerabeelden van 6 en 7 september 2023 van de woning van verdachte die door de politie en op de zitting van het hof op 31 maart 2026 bekeken zijn. Op die beelden zijn verdachte en aangever [benadeelde] zichtbaar. Zijn verklaringen worden bovendien ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), de (ex-)partner van [benadeelde] en de verklaring van zijn broer [naam broer] . [getuige 2] heeft op 18 september 2023 bij de politie verklaard dat de aanleiding van de schietpartij een soort “deurwaardersklus” is geweest waarbij [benadeelde] op 6 september 2023 geld moest halen bij [verdachte] in [plaats 2] . Op 6 september 2023 om 21.35 uur heeft [benadeelde] haar een bericht gestuurd dat hij nog een keer naar [plaats 2] moest. In de fase van het hoger beroep is zij op 23 juni 2025 als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. Zij heeft tijdens dit verhoor verklaard dat [naam 3] de naam [verdachte] heeft genoemd en dat hij de jongen was die hem had neergeschoten. Ook [naam broer] heeft op 21 september 2023 verklaard dat zijn broer [naam 3] hem op 10 september 2023 heeft verteld dat hij een incassoklus had gedaan. Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van [benadeelde] betrouwbaar, nu deze verklaringen worden ondersteund door voornoemde beelden en de verklaringen van [getuige 2] en [naam broer] . Het hof betrekt hierbij dat [getuige 2] en [naam broer] hun verklaring over de incassoklus hebben afgelegd, voordat [benadeelde] dit verhaal zelf aan de politie heeft verteld.
Dat [benadeelde] bij de politie in eerste instantie een ander verhaal over een mogelijk motief van de schutter heeft verteld en dat hij niet meteen verklaarde dat hij wist dat verdachte de schutter was, maakt zijn verklaring niet zodanig onbetrouwbaar dat het hof deze verklaring niet voor het bewijs zou mogen gebruiken. Het hof acht de reden die [benadeelde] hiervoor heeft gegeven, namelijk dat hij niet meteen over criminele activiteiten wilde vertellen omdat hij in een proeftijd liep, aannemelijk. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [benadeelde] in eerste instantie niet eerlijk is geweest, omdat hij nog in een proeftijd liep.
Gelijkenissen tussen het signalement van de schutter en verdachte
De politie heeft het signalement van de schutter op de camerabeelden van 16 september 2023 vergeleken met hoe verdachte eruit zag en liep toen verdachte op 18 september 2023 naar het politiebureau toekwam. Het hof stelt vast dat de politie onder meer de volgende gelijkenissen constateerde: een overeenkomstige huidskleur, zwarte snor en baard, groeven in het gezicht naast de neus en mond, een platte neus, en dat hij met zijn voeten iets naar buiten loopt.
Verder heeft de politie verdachte op de camerabeelden van 15 september 2023 van zijn woning herkend. Verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg bevestigd dat hij deze persoon is. Op deze beelden heeft de politie, en ook het hof, gezien dat verdachte toen gekleed was in:
Verdachte droeg verder een zwarte capuchon, een zwarte pet en donkere sportschoenen.
Op de zitting van het hof van 31 maart 2026 heeft het hof waargenomen dat op de beelden van 16 september 2023 van [coffeeshop] te zien is dat de schutter een jas met een grijze bovenkant en zwarte onderkant, met een wit embleem en een zwarte capuchon draagt. De schutter draagt verder een zwarte pet, een zwarte broek met een wit embleem op het bovenbeen links en donkere schoenen. Het hof constateert dat niet alleen de kleding, maar ook de baard, de donkere huidskleur en het postuur sterke gelijkenis vertoont met de beeltenis van verdachte op de camerabeelden van 15 september 2023.
Het motief voor de schietpartij
Uit de verklaring van [benadeelde] volgt dat verdachte een motief had om op hem te schieten. [benadeelde] heeft op 26 september 2023 verklaard dat hij op 6 en 7 september 2023 samen met twee anderen bij de woning van verdachte in [plaats 2] is geweest met als doel een geldbedrag van verdachte te incasseren. [benadeelde] had verdachte op 7 september 2023 door het raam gezien en is toen weggelopen. Verdachte kwam de woning uit en is achter hen aangegaan, waarbij één van de anderen riep dat verdachte een vuurwapen vast had.
De politie heeft geverbaliseerd dat zij op de camerabeelden van 6 en 7 september 2023 van de woning van verdachte zien dat verdachte naar buiten loopt en daarbij een vuurwapen in zijn rechterhand vast heeft en deze richt en gericht houdt in de richting waar [benadeelde] heen is gelopen. Deze beelden zijn ook op de zitting van het hof van 31 maart 2026 getoond, waarbij het hof heeft waargenomen dat verdachte met een voorwerp in zijn hand zijn woning uitkomt. Gelet op de vorm van het voorwerp, de manier waarop dit wordt vastgehouden en de wijze waarop hiermee wordt omgegaan gaat het hof ervan uit dat verdachte een wapen in zijn hand had. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat verdachte beschikte over een wapen.
De stelling van verdachte dat hij op 16 september 2023, omstreeks 22.00 uur, niet in [plaats 1] kan zijn geweest
Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 september 2023, omstreeks 22.00 uur, niet in [plaats 1] is geweest. Hij is die dag naar [plaats 3] geweest, naar huis gereden en daarna naar zijn stiefmoeder gegaan.
Het hof acht het, net als de rechtbank, weldegelijk mogelijk dat verdachte op 16 september 2023 rond 22:00 uur bij [coffeeshop] in [plaats 1] was.
Het hof betrekt daarbij dat [naam 4] heeft verklaard dat verdachte, na terugkomst tussen 21.00 en 22.00 uur in [plaats 2] , nog weg is geweest. Dat tijdstip van thuiskomst vindt steun in het feit dat de auto waarin verdachte vanuit [plaats 3] naar huis in [plaats 2] reed middels ANPR is gehit om 20. 39 uur bij [plaats 4] en in het feit dat uit de telefoongegevens van zijn gezelschap die dag, [naam 4] , blijkt dat zij om 21.23 uur weer terug was in hun woonplaats [plaats 2] . Volgens Google Maps is het mogelijk om met een auto bij een gemiddelde snelheid in 17 minuten bij [coffeeshop] in [plaats 1] te zijn. Verder is het volgens 9292OV.nl mogelijk om met de trein van 21.30 uur in 9 minuten in [plaats 1] te zijn en vanaf het station in [plaats 1] is het volgens Google maps zo'n 7 minuten lopen naar [coffeeshop] .
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de persoon is geweest die op 16 september 2023 op [benadeelde] heeft geschoten.
Opzet
Het is vervolgens de vraag of verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [benadeelde] te doden. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Uit de letselrapportage volgt dat [benadeelde] meerdere schotverwondingen had bij zijn borstkas, buik en arm. Er is onder meer een kogel in zijn buik aangetroffen waardoor [benadeelde] leverletsel heeft opgelopen. Het zou levensbedreigend zijn geweest als omliggende organen in de buik van [benadeelde] zouden zijn geraakt. Verder blijkt uit de omschrijving van de camerabeelden van 16 september 2023 dat verdachte terwijl hij achter [benadeelde] aan rent hem meermalen gericht en op korte afstand heeft beschoten. Naar het oordeel van het hof kan uit deze omstandigheden en gedragingen van verdachte worden afgeleid dat hij opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde] .
Voorbedachten rade
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit de beschrijvingen van de camerabeelden van 16 september 2023 volgt dat verdachte zonder enige vorm van zichtbare aarzeling richting [coffeeshop] loopt, voor de deur van [coffeeshop] eerst nog contact heeft met de fietser NN1, vervolgens [coffeeshop] binnen gaat, zoekend de coffeeshop inloopt en weer naar buiten gaat, andermaal contact heeft met de fietser NN1, waarbij door beiden gekeken wordt op de telefoon van de fietser NN1, waarna de verdachte vervolgens richting de zijstraat loopt, de hoek omslaat, een aantal seconden recht tegenover [benadeelde] aan de andere kant van de steeg blijft staan en dan op [benadeelde] afloopt, onderwijl zijn wapen richt en meerdere malen van korte afstand op hem schiet. Wanneer [benadeelde] vlucht voor de schutter en [coffeeshop] binnenrent, rent de schutter weg. Vanaf het moment van komen aanlopen tot het moment van wegrennen beslaat grofweg 60 seconden.
Voornoemd handelen kan naar het oordeel van het hof niet anders worden uitgelegd dan als handelen op grond van een reeds daaraan vooraf genomen besluit, dat vervolgens wordt uitgevoerd. Het hof betrekt daarbij dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte bewapend naar [coffeeshop] is gekomen, volgend op een incident op 7 september 2023 bij de woning van verdachte, waar [benadeelde] bij was, verdachte hem heeft gezien en verdachte met een wapen achter [benadeelde] is aangerend. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte in de tussenliggende tijd het plan heeft opgevat om [benadeelde] van het leven te beroven door hem te beschieten. Verdachte heeft vanaf het moment dat het plan is gemaakt tot aan de uitvoering van dat besluit voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich te beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Het hof acht ook geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachten raad in de weg staan, zodat verdachte naar het oordeel van het hof met voorbedachten raad heeft gehandeld.
Eindconclusie
Het hof acht poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 16 september 2023 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[benadeelde]
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven,
die [benadeelde] met een vuurwapen in de borstkas en/of de buik, althans de romp en/of de arm heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een strafoplegging uit te gaan van een strafmaat behorend bij een poging tot doodslag. Ook wanneer het hof komt tot een bewezenverklaring van een poging tot moord is de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf te hoog. De raadsman heeft, onder verwijzing naar vergelijkbare uitspraken, verzocht om een lagere straf op te leggen.
De raadsman heeft tenslotte verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf tot twee maanden, hetgeen tot een strafkorting van ongeveer vijf procent zou moeten leiden.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op koelbloedige wijze plegen van een poging tot moord. Op straat nabij een drukbezochte coffeeshop, waar zich op dat moment nog meerdere omstanders bevonden, heeft hij meerdere kogels op het slachtoffer afgevuurd. Over de precieze toedracht heeft verdachte geweigerd te verklaren. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij bij verdachte thuis is geweest om een schuld te innen die verband zou houden met oplichting. Het heeft er sterk de schijn van dat deze poging tot moord een afrekening in het criminele circuit is geweest en daarom heeft te gelden als een poging tot liquidatie. De doelgerichtheid van het handelen van verdachte sterkt die gedachte. Liquidaties en pogingen daartoe hebben een ontwrichtende invloed op de samenleving en zorgen voor veel onrust, afschuw en angst. Het belang om tegen dit soort geweld ferm op te reden is groot en evident.
Het slachtoffer werd in zijn borstkas, buik en arm geraakt. Hij is driemaal aan zijn verwondingen geopereerd en heeft ruim een week in het ziekenhuis verbleven. Uit de door zijn advocaat op de zitting in hoger beroep gegeven toelichting op de vordering blijkt dat hij van zijn letsel nog altijd pijn en hinder ondervindt. Niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Hij is bang om over straat te gaan. Dit geldt ook voor zijn kinderen die niet meer met hun vader over straat durven te lopen
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 februari 2026, het [land 1] strafblad van 22 september 2023 en zijn strafblad van de [land 2] van 25 september 2023 blijkt dat verdachte zowel in Nederland als daarbuiten eerder veroordeeld is voor geweldsdelicten en aan de Opiumwet gerelateerde feiten. Dit weegt het hof als strafverzwarend mee.
Verdachte heeft niet willen meewerken aan onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie en de reclassering, omdat hij stelt onschuldig te zijn. Door deze ontkennende houding van verdachte is weinig inzicht verkregen in de achtergrond van verdachte en de redenen voor zijn handelen. Over zijn persoonlijke omstandigheden is het hof dan ook weinig bekend, anders dan wat anderszins uit het dossier blijkt en dat wat verdachte zelf op de zitting van het hof over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard. Hij heeft aangegeven dat hij dagelijks telefonisch contact heeft met zijn dochter van acht jaar en dat hij geen contact heeft met zijn zoon. Hij is door deze zaak het gezag over hem kwijtgeraakt.
Het hof is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een forse duur recht doet aan de aard en ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf en de met strafoplegging na te streven doelen van enerzijds vergelding en anderzijds beveiliging van de maatschappij. Het hof ook heeft gekeken naar straffen die in Nederland in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat zaken zich in het algemeen moeilijk laten vergelijken, omdat iedere zaak anders is.
Het hof heeft ook rekening gehouden met het tijdsverloop. Het hoger beroep is ingesteld op 13 november 2024 en dit arrest wordt gewezen op 14 april 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep zo’n zeventien maanden zijn verstreken. Aangezien verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, had de behandeling moeten plaatsvinden binnen een termijn van zestien maanden. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De overschrijding is deels te wijten aan het nadere onderzoek dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging is uitgevoerd. Daarnaast heeft er een wisseling van raadsman plaatsgevonden, waarbij de huidige raadsman aanvankelijk heeft aangegeven te persisteren bij ingediende, maar door de poortraadsheer afgewezen onderzoekswensen. Op het verzoek om aan te geven welke verzoeken hij handhaafde en die verzoeken nader toe te lichten, is pas kort voor de zitting een reactie gekomen.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de redelijke termijn weliswaar in zeer beperkte mate is overschreden, namelijk met één maand, maar dat vanwege deze geringe overschrijding volstaan kan worden met deze constatering.
Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.785,08, bestaande uit € 785,08 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 10.674,83. Namens de benadeelde partij is in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich, onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal, op het standpunt gesteld dat het bedrag aan immateriële schade geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade kan worden toegewezen op de wijze als door de rechtbank is gedaan. De advocaat-generaal verzoekt ook de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering toe te wijzen op de wijze als door de rechtbank is gedaan. Gelet op uitspraken in vergelijkebare zaken is het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade te hoog en heeft de rechtbank dit bedrag terecht gematigd.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De materiële schade bestaat uit een bedrag van € 350,00 aan daggeldvergoeding, een bedrag van € 324,83 aan kleding en een bedrag van € 110,25 aan overige eigendommen. De opgevoerde schadeposten daggeldvergoeding en kleding zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. Verdachte is tot vergoeding hiervan gehouden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 674,83, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. De onder de post ‘overige eigendommen’ opgevoerde schade is onvoldoende onderbouwd. Nadere onderbouwing, bewijslevering en behandeling van dit deel van de vordering zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden en het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in
vermogensschade en ander nadeel. Dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding, indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft letsel opgelopen. Het hof houdt ook rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Het hof acht, gelet op het voorgaande, een bedrag aan immateriële schadevergoeding van
€ 15.000,00 billijk. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. Het hiervoor genoemde bedrag past bij de bandbreedte van smartengeldbedragen die passen bij het borstletsel waarvan bij de benadeelde partij sprake is. Daarnaast is er ook nog sprake van psychisch letsel. Het hof zal daarom het volledig gevorderde bedrag voor immateriële schadevergoeding toewijzen. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.674,83 (vijftienduizend zeshonderdvierenzeventig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 674,83 (zeshonderdvierenzeventig euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.674,83 (vijftienduizend zeshonderdvierenzeventig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 674,83 (zeshonderdvierenzeventig euro en drieëntachtig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 103 (honderddrie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 september 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. A. van Maanen, mr. N.I.S. Boers en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 april 2026.
Mr. Van Kuilenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.