[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 25 maart 2026 en wat er op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. E.G.S. Rozestraten, is aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de oplegging van bijzondere voorwaarden. Daarnaast is aan verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen beslist dat de bankpas en de OV-chipkaart dienen te worden teruggeven aan [aangeefster] .
De politierechter heeft volstaan met een aantekening van het mondelinge vonnis. Deze aantekening bevat niet alle wettelijke vereisten van een vonnis. Daarnaast komt het hof tot een andere strafoplegging en een andere beslissing ten aanzien van het beslag. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 januari 2025 te [plaats] , zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster]
- meermalen, althans eenmaal op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan/stompen
- meermalen, althans eenmaal bij de keel te pakken/grijpen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 januari 2025, nummer 250104-1128-860, met fotobijlagen, opgemaakt door politie Midden- Nederland, houdende een verklaring van aangeefster [aangeefster] (pagina’s 6 en 7 en pagina’s 10 tot en met 13 en 15);
Op zaterdag 4 januari 2025, was ik samen met hem in mijn woning in [plaats] . Ik woon aan de [adres1] . Dit betreft een woning van het Leger des Heils. Mijn begeleidster is [naam] . In de ochtend is mijn vriend [verdachte] naar mij toe gekomen. Omstreeks 20:15 uur, vroeg ik weer aan hem of hij wilde dweilen voor mij. Toen werd hij geïrriteerd. Hij zei dat hij alleen ging stoffen en niet dweilen.
Ik liep naar de douche omdat ik bang voor hem werd en omdat ik wilde dat hij wegging. Ik heb hem heel vaak gevraagd of hij alsjeblieft weg wilde gaan op een normale manier. Hij werd echter steeds bozer. Hij liep toen naar mij toe terwijl ik in de douche stond. Ik was nog niet aan het douchen en mijn kleding droeg ik nog.
Vervolgens sloeg hij mij meerdere keren met zijn handen op mijn gezicht en op beide oogkassen. Terwijl hij mij sloeg voelde ik pijn. Ik probeerde mijn gezicht te beschermen. Ik kon hierdoor niet goed zien met welke hand en hoe hij mij precies raakte. Tussendoor heeft hij ook met beide handen mijn keel dicht geknepen. Ik weet niet meer hoe lang dit was. Het wisselde ook steeds af. Hij sloeg me, daarna kneep hij weer mijn keel dicht. Uiteindelijk kwam mijn begeleidster mijn woning binnen met de tag. Zij verzocht [verdachte] ook om weg te gaan. Uiteindelijk pakte hij mijn bankpas en OV kaart die op de tafel in de woonkamer lag.
2) Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 5 januari 2025, nummer PL0900-2025004245-6, opgemaakt door politie Midden-Nederland, houdende een verklaring van getuige [naam] (pagina’s 18 tot en met 20);
Gister 4 januari 2025 om 20.13 uur ontving ik een bericht van een bewoonster. Ik hoorde toen gegil van een vrouwenstem. Ik hoorde toen ook een mannenstem. Ik heb de woning opengedaan met een druppel, omdat haar partner [verdachte] daar niet mag zijn en hij was ook niet aangemeld bij mij. Toen ik de deur opendeed, zag ik [verdachte] staan in een gescheurd t shirt. Ik wist dat het [verdachte] (fonetisch) was, omdat wij hem op de [locatie] (de locatie) kennen als de partner van [aangeefster] (het hof begrijpt: aangeefster [aangeefster] ). Ik heb geen letsel bij [verdachte] gezien. Ik hoorde dat hij aan het schreeuwen was. Hij was zichtbaar overstuur. Ik zag dat er speeksel uit zijn mond kwam bij het schreeuwen. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Je wilt mijn geld niet geven, dus dan heb ik lekker jouw pinpas meegenomen"
[aangeefster] was flink toegetakeld in haar gezicht.
Dat [verdachte] hier niet mag komen heeft te maken met het vorige geweldsincident van augustus of september 2024. We hebben met de locatie verschillende afspraken gemaakt. Het bezoek is opgebouwd naar 3 keer per week en één overnachting.
3) Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 6 januari 2025, nummer PL0900-2025004245-12, opgemaakt door politie Midden- Nederland, houdende een verklaring van verdachte (pagina 49 tot en met 50);
V: En wie is uw vriendin?A: [aangeefster] (het hof begrijpt: aangeefster [aangeefster] ).V: Hoe lang zijn jullie al samen?A: Ik denk iets van drie jaar, twee jaar ofzo, in die richting.O: Zoals eerder aangegeven wordt u verdacht van het plegen van een mishandeling. Dit
zou zijn gebeurd op zaterdag 4 januari 2025 omstreeks 20.15 uur.
V: Wat kunt u hier zelf over verklaren?
A: Wat ik daar zelf over kan verklaren, dat ik gewoon die dag bij mijn vriendin was. Zij is ook zwanger. V: Wat moet u doen om ervoor te zorgen dat u wel overdag bij haar in de woning mag zijn?A: We hadden een regeling getroffen daar, ook met de mensen daar, omdat er de vorige keer wij ook ruzie hadden gekregen, toen heb ik zelf ook gezegd dat het beste is dat ik daar op maandag en woensdag op bezoek kan komen en dan donderdag slapen. Ons zoontje was die zaterdag bij haar moeder. Dus ik dacht ik ga haar helpen met het huis opruimen en ons zoontje was er niet dus het was ook rust voor onszelf. Ik ben daar op bezoek gegaan en gebleven maar het mocht niet eigenlijk.
4) De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 25 maart 2026, inhoudende;
Op het fotoblad met registratienummer PL0600-2019229758 (pagina’s 9 tot en met 17 van het politiedossier) is op pagina 9 een foto te zien van een trui waarop rood kleurige vlekken zitten. Op pagina 10 is de zijkant van het hoofd van aangeefster te zien met onder en boven het linkeroog een verkleuring. Op pagina 11 een foto van een onderlip met een rode vlek en een beschadiging. Op pagina 12 een foto van de rechterkant van het gezicht van aangeefster met verkleuringen rondom het oog. Op pagina 13 een foto van de hals van aangeefster met twee evenwijdig lopende strepen en enkele verkleuringen. Op pagina 14 een foto van een onderarm met groengelige verkleuring. Op pagina 15 een foto van aangeefster met twee verkleurde ogen en een opgezwollen neus. Op pagina 16 een foto van een bovenarm met een groen/blauwe vlek. Op pagina 17 een foto van aangeefster met twee blauw verkleurde ogen van aangeefster.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het bestanddeel ‘levensgezel’ dient verdachte te worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair stelt de verdediging dat verdachte aangeefster [aangeefster] slechts van zich heeft afgeduwd en dat hij handelde uit noodweer. Meer subsidiair stelt de verdediging dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel “levensgezel”, aangezien de gebondenheid van partijen enkel is gelegen in het hebben van een kind samen. Partijen hebben geen gezamenlijke huishouding en geen relatie van affectieve aard.
Oordeel van het hof
Bestanddeel levensgezel
Het hof stelt voorop dat het bij het begrip levensgezel gaat om een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Bij de beoordeling kan worden gekeken naar of er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, de duur van de gemeenschappelijke huishouding, of er een relatie van affectieve aard is, en met name of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per sé met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per sé dat betrokkenen met elkaar samenwonen.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het dossier dat tussen aangever en verdachte sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere gehechtheid.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zowel aangeefster als verdachte spreken van een relatie. Aangeefster spreekt in haar aangifte van een mishandeling door haar vriend en verdachte geeft in zijn verhoor aan dat hij al twee of drie jaar samen is met zijn vriendin. Verder blijkt uit het dossier dat aangeefster en verdachte samen een kind hebben en dat aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde in verwachting was van hun tweede kind. Uit het dossier volgt daarnaast dat de begeleiding van de locatie waar aangeefster woont bekend was met verdachte als zijnde de partner van aangeefster. Tussen partijen en de begeleiding was – na een eerdere ruzie – een afspraak gemaakt over het verblijf van verdachte bij aangeefster. Verdachte mag op de maandag en de woensdag bij aangeefster op bezoek komen en op de donderdag mag hij daar overnachten.
Verdachte en aangeefster wonen niet samen en voeren geen gezamenlijke huishouding. Uit het dossier volgt overigens wel dat verdachte aangeefster zou gaan helpen met huishoudelijke taken en dat dat ook de oorzaak was van hun ruzie. Zoals eerder overwogen is samenwonen geen vereiste om te kunnen spreken van een levelsgezel. Naar het oordeel van het hof volgt uit de overige bewijsmiddelen – met name wat betrokkenen daar zelf over verklaren, de komst van hun tweede kind en de afspraken met de locatie over de frequente bezoekmomenten, een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere gehechtheid.
Naar het oordeel van het hof is aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde feit aan te merken als een levensgezel van verdachte en is daarmee sprake van een strafverzwarende omstandigheid.
Tenlastegelegde feit
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde mishandeling van zijn levensgezel wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier blijkt dat verdachte op 4 januari 2025 in [plaats] in de woning was van aangeefster. Dit betreft een beschermd wonen locatie van het Leger des Heils. Aangeefster en verdachte krijgen die dag ruzie over huishoudelijke taken, die eindigt in een fysieke confrontatie in de badkamer. Getuige [naam] , begeleidster van aangeefster, verklaart dat zij, nadat zij wordt gealarmeerd door een medebewoonster, de woning binnengaat en dat zij verdachte en aangeefster hevig ruziënd aantreft. Nadat er twee collega’s arriveren lukt het om verdachte weg te sturen en de politie te bellen. Bij het verlaten van de woning neemt verdachte een pinpas en een OV-kaart mee die op de tafel lag.
De agenten die ter plaatse komen nemen de aangifte op. Aangeefster verklaart in haar aangifte dat zij in de badkamer meerdere keren door verdachte in haar gezicht is geslagen en dat hij haar keel meerdere keren met beide handen heeft dichtgeknepen. Aangehecht aan de aangifte zijn enkele foto’s van het aangetroffen letsel bij aangeefster. Op de foto’s van haar gezicht is te zien dat beide ogen letsel bevatten, verschillend in dikte en verkleuring en ook bij de neus van aangeefster is een verdikking en verkleuring te zien. Daarnaast is op foto’s te zien dat aangeefster rode strepen en verkleuringen heeft in haar nek.
Aangeefster heeft helder en betrouwbaar verklaard over de mishandeling. De verklaring wordt gesteund door de verklaring van getuige [naam] en de foto’s van het letsel van aangeefster. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de aangifte van aangeefster te twijfelen.
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het scenario dat – zoals door de verdediging aangevoerd – aangeefster verdachte een stomp in het gezicht heeft gegeven en dat hij aangeefster vervolgens van zich heeft afgeduwd.
Dit past ook niet bij het bij aangeefster en verdachte geconstateerde letsel. Enerzijds correspondeert de stomp die verdachte zou hebben gekregen niet met de foto’s van zijn letsel en anderzijds correspondeert de gedraging die door de verdachte is erkend, namelijk het van zich afslaan van aangeefster, niet met het forse letsel van aangeefster.
Het hof zal het geschetste scenario van verdachte dan ook als onaannemelijk terzijde schuiven. Ook het scenario van de verdediging dat aangeefster het letsel zichzelf heeft aangedaan acht het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Noodweer
Het hof wil aannemen dat aangeefster zich in de ruzie verbaal en enigszins fysiek niet onbetuigd heeft gelaten. Getuige [naam] verklaart dat zij zag dat het shirt van verdachte gescheurd was en het dossier bevat foto’s van verdachte waarop enkele krassen op zijn lichaam te zien zijn. Maar dat sprake is geweest van een noodweersituatie acht het hof niet aannemelijk geworden. Aangeefster verklaart dat sprake was van ruzie tussen beiden, maar dat verdachte op haar af kwam toen ze in de douche was en dat verdachte begon met fysiek geweld. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat ze aanzienlijk letsel had. Dat verdachte bij de politie eerst ontkent dat hij aangeefster heeft geslagen en haar ‘slechts heeft geduwd’ (pagina 49 van het dossier), even later verklaart dat hij haar heeft ‘weggeslagen’ (pagina 50) en suggereert dat aangeefster het letsel zelf heeft toegebracht (pagina 51), maakt zijn verklaring over zelfverdediging er niet geloofwaardiger op. Daar komt bij dat getuige [naam] verdachte weliswaar heel geëmotioneerd aantrof, maar dat verdachte toen niets over zelfverdediging heeft gezegd.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van zijn levensgezel.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 4 januari 2025 te [plaats] , zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster]
- meermalen tegen het gezicht en het hoofd te slaan/stompen;
- meermalen bij de keel te pakken/grijpen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Indien het hof toch tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw verzocht om een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijk deel. De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met het feit dat sprake was van een ruzie waar beide partijen een rol in hadden. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte en aangeefster geen contact meer hebben en er zich ook geen incidenten meer voorgedaan hebben.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin, mishandeld door haar meerdere keren in het gezicht te slaan en meerdere keren haar keel dicht te knijpen, terwijl zij op dat moment zwanger was van hun tweede kind. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster maar ook het welzijn van hun ongeboren kind in gevaar gebracht. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat verdacht onherroepelijk is veroordeeld voor een Opiumfeit en onder meer onherroepelijke strafbeschikkingen opgelegd heeft gekregen voor verkeersfeiten.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, bij niet voldoen te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden.
Het hof zal, zoals ook door de advocaat-generaal gevorderd, geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen. Hoewel de verdachte wel baat lijkt te (kunnen) hebben bij hulpverlening op verschillende leefgebieden, leidt het hof uit het procesdossier en uit wat op de zitting is besproken af dat verdachte onvoldoende gemotiveerd is om een hulpverleningstraject te starten en af te maken. Dit maakt dat het hof op dit moment onvoldoende toegevoegde waarde ziet in het opleggen van verplicht reclasseringstoezicht.
Beslag
Het hof zal de teruggave van de betaalkaart (bankpas), goednummer [beslagnummer] aan de redelijkerwijs als rechthebbende [aangeefster] gelasten.
Het hof zal gelasten dat de OV-chipkaart, goednummer [beslagnummer2] wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Uit het dossier blijkt niet aan wie de OV-kaart toebehoort.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Gelast het bewaren ten behoeve van de rechthebbende van het nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een OV-chipkaart, goednummer [beslagnummer2] ;.
Gelast de teruggave aan [aangeefster] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een betaalkaart (bankpas), goednummer [beslagnummer] ;.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. J. Hielkema en mr. M.J.F. van der Wolf, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 8 april 2026.