[Verdachte] ,
geboren op [Geboortedatum] 1984 in [Geboorteplaats] ,
wonende te [Adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 maart 2026 en op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het primair tenlastegelegde feit tot een voorwaardelijke taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.Th. van Jaarsveld, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primairhij in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 27 januari 2024, in elk geval in het jaar 2023 en/of het jaar 2024 (tot en met 27 januari 2024) te [Plaats 1] , in elk geval in de gemeente [Gemeente 1] en/of te [Plaats 2] , in elk geval in de gemeente [Gemeente 2] , en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [Slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van in totaal 35.000 euro (zeven stortingen van 5.000 euro), door opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij slachtoffer was geworden van zogenoemde cryptofraude en daarvan in voornoemde periode aangifte had gedaan bij de politie, - al dan niet op verzoek van en/of in overleg met een persoon, zich noemende [Naam 1] , althans een (onbekend gebleven) persoon, het plan heeft opgevat om zich naar die [Slachtoffer] , die inmiddels ook slachtoffer was geworden van (boilerroom)fraude, voor te doen als een persoon die was te vertrouwen en/of (zodoende) - die [Slachtoffer] (door middel van toezending van meerdere mailberichten) ervan te overtuigen en/of gerust te stellen dat die [Slachtoffer] het naar een bankrekening ten name van verdachte overgemaakte (voornoemde) geldbedrag terug zou krijgen en/of dat verdachte het door die [Slachtoffer] gestorte geld op zijn rekening zou houden en/of (wanneer alles was afgerond) weer zou terugstorten en/of dat die [Slachtoffer] het overgemaakte geld (en/of meer) terug zou krijgen, althans (een) bericht(en) en/of mededeling(en) en/of toezegging(en) van gelijke aard en/of strekking, waardoor die [Slachtoffer] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte, terwijl verdachte dat door die [Slachtoffer] overgemaakte geld heeft gestort op een door die [Naam 1] , althans een (onbekend gebleven) persoon, opgegeven bankrekeningnummer.
subsidiairhij in of omstreeks de periode van 9 juni 2023 tot en met 27 januari 2024, in elk geval in het jaar 2023 en/of het jaar 2024 (tot en met 27 januari 2024) te [Plaats 1] , in elk geval in de gemeente [Gemeente 1] en/of te [Plaats 2] , in elk geval in de gemeente [Gemeente 2] , en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van in totaal 35.000 euro (zeven stortingen van 5.000 euro), althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Bewijsoverweging primair tenlastegelegde
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het kan worden bewezen op grond van de aangifte, de e-mailwisselingen tussen verdachte en aangever en het overzicht van de bankrekening van verdachte. Daaruit volgt dat de door aangever naar verdachtes bankrekening overgemaakte geldbedragen kort daarna door verdachte zijn overgeschreven naar een andere bankrekening. Verdachte is zelf opgelicht, maar is in het web van oplichters verstrikt geraakt en heeft met hen samengewerkt in de hoop zijn eigen geld terug te krijgen. Verdachte heeft - in samenwerking met een ander - aangever opgelicht door hem te bewegen tot afgifte van geld, door middel van een samenweefsel van verdichtsels. Dat blijkt uit de leugenachtige mailberichten die hij naar aangever heeft verstuurd om hem over te halen geld over te maken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft aangever niet bewogen tot afgifte van geld. Verdachte heeft alleen gedaan wat hem door ‘ [Naam 1] ’ werd opgedragen. De e-mail van verdachte aan aangever van 17 januari 2024 is onvoldoende om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels.
Oordeel van het hof
Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. Het hof overweegt als volgt:
Op 15 januari 2024 omstreeks 15:13 uur kreeg aangever een e-mail van [E-mailadres 1] . De persoon die deze had gestuurd noemde zich [Naam 2] .
In de e-mail was een zwartwit foto te zien van een Rabobankpas op naam van
[Verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Aangever zag als rekeningnummer [Rekeningnummer 1] vermeld staan. Het pasnummer was [Pasnummer 1] .
Het contact tussen verdachte en aangever verliep uitsluitend per e-mail.
Op verzoek van verdachte heeft aangever geld overgemaakt van zijn bankrekeningnummer [Rekeningnummer 2] op naam van [Slachtoffer] naar het hiervoor genoemde Nederlandse bankrekeningnummer. Dit was om bij een wallet te komen waarin cryptovaluta werden bewaard.
Aangever heeft op 15 januari 2024 een bedrag overgemaakt van € 5.000,00. Op 16
januari 2024 heeft aangever tweemaal € 5.000,00 overgemaakt en op 17 januari 2024 heeft hij viermaal een bedrag van 5.000,00 euro overgemaakt. Al dit geld is naar de Rabobankrekening van [Verdachte] overgemaakt.
De bevindingen inzake bankrekening [Rekeningnummer 1] ten name van [Verdachte] houden het volgende overzicht van transacties in.
Rekeningnummer: [Rekeningnummer 1]
Tenaamstelling: [Verdachte]
Uit de mailwisselingen tussen aangever en verdachte blijkt het navolgende:
Op 17-1-2024 om 09:58 schreef [Verdachte] :
Hallo [Slachtoffer] ,
Ik wil je informeren dat het geld wat je gestuurd hebt mijn verantwoordelijkheid is.
En ik dit geld op mijn bank rekening houd.
Wanneer alles is afgerond, zal ik het geld terug sturen naar jou.
Na de laatste transactie van € 15.000 is het klaar.
Vriendelijke groet,
[Verdachte]
Van: [Slachtoffer] < [E-mailadres 2] >
Verzonden: Wednesday, January 17, 2024, 4:52:48 PM (het hof begrijpt: 16:52:48 uur)
Aan: [Verdachte] < [E-mailadres 3] >
Onderwerp: Re: conv. just had with [Naam 3] ;
Hallo [Verdachte] ,
Als een onbekende, maar naar ik hoop tzt beminde vriend/kennis, vraag ik je eerlijke advies over een gesprek dat ik zojuist had met [Naam 3] , [Naam 2] boss zoals ik begreep.
Na al het geld dat ik reeds overgemaakt heb, vroeg hij mij om een allerlaatste overmaking van 5K, die dan geretourneerd zou worden als 10K; deze 10K zou dan weer 20K worden; deze 20K zou 40K worden, etc. etc.
Wat moet ik hiervan geloven na al de "laatste" verzoeken die ik reeds van [Naam 2] heb gekregen en waaraan ik heb voldaan. Mijn spaarrekening is uitgeput na dit laatste verzoek om opnieuw 5K.
Gezien deze situatie zou ik je professioneel advies zeer op prijs stellen mits het niet tegen je
zakelijke belangen ingaat.
Bij voorbaat dank en met vriendelijke groeten,
[Slachtoffer] .
Op 17-1-2024 om 17:06 schreef [Verdachte] :
Hallo [Slachtoffer] ,
Alles is in orde, ik heb alles onder controle. Dit is het laatste wat u hoeft te doen en u krijgt uw geld terug.
Vriendelijke groet,
[Verdachte]
Oplichting
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de afgifte van geldbedragen. De mail van verdachte aan aangever op 17 januari 2024, van 09:58 uur acht het hof doorslaggevend. Deze e-mail duidt op een patroon. Verdachte schrijft immers aan aangever dat al het geld dat aangever heeft overgemaakt zijn verantwoordelijkheid is, dat hij het geld op zijn rekening houdt en dat aangever zijn geld terugkrijgt. Uit de bevindingen van het bankrekeningnummer van verdachte volgt dat verdachte op 17 januari 2024, na het versturen van deze e-mail van 09:58 uur aan aangever, vier keer € 5.000,00 kreeg overgemaakt van aangever, om 12:38 uur, 12:43 uur, 14:22 uur en 16:23 uur. Vervolgens heeft verdachte deze geldbedragen op 17 januari 2024 echter telkens kort na het overmaken door aangever – in strijd met de waarheid – overgemaakt naar [Bedrijf] . Verdachte doet op 17 januari 2024 dus niet wat hij heeft beloofd aan aangever, namelijk dat hij het geld op zijn rekening zou houden. Toen aangever op 17 januari 2024 om 16:52 uur verdachte vroeg om advies, antwoordde verdachte vervolgens dat hij alles onder controle had en dat aangever zijn geld zou terugkrijgen. Deze e-mail van verdachte versterkt zijn eerdere leugen dat hij het overgemaakte geld onder zich zou houden, in aanmerking genomen dat het door aangever overgemaakte geld niet meer op de bankrekening van verdachte stond en verdachte daar dus geen controle meer over had. Het hof stelt vast dat verdachte aangevers vertrouwen heeft gewekt en leugenachtige mededelingen heeft gedaan.
Medeplegen
Naar het oordeel van het hof is sprake van een voldoende bewuste nauwe samenwerking tussen verdachte en een onbekend gebleven persoon, die bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting van aangever. Het hof leidt uit het strafdossier af dat sprake was van een patroon, waarbij aangever in een tijdbestek van drie dagen zeven keer € 5.000,00 heeft overgemaakt op de bankrekening van verdachte. Aangever kreeg op 15 januari 2024 een e-mail van een persoon die zich ‘ [Naam 2] ’ noemde. In die e-mail stond een foto van de bankpas van verdachte met daarop zijn bankrekeningnummer. Dit was essentieel voor de oplichting omdat aangever vervolgens de geldbedragen heeft overgemaakt op dat bankrekeningnummer dat op naam stond van verdachte. De gezamenlijke uitvoering tussen verdachte en zijn mededader bestond uit het onderhouden van mailcontact met aangever, die eerst gezegd werd dat hij geld naar de bankrekening van verdachte moest overmaken en vervolgens (herhaaldelijk) gerustgesteld werd dat hij zijn geld zou terugkrijgen.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, het medeplegen van oplichting.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij in de periode van 15 januari tot en met 17 januari 2024, te [Plaats 1] en/of te [Plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [Slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van in totaal 35.000 euro (zeven stortingen van 5.000 euro), door opzettelijk in strijd met de waarheid, tezamen en in vereniging met zijn mededader,
- die [Slachtoffer] (door middel van toezending van meerdere mailberichten) ervan te overtuigen en/of gerust te stellen dat die [Slachtoffer] de naar een bankrekening ten name van verdachte overgemaakte (voornoemde) geldbedragen terug zou krijgen en/of dat verdachte het door die [Slachtoffer] gestorte geld op zijn rekening zou houden en/of (wanneer alles was afgerond) weer zou terugstorten, waardoor die [Slachtoffer] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte, terwijl verdachte dat door die [Slachtoffer] overgemaakte geld heeft gestort op een door een onbekend gebleven persoon opgegeven bankrekeningnummer.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht
Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van de door de politierechter opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, rechtvaardigt.
Uit het verdachte betreffende strafblad van 19 februari 2026, blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit. Ook na het onderhavige feit is geen sprake meer geweest van contacten met politie en justitie.
Bij de vraag of en welke straf opgelegd dient te worden spelen de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte een rol.
Voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit is verdachte zelf tot tweemaal toe het slachtoffer geworden van boilerroomfraude, waardoor hij € 170.000,00 is kwijtgeraakt. Desondanks – of als gevolg daarvan – heeft hij aangever bewogen tot aangifte van € 35.000,00, in de hoop dat hij een deel van eigen geld terug zou krijgen. Op de zitting van het hof is gebleken dat verdachte vóór het bewezenverklaarde feit zijn ouders had verloren en dat hij de gehele nalatenschap door oplichting is kwijtgeraakt. Verdachte heeft zijn eigen huis moeten verkopen om zijn zus haar erfdeel te kunnen uitkeren.
Voorts is gebleken dat verdachte na zijn veroordeling door de politierechter de benadeelde partij volledig schadeloos heeft gesteld.
Ten slotte is recent de vriendin van verdachte overleden en draagt hij thans de volledige zorg voor haar elfjarige dochter. Verdachte kampt met PDD-NOS en heeft lichamelijke klachten waardoor hij niet meer kan werken. Op dit moment ontvangt verdachte een Wajong-uitkering. Door al het leed dat verdachte is overkomen heeft hij hulp gezocht bij een psycholoog.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat het, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan – waaronder het gegeven dat verdachte voor ongeveer €200.000,00 zelf het schip in is gegaan - de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte aangever inmiddels schadeloos heeft gesteld, raadzaam is geen straf of maatregel op te leggen. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Stafrecht.
Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.000,00, bestaande uit materiële schade. De vordering van de benadeelde partij is door de politierechter in zijn geheel toegewezen.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering verlaagd met € 35.000,00, omdat hij heeft aangegeven het bedrag reeds te hebben ontvangen. Op de zitting van het hof heeft verdachte bevestigd dat hij het bedrag van € 35.000,00 heeft betaald aan de benadeelde partij.
Gelet op het vorenstaande heeft het hof niet te beslissen op de vordering van de benadeelde partij.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9a, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het primair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mr. L.T. Wemes, mr. G.A. Versteeg en mr. M.M. Dolman, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 april 2026.